• Voorstel voor een dierproef. Effecten van perinatale blootstelling aan foliumzuur op de ontwikkeling van lichaamsgewicht

      van der Ven L; Dolle MET; GBO; CVG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-07-09)
    • Voorstel voor het classificeren van elf chemische verbindingen op basis van BCW-schema

      van Koten-Vermeulen JEM; van der Heijden CA; Kramers PGN; Struijs J; Canton JH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-02-28)
      Op basis van gegevens uit de literatuur aangevuld met eigen laboratoriumonderzoek worden elf stoffen (aniline, benzylideenchloride, o-, m-, en p-chlooraniline, 2,5-dichloorbenzoezuur, 1,2-dichloormethaan, epichloorhydrine, hexachloorbenzeen, hexachloorcyclopentadieen en trifluralin) geclassificeerd als zwarte of grijze lijststof volgens het door de Werkgroep Beoordelingscriteria Waterverontreiniging opgestelde selectieschema. 1,2-Dichloorethaan, epichloorhydrine, o-, m-, p-chlooraniline, 2,5-dichloorbenzoezuur, hexachloorbenzeen en hexachloorcyclopentadieen zijn als zwarte lijststoffen geclassificeerd. Dit geldt ook voor trifluralin, doch op basis van structuurverwantschap. Aniline en benzylideenchloride zijn voorlopig als grijze lijststoffen geclassificeerd. In het rapport zijn tevens aanbevelingen geformuleerd m.b.t. eventueel aanvullend literatuur en/of laboratoriumonderzoek om een betere onderbouwing te verkrijgen van een aantal classificatie-voorstellen.<br>
    • Voorstellen en suggesties tot verhoging van de influenzavaccinatiegraad in Nederland

      Planting KE; Engel HWB (1991-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Voorstellen II voor trendbepaling in grondwater voor de KRW en de GWR

      Verweij W; Meijles JG; Reijnders HFR; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-06-21)
      In de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en Grondwaterrichtlijn (GRW) is bepaald dat concentraties van verontreinigende stoffen in grondwater niet mogen stijgen. In de praktijk bleek het lastig om een dergelijke stijging vast te kunnen stellen. In twee eerder verschenen rapporten heeft het RIVM, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), praktische adviezen gegeven om de technische richtlijnen uit de EU nader uit te werken. Uitgangspunt hierbij is dat bestaande informatie wordt gebruikt om trend te bepalen. Hierbij bleven vraagstukken over, waarvoor de Provincies met het RIVM in het onderliggend rapport oplossingen aanreiken. Uiteindelijk zal een protocol worden opgesteld om trends in de concentratie van stoffen, en daarmee de grondwaterkwaliteit, te kunnen bepalen. Voorbeelden van overgebleven vraagstukken zijn: wat te doen bij een tekort aan informatie of bij onvolledige tijdsreeksen, waarbij op een waarnemingspunt de concentratie van een stof door de tijd heen wordt gemeten. In zulke gevallen kan de trend worden vastgesteld op basis van een 'deskundigenoordeel'. Bij een deskundigenoordeel wordt niet met data gerekend maar beoordelen deskundigen de grondwaterkwaliteit kwalitief aan de hand van de beschikbare data. De Provincies en het RIVM hebben hiervoor een protocol opgesteld. De ouderdom van grondwater hoeft formeel niet te worden bepaald maar kan worden gebruikt om trends in het grondwatersysteem beter te begrijpen.
    • Voorstellen voor (no)effectlevels van een aantal bestrijdingsmiddelen voor het aquatisch ecosysteem op basis van literatuuronderzoek

      Koten-Vermeulen JEM van; Canton JH (1988-07-31)
      Om een indruk te krijgen over de toxiciteit van zestiental in het kassengebied te Delfland in gebruik zijnde bestrijdingsmiddelen voor het aquatisch ecosysteem is op basis van literatuuronderzoek een voorstel gedaan voaor acute en chronische effectlevels en veilige waarden. Bij het bepalen van deze veilige waarden is gebruik gemaakt van een viertal verschillende extrapolatiemethoden.
    • Voorstellen voor trendberekening in grondwater voor de KRW

      Verweij WHJ; Zijp MC; Boumans LJM; Reijnders HFR; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-08-09)
      In de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is bepaald dat concentraties van verontreinigende stoffen in grondwater niet mogen stijgen. In de tien jaar dat deze richtlijn van kracht is, bleek dat het in de praktijk erg lastig is om een dergelijke stijging vast te stellen. Het RIVM geeft daarom, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) praktische adviezen om de belangrijkste problemen hierbij aan te pakken. Uitgangspunt daarbij is de beschikbare informatie op de juiste manier te gebruiken en te interpreteren in plaats van meer te gaan meten. Zo kan met weinig gegevens toch al een (soms voorzichtige) conclusie worden getrokken.
    • Voorstudie basisdocument grof stof

      Slooff W (ed); Heijden CA van der; Heijna-Merkus E; Matthijsen ACJM; Rombout PJA; Boeft J den*; Duiser JA*; Duijm NJ*; Hollander JCT*; Most PFJ van der* (1987-06-30)
      Dit rapport is een voorstudie t.b.v. het mogelijk opstellen van een basisdocument grof stof in het kader van het effectgericht milieubeleid.
    • Voortgangsrapport Verzuringsonderzoek 1986

      Schneider; T.; Bresser; A.H.M. (1987-03-31)
      Dit voortgangsrapport is gebaseerd op resultaten gepresenteerd tijdens het tweede symposium verzuringsonderzoek, gehouden op 24-28 november 1986 te Bilthoven en op tussentijdse rapporten die door de onderzoeksinstellingen zijn versterkt. Tevens wordt ingegaan op beleidsvragen die bij de start van het programma zijn gesteld.
    • Voortgangsrapportage 2003, Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid

      Loon AJM van; Veldhuizen H; PZO; GGD Nederland (GGD Nederland, 2004-08-23)
      In 2002 is het project "Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid" (Monitor VGZ) van start gegaan. Het project is een samenwerking tussen GGD'en, het RIVM en GGD Nederland. Met dit project wordt een basis gelegd voor continue monitoring van de belangrijkste indicatoren van de gezondheid op lokaal en landelijk niveau. Het project is erop gericht de lokale gegevensverzamelingen die plaatsvinden bij GGD'en, op elkaar af te stemmen zodat na samenvoeging een nationaal beeld kan worden verkregen. Gegevens uit diverse regio's kunnen dan tevens onderling vergeleken worden, en de vergelijking met landelijke referentiecijfers behoort tot de mogelijkheden. In deze voortgangsrapportage 2003 wordt een beschrijving gegeven van de projectstructuur, van de in 2003 geplande en uitgevoerde activiteiten en van de planning voor 2004. De activiteiten van 2003 hadden vooral betrekking op de ontwikkeling van standaardvraagstellingen en van een ondersteuningsstructuur. De ondersteuningsstructuur is nodig voor het opslaan van de lokaal verzamelde gegevens, het creeren en toegankelijk maken van landelijke referentiecijfers en het ter beschikking stellen van verschillende datasets.
    • Voortgangsrapportage 2003, Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid

      Loon AJM van; Veldhuizen H; GGD Nederland; PZO; GGD Nederland (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-08-23)
      The project "Local and National Public Health Monitor" was launched in 2002 as a joint venture of the regional Community Health Services, the National Institute of Public Health and the Environment, and the Netherlands Association of Community Health Services. Its major aim is to bring about a uniform collection of regional data by the Community Health Services. This will enable both a comparison of regional data and a comparison of regional with national reference data, ultimately to support health policies at a local and national level. The project also entails the development of a support structure and database, to store the information collected and to generate national and regional reference data. This progress report describes the structure of the project, the activities performed in 2003 and the activities planned for 2004. The activities carried out in 2003 include the design of standardised questionnaires for a uniform data collection, and the development of the support structure. The activities planned for 2004 include the standardisation of questionnaires, the further development of the support structure and the enhancement of methodological support.
    • Voortgangsrapportage activiteiten RIVM ten behoeve van KWS 2000

      Buck A de; Poel P van der; Quarles van Ufford CHA van (1992-03-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Voortgangsrapportage Evaluatie SaneringsUrgentieSystematiek; Knelpuntenanalyse en verkenning oplossingsrichtingen

      Lijzen JPA; Otte PF; Kovar K; Swartjes FA; Bloemen H; Hoogendoorn E; Krystek P; Ritsema R; Rompelberg C; Verschoor A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-11-07)
      The Remediation Urgency Method (SUS), a method in the Netherlands to determine the urgency of soil remediation, was introduced in 1994 to prioritise the remediation of contaminated sites in the Netherlands. The methodology is based on human and ecological risk assessment and risks of contaminant migration. Here, the analysis of the restraints in the method are described, focusing on the site-specific risk assessment for humans and contaminant migration. Restraints were established on the basis of interviews with experts and earlier evaluations of the method. Based on the restraints found and estimates on scientific feasibility, options for possible solutions have been prioritised. Besides this, an initial exploration of solutions has been undertaken for some options. For human risk assessment, exploration focused on estimating the oral bioavailability of soil contaminants, and measuring the concentrations in consumption crops and indoor air. A risk assessment framework was developed for risk of contaminant migration, and a tool to assess the leaching of contaminants in the (unsaturated) soil was explored. Studies to improve the site-specific risk assessment of soil contamination are continuing in 2003 and 2004. These focus on overcoming the identified restraints and exploring solutions with a high priority.
    • Voortgangsrapportage Evaluatie SaneringsUrgentieSystematiek; Knelpuntenanalyse en verkenning oplossingsrichtingen

      Lijzen JPA; Otte PF; Kovar K; Swartjes FA; Bloemen H; Hoogendoorn E; Krystek P; Ritsema R; Rompelberg C; Verschoor A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-11-07)
      De SaneringsUrgentieSystematiek (SUS) is in 1994 ontwikkeld om de urgentie van ernstige gevallen van bodemverontreiniging te bepalen. De methode is gebaseerd op risico's voor de mens, voor ecosystemen en verspreiding van verontreiniging. Het rapport behandelt de knelpuntenanalyse van de locatiespecifieke humane risicobeoordeling en de beoordeling van verspreidingsrisico's. Op bases van interviews met deskundigen en resultaten van eerder uitgevoerde evaluaties zijn de belangrijkste knelpunten benoemd en zijn oplossingsrichtingen aangegeven en geprioriteerd, mede op basis van wetenschappelijke haalbaarheid. Naast deze analyse zijn enkele verkenningen van oplossingsrichtingen en mogelijke verbeteringen uitgevoerd. Voor de humane risicobeoordeling is ingegaan op het bepalen van de orale biobeschikbaarheid, het meten van concentraties in gewas en het meten van binnenlucht concentraties. Voor de beoordeling van verspreidingsrisico's is een raamwerk voor beoordeling opgesteld en is een studie uitgevoerd naar een methode voor beoordeling van uitloging in de onverzadigde bodem. Onderzoek naar de verbetering van de locatiespecifieke risicobeoordeling van bodemverontreiniging zal zich in 2003 met name richten op de oplossingsrichtingen waaraan een hoge prioriteit is toegekend.<br>
    • Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2019

      van Giessen, A; Boer, J; van Gestel, I; Douma, E; du Pon, E; Blokstra, A; Koopman, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-23)
      De meer dan 70 partijen die eind 2018 het Nationaal Preventieakkoord (NPA) hebben afgesloten, zijn in 2019 met het overgrote deel van de afspraken aan de slag gegaan. Binnen alle drie de deelakkoorden is het grootste gedeelte van de afspraken in 2019 in uitvoering (62% voor roken, 80% voor overgewicht en 65% voor problematisch alcoholgebruik). Veel andere afspraken zijn in voorbereiding (14% voor roken, 17% voor overgewicht en 20% voor problematisch alcoholgebruik). Een klein deel van de afspraken (2%-5%) was eind 2019 al afgerond. Het deel van de afspraken dat eind 2019 nog niet was gestart, is ook klein: 8% voor roken, 0% voor overgewicht en 10% voor problematisch alcoholgebruik. Met het NPA willen het ministerie van VWS en meer dan 70 partijen bijdragen aan een gezonder Nederland. Zij willen dat in 2040 minder mensen roken, minder mensen overgewicht hebben en minder mensen problematisch alcohol gebruiken. Vanaf 2010 is een daling te zien in het aantal volwassen Nederlanders die roken naar 22% in 2019. De ambities is dat in 2040 maximaal 5% van de volwassen Nederlanders nog rookt. Voor overgewicht is het doel om het aantal mensen met overgewicht terug te brengen tot minder dan 40% in 2040. In 2019 was het percentage volwassenen met overgewicht met 50% ongeveer gelijk aan dat van 2018. In 2019 dronk 9% van de volwassen Nederlanders overmatig en 9% zwaar. Het streven is dat zowel voor overmatig als voor zwaar drinken in 2040 is gedaald naar maximaal 5%. In het NPA is afgesproken dat het RIVM ieder jaar verslag zal uitbrengen over de uitvoering van de gemaakte afspraken van het NPA. Door middel van een gericht en herhaalde uitvraag bij alle deelnemende partijen is zo veel mogelijk concrete en cijfermatige voortgangsinformatie verzameld. De rapportage richt zich vooral op doelen die in 2020 bereikt moeten worden. In alle deelakkoorden is het voor een deel van de doelstellingen en afspraken onduidelijk wanneer de activiteiten plaatsvinden, door welke partij het uitgevoerd wordt of wat de concrete uitkomst is. Met name voor dit soort afspraken was de aangeleverde informatie over de voortgang van de afspraken niet altijd cijfermatig of concreet. Hierdoor, maar ook omdat de uitvoering van de afspraken binnen het NPA pas een jaar onderweg is, zegt de voortgang over 2019 nog niets over het al dan niet behalen van de ambities in 2040.
    • Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2020

      van Giessen, A; Boer, J; van Gestel, I; Pees, S; Douma, E; Kuijpers, T; du Pon, E; Nawijn, E; Koopman, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-06)
      Het Nationaal Preventieakkoord is in 2018 afgesloten om ervoor te zorgen dat er minder mensen roken, overgewicht hebben of problematisch drinken. Hiervoor zijn afspraken gemaakt met meer dan 70 partijen. Het RIVM evalueert elk jaar de voortgang van deze afspraken en of de gestelde doelen zijn gehaald. Voor 2020 waren 39 doelen gesteld. Daarvan zijn er dertien gehaald, en twee net niet. Bijna de helft (18) van de doelen is nog niet gehaald. Zo zijn bijvoorbeeld hogere accijnzen op tabak ingevoerd, maar zijn kinderboerderijen en speeltuinen nog niet geheel rookvrij. Ook is het doel voor minder calorieën in A-merk frisdranken gehaald, maar sommige doelen voor minder calorieën in andere voedingsmiddelen nog niet. Voor scholen zijn inmiddels interventies voor alcoholpreventie beschikbaar, maar er zijn nog geen oplossingen voor de beïnvloeding van jongeren door alcoholreclames. Van zes doelen voor 2020 is er nog te weinig informatie om te bepalen of ze zijn gehaald. Een deel van de partijen geeft aan dat de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 eraan heeft bijgedragen dat niet alle doelen voor 2020 zijn gehaald. Activiteiten konden niet doorgaan of zijn uitgesteld door bijvoorbeeld de maatregelen om contacten te beperken. Ook hadden bijvoorbeeld de zorg, de horeca en het onderwijs vanwege de coronapandemie regelmatig andere prioriteiten dan leefstijlpreventie. Volgens schattingen van het RIVM uit 2018 is het mogelijk dat de afspraken van het Nationaal Preventieakkoord ertoe leiden dat de ambitie van minder dan vijf procent rokende volwassenen wordt behaald in 2040. Hieruit bleek ook dat er extra afspraken nodig zijn om te bereiken dat er in 2040 geen jongeren en zwangere vrouwen roken. Die zijn ook nodig om de ambities voor problematisch drinken of overgewicht in 2040 te halen. Het is nog niet duidelijk in welke mate de ambities van 2040 in de knel komen door de niet behaalde doelen in 2020. Het RIVM rekent in 2023 opnieuw door in hoeverre ambities van het Nationaal Preventieakkoord kunnen worden gehaald in 2040.
    • Voortgangsrapportage project Saneringscriterium. januari - juli 2007

      Otte PF; Brand E; Mesman H; Rutgers M; Swartjes FA; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-28)
      In dit briefrapport wordt een overzicht gegeven van de werkzaamheden uitgevoerd in de periode januari-juli 2007 voor het project Saneringscriterium. In de eerste helft van 2007 heeft het RIVM gewerkt heeft aan de implementatie van de besluiten van het project Normstelling Bodemkwaliteit in Sanscrit. Sanscrit wordt in het milieuhygienisch saneringscriterium aangewezen als instrument voor de beoordeling van ernstig verontreinigde locaties. Deze werkzaamheden zijn in overleg met de Projectbegeleider van VROM uitgevoerd. In de tweede helft van 2007 worden de activiteiten voortgezet.
    • Voortgezet onderzoek naar de migratie van N-nitrosaminen en nitroseerbare verbindingen uit spenen en fopspenen

      Ellen. G.; Sahertian; E.T.; Battum; D.van* (1985-11-30)
      In totaal 17 monsters spenen en 14 monsters fopspenen werden onderzocht op afgifte van N-nitrosaminen (NA) en nitroseerbare verbindingen aan een speekselsimulant. Krachtens het Verpakkingen- en Gebruiksartikelenbesluit (Warenwet) mag bij spenen de afgifte van NA en nitroseerbare verbindingen (bepaald als NA na nitroseren) maximaal resp. 1 ug/kg speen en 20 ug/kg speen bedragen. Van de onderzochte spenen bleek er geen aan deze eisen te voldoen en van de fopspenen slechts een. Het overgrote deel der onderzochte monsters overschreed de gestelde limieten zelfs meer dan 10-voudig. De navolgende NA werden na afloop van de migratieproef in de speekselsimulant aangetroffen: N- nitrosodimethylamine (NDMA), N-nitrosodiethylamine (NDEA), N- nitrosodi-n-butylamine (NDBA), N-nitrosopiperidine (NPIP), N- nitrosomorfoline (NMOR), N-nitrosomethylfenylamine (NMPhA) en N- nitrosoethylfenylamine (NEPhA).
    • Voortgezet onderzoek naar de verdeling van sterigmatocystine in kaas

      Egmond; H.P.van; Paulsch; W.E. (1984-12-31)
      Onderzoek is verricht naar de verdeling van sterigmatocystine in de korst van enkele kazen gerijpt in kaaspakhuizen, een kaas gerijpt op het Nederlands Instituut voor Zuivelonderzoek (NIZO) en een boerenkaas. Gebleken is dat het sterigmatocystine-gehalte over het oppervlak van de kaas varieerde en dat bij de pakhuis-kazen sterigmatocystine slechts tot op 2-3 mm diepte in de buitenlaag van de kaas aantoonbaar was. De boerenkaas werd tot op 3 mm diepte op sterigmatocystine onderzocht. De hoeveelheden sterigmatocystine, gevonden op deze diepte deden vermoeden dat sterigmatocystine op grotere diepte ook nog aanwezig was. De vraag of de waargenomen verdelingsverschillen tussen pakhuis-kaas en boerenkaas kenmerkend zijn voor deze produkten, kan wegens het beperkte getallenmateriaal in deze fase van het onderzoek niet worden beantwoord. Voorgesteld wordt derhalve een afsluitend onderzoek naar de verdeling van sterigmatocystine in kaas te verrichten.
    • Vossenlintwormonderzoek in Groningen en Drenthe : 2016-2017

      Maas M; van Roon A; Broek I van den; Franssen FFJ; Takumi K; de Melker HE; D&V; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-12-05)
      The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has investigated the spread and incidence of the fox tapeworm in the north-east of the Netherlands. From 1 October 2016 to 31 March 2017, 171 red foxes in the provinces of Groningen and Drenthe were examined. The fox tapeworm was discovered in two foxes, both of which originated from the province of Groningen. This is in accordance with the results from previous studies, although the area in which the fox tapeworm is prevalent seems to have expanded slightly. The fox tapeworm (Echinococcus multilocularis) is a parasite that occurs in foxes. If humans ingest the eggs of the fox tapeworm, they can develop a disease known as alveolar echinococcosis, a severe disease of the liver. In the Netherlands, the tapeworm has so far been found in foxes in Limburg and East Groningen.
    • Het vóórkomen van sterfte, ziekten, aandoeningen en gezondheidsklachten onder (ex-)POMS-medewerkers

      kempen E van; Rijs K; M&G; DMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-04)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061