• Volksgezondheidsaspecten van "oestrogene stoffen" in het milieu

      Mennes W; Piersma AH; ACT; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-05-31)
      Betreft de resultaten van een beperkte literatuurstudie naar de consequenties van hormoonverstorende, meer in het bijzonder oestrogene stoffen, voor de volksgezondheid. Van ca. 55 milieuverontreinigende stoffen of stofgroepen wordt momenteel aangenomen dat ze kunnen interfereren met de humane voortplanting via een hormoonverstorende werking, waarschijnlijk via een grote verscheidenheid aan toxische mechanismen. De beschikbare gegevens wijzen erop dat een groot aantal van deze stoffen geen receptor-afhankelijke oestrogene werking heeft. De aandacht voor deze stoffen hangt samen met een gerapporteerde mogelijke afname in de kwaliteit van het sperma. Voor andere verschijnselen, in het bijzonder borstkanker en testiskanker, wordt een toename in voorkomen gerapporteerd. Verondersteld wordt dat deze effecten te maken zouden kunnen hebben met een toegenomen blootstelling aan oestrogene stoffen. Er zijn echter geen experimentele gegevens die deze gevolgtrekking ondersteunen. Een eerste zeer voorlopige schatting geeft aan dat de blootstelling aan antropogene oestrogene milieucontaminanten een veel geringere bijdrage aan de totale blootstelling aan oestrogene stoffen levert, dan de blootstelling aan endogene oestrogene stoffen of de vrijwel onvermijdbare blootstelling aan natuurlijke oestrogene stoffen via de voeding. Verder kan op zijn minst een deel van de verschijnselen tevens worden toegeschreven aan andere factoren die in de loop van de tijd veranderd zijn, zoals bijvoorbeeld voedingspatroon. Om met enige stelligheid uitspraken te kunnen doen over een mogelijk causaal verband tussen het optreden van gezondheidsverschijnselen en blootstelling aan hormoonverstorende stoffen is meer onderzoek nodig, zowel naar het optreden van de gerapporteerde verschijnselen als naar de blootstelling aan dergelijke stoffen als naar de associatie tussen deze twee.<br>
    • Volksgezondheidsaspecten van veehouderij-megabedrijven in Nederland; zoonosen en antibioticumresistentie

      Kornalijnslijper JE; Rahamat-Langendoen JC; van Duynhoven YTHP; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-02-12)
      De ontwikkeling naar mega-veehouderijen kan ertoe leiden dat infectieziekten die van dier op mens overdraagbaar zijn (zoonosen), meer gaan voorkomen. Deze bedreiging is te verminderen wanneer aan de schaalvergroting extra voorwaarden worden gesteld. Hierbij moet men denken aan voldoende afstand tussen bedrijven, geen combinatie van varkens en kippen op een locatie en een minimaal gebruik van antibiotica. Het stalontwerp en de bedrijfsvoering moeten gericht zijn op een zo klein mogelijk risico op introductie en verspreiding van (voor antibioticum ongevoelige) micro-organismen. Gesloten bedrijven, die zoveel mogelijk van start tot slacht op een locatie werken, kunnen verspreiding van infectieziekten voorkomen.
    • Volksgezondheidseffecten van verstoring ; een inventarisatie van volksgezondheids-indicatoren en lokale monitoringsactiviteiten m.b.t. verstoring

      Rademaker BC; Staatsen BAM; Hollander AEM de; CCM (1997-02-28)
      Uit beschikbare literatuur zijn relevante gezondheidseffecten van geluid, geur en lokale luchtverontreiniging geinventariseerd en geselecteerd op basis van hun bruikbaarheid als indicator voor de monitoring van verstoring. Voor geluid kunnen hinder, klachten en slaapverstoring momenteel al toegepast worden. Voor geur zijn hinder en klachten bruikbare gezondheidsindicatoren. Overige gezondheidsindicatoren (medicijngebruik, ervaren gezondheid, voorkomen van luchtwegaandoeningen, bloeddruk, hart- en vaatziekten en geboortegewicht) dienen nader ontwikkeld te worden (blootstelling-responsgegevens of databestanden) voor toekomstige toepassingen, al worden enkele indicatoren al in beperkte mate toegepast. Vervolgens is geinventariseerd of er op gemeentelijk, regionaal en provinciaal niveau gegevens over gezondheidsindicatoren voor verstoring verzameld worden. Uit literatuuronderzoek en interview-gegevens blijkt dat er nog weinig aansluiting is tussen de verschillende milieumonitoringssystemen van gemeenten onderling. Op provinciaal niveau lijkt momenteel weinig aandacht te bestaan voor verstoringsaspecten als geluid en geur bij het opzetten van een monitoringssysteem. Er is op gemeentelijk, regionaal en landelijk niveau belangstelling voor gelijksoortige effectindicatoren voor verstoring, maar de wijze van gegevensverzameling en vragenlijstonderzoek lopen meestal zo uiteen dat gegevensuitwisseling en onderlinge vergelijkingen momenteel niet mogelijk zijn. Afstemming en standaardisatie van de monitorings- en onderzoeksactiviteiten op de verschillende bestuurlijke niveaus zijn gewenst om vergelijking met andere regio's en het landelijke beeld mogelijk te maken. Dit is van belang om de bijdrage van verschillende overheden aan het behalen van de nationale doelstellingen te monitoren. Er wordt aanbevolen de geselecteerde gezondheidsindicatoren verder te ontwikkelen voor de monitoring van gezondheidseffecten van verstoring. Daarnaast is het gewenst om een proefproject op te zetten waarin verschillende overheden tot een (gedeeltelijke) integratie proberen te komen van de monitoringssystemen en gezondheidsindicatoren voor verstoring.
    • Volksgezondheidseffecten van verstoring ; een inventarisatie van volksgezondheids-indicatoren en lokale monitoringsactiviteiten m.b.t. verstoring

      Rademaker BC; Staatsen BAM; Hollander AEM de; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-02-28)
      Health indicators have been selected which can be used in monitoring health effects of disturbance on a national and/or local scale. It can be concluded that for noise, odour and local air pollution several health indicators are available which can be used to evaluate national and regional environmental policy. For noise the indicators annoyance, complaints and sleep disturbance can already be applied, for odour the indicators annoyance and complaints. For other health indicators (medication use, perceived health, hospital admission rates or questionnaire data on respiratory disease, bloodpressure, cardiovascular diseases and birthweight) further development of exposure-response relationships and datasets is needed for future applications, although some of them have already been used to a limited degree. Based on this study it is recommended to develop further the selected health indicators to make them practically applicable for monitoring. In the second part of the report an inventory has been given of data collected by several local and regional authorities (municipalities and counties) to evaluate or monitor health effects of disturbance, and especially noise and odour. From literature and interviews it could be concluded that many differences exist between the monitoring systems of municipalities. In the monitoring plans of counties not much attention has been paid to disturbance as yet. The various authorities have a need for similar indicators for disturbance, but the variation in collecting data make comparison difficult. Standard procedures for monitoring and data collection are required to compare and exchange data of municipalities and counties and to give an overview of the effects of disturbance in the Netherlands.
    • Het volksgezondheidsrisico van directe dier-mens overdracht van pathogene bacterien: epidemiologie en blootstelling

      Evers EG; Horneman ML; Doorduyn YD; MGB (2007-01-25)
      Het is veelal niet mogelijk om betrouwbare uitspraken te doen over het risico voor de volksgezondheid van direct contact tussen dier en mens. Gegeven deze onzekerheid zijn er meerdere aanwijzingen dat overdracht van Campylobacter door honden van belang is. Het is belangrijk om de kans op ziekte via voedsel-, water- en direct contact-routes tegen elkaar af te wegen, zodat de overheid voor de meest effectieve maatregelen kan kiezen. De pathogenen Campylobacter, Salmonella en Shiga toxine-producerende Escherichia coli O157 (STEC O157) en de transmissieroutes hond, kat en kinderboerderij werden onderzocht met de methoden van epidemiologische analyse en blootstellingsschatting. Epidemiologisch literatuuronderzoek toont aan dat overdracht van STEC O157 op kinderboerderijen plaatsvindt, maar de omvang is onbekend. Campylobacter-infecties worden in veel onderzoeken in verband gebracht met honden en veel minder vaak met katten. Toch blijkt 3-6 % van de humane gevallen toe te schrijven aan contact met honden en 4-7 % aan contact met katten. Voor de overige pathogeen-route combinaties is overdracht onvoldoende bewezen of niet beschreven. Anderzijds blijkt volgens de methode van blootstellingsschattingen dat de gemiddelde blootstelling voor Nederlanders duidelijk het hoogste is voor de pathogeen-transmissieroute combinatie Campylobacter - hond. De blootstelling aan STEC O157 via de drie routes en aan Salmonella via honden en de kinderboerderij is relatief laag. De overige pathogeen-route combinaties vertonen een intermediaire blootstelling. Er is een aanvang gemaakt om de aansluiting tussen beide methoden te verbeteren, gericht op het omrekenen van blootstellingsschattingen in epidemiologische associatiematen.
    • De voltammetrische bepaling van As(III) met een goud-elektrode

      Cleven RFMJ; Wolfs PM; Graaf M de (1990-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Voltammetrische bepaling van de kopercomplexeringscapaciteit van poriewater

      van den Hoop MAGT; Hoegee-Wehmann AA; Cleven RFMJ; Janssen RPT; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      De voltammetrische bepaling van de kopercomplexeringscapaciteit (CuCC) in aquatische systemen onder niet gebufferde condities is beschreven en toegepast op 16 poriewatermonsters. Op basis van de verschuiving van de potentiaal van de koperpiek kon worden vastgesteld dat het merendeel van de kopercomplexen voltammetrisch labiel was onder de gehanteerde experimentele condities. De CuCC varieerde van <0.45 tot circa 2.50 micromol per liter. Bij 3 monsters nam de concentratie voltammetrisch gemeten lood toe gedurende de titratie met koper duidend op competitie tussen lood en koper voor de aanwezige bindingsplaatsen. Uit de titratiecurven, het totaal kopergehalte en het voltammetrisch kopergehalte werd de gemiddelde stabiliteit (K) van de kopercomplexen als functie van de bezettingsgraad geschat. De K-waarden varieerden van ongeveer 4*10 exp. 6 tot 1*10 exp. 9 l per mol afhankelijk van het monster en de bezettingsgraad.<br>
    • Voltammetrische metaalspeciatie in oppervlaktewater: kinetiek en adsorptie

      Hoop MAGT van den; Hoegee-Wehmann AA; Cleven RFMJ; LAC (1997-01-31)
      In het kader van onderzoek naar de verdeling van vrije en gebonden metalen in natuurlijke systemen is de labiliteit van een aantal verschillende zwaar-metaal/ligand systemen bestudeerd onder stripping voltammetrische condities. De onderzochte systemen bestaan uit de zware metalen Cd, Cu en Pb op verschillende concentratieniveaus en een drietal oppervlaktewatermonsters, die onderling verschillen in pH, complexeringscapaciteit, DOC-gehalte, zoutniveau en concentraties competitieve kationen. Op basis van de gevonden relatie tussen voltammetrische stroom en potentiaal versus de tijdschaal van het experiment, in dit geval de roersnelheid, is kwalitatieve informatie verkregen over de labiliteit van de verschillende metaal/complexen. De Cd/complexen waren voor alle drie de monsters het meest labiel, terwijl de labiliteit van de Pb en Cu/complexen sterk afhankelijk was van het type monster. Voor labiele en statische metaalcomplexen is theorie beschikbaar om vanuit de voltammetrische respons de speciatie te berekenen. Ter illustratie is op basis hiervan voor een van de Cd/complexen een K-waarde geschat van 1900 l/mol exp-1. Middels variatie in depositietijd is mogelijke adsorptie van liganden aan het kwikelectrode-oppervlak onderzocht. Voor de zes onderzochte metaal/oppervlaktewatermonsters is geen noemenswaardige adsorptie geconstateerd, waardoor de interpretatie van het voltammetrisch signaal relatief eenvoudig blijft.
    • Volumebeleid in de veehouderij. Een verkenning van de economische en de milieuhygienische gevolgen

      Stolwijk HJJ; Wieringa K; Wijnands JHM; Oudendag DA (1992-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Voor- en nadelen generieke strafbaarstelling nieuwe psychoactieve stoffen

      van Amsterdam JGC; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-07-18)
      Dit rapport is geschreven op verzoek van het Ministerie van VWS. Zowel in nationale als Europese gremia wordt de laatste tijd nagedacht over de mogelijkheden van generieke strafbaarstelling van nieuwe psychoactieve stoffen, naast de bestaande wetgeving gebaseerd op lijsten van de verboden middelen. Het huidige rapport beschrijft deze mogelijkheden en de voor- en nadelen hiervan. De generieke benadering bij nieuwe psychoactieve drugs op basis van een chemische structuur is niet haalbaar, omdat hierdoor honderden verbindingen (analoga) verboden worden en er desondanks nieuwe psychoactieve stoffen ontwikkeld zullen worden die niet 'afgedekt' worden door de generieke strafbaarstelling.
    • Voorbereiding onderzoeksplan aandachtstoffen

      Booij H; Ros JPM (1991-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Voorbereiding van Brzo bedrijven op klimaatverandering

      Pompe, CE; Pijnenburg, H; Uijt de Haag, PAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
      Door klimaatverandering is de kans groter dat in Nederland overstromingen, piekbuien, droogte en hittegolven komen. De chemische industrie is wettelijk verplicht om zich hierop voor te bereiden. Zo blijft de kans op ongevallen, en daarmee het risico voor de omgeving, klein. Uit een eerdere analyse van het RIVM blijkt dat bedrijven in hun veiligheidsrapporten niet duidelijk aangeven hoe zij zich hierop voorbereiden. Het RIVM, adviesbureau Econos en Rijkswaterstaat hebben daarom met bedrijven een overzicht gemaakt van de gevaren en mogelijke maatregelen. Door er samen over te brainstormen konden ze kennis delen en van elkaar leren. Bedrijven kunnen het overzicht gebruiken om gevaren voor hun eigen situatie te analyseren en gericht maatregelen te nemen. Ook kan het bevoegd gezag het overzicht gebruiken bij hun beoordeling of bedrijven zich genoeg voorbereiden. De bedrijven bleken nog niet planmatig te analyseren welke problemen bij een dreigende overstroming, hittegolf en dergelijke kunnen ontstaan. Het is belangrijk dat zij zich bewust worden van de gevaren en er van tevoren oplossingen voor bedenken. Zo is het belangrijk dat bedrijven weten hoeveel tijd ze bij een dreiging hebben om maatregelen te nemen. Ook moeten ze regelen dat dan genoeg mensen beschikbaar zijn om de maatregelen uit te voeren. Het blijkt dat maatwerk nodig is omdat dreigingen per bedrijf kunnen verschillen.
    • Voorbereiding van de (verdere) automatisering van de uitslagverwerking van de PKU/CHT screening

      Loeber JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-12-31)
      Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de entadministraties en de PKU- en CHT-laboratoria, gesteund door enkele automatiseringsdeskundigen, heeft een model uitgewerkt voor de automatisering van de administratie van de PKU- en CHT-screening bij pasgeborenen. De voordelen zijn 1. de tijdswinst in de rapportage van de analyse uitslagen, 2. een vermindering van de kans op administratieve fouten en 3. vereenvoudigde bewaking van de "kwaliteit" van zowel het analystische als het logistieke deel van de screening. Hiertegenover staat voor het totale project een investering van apparatuur die, rekening houdend met een afschrijving van 20% per jaar neerkomt op f. 60.000,- a f. 80.000,- (incl. BTW). De programmatuur- en telecommunicatiekosten belopen f. 150.000,- a f. 170 .000,- per jaar.<br>
    • Voorbij de brand: Leren van ongevallen bij de brandweer : Resultaten van een pilotonderzoek met Storybuilder

      van Kampen J; Broek I van den (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-12-10)
      Het werk van de brandweer kan voor het brandweerpersoneel zelf gevaarlijke situaties en (bijna-)ongevallen met zich meebrengen, waardoor ze gewond kunnen raken. Dit kan gebeuren als ze in actie zijn bij een brand, of tijdens voorbereidende activiteiten op de kazerne of trainingsactiviteiten. Denk aan werken met een (ketting)zaag, duikwerkzaamheden of situaties waarin gevaarlijke stoffen vrijkomen. Om de veiligheid van de werknemers te verbeteren, wil de brandweer leren van incidenten. Het RIVM heeft daarom met de brandweer een instrument ontwikkeld dat door alle veiligheidsregio’s gebruikt kan worden om op eenduidige wijze gegevens te verzamelen en te analyseren. Zo ontstaat een betere samenwerking tussen de veiligheidsregio’s om incidenten te voorkomen. Momenteel worden incidenten bij brandweerpersoneel per veiligheidsregio geregistreerd. Voor dit onderzoek is met zes veiligheidsregio’s systematisch informatie verzameld over 140 (bijna-)ongevallen en gevaarlijke situaties bij de brandweer. Welk type ongeval is (bijna) opgetreden, welke veiligheidsmaatregelen hebben hierbij mogelijk gefaald en met welk gereedschap werd er gewerkt? Het ontwikkelde instrument is gebaseerd op Storybuilder, een bestaand instrument voor nationaal onderzoek naar alle ernstige, meldingsplichtige arbeidsongevallen. Dit onderzoek is een pilot waarbij de ontwikkeling van het instrument voorop stond. Niet alle ongevallen in Nederland zijn meegenomen. De gebruikte ongevallen zijn daarom niet representatief, maar geven een indruk. Om het instrument op nationaal niveau te kunnen gebruiken, is het gewenst om het verder te ontwikkelen en aanvullend onderzoek te doen. Het onderzoek maakt ook duidelijk dat Storybuilder aangepast kan worden om binnen een specifieke sector incidenten te analyseren.
    • Het voorkomen en de resistentie tegen enkele antimicrobiele middelen van Pseudomonas aeruginosa in ziekenhuis- en huishoudelijk afvalwater

      Havelaar AH; van Klingeren B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-01-31)
      In het afvalwater van een viertal ziekenhuizen werd Pseudomonas aeruginosa aangetroffen in aantallen varierend van 3,2x10-2 tot 6,6x10-4 cfu/ml. Dit was aanzienlijk hoger dan in huishoudelijk afvalwater (< 10-1-1,9x10-2 cfu/ml). Isolaten uit ziekenhuizen waren frequent resistent tegen of verminderd gevoelig voor carbenicilline en gentamicine en in mindere mate voor amikacine en ceftazidime. Er was een globaal verband met het gebruik van deze of verwante middelen ter plaatse. Uit huishoudelijk afvalwater werden geen resistente of verminderd gevoelige stammen geisoleerd.<br>
    • Voorkomen en detectie van (toxische metabolieten van) schimmels in granen en graanproducten; een gevaren-analyse

      Wijnands LM; Deisz WDC; van Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-04-30)
      De uitvoering van een risico-analyse moet inzicht verschaffen in het risico op negative gezondheidseffecten bij blootstelling aan (toxische metabolieten van) schimmels aanwezig in granen en graanproducten. De gevaren-analyse, als eerste stap van de risico-analyse, maakt duidelijk dat met (toxische metabolieten van) de schimmelgenera Aspergillus, Penicillium, Fusarium en Alternaria in dit verband het meest rekening gehouden moet worden. Een (niet uitputtend) literatuuroverzicht geeft de stand van zaken aangaande voorkomen en detectie van genoemde (toxische metabolieten van) schimmelgenera en, in mindere mate, de biosynthese-routes van toxische metabolieten. In hoeverre moleculair biologische technieken toepassing vinden in relatie tot (toxische metabolieten van) schimmels wordt eveneens beschreven. Uiteindelijk wordt beschreven hoe in het kader van project 257852, Blootstelling aan schimmel(s)(producten) en het daarmee verbonden risico voor de volksgezondheid, gewerkt zal worden aan het bepalen van de genoemde (toxische metabolieten van) schimmelgenera, hoe deze werkzaamheden passen in de totale risico-analyse en hoe deze risico-analyse uiteindelijk toegepast kan worden.<br>
    • Het voorkomen en gedrag van ditalg-dimethyl-ammoniumchloride (DTDMAC) tijdens de drinkwaterproduktie

      Versteegh JFM; Bergers PJM; de Groot AC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-10-31)
      Cationic quaternary ammonium compounds are used as fabric softeners. DTDMAC, a technical product with an ecotoxicological risk for aquatic organisms, is the most well known. Ecotoxicological risk values have been determined, followed by an agreement to ban the product from fabric softeners. The quaternary ammonium compounds are highly adsorptive for anionic surfactants, particles and sediments in watersystems. This report describes research on occurrence and behaviour of DTDMAC during drinking water production and gives possible risks for public health. DTDMAC occurs in raw surface water (maximum 30 mug/l), in bankfiltrate (maximum 5 mug/l) and in finished drinking water (maximum 4.3 mug/l ; median 1.7 mug/l). The measured concentrations in drinking water do not give risks for public health. The maximum acceptable value, calculated on the basis of literature data is 0.8 mg/kg food or water. On every sampling point only two measurements were carried out, and therefore effects due to the purification processes can only be interpreted qualitatively. In general, a relatively high concentration of DTDMAC can be decreased easily (bottom passage, conventional purification steps) to a few mug's, but the compound cannot be removed completely even by ozone or activated carbon filtration. In surface water the concentrations are much higher than the negligible risk value (0.5 mug/l) for aquatic ecosystems. The actual concentration given in this report give no reason to continue the research into the meaning of DTDMAC for drinking water supplies.<br>
    • Voorkomen en successie van nematoden tijdens landfarming en rijping van havenslib

      Esbroek MLP van (1988-06-30)
      Een orienterend onderzoek naar het voorkomen en de successie van nematoden tijdens landfarming en rijping van havenslib. Op verschillende tijdstippen werden monsters genomen van grond die met organische stoffen was verontreinigd en op een biologische manier werd gereinigd ; daarnaast van havenslib dat met zware metalen en organische stoffen verontreinigd was en een rijpingsproces onderging. De monsters werden kwantitatief en kwalitatief op mesofauna geanalyseerd. Uit het onderzoek blijkt, dat in deze sterk verstoorde milieus toch nog nematoden worden gevonden en vooral microbivore nematoden. In de tijd valt een verschuiving waar te nemen van pioniers naar nematoden die in een stabieler milieu voorkomen. Een ecologisch herstel wordt waargenomen en is vooral te zien aan de nematodendichtheid en de diversiteit.