• Voorstudie basisdocument grof stof

      Slooff W (ed); Heijden CA van der; Heijna-Merkus E; Matthijsen ACJM; Rombout PJA; Boeft J den*; Duiser JA*; Duijm NJ*; Hollander JCT*; Most PFJ van der* (1987-06-30)
      Dit rapport is een voorstudie t.b.v. het mogelijk opstellen van een basisdocument grof stof in het kader van het effectgericht milieubeleid.
    • Voortgangsrapport Verzuringsonderzoek 1986

      Schneider; T.; Bresser; A.H.M. (1987-03-31)
      Dit voortgangsrapport is gebaseerd op resultaten gepresenteerd tijdens het tweede symposium verzuringsonderzoek, gehouden op 24-28 november 1986 te Bilthoven en op tussentijdse rapporten die door de onderzoeksinstellingen zijn versterkt. Tevens wordt ingegaan op beleidsvragen die bij de start van het programma zijn gesteld.
    • Voortgangsrapportage 2003, Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid

      Loon AJM van; Veldhuizen H; PZO; GGD Nederland (GGD Nederland, 2004-08-23)
      In 2002 is het project "Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid" (Monitor VGZ) van start gegaan. Het project is een samenwerking tussen GGD'en, het RIVM en GGD Nederland. Met dit project wordt een basis gelegd voor continue monitoring van de belangrijkste indicatoren van de gezondheid op lokaal en landelijk niveau. Het project is erop gericht de lokale gegevensverzamelingen die plaatsvinden bij GGD'en, op elkaar af te stemmen zodat na samenvoeging een nationaal beeld kan worden verkregen. Gegevens uit diverse regio's kunnen dan tevens onderling vergeleken worden, en de vergelijking met landelijke referentiecijfers behoort tot de mogelijkheden. In deze voortgangsrapportage 2003 wordt een beschrijving gegeven van de projectstructuur, van de in 2003 geplande en uitgevoerde activiteiten en van de planning voor 2004. De activiteiten van 2003 hadden vooral betrekking op de ontwikkeling van standaardvraagstellingen en van een ondersteuningsstructuur. De ondersteuningsstructuur is nodig voor het opslaan van de lokaal verzamelde gegevens, het creeren en toegankelijk maken van landelijke referentiecijfers en het ter beschikking stellen van verschillende datasets.
    • Voortgangsrapportage 2003, Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid

      Loon AJM van; Veldhuizen H; GGD Nederland; PZO; GGD Nederland (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-08-23)
      The project "Local and National Public Health Monitor" was launched in 2002 as a joint venture of the regional Community Health Services, the National Institute of Public Health and the Environment, and the Netherlands Association of Community Health Services. Its major aim is to bring about a uniform collection of regional data by the Community Health Services. This will enable both a comparison of regional data and a comparison of regional with national reference data, ultimately to support health policies at a local and national level. The project also entails the development of a support structure and database, to store the information collected and to generate national and regional reference data. This progress report describes the structure of the project, the activities performed in 2003 and the activities planned for 2004. The activities carried out in 2003 include the design of standardised questionnaires for a uniform data collection, and the development of the support structure. The activities planned for 2004 include the standardisation of questionnaires, the further development of the support structure and the enhancement of methodological support.
    • Voortgangsrapportage activiteiten RIVM ten behoeve van KWS 2000

      Buck A de; Poel P van der; Quarles van Ufford CHA van (1992-03-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Voortgangsrapportage Evaluatie SaneringsUrgentieSystematiek; Knelpuntenanalyse en verkenning oplossingsrichtingen

      Lijzen JPA; Otte PF; Kovar K; Swartjes FA; Bloemen H; Hoogendoorn E; Krystek P; Ritsema R; Rompelberg C; Verschoor A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-11-07)
      The Remediation Urgency Method (SUS), a method in the Netherlands to determine the urgency of soil remediation, was introduced in 1994 to prioritise the remediation of contaminated sites in the Netherlands. The methodology is based on human and ecological risk assessment and risks of contaminant migration. Here, the analysis of the restraints in the method are described, focusing on the site-specific risk assessment for humans and contaminant migration. Restraints were established on the basis of interviews with experts and earlier evaluations of the method. Based on the restraints found and estimates on scientific feasibility, options for possible solutions have been prioritised. Besides this, an initial exploration of solutions has been undertaken for some options. For human risk assessment, exploration focused on estimating the oral bioavailability of soil contaminants, and measuring the concentrations in consumption crops and indoor air. A risk assessment framework was developed for risk of contaminant migration, and a tool to assess the leaching of contaminants in the (unsaturated) soil was explored. Studies to improve the site-specific risk assessment of soil contamination are continuing in 2003 and 2004. These focus on overcoming the identified restraints and exploring solutions with a high priority.
    • Voortgangsrapportage Evaluatie SaneringsUrgentieSystematiek; Knelpuntenanalyse en verkenning oplossingsrichtingen

      Lijzen JPA; Otte PF; Kovar K; Swartjes FA; Bloemen H; Hoogendoorn E; Krystek P; Ritsema R; Rompelberg C; Verschoor A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-11-07)
      De SaneringsUrgentieSystematiek (SUS) is in 1994 ontwikkeld om de urgentie van ernstige gevallen van bodemverontreiniging te bepalen. De methode is gebaseerd op risico's voor de mens, voor ecosystemen en verspreiding van verontreiniging. Het rapport behandelt de knelpuntenanalyse van de locatiespecifieke humane risicobeoordeling en de beoordeling van verspreidingsrisico's. Op bases van interviews met deskundigen en resultaten van eerder uitgevoerde evaluaties zijn de belangrijkste knelpunten benoemd en zijn oplossingsrichtingen aangegeven en geprioriteerd, mede op basis van wetenschappelijke haalbaarheid. Naast deze analyse zijn enkele verkenningen van oplossingsrichtingen en mogelijke verbeteringen uitgevoerd. Voor de humane risicobeoordeling is ingegaan op het bepalen van de orale biobeschikbaarheid, het meten van concentraties in gewas en het meten van binnenlucht concentraties. Voor de beoordeling van verspreidingsrisico's is een raamwerk voor beoordeling opgesteld en is een studie uitgevoerd naar een methode voor beoordeling van uitloging in de onverzadigde bodem. Onderzoek naar de verbetering van de locatiespecifieke risicobeoordeling van bodemverontreiniging zal zich in 2003 met name richten op de oplossingsrichtingen waaraan een hoge prioriteit is toegekend.<br>
    • Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2019

      van Giessen, A; Boer, J; van Gestel, I; Douma, E; du Pon, E; Blokstra, A; Koopman, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-23)
      De meer dan 70 partijen die eind 2018 het Nationaal Preventieakkoord (NPA) hebben afgesloten, zijn in 2019 met het overgrote deel van de afspraken aan de slag gegaan. Binnen alle drie de deelakkoorden is het grootste gedeelte van de afspraken in 2019 in uitvoering (62% voor roken, 80% voor overgewicht en 65% voor problematisch alcoholgebruik). Veel andere afspraken zijn in voorbereiding (14% voor roken, 17% voor overgewicht en 20% voor problematisch alcoholgebruik). Een klein deel van de afspraken (2%-5%) was eind 2019 al afgerond. Het deel van de afspraken dat eind 2019 nog niet was gestart, is ook klein: 8% voor roken, 0% voor overgewicht en 10% voor problematisch alcoholgebruik. Met het NPA willen het ministerie van VWS en meer dan 70 partijen bijdragen aan een gezonder Nederland. Zij willen dat in 2040 minder mensen roken, minder mensen overgewicht hebben en minder mensen problematisch alcohol gebruiken. Vanaf 2010 is een daling te zien in het aantal volwassen Nederlanders die roken naar 22% in 2019. De ambities is dat in 2040 maximaal 5% van de volwassen Nederlanders nog rookt. Voor overgewicht is het doel om het aantal mensen met overgewicht terug te brengen tot minder dan 40% in 2040. In 2019 was het percentage volwassenen met overgewicht met 50% ongeveer gelijk aan dat van 2018. In 2019 dronk 9% van de volwassen Nederlanders overmatig en 9% zwaar. Het streven is dat zowel voor overmatig als voor zwaar drinken in 2040 is gedaald naar maximaal 5%. In het NPA is afgesproken dat het RIVM ieder jaar verslag zal uitbrengen over de uitvoering van de gemaakte afspraken van het NPA. Door middel van een gericht en herhaalde uitvraag bij alle deelnemende partijen is zo veel mogelijk concrete en cijfermatige voortgangsinformatie verzameld. De rapportage richt zich vooral op doelen die in 2020 bereikt moeten worden. In alle deelakkoorden is het voor een deel van de doelstellingen en afspraken onduidelijk wanneer de activiteiten plaatsvinden, door welke partij het uitgevoerd wordt of wat de concrete uitkomst is. Met name voor dit soort afspraken was de aangeleverde informatie over de voortgang van de afspraken niet altijd cijfermatig of concreet. Hierdoor, maar ook omdat de uitvoering van de afspraken binnen het NPA pas een jaar onderweg is, zegt de voortgang over 2019 nog niets over het al dan niet behalen van de ambities in 2040.
    • Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2020

      van Giessen, A; Boer, J; van Gestel, I; Pees, S; Douma, E; Kuijpers, T; du Pon, E; Nawijn, E; Koopman, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-06)
      Het Nationaal Preventieakkoord is in 2018 afgesloten om ervoor te zorgen dat er minder mensen roken, overgewicht hebben of problematisch drinken. Hiervoor zijn afspraken gemaakt met meer dan 70 partijen. Het RIVM evalueert elk jaar de voortgang van deze afspraken en of de gestelde doelen zijn gehaald. Voor 2020 waren 39 doelen gesteld. Daarvan zijn er dertien gehaald, en twee net niet. Bijna de helft (18) van de doelen is nog niet gehaald. Zo zijn bijvoorbeeld hogere accijnzen op tabak ingevoerd, maar zijn kinderboerderijen en speeltuinen nog niet geheel rookvrij. Ook is het doel voor minder calorieën in A-merk frisdranken gehaald, maar sommige doelen voor minder calorieën in andere voedingsmiddelen nog niet. Voor scholen zijn inmiddels interventies voor alcoholpreventie beschikbaar, maar er zijn nog geen oplossingen voor de beïnvloeding van jongeren door alcoholreclames. Van zes doelen voor 2020 is er nog te weinig informatie om te bepalen of ze zijn gehaald. Een deel van de partijen geeft aan dat de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 eraan heeft bijgedragen dat niet alle doelen voor 2020 zijn gehaald. Activiteiten konden niet doorgaan of zijn uitgesteld door bijvoorbeeld de maatregelen om contacten te beperken. Ook hadden bijvoorbeeld de zorg, de horeca en het onderwijs vanwege de coronapandemie regelmatig andere prioriteiten dan leefstijlpreventie. Volgens schattingen van het RIVM uit 2018 is het mogelijk dat de afspraken van het Nationaal Preventieakkoord ertoe leiden dat de ambitie van minder dan vijf procent rokende volwassenen wordt behaald in 2040. Hieruit bleek ook dat er extra afspraken nodig zijn om te bereiken dat er in 2040 geen jongeren en zwangere vrouwen roken. Die zijn ook nodig om de ambities voor problematisch drinken of overgewicht in 2040 te halen. Het is nog niet duidelijk in welke mate de ambities van 2040 in de knel komen door de niet behaalde doelen in 2020. Het RIVM rekent in 2023 opnieuw door in hoeverre ambities van het Nationaal Preventieakkoord kunnen worden gehaald in 2040.
    • Voortgangsrapportage project Saneringscriterium. januari - juli 2007

      Otte PF; Brand E; Mesman H; Rutgers M; Swartjes FA; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-28)
      In dit briefrapport wordt een overzicht gegeven van de werkzaamheden uitgevoerd in de periode januari-juli 2007 voor het project Saneringscriterium. In de eerste helft van 2007 heeft het RIVM gewerkt heeft aan de implementatie van de besluiten van het project Normstelling Bodemkwaliteit in Sanscrit. Sanscrit wordt in het milieuhygienisch saneringscriterium aangewezen als instrument voor de beoordeling van ernstig verontreinigde locaties. Deze werkzaamheden zijn in overleg met de Projectbegeleider van VROM uitgevoerd. In de tweede helft van 2007 worden de activiteiten voortgezet.
    • Voortgezet onderzoek naar de migratie van N-nitrosaminen en nitroseerbare verbindingen uit spenen en fopspenen

      Ellen. G.; Sahertian; E.T.; Battum; D.van* (1985-11-30)
      In totaal 17 monsters spenen en 14 monsters fopspenen werden onderzocht op afgifte van N-nitrosaminen (NA) en nitroseerbare verbindingen aan een speekselsimulant. Krachtens het Verpakkingen- en Gebruiksartikelenbesluit (Warenwet) mag bij spenen de afgifte van NA en nitroseerbare verbindingen (bepaald als NA na nitroseren) maximaal resp. 1 ug/kg speen en 20 ug/kg speen bedragen. Van de onderzochte spenen bleek er geen aan deze eisen te voldoen en van de fopspenen slechts een. Het overgrote deel der onderzochte monsters overschreed de gestelde limieten zelfs meer dan 10-voudig. De navolgende NA werden na afloop van de migratieproef in de speekselsimulant aangetroffen: N- nitrosodimethylamine (NDMA), N-nitrosodiethylamine (NDEA), N- nitrosodi-n-butylamine (NDBA), N-nitrosopiperidine (NPIP), N- nitrosomorfoline (NMOR), N-nitrosomethylfenylamine (NMPhA) en N- nitrosoethylfenylamine (NEPhA).
    • Voortgezet onderzoek naar de verdeling van sterigmatocystine in kaas

      Egmond; H.P.van; Paulsch; W.E. (1984-12-31)
      Onderzoek is verricht naar de verdeling van sterigmatocystine in de korst van enkele kazen gerijpt in kaaspakhuizen, een kaas gerijpt op het Nederlands Instituut voor Zuivelonderzoek (NIZO) en een boerenkaas. Gebleken is dat het sterigmatocystine-gehalte over het oppervlak van de kaas varieerde en dat bij de pakhuis-kazen sterigmatocystine slechts tot op 2-3 mm diepte in de buitenlaag van de kaas aantoonbaar was. De boerenkaas werd tot op 3 mm diepte op sterigmatocystine onderzocht. De hoeveelheden sterigmatocystine, gevonden op deze diepte deden vermoeden dat sterigmatocystine op grotere diepte ook nog aanwezig was. De vraag of de waargenomen verdelingsverschillen tussen pakhuis-kaas en boerenkaas kenmerkend zijn voor deze produkten, kan wegens het beperkte getallenmateriaal in deze fase van het onderzoek niet worden beantwoord. Voorgesteld wordt derhalve een afsluitend onderzoek naar de verdeling van sterigmatocystine in kaas te verrichten.
    • Vossenlintwormonderzoek in Groningen en Drenthe : 2016-2017

      Maas M; van Roon A; Broek I van den; Franssen FFJ; Takumi K; de Melker HE; D&V; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-12-05)
      The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has investigated the spread and incidence of the fox tapeworm in the north-east of the Netherlands. From 1 October 2016 to 31 March 2017, 171 red foxes in the provinces of Groningen and Drenthe were examined. The fox tapeworm was discovered in two foxes, both of which originated from the province of Groningen. This is in accordance with the results from previous studies, although the area in which the fox tapeworm is prevalent seems to have expanded slightly. The fox tapeworm (Echinococcus multilocularis) is a parasite that occurs in foxes. If humans ingest the eggs of the fox tapeworm, they can develop a disease known as alveolar echinococcosis, a severe disease of the liver. In the Netherlands, the tapeworm has so far been found in foxes in Limburg and East Groningen.
    • Het vóórkomen van sterfte, ziekten, aandoeningen en gezondheidsklachten onder (ex-)POMS-medewerkers

      kempen E van; Rijs K; M&G; DMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-04)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061
    • Vriescheloo, een numeriek model van het geohydrologische systeem

      Ee; G.van* (1985-11-30)
      In het kader van het Regionaal Hydrologisch Onderzoek van Groningen zijn m.b.v. het eindige elementenmodel TRIST de verlagingen van de grondwaterstand berekend, die in het modelgebied Vriescheloo zullen optreden t.g.v. de winning van grondwater op een aantal geselecteerde locaties. Bij de selectie van de locaties is rekening gehouden met het landbouwbelang, de aanwezigheid van kleilagen, de aanwezigheid van oppervlaktewater, de bedreiging door vuilstorten e.d., de kwaliteit van het grondwater en de aanwezigheid van natuurgebieden. Veel aandacht is besteed aan de geologie en aan de modellering van de relatie tussen het oppervlaktewater en het grondwater.
    • Vrijstelling en vrijgave in richtlijn 2013/59/Euratom

      van der Schaaf M; Tanzi CP; M&M; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-01-05)
      Als gevolg van handelingen en werkzaamheden met radioactieve materialen kunnen mensen aan ioniserende straling worden blootgesteld, met risico's voor de gezondheid als gevolg. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij het gebruik van radioactieve stoffen in ziekenhuizen of bij het beheer van afval in de industrie. Om deze reden zijn dergelijke handelingen en werkzaamheden gebonden aan regels en voorschriften. De mate waarin dit het geval is, is doorgaans afhankelijk van de blootstelling. In bepaalde omstandigheden kunnen materialen van deze regels worden vrijgesteld. Aangezien de Europese wetgeving over deze vrijstelling is gewijzigd, heeft het RIVM op hoofdlijnen de gevolgen daarvan in kaart gebracht. Als materialen slechts een zeer geringe blootstelling met zich meebrengen, draagt regelgeving niet bij aan een betere bescherming van mensen. Deze materialen kunnen worden vrijgesteld van regulering. Ondernemers kunnen op basis van een toetsing aan zogenoemde vrijstellings- of vrijgavegrenswaarden bepalen of dit aan de orde is. Deze grenswaarden zijn wettelijk vastgelegd en gebaseerd op internationale aanbevelingen en richtlijnen (richtlijn 96/29/Euratom). In december 2013 is een nieuwe richtlijn vastgesteld (2013/59/Euratom), die eerdere richtlijnen op dit gebied vervangt en uiterlijk in 2018 dient te zijn omgezet in nationale regelgeving. Dit betekent onder meer dat de Europese kaders voor vrijstelling en vrijgave van regulering gedeeltelijk worden herzien. In dit briefrapport wordt het huidige Nederlandse beleid en de regelgeving op het gebied van vrijstelling en vrijgave beschreven. Daarnaast is weergegeven hoe Nederland de huidige Europese kaders heeft ingevuld en wat er gaat veranderen. Hierbij is ook gekeken hoe buurlanden dit beleid hebben vormgegeven. Ten slotte worden enkele opties voorgesteld om de voorschriften uit de nieuwe richtlijn te implementeren.
    • VTV interactief-evaluatie van de orientatiefase

      Bruin AJ de; Helder JC; Kempers WAM; ISC (1994-12-31)
      Met dit evaluatie-rapport wordt de orientatie-fase van het project VTV Interactief afgesloten. De resultaten van de fase zijn een algemene analyse van een interactief document, een geimplementeerde demonstratie-versie en een beschrijving van de daarin uitgebeelde mechanismen. De belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat een interactief werkstation voor het volledig redigeren van een VTV-document nog niet mogelijk is. Wel zijn voor de diverse doelgroepen hulpmiddelen aanwezig of te maken. Lezers van VTV documenten met verschillende interesse-profielen worden door een interactieve versie van (een deel van) de Volksgezondheids Toekomst Verkenningen in staat gesteld de door hun gewenste informatie te benaderen met behulp van interactieve mechanismen ten behoeve van de ontsluiting van, de navigatie door en de presentatie van informatie. De redactie van een VTV document kan op dit moment geen hulp van VTV Interactief verwachten ; voor deze groep bestaan echter software-pakketten die problemen specifiek op dit gebied oplossen (met meerdere auteurs aan een document werken, versiebeheer e.d.).De bestaande hulpmiddelen voor het fabriceren van een interactief document zijn onvoldoende doordat zij geen rekening houden met veranderingen in het in bewerking zijnde document. Het statische karakter van de in het document aan te brengen structuur vraagt veel onderhoud na elke wijziging. Wel zijn talen in ontwikkeling. Een eventueel vervolg (op langere termijn) van VTV-interactief zal zich moeten aansluiten bij de internationaal erkende standaards Standard Generalized Markup Language (SGML) en Hypermedia/Time-based Document Structuring Language (HyTime). Ten aanzien van de presentatie van verschillende typen informatie moeten algemeen geldende afspraken gemaakt worden. De ontwikkelde ontsluitings- en navigatiemechanismen zijn voor VTV-onderzoekers van belang. Het voorstel is deze in de modelleeromgeving M te integreren, vooral gericht op grafische presentatie en onderzoek van gegevens.
    • Een vuistregel voor de effecten van schermen in SRM2

      Wesseling J; Beijk R; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-07-31)
      Bij gebruik van de saneringstool is het op korte termijn nodig om een simpele maar robuuste schatting te maken van het effect van een geluidsscherm op de NO2 en PM10 bijdragen van verkeer op een snelweg. Aangezien dit tijdens de post-processing moet gebeuren is het niet mogelijk om een volledige SRM-2 berekening uit te voeren. Teneinde een vuistregel te ontwikkelen welke snel kan worden ingezet totdat de saneringstool met een hiertoe geschikte rekenroutine, heeft het RIVM voor verschillende schermhoogten berekeningen uitgevoerd met SRM-2, de resultaten hiervan gefit en geparametriseerd.
    • Vulkaanas van de Eyjafjallajokull : Risicoschattingen voor Nederland

      Dusseldorp A; Mennes WC; ter Burg W; Verboom JH; van der Swaluw E; Fischer PH; Marra M; Cassee FR; Hoogenboom LAP; van Overveld AJP; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRIKILT, 2010-09-23)
      De uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajokull op 14 april 2010 heeft in Nederland geen risico's opgeleverd voor de volksgezondheid. Hoewel er door de heersende windrichting as van de vulkaan over Nederland is getrokken, is er nauwelijks as op leefniveau terecht gekomen. Dat heeft het RIVM geconcludeerd in diverse adviezen die tussen 15 en 29 april 2010 zijn uitgebracht. Dit rapport bundelt de adviezen en geeft enkele aanknopingspunten voor de beoordeling van een eventueel toekomstige situatie, in het geval een vulkaanuitbarsting zou leiden tot de verspreiding van vulkaanas naar Nederland. Het betreft de analyse van regenwater, de inschatting van risico's bij inademing van vulkaanas en de inname van elementen uit de as bij consumptie van gewassen.
    • Vulnerability Concept and its Application to Food Security

      Lucas PL; Hilderink HBM; LOK; KMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-01-10)
      This report describes an operationalisation of the term 'sustainable development', by introducing the vulnerability concept. Vulnerability describes the degree to which a system is likely to experience harm due to exposure to a hazard, and thereby identifies unsustainable states and processes. The operationalisation is presented in a framework, which incorporates the three elements of vulnerability, i.e. exposure, sensitivity and coping capacity. The framework links model outcomes, represented as indicators, towards an overall measure of sustainability of a certain sector or system. The overall vulnerability is determined by the potential impact (exposure plus sensitivity) and the coping capacity, which is the impact that may occur given projected global change and the degree to which adjustments in practices, processes or structures can moderate or offset the potential for damage. The advantages of the approach are the transparency of the indicator framework and the linkage of the framework with simulation models (existing knowledge). To test the methodology, it is applied on the issue of food security, resulting in a measure for the overall vulnerability of countries towards food shortages. The results of this analysis are in line with the degree of food deprivation on a regional scale, as determined by the FAO. These similarities in results indicate that the chosen indicator framework is a reasonable proxy for food security and that the conceptual framework gives good prospects for the analysis of other unsustainable states and processes.