• Wachtlijstontwikkelingen in de verstandelijk gehandicaptenzorg - technische achtergrondrapportage

      Kommer GJ; Stokx LJ; Kramers PGN; Poos MJJC; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-09-01)
      Dit rapport is een vervolg op een eerder verschenen publicatie (nr. 432506002) en gaat in op de technische achtergrond van een model van de wachtlijst voor wonen in de zorg voor verstandelijk gehandicapten. Het rapport beschrijft de modelstructuur, de analyse van de gegevens, het uitvoeren van parameterschattingen en onzekerheidsanalyse en geeft tevens de resultaten in detail. Het model is een recursief niet-lineair model. De bezetting van de wachtlijst en de instellingen, de in- en uitstroom van de wachtlijst en de sterfte en ontslag uit instellingen wordt geslacht-, leeftijd- en handicapspecifiek berekend. Een onzekerheidsanalyse is uitgevoerd in de vorm van parametervariaties met behulp van de Monte Carlo techniek. Het model is gevoelig voor de instroom in de wachtlijst, maar met name voor de uitstroom naar een 'overige' zorgvorm. Om meer betrouwbare modelberekeningen te maken is het noodzakelijk dat er meer volledige en betrouwbare gegevens beschikbaar komen. Het ontbreken van handicapspecifieke getallen in de wachtlijstregistratie en het feit dat realisaties niet adequaat worden teruggekoppeld naar de wachtlijstregistratie heeft de parameterschattingen bemoeilijkt. Het invoeren van een uniek clientennummer in de zorg zou het koppelen van deze registraties en de constructie van een wachtlijst-stroommodel aanzienlijk vereenvoudigen.<br>
    • Wachtlijstontwikkelingen in de zorg voor verstandelijk gehandicapten - nieuwe scenario&apos;s

      Kommer GJ; Stokx LJ; Kramers PGN; VTV (2000-05-11)
      Dit rapport presenteert een actualisering van modelsimulaties van de wachtlijst voor wonen in de verstandelijk gehandicaptenzorg. Deze actualisering gaat uit van drie nieuwe uitgangspunten: (1) een andere wachtlijstdefinitie; (2) een specificatie van de uitstroom van de wachtlijst en (3) andere getallen van de capaciteiten van intra- en semimurale instellingen voor wonen. Op grond van deze uitgangspunten zijn vier nieuwe scenario's geformuleerd die van elkaar verschillen in de het toekomstig aantal plaatsen in de instellingen. Het scenario 'Demografische Groei' laat zien dat in de periode tot het jaar 2010 een groei van het aantal plaatsen in intramurale en semimurale instellingen van 0,33% per jaar onvoldoende is om de wachtlijst te stabiliseren. Onder de andere scenario's worden meer instellingsplaatsen gecreeerd. In 2003 is onder het scenario 'Regeer Akkoord 1998 middelen' de wachtlijst bijna 20% kleiner dan onder het scenario 'Demografische Groei'. Onder de scenario's 'Intensiveringen-140 miljoen' en '-183 miljoen' is de wachtlijst in 2003 respectievelijk ruim 50% en ruim 60% kleiner dan onder het scenario 'Demografische Groei' en wordt de gemiddelde wachttijd teruggebracht tot 1,5 a 2 jaar, 50-60% korter dan onder het scenario 'Demografische Groei'. Een vergelijking is ook gemaakt met het referentiescenario uit het RIVM rapport van november 1999 met betrekking tot de uitgangspunten (2) en (3). Toepassen van de nieuwe informatie in het referentiescenario geeft een ongunstige bijstelling van de wachtlijstontwikkeling omdat een deel van de uitstroom uit de wachtlijst naar 'overige' zorg in feite semi- en intramurale realisaties betrof. Ten opzicht van het rapport van november 1999 zijn in deze nieuwe berekeningen twee bronnen van onzekerheid nu accurater gedefinieerd, andere bronnen van onzekerheid die in het rapport worden genoemd blijven bestaan.
    • Wachtlijstontwikkelingen in de zorg voor verstandelijk gehandicapten - nieuwe scenario's

      Kommer GJ; Stokx LJ; Kramers PGN; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-05-11)
      This report presents an update of model simulation results for application to the waiting list for residential care of the mentally disabled in the Netherlands. The update makes use of recently collected data to provide calculations based on new assumptions with respect to the waiting list definition, specification of the outflow of the waiting list and figures denoting the capacity of institutions for residential care. Based upon these assumptions, four new scenarios, each differing in its prediction of the future growth in an institution's capacity for residential care, have been formulated. The 'Demographic Development' scenario shows that a growth of 0.33% per year in the number of residential homes/institutions will not be sufficient for stabilising the waiting list. In the other scenarios, more places are created. The waiting list in 2003 is then about 20% lower in the 'Coalition Agreement 1998' scenario than in the 'Demographic Development' scenario. In the 'Intensify-1' and -'2' scenarios, the waiting list in 2003 shows respective drops of 50% and 60%, compared to the 'Demographic Development' scenario; the average waiting time is 50-60% lower than in the 'Demographic Development' scenario. A comparison was also made to the reference scenario in the November 1999 report with respect to the abovementioned assumptions (2) and (3). Applying the new information on waiting-list outflow to the reference scenario of the model has a negative effect on waiting list development because part of the outflow to 'other' types of care actually was to (semi) institutional care. Although the effect of two sources of uncertainty (specification of the outflow and the capacity in the period 1996-1998) has been lessened with respect to that noted in the November 1999 report, other sources of uncertainty named in that report are still effective (e.g. data from the waiting list registration and the semi-institutional registration).
    • WARiBaS, Water Assessment on a River Basin Scale. A computer program for calculating water demand and water satisfaction on a catchment basin level; to be used for global scale water stress analysis

      Klepper O; Drecht G van; LWD (1998-06-30)
      Dit rapport beschrijft een methode voor een eerste kwantitatieve evaluatie van de vraag en beschikbaarheid van water op de schaal van een stroomgebied. Deze methode is bedoeld voor water stress scenario analyse op wereldschaal. Ruimtelijk geinterpoleerde klimaatgegevens (maandsommen van neerslag en potentiele verdamping en gemiddelde maandtemperatuur) en fysisch-geografische gegevens (kaarten van stroomgebieden, bodemeigenschappen, terreinhelling en doorlatendheid van aquifers), zijn gebruikt om de waterbehoefte van geirrigeerde landbouwgewassen en de rivierafvoer te berekenen op een 0,5 graad wereld gridkaart. Hiermee werd het mogelijk om de geaggregeerde vraag naar water (industrie, drinkwater en irrigatie) en de beschikbare watervoorraad in grondwater en oppervlaktewater te berekenen, afhankelijk van de plaats in een stroomgebied en de tijd (seizoen). De methode werd het eerst toegepast in Afrika. De resultaten van een toepassing op wereldschaal zijn gerapporteerd in een RIVM achtergronddocument voor UNEP's first Global Environment Outlook. Dit rapport is de technische documentatie, bestaande uit een korte beschrijving van de methode met de volledige programmacode in de appendix.
    • Warmte-koude opslag en duurzaam gebruik van de ondergrond

      van Beelen P; Otte PF; van der Aa M; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-12-02)
      Warmte koude opslag (WKO) is een energie en kostenbesparende methode voor het verwarmen en koelen van gebouwen. Open WKO systemen pompen het grondwater heen en weer om het gebouw te koelen of te verwarmen. Gesloten WKO systemen gebruiken alleen de warmte van het grondwater om huizen te verwarmen of te koelen. In Nederland is er de laatste jaren een sterke en door de overheid gestimuleerde groei van het aantal WKO systemen. Gesloten WKO systemen zouden een risico kunnen vormen voor de kwaliteit van het grondwater door het groot aantal perforaties van de ondergrond en door het mogelijke lekken van koelvloeistof. Bij open WKO systemen moet voorkomen worden dat verschillende grondwaterlagen gemengd worden waardoor ongewenste geochemische en microbiologische processen optreden. In principe kan een open WKO systeem wel op een vervuilde locatie worden toegepast, maar er is specifiek maatwerk nodig om de verspreiding van de vervuiling te beperken. De bescheiden temperatuursveranderingen die door WKO systemen worden opgewekt in het grondwater vormen slechts een gering risico voor geochemische processen. Deze temperatuursveranderingen zouden in principe wel aanleiding kunnen geven tot een toename van het aantal ziektekiemen in het grondwater. Daarom is het belangrijk dat er voldoende afstand is tussen een drinkwaterwinning en de omringende WKO installaties. Verder onderzoek is nodig om vast te stellen welke invloed WKO installaties hebben op de bacteriën in het grondwater. Het opslaan van heet (90 °C) grondwater heeft een groot aantal milieubezwaren. De Europese kaderrichtlijn water ziet ook de inbreng van warmte in het grondwater als een mogelijke verontreiniging wanneer daar nadelige gevolgen voor mensen of ecosystemen aan verbonden zijn. Het toezicht van de provincies op het groeiende aantal WKO systemen in de praktijk verdient nadere aandacht.
    • Waste handling and REACH : Recycling of materials containing SVHCs: daily practice challenges

      Janssen MPM; van Broekhuizen FA; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-09-14)
      To achieve a circular economy it is essential to recycle substances, materials and products created by that economy. Recycling, however, becomes more difficult when said materials and products contain substances that are so hazardous that their use is restricted. This is the case with any substance that is identified under the REACH Regulation as a 'substance of very high concern' (SVHC). Products containing SVHCs can only be used when their use is specifically authorised. Producers are concerned that their recycling practices and the use of recycled waste will become more difficult if the waste contains SVHCs. This was the conclusion drawn from a series of interviews with producers and sector organisations about bottlenecks, and possible solutions, conducted by RIVM. One challenge facing parties involved in the responsible reuse of waste is the current uncertainty surrounding the boundaries of the Waste Framework Directive and those of REACH: when does waste become a substance, a mixture or an article? Under REACH, permission for the safe use must be obtained; this requires significant information to be provided on the composition of the material, information that is often not available in great detail. There is still a lot of uncertainty about the SVHCs present in waste streams, potential future SVHCs and exactly when permission for safe use should be applied for. The companies interviewed also stressed how essential it was to separate waste which contains SVHCs from SVHC-free waste streams in an early phase of the waste recycling process, a practice which also requires detailed knowledge of the SVHCs present in waste. The companies indicate that regulatory or financial incentives may be needed to stimulate the implementation of separation processes that are less economically feasible. Finally, it's very important to develop applications in which recycled material containing SVHCs can be used safely. One example hereof is the three-layered sandwich PVC tube which has a middle layer containing SVHCs but two outer layers made from SVHC-free material which protects humans and the environment from any risk of exposure.
    • Wat kost een emissiereductie van 30%? Macro-economische effecten in 2020 van post-Kyoto klimaatbeleid

      Bollen JC; Manders AJG; Veenendaal PJJ; KMD; CPB (Centraal Planbureau CPB, 2004-07-08)
      Deze studie verkent de macro-economische gevolgen van klimaatbeleid, waarbij industrielanden voor 2020 een reductiedoelstelling nastreven die 30% beneden de emissies van 1990 ligt. Een dergelijk regime past bij het uitgangspunt van de Europese Unie, dat de gemiddelde wereldtemperatuur niet meer dan 2 graden Celsius mag stijgen ten opzichte van het preindustriele niveau. De macro-economische gevolgen kunnen sterk uiteen lopen. Als alle (ontwikkelings)landen meedoen aan het klimaatbeleid en emissiemarkten efficient werken, dan worden de kosten in 2020 voor Nederland in een scenario met hoge groei geraamd op 0,8 procent van het reeel Nationaal Inkomen. Als ontwikkelingslanden echter niet meedoen aan klimaatbeleid en alleen de industrielanden beleid voeren, dan kunnen de geschatte kosten oplopen tot 4,8 procent van het Nationaal Inkomen. De kosten van klimaatbeleid zijn ook afhankelijk van toekomstige economische ontwikkelingen. Bij een gematigde economische groei zullen bij een mondiale coalitie de kosten 0,2 procent bedragen.
    • Wat kost een emissiereductie van 30%? Macro-economische effecten in 2020 van post-Kyoto klimaatbeleid

      Bollen JC; Manders AJG; Veenendaal PJJ; Centraal Planbureau CPB; KMD; CPB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-08)
      This study analyzes the macro-economic impacts of a climate policy that aims to reduce emissions of greenhouse gases by industrialized countries to 30% below the level of 1990. Such an effort is consistent with the policy target of the European Union to limit the rise of the average world temperature compared to pre-industrialized level to 2 degrees Celsius. The economic consequences of such a climate policy may vary widely. In 2020 the loss to the Netherlands of such a strategy is assessed to be 0.8 percent of National Income, provided all countries will engage in the climate policy and efficient international emissions markets will be in place. However, if the developing countries do not join the abatement coalition, and only industrialized countries are engaged in climate policy, the costs to the Netherlands may rise to 4.8 percent of National Income. The costs also depend on economic growth in the underlying scenario. In a low economic growth scenario with a global abatement coalition the costs will amount to 0.2 percent of National Income.
    • Wat ligt er op ons bord? : Methodologisch achtergrondrapport bij 'Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland'

      Toxopeus IB; Hoeymans N; Geurts M; Mengelers MJB; Temme EHM; Ocke MC; V&G; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-09-04)
      In de studie 'Wat ligt er op ons bord? Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland' heeft het RIVM de maatschappelijke uitdagingen voor gezonde, veilige en duurzame voeding - nu en in de toekomst - in kaart gebracht. Daarnaast biedt de studie bouwstenen voor voedselbeleid in Nederland, waarbij naast een integrale benadering van deze vraagstukken ook rekening wordt gehouden met de uiteenlopende waarden van voedsel, zoals gemak, betaalbaarheid en dierenwelzijn. Dit rapport is de methodologische verantwoording hiervan en beschrijft de gebruikte methoden. Als eerste wordt besproken hoe met behulp van kwalitatieve analyses trendscenario's voor de veiligheid, gezondheid en duurzaamheid van het voedingspatroon zijn opgesteld. Vervolgens wordt beschreven hoe de effecten van drie toekomstscenario's zijn geschat. En hoe daaruit kansen en keuzen zijn gedestilleerd die zich voordoen bij integraal voedselbeleid. Tot slot wordt een casestudy besproken waarin met behulp van een zogeheten multicriteria-analyse de effecten van alternatieven voor dierlijke eiwitten zijn gewogen. De resultaten van de casestudy en hoe ze zijn gebruikt in 'Wat ligt er op ons bord?' zijn eveneens beschreven.
    • Wat ligt er op ons bord? : Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland

      Ocke MC; Toxopeus IB; Geurts M; Mengelers MJB; Temme EHM; Hoeymans N; M&B; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-01-24)
      Uitdagingen en ambities zijn groot De meeste Nederlanders zijn gezond en de levensverwachting stijgt. Tegelijkertijd heeft de helft van de Nederlanders overgewicht; in lagere sociaaleconomische groepen is dit nog meer. Ook eten 9 van de 10 mensen te weinig groente en fruit en is bijna 30 procent van ons eten van dierlijke oorsprong. Het voedingspatroon van een gemiddelde Nederlander leidt niet alleen tot gezondheidsverlies, maar vormt ook een grote belasting voor het milieu. Het zorgt voor een uitstoot aan broeikasgassen die vergelijkbaar is met die van vervoer. Jaarlijks verspillen Nederlanders per persoon 47 kilogram voedsel. Voedsel in Nederland is overwegend veilig: ongeveer 1 op de 24 mensen maakt jaarlijks een voedselinfectie door, die meestal niet ernstig verloopt. Voor de meeste chemische stoffen in voedsel is het risico voor de volksgezondheid verwaarloosbaar. Nederland wil voorop lopen in de internationale ambitie voor een gezond, duurzaam en veilig voedingspatroon. Om dat te realiseren is integraal beleid nodig gericht op veiligheid, gezondheid en duurzaamheid tegelijkertijd. Kansen In dit onderzoek heeft het RIVM de feiten en cijfers over de veiligheid, gezondheid en ecologische duurzaamheid van voedsel in Nederland verzameld en geanalyseerd welke kansen en dilemma's er zijn voor een integraal voedselbeleid. Niet teveel eten, een voedingspatroon met meer plantaardige en minder dierlijke producten en minder suikerhoudende en alcoholische dranken: dat zijn drie kansen voor een gezonder en duurzamer voedingspatroon. Deze veranderingen verminderen het aantal chronisch zieken, verkleinen de gezondheidsverschillen en beperken de milieubelasting van voedsel. In de meeste gevallen wordt het voedsel daarmee ook veiliger; zo gaat de consumptie van minder vlees samen met minder voedselinfecties. Dilemma's Er zijn ook dilemma's. Niet alle maatregelen voor gezonde voeding zijn duurzaam en veilig, en vice versa. Zo is het duurzaam om bij vleesconsumptie het hele dier van kop tot staart te eten. Dit betekent ook bewerkte vleesproducten, zoals worst, die weer minder gezond zijn. Daarnaast bestaat er een spanningsveld tussen abstracte doelstellingen op lange termijn ('gezonder, duurzamer en veilig') en concrete keuzen in het dagelijks leven. Veel burgers en bedrijven vinden gezondheid en duurzaamheid belangrijk, maar in de winkel letten consumenten toch vooral op prijs en gemak. Bedrijven willen op hun beurt deze consument dienen en winst maken. Keuzen maken De spanning tussen duurzaam, gezond en veilig voedsel, en het gemak, de betaalbaarheid en de economie vraagt om keuzen. Om hier een uitweg in te vinden is een actieve rol van de overheid gewenst, die samen optrekt met de agrarische sector, bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties. Daarbij is niet alleen een goede informatievoorziening voor de consument nodig, maar ook een gezonder en duurzamer aanbod. Hetzelfde geldt voor een omgeving die gezond en duurzaam gedrag stimuleert. Partijen die hier veel invloed op hebben, zoals inkooporganisaties voor supermarkten en de detailhandel, kunnen een belangrijke partner zijn. Dat veel burgers en bedrijven duurzaam, gezond en veilig voedsel belangrijk vinden, creëert legitimiteit voor deze actieve rol. Kansen benutten Kansen voor een integrale aanpak zijn er. De Nederlandse maatschappij kenmerkt zich door ondernemingsgeest en innovatievermogen. Er zijn al burgerinitiatieven gaande die werk maken van verantwoord voedsel. Bedrijven en de agrarische sector willen hieraan bijdragen door slimme oplossingen waarmee winst te maken is. Als de overheid deze ontwikkelingen stimuleert en faciliteert, worden de maatschappelijke ambities, de ondernemingsgeest en het innovatievermogen van alle partijen benut
    • Wat rookt de Nederlandse jeugd en waarom?

      Talhout R; Sleijffers A; van Amsterdam JGC; Opperhuizen A; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-12-03)
      Volgens rokende jongeren kiezen zij hun sigarettenmerk in twee derde van de gevallen vanwege de smaak. Daarnaast bepalen merktrouw, de verkrijgbaarheid van het merk en de prijs de keuze. De meerderheid van de rokende jongeren zegt te willen stoppen, vooral vanwege de kosten en het negatieve effect op hun gezondheid. Dit blijkt uit een online enquete door het RIVM naar het rookgedrag en de productkeuze van jongeren tot en met 18 jaar. De vragenlijst is uitgezet op scholen en op de websites van STIVORO en Scholieren.com, wat resulteerde in bijna vijfduizend ingevulde vragenlijsten. Uit de enquete blijkt ook dat de belangrijkste redenen om te beginnen met roken nieuwsgierigheid, rokers in de sociale omgeving en een positieve verwachting van de smaak zijn. Rokers steken meestal een sigaret op omdat ze er zin in hebben en omdat ze het ontspannend vinden. Ook zeggen ze zich lekker en voldaan te voelen door te roken. Omdat roken aanzienlijke gezondheidschade veroorzaakt bij zowel de roker als zijn omgeving, is het van groot belang met beleidsmaatregelen te voorkomen dat jongeren roken. Op grond van de resultaten van de enquete en literatuuronderzoek doet het RIVM enkele aanbevelingen. Aangezien smaak mede wordt bepaald door additieven in tabak, wordt aanbevolen om het gebruik van additieven die de smaak van rook verbeteren te beperken. Daarnaast is het van belang tegemoet te komen aan de informatiebehoefte van jongeren over de samenstelling en de effecten van tabaksproducten. Tot slot is het belangrijk om naast primaire preventie sterk in te zetten op stoppen-met-rokenprogramma's bij jongeren, vooral bij beginnende rokers. Hierbij lijkt een doelgroepgerichte aanpak, bijvoorbeeld gericht op jongeren met een lager opleidingsniveau, effectief.
    • Water quality in the Netherlands; status (2012-2015) and trend (1992-2015) : Addendum to report 2016-0019

      Fraters B; Hooijboer AEJ; Rijs GBJ; van Duijnhoven N; Rozemeijer JC; IBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-08-08)
      Nitrogen and phosphorus are essential substances in manure used at farms to improve production. Nevertheless, too much nitrogen or phosphorus is harmful because the surplus can leach as a result of which the quality of ground and surface waters deteriorates. Too high concentrations in surface waters may cause, for example, algal blooms. The concentrations of nitrogen and phosphorus in ground and surface waters in 2015 are comparable with those in 2012-2014. This overview is a supplement to the overview published in 2016. In 2016, the concentrations in 2012-2014 and the trend in the period 1992-2014 were considered. The conclusions drawn in 2016 do not change when adding the 2015 data. The research is carried out by RIVM in co-operation with Rijkswaterstaat Water, Traffic and Environment (RWS/WVL) and the knowledge institute Deltares. This addendum has been pledged to the European Union. This addendum will also be used for the negotiations about the sixth Nitrate Directive Action Programme and the prolongation of the derogation for the period 2018-2021.
    • Water quality standards based on human fish consumption : Background document for revision of the WFDmethodology

      Smit CE; van Herwijnen R; Verbruggen EMJ; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-09)
      Het RIVM werkt mee aan de ontwikkeling van de Europese methodiek waarmee normen voor de waterkwaliteit worden bepaald. Voorgesteld wordt de methodiek op enkele punten aan te passen om de schatting van de waterkwaliteitsnorm te verbeteren. Chemische stoffen kunnen de kwaliteit van oppervlaktewater aantasten, wat schadelijk kan zijn voor mens en dier. De Europese Kaderrichtlijn water (KRW) bepaalt voor een aantal stoffen hoeveel er maximaal in oppervlaktewater mag zitten. Hierbij wordt ook gekeken naar de effecten op mensen van stoffen die zij via het eten van vis uit oppervlaktewater kunnen binnenkrijgen. De huidige berekening van de waterkwaliteitsnorm voor visconsumptie is gebaseerd op de aanname dat mensen dagelijks 115 gram vis eten. Eerder concludeerde het RIVM al dat deze waarde slecht is onderbouwd. Uit de gegevens van de Europese Voedsel en Warenautoriteit (EFSA) blijkt dat de visconsumptie sterk verschilt tussen landen. Maar ook binnen een land zijn er grote verschillen tussen visliefhebbers en mensen die weinig vis eten. Het RIVM stelt voor om te gaan rekenen met een visconsumptie van 1,63 gram per kilogram lichaamsgewicht per dag. Bij de nieuwe rekenwijze tellen de landen waar veel mensen vis eten zwaarder mee. Op deze manier beschermt de norm, die voor heel Europa geldt, ook de bevolking van landen waar meer vis wordt gegeten. Uitgedrukt in grammen per persoon is het nieuwe getal nagenoeg gelijk aan de bestaande waarde. Het voordeel van de nieuwe berekeningswijze is dat het getal nu herleidbaar is. Verder zijn land-specifieke gegevens relevant om de actuele risico's te beoordelen op locaties waar de Europese normen worden overschreden. De methodiek gaat er ook van uit dat andere blootstellingsroutes in grote mate bijdragen aan de totale hoeveelheid van een stof die mensen binnenkrijgen. Daarom is de bijdrage die vis mag leveren op maximaal 20 procent gesteld. Waar mogelijk zou rekening moeten worden gehouden met de daadwerkelijke bijdrage van vis aan de totale inname van een stof om het risico beter te kunnen inschatten.
    • Water quality standards for imidacloprid : Proposal for an update according to the Water Framework Directive

      Smit CE; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-04-24)
      Herziening waterkwaliteitsnormen voor imidacloprid Het RIVM stelt voor om de waterkwaliteitsnorm voor het bestrijdingsmiddel imidacloprid te verlagen van 67 naar 8,3 nanogram per liter. Uit nieuwe onderzoeken blijkt dat de schadelijke effecten van imidacloprid op waterorganismen zich al bij lagere concentraties voordoen dan verwacht. Probleemstof Imidacloprid is een insecticide dat behoort tot de groep van neonicotinoïden. Het middel wordt op grote schaal gebruikt in de landbouw, maar ook in en om het huis, bijvoorbeeld in mierenlokdoosjes en vlooiendruppels. Neonicotinoïden staan volop in de belangstelling vanwege een mogelijke relatie met bijensterfte. Om die reden heeft de Europese Commissie eind vorig jaar besloten om het gebruik van imidacloprid in de teelt van een groot aantal gewassen te beperken. Imidacloprid is ook een probleemstof in oppervlaktewater en staat in Nederland hoog in de top-10 van normoverschrijdende stoffen. Huidige norm beschermt onvoldoende De huidige normen voor oppervlaktewater zijn in 2008 vastgesteld. Sinds die tijd zijn er veel nieuwe studies gepubliceerd naar de effecten van imidacloprid op organismen in water. Recent onderzoek toont aan dat vooral eendagsvliegen (haften) zeer gevoelig zijn voor imidacloprid. Deze studies maken duidelijk dat de huidige norm haften onvoldoende beschermt, en mogelijk ook andere groepen insecten. Het RIVM heeft daarom de beschikbare gegevens geëvalueerd en geconcludeerd dat de norm voor lange-termijn blootstelling in zoetwater moet worden verlaagd met een factor acht. De norm voor kortdurende piekblootstelling van 0,2 microgram per liter blijft hetzelfde. Lagere concentraties zijn haalbaar In januari 2014 heeft het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) extra beperkingen opgelegd aan het gebruik van imidacloprid. Het afvalwater uit kassen moet worden gezuiverd en bij de bespuiting van gewassen in het veld moet worden voorkomen dat het insecticide overwaait naar het nabij gelegen water. Door deze maatregelen komt er minder imidacloprid in het oppervlaktewater terecht, wat de kans vergroot dat aan de nieuwe norm kan worden voldaan.
    • Water quality standards for melamine : A proposal in accordance with the methodology of the Water Framework Directive

      Smit CE; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-02)
      Het RIVM doet een voorstel voor waterkwaliteitsnormen voor melamine. Melamine is een industriële stof die vooral wordt gebruikt als grondstof voor kunststoffen. De stof is meerdere malen in Nederlands oppervlaktewater gevonden en de normen kunnen worden gebruikt om de risico's voor het milieu te beoordelen. Melamine hoopt zich niet op in vis. De blootstelling van mensen of dieren via deze route is niet relevant om de waterkwaliteitsnormen te bepalen. Voor de directe effecten op waterorganismen heeft het RIVM berekend dat een concentratie van 525 microgram per liter veilig is als zij langdurig worden blootgesteld. De voorgestelde norm voor kortdurende concentratiepieken is 6 milligram per liter. De gemeten concentraties in Nederlandse wateren zijn ruim lager dan deze waarden. Het RIVM heeft ook een indicatieve norm afgeleid voor oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor de productie van drinkwater. Deze bedraagt 50 microgram per liter en is gebaseerd op een eerder door het RIVM afgeleide voorlopige richtwaarde voor drinkwater. Het betreft een voorlopige richtwaarde, omdat geen rekening is gehouden met gelijktijdige blootstelling aan stoffen die aan melamine verwant zijn. Het RIVM beveelt aan om uitvoeriger te onderzoeken of melamine en soortgelijke stoffen gelijktijdig voorkomen en wat daarvan de risico's zijn.
    • Water quality standards for PFOA : A proposal in accordance with the methodology of the Water Framework Directive

      Verbruggen EMJ; Wassenaar PNH; Smit CE; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-09-15)
      RIVM proposes water quality standards for PFOA. This perfluoro compound has been used for the production of teflon and is found in many surface waters around the world. The quality standard for chronic exposure accounts for the accumulation of PFOA in fish. Using this information, RIVM calculated a safe concentration in water of 48 nanograms per liter, which is protective for lifetime consumption of fish by humans and wildlife. For this research an extensive overview was made of the scientific data on effects of PFOA on aquatic organisms and the accumulation in biota. Based on the oral risk limit for humans as derived recently by RIVM, a maximum allowable concentration in fish was calculated assuming a lifetime daily consumption. This biota standard is converted to an equivalent safe concentration in water using information on the uptake of PFOA from water by fish. Data on bioaccumulation are needed because the water quality standard for ecological effects on aquatic organisms is not sufficiently protective for food chain effects. PFOA has a relatively low toxicity for water organisms, but may pose a problem when entering the food chain via fish. The use of PFOA is restricted by European law, but it can still reach the environment from PFOA-containing products that were produced in the past. Because of its high persistence, emissions will lead to long term presence in the environment. An initial comparison with monitoring data indicates that the safe concentration derived in this research is not exceeded in Dutch surface waters.
    • Water quality standards for uranium : Proposal for new standards according to the Water Framework Directive

      van Herwijnen R; Verbruggen EMJ; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-04)
      Nieuwe waterkwaliteitsnormen voor uranium In de Regeling Monitoring Kaderrichtlijn Water (KRW) staat aan welke eisen het oppervlaktewater in Nederland moet voldoen, onder andere voor uranium. Uranium wordt op veel locaties aangetroffen in concentraties boven de huidige norm. Deze norm is echter niet afgeleid volgens de meest recente methodiek. In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft het RIVM nieuwe waterkwaliteitsnormen voorgesteld, die het ministerie vervolgens heeft overgenomen - de nieuwe waarden zullen eind 2015 worden opgenomen in de nieuwe Regeling monitoring KRW. Bronnen van uranium Uranium is een stof die van nature in rotsen en in de bodem zit. Uranium komt hoofdzakelijk in het milieu terecht via mijnbouw, de verbranding van steenkool en het gebruik van kunstmest. Dit kan ertoe leiden dat de concentratie van uranium in het milieu hoger wordt dan de van nature aanwezige achtergrondconcentratie. Uranium is vooral bekend vanwege de radioactiviteit en het gebruik van de sterk radioactieve vorm in kerncentrales en atoomwapens. Deze bronnen leveren echter maar een kleine bijdrage aan de hoeveelheid uranium in het milieu. De chemische eigenschappen van natuurlijk uranium zijn daarentegen veel schadelijker dan de radioactieve eigenschappen ervan. De normvoorstellen zijn daarom alleen gebaseerd op de (eco)toxicologische eigenschappen van uranium en hebben geen betrekking op de radioactiviteit. Twee waterkwaliteitsnormen De Kaderrichtlijn Water hanteert twee typen waterkwaliteitsnormen: de Jaargemiddelde Milieukwaliteitsnorm (JG-MKN) en de Maximaal Aanvaardbare Concentratie (MAC-MKN). De JG-MKN is de concentratie in water waarbij geen schadelijke effecten te verwachten zijn na langdurige blootstelling (0,5 microgram per liter). De MAC-MKN beschermt het ecosysteem tegen kortdurende concentratiepieken (8,9 microgram per liter). Beide normen gelden voor de concentratie uranium die in water is opgelost en de achtergrondconcentratie is in de norm verrekend. De voorgestelde JG-MKN is iets aangescherpt in vergelijking met de huidige norm en zal naar verwachting op een aantal locaties worden overschreden.
    • Water quality standards related to human exposure in the Water Framework Directive : Considerations on fish consumption and swimming

      Smit CE; Moermond CTA; Ocke M; te Biesebeek JD; SEC; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-02-18)
      Waterkwaliteitsnormen voor blootstelling van mensen Chemische stoffen kunnen de kwaliteit van oppervlaktewater aantasten, wat schadelijk kan zijn voor mens en dier. Daarom wordt vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) bepaald hoeveel van een stof maximaal in oppervlaktewater mag zitten. Deze normen worden volgens Europese voorschriften afgeleid. Hierbij worden de effecten onderzocht van drie 'routes' waarlangs mensen en dieren in contact met de stof kunnen komen: de directe effecten van een stof op waterorganismen, de effecten op vogels en zoogdieren die waterdieren eten, en de effecten op mensen via het eten van vis uit oppervlaktewater. Dit levert drie veilige concentraties op; de laagste bepaalt de norm. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft in dit verband het RIVM gevraagd om te onderzoeken of de Europese uitgangpunten om te berekenen in welke mate mensen aan stoffen blootgesteld worden via het eten van vis, relevant zijn voor Nederland. Visconsumptie te hoog ingeschat? Het Europese voorschrift gaat ervan uit dat mensen dagelijks 115 gram vis eten. Voor een aantal Europese landen lijkt dit een reële aanname. De gemiddelde Nederlander eet echter veel minder vis, zo blijkt uit recente consumptiegegevens voor ons land. Ook eet lang niet iedereen dagelijks vis. Dit zou kunnen betekenen dat van een te hoge inname van stoffen wordt uitgegaan bij de bepaling van de milieunormen, en dat deze normen te streng zijn. Er zijn echter ook fervente viseters die wél veel meer vis eten. Het is uiteindelijk een beleidskeuze van welke doelgroepen wordt uitgegaan om normen voor een veilige waterkwaliteit te bepalen. Het RIVM doet daarom geen nieuw voorstel voor de hoeveelheid vis die wordt geconsumeerd. Wel worden enkele opties geboden om te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van een risico als de norm wordt overschreden. Onder andere kan bij de beoordeling van de waterkwaliteit worden meegewogen of het water daadwerkelijk als viswater wordt gebruikt. Blootstelling door zwemmen onderzocht Tevens is onderzocht of bij de afleiding van waternormen meegenomen moet worden dat mensen aan stoffen staan blootgesteld als zij in oppervlaktewater zwemmen. Dat blijkt niet nodig te zijn. Hiervoor zijn modelberekeningen uitgevoerd voor een aantal stoffen, waaronder gewasbeschermingsmiddelen en industriële chemicaliën. Het nu gebruikte model geeft aan dat er geen risico's zijn te verwachten als gevolg van zwemmen.
    • Water- en nutrientenhuishouding van het stroomgebied van de Hupselse beek

      Eertwegh GAPH van den; Meinardi CR; LBG (1999-04-01)
      Het stroomgebied van de Hupselse beek is gelegen in het zandgebied van Oostelijk Gelderland. De hydrologische grenzen van het gebied zijn goed bekend. Water-, stikstof- en fosfaatbalansen voor het gebied zijn berekend van april 1985 tot april 1994. De gemiddelde neerslag in die periode bedroeg 845 mm j-1, de afvoer van water door de beek 330 mm j-1 en de actuele verdamping 515 mm.j-1. Afvoercomponenten zijn afvoer over de oppervlakte (3% van het totaal), grondwaterafvoer via drainbuizen (55-75%) en afvoer van grondwater naar sloten en beken (20-40%). Ca. 40% van het water heeft een verblijftijd van maximaal 1 jaar in de bodem en ruim 90% komt binnen 5 jaar tot afvoer. De gemiddelde concentratie aan nitraat in de beekafvoer is 32 mg.l-1 en die aan totaal-fosfaat is 0.21 mg.l-1. Ongeveer 20% van de bodembelasting met stikstof komt tot afvoer, dit is gelijk aan 112 kg ha-1 j-1 N. In de onderzoeksperiode is geen trend aanwezig in de stikstofvracht van de beek. De jaarlijkse gemiddelde fosfaatvracht van de beek is 1 kg ha-1 j-1 P, dat is 1% van de bodembelasting. De fosfaatvracht in de onderzoeksperiode is dalend in de tijd
    • Water- en stoftransport in een dikke onverzadigde zone en een modellering daarvan

      Krajenbrink GJW (1988-11-30)
      In het kader van het stikstofproject heeft het RIVM in het waterwingebied Putten onderzoek verricht naar het werk- en stoftransport in de onverzadigde zone van ca. 9 meter. Dit rapport bespreekt de resultaten van veldmetingen, met diverse bodemvochtbepalingen van grondmonsters, en van een modelsimulatie van een chlorideprofiel. De globale verblijftijd van een waterdeeltje in de qua textuur zeer heterogene onverzadigde zone varieert van ca. 1,5 - 3 jaar. Met het model KOLOM kunnen de concentratieprofielen niet gesimuleerd worden bij een normale dispersiviteit. De concentratieprofielen en de bodemopbouw veronderstellen een grillig watertransport via voorkeursbanen. Grondwater kan hierdoor onverwacht kwetsbaar zijn voor bodemvervuiling.