• Het vóórkomen van sterfte, ziekten, aandoeningen en gezondheidsklachten onder (ex-)POMS-medewerkers

      kempen E van; Rijs K; M&G; DMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-04)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061
    • Vriescheloo, een numeriek model van het geohydrologische systeem

      Ee; G.van* (1985-11-30)
      In het kader van het Regionaal Hydrologisch Onderzoek van Groningen zijn m.b.v. het eindige elementenmodel TRIST de verlagingen van de grondwaterstand berekend, die in het modelgebied Vriescheloo zullen optreden t.g.v. de winning van grondwater op een aantal geselecteerde locaties. Bij de selectie van de locaties is rekening gehouden met het landbouwbelang, de aanwezigheid van kleilagen, de aanwezigheid van oppervlaktewater, de bedreiging door vuilstorten e.d., de kwaliteit van het grondwater en de aanwezigheid van natuurgebieden. Veel aandacht is besteed aan de geologie en aan de modellering van de relatie tussen het oppervlaktewater en het grondwater.
    • Vrijstelling en vrijgave in richtlijn 2013/59/Euratom

      van der Schaaf M; Tanzi CP; M&M; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-01-05)
      Als gevolg van handelingen en werkzaamheden met radioactieve materialen kunnen mensen aan ioniserende straling worden blootgesteld, met risico's voor de gezondheid als gevolg. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij het gebruik van radioactieve stoffen in ziekenhuizen of bij het beheer van afval in de industrie. Om deze reden zijn dergelijke handelingen en werkzaamheden gebonden aan regels en voorschriften. De mate waarin dit het geval is, is doorgaans afhankelijk van de blootstelling. In bepaalde omstandigheden kunnen materialen van deze regels worden vrijgesteld. Aangezien de Europese wetgeving over deze vrijstelling is gewijzigd, heeft het RIVM op hoofdlijnen de gevolgen daarvan in kaart gebracht. Als materialen slechts een zeer geringe blootstelling met zich meebrengen, draagt regelgeving niet bij aan een betere bescherming van mensen. Deze materialen kunnen worden vrijgesteld van regulering. Ondernemers kunnen op basis van een toetsing aan zogenoemde vrijstellings- of vrijgavegrenswaarden bepalen of dit aan de orde is. Deze grenswaarden zijn wettelijk vastgelegd en gebaseerd op internationale aanbevelingen en richtlijnen (richtlijn 96/29/Euratom). In december 2013 is een nieuwe richtlijn vastgesteld (2013/59/Euratom), die eerdere richtlijnen op dit gebied vervangt en uiterlijk in 2018 dient te zijn omgezet in nationale regelgeving. Dit betekent onder meer dat de Europese kaders voor vrijstelling en vrijgave van regulering gedeeltelijk worden herzien. In dit briefrapport wordt het huidige Nederlandse beleid en de regelgeving op het gebied van vrijstelling en vrijgave beschreven. Daarnaast is weergegeven hoe Nederland de huidige Europese kaders heeft ingevuld en wat er gaat veranderen. Hierbij is ook gekeken hoe buurlanden dit beleid hebben vormgegeven. Ten slotte worden enkele opties voorgesteld om de voorschriften uit de nieuwe richtlijn te implementeren.
    • VTV interactief-evaluatie van de orientatiefase

      Bruin AJ de; Helder JC; Kempers WAM; ISC (1994-12-31)
      Met dit evaluatie-rapport wordt de orientatie-fase van het project VTV Interactief afgesloten. De resultaten van de fase zijn een algemene analyse van een interactief document, een geimplementeerde demonstratie-versie en een beschrijving van de daarin uitgebeelde mechanismen. De belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat een interactief werkstation voor het volledig redigeren van een VTV-document nog niet mogelijk is. Wel zijn voor de diverse doelgroepen hulpmiddelen aanwezig of te maken. Lezers van VTV documenten met verschillende interesse-profielen worden door een interactieve versie van (een deel van) de Volksgezondheids Toekomst Verkenningen in staat gesteld de door hun gewenste informatie te benaderen met behulp van interactieve mechanismen ten behoeve van de ontsluiting van, de navigatie door en de presentatie van informatie. De redactie van een VTV document kan op dit moment geen hulp van VTV Interactief verwachten ; voor deze groep bestaan echter software-pakketten die problemen specifiek op dit gebied oplossen (met meerdere auteurs aan een document werken, versiebeheer e.d.).De bestaande hulpmiddelen voor het fabriceren van een interactief document zijn onvoldoende doordat zij geen rekening houden met veranderingen in het in bewerking zijnde document. Het statische karakter van de in het document aan te brengen structuur vraagt veel onderhoud na elke wijziging. Wel zijn talen in ontwikkeling. Een eventueel vervolg (op langere termijn) van VTV-interactief zal zich moeten aansluiten bij de internationaal erkende standaards Standard Generalized Markup Language (SGML) en Hypermedia/Time-based Document Structuring Language (HyTime). Ten aanzien van de presentatie van verschillende typen informatie moeten algemeen geldende afspraken gemaakt worden. De ontwikkelde ontsluitings- en navigatiemechanismen zijn voor VTV-onderzoekers van belang. Het voorstel is deze in de modelleeromgeving M te integreren, vooral gericht op grafische presentatie en onderzoek van gegevens.
    • Een vuistregel voor de effecten van schermen in SRM2

      Wesseling J; Beijk R; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-07-31)
      Bij gebruik van de saneringstool is het op korte termijn nodig om een simpele maar robuuste schatting te maken van het effect van een geluidsscherm op de NO2 en PM10 bijdragen van verkeer op een snelweg. Aangezien dit tijdens de post-processing moet gebeuren is het niet mogelijk om een volledige SRM-2 berekening uit te voeren. Teneinde een vuistregel te ontwikkelen welke snel kan worden ingezet totdat de saneringstool met een hiertoe geschikte rekenroutine, heeft het RIVM voor verschillende schermhoogten berekeningen uitgevoerd met SRM-2, de resultaten hiervan gefit en geparametriseerd.
    • Vulkaanas van de Eyjafjallajokull : Risicoschattingen voor Nederland

      Dusseldorp A; Mennes WC; ter Burg W; Verboom JH; van der Swaluw E; Fischer PH; Marra M; Cassee FR; Hoogenboom LAP; van Overveld AJP; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRIKILT, 2010-09-23)
      De uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajokull op 14 april 2010 heeft in Nederland geen risico's opgeleverd voor de volksgezondheid. Hoewel er door de heersende windrichting as van de vulkaan over Nederland is getrokken, is er nauwelijks as op leefniveau terecht gekomen. Dat heeft het RIVM geconcludeerd in diverse adviezen die tussen 15 en 29 april 2010 zijn uitgebracht. Dit rapport bundelt de adviezen en geeft enkele aanknopingspunten voor de beoordeling van een eventueel toekomstige situatie, in het geval een vulkaanuitbarsting zou leiden tot de verspreiding van vulkaanas naar Nederland. Het betreft de analyse van regenwater, de inschatting van risico's bij inademing van vulkaanas en de inname van elementen uit de as bij consumptie van gewassen.
    • Vulnerability Concept and its Application to Food Security

      Lucas PL; Hilderink HBM; LOK; KMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-01-10)
      This report describes an operationalisation of the term 'sustainable development', by introducing the vulnerability concept. Vulnerability describes the degree to which a system is likely to experience harm due to exposure to a hazard, and thereby identifies unsustainable states and processes. The operationalisation is presented in a framework, which incorporates the three elements of vulnerability, i.e. exposure, sensitivity and coping capacity. The framework links model outcomes, represented as indicators, towards an overall measure of sustainability of a certain sector or system. The overall vulnerability is determined by the potential impact (exposure plus sensitivity) and the coping capacity, which is the impact that may occur given projected global change and the degree to which adjustments in practices, processes or structures can moderate or offset the potential for damage. The advantages of the approach are the transparency of the indicator framework and the linkage of the framework with simulation models (existing knowledge). To test the methodology, it is applied on the issue of food security, resulting in a measure for the overall vulnerability of countries towards food shortages. The results of this analysis are in line with the degree of food deprivation on a regional scale, as determined by the FAO. These similarities in results indicate that the chosen indicator framework is a reasonable proxy for food security and that the conceptual framework gives good prospects for the analysis of other unsustainable states and processes.
    • Vulnerability Concept and its Application to Food Security

      Lucas PL; Hilderink HBM; LOK; KMD (2005-01-10)
      Dit rapport beschrijft de operationalisatie van de term 'duurzame ontwikkeling' door gebruik te maken van het kwetsbaarheidconcept. Kwetsbaarheid beschrijft de mate van schade dat een systeem kan ondervinden door blootstelling aan een bepaalde druk en beschrijft daarmee niet duurzame processen. Voor de operationalisatie wordt een raamwerk geintroduceerd dat bestaat uit de drie elementen van kwetsbaarheid, namelijk blootstelling, gevoeligheid en aanpassingscapaciteit. Het raamwerk maakt gebruik van modelresultaten, indicatoren, die worden geaggregeerd tot een algemene maat van duurzaamheid voor een bepaalde sector of systeem. De kwetsbaarheid wordt beschreven door de potentiele impact (blootstelling plus gevoeligheid) en de aanpassingscapaciteit, dat wil zeggen de gevolgen die kunnen ontstaan door mondiale veranderingen in het menselijke en milieusysteem en de graad waarin mogelijke aanpassingen de schade kunnen matigen of compenseren. De voordelen van de benadering zijn de transparantie van het indicatorenraamwerk en de koppeling met simulatiemodellen (bestaande kennis). Om vervolgens deze methodiek te toetsen is het toegepast op het probleem van voedselveiligheid, wat resulteert in een maat voor de kwetsbaarheid van landen voor voedseltekorten. De resultaten van deze analyse zijn op regionale schaal in lijn met de mate van voedseltekorten zoals gerapporteerd door de FAO. Deze gelijkenis geeft aan dat het gekozen indicatoren raamwerk een redelijke proxy geeft voor voedselveiligheid en dat het conceptuele raamwerk goede vooruitzichten biedt voor het toepassen op andere niet duurzame processen.
    • Vulnerability of Human Population Health to Climate Change: state-of-knowledge and future research directions

      Martens WJM (eds); PB-NOP; Universiteit Limburg (Universiteit LimburgMaastricht, 1996-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Vulnerability of water supply in the Netherlands through the River Meuse

      Deursen WAA van; Feddes RA; Torfs PJJF; Warmerdam PMM; NOP (Carthago Consultancy RotterdamWageningen Agricultural University Wageningen, 1999-02-12)
      Abstract niet beschikbaar
    • Vulnerability to diffuse pollution of European soils and groundwater

      Meinardi CR; Beusen AHW; Bollen MJS; Klepper O; LBG; CWM (1994-12-31)
      Bodem en grondwater in Europa (van de Oeral tot de Atlantische Oceaan) worden bedreigd door diffuse vervuilingen die vooral worden veroorzaakt door de bemesting van landbouwgronden en door een toegenomen luchtverontreiniging. De kwetsbaarheid van de bodem (met inbegrip van het grondwater) voor diffuse vervuiling hangt af van het landgebruik, eigenschappen van de ondiepe bodem, het neerslagoverschot, aard van de watervoerende pakketten, aanvulling en ouderdom van het grondwater. Het overschot aan neerslag is geschat met behulp van meteorologische gegevens en de benadering van Turc-Langbein voor de actuele evapotranspiratie. Door toepassing van irrigatie zal de waarde van het neerslagoverschot niet sterk veranderen. Voor alle gebieden is aangehouden dat 5% van de neerslag onmiddellijk wordt afgevoerd door oppervlakkige afvoer of snelle percolatie in de bodem en dus niet onderhevig is aan evapotranspiratie. De aanvulling van het grondwater is gelijk aan het neerslagoverschot minus de oppervlakkige afstroming. Het voorkomen van oppervlakkige afvoer is afhankelijk gesteld van een aantal eigenschappen van de bodem (textuur, helling, landgebruik, ijsbedekking). De ouderdom van het grondwater volgt uit de waarden voor de aanvulling, de porositeit en de dikte van de desbetreffende watervoerende lagen. De kwetsbaarheid van de bodem is onderscheiden in een kwetsbaarheid van de toplaag en een kwetsbaarheid van het grondwater. In beide gevallen worden, met behulp van GIS-methodieken, waarden aan de kwetsbaarheid toegekend die volgen uit een verwerking van de gewogen bijdragen door de diverse factoren die van invloed zijn. De resultaten zijn op kaarten weergegeven.
    • Vulnerability to diffuse pollution of European soils and groundwater

      Meinardi CR; Beusen AHW; Bollen MJS; Klepper O; LBG; CWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-12-31)
      From the Atlantic Ocean to the Ural Mountains, European soils and groundwater are threatened by diffuse pollution derived from various chemicals used in modern agriculture and by increased atmospheric deposition of pollutants. The investigated vulnerability of soils (including groundwater) to diffuse pollution depends on land cover, topsoil, net precipitation, aquifer type, groundwater recharge and age. The elaboration of the various composing elements, both for the topsoil and for groundwater, was realized by applying Geographical Information Systems (GIS). Net precipitation is estimated using meteorological data and applying the Langbein/Turc approach for the actual evapo-transpiration. Irrigation techniques will not greatly change the amount of net precipitation. Net precipitation is assumed to include 5% of the total precipitation, immediately discharged by runoff or by fast percolation to deeper layers. Net precipitation is discharged by groundwater recharge and surficial flow. The occurrence of surficial runoff is related to soil features. The average groundwater age follows from aquifer depth, porosity and the recharge. The vulnerability of European soils and European groundwater was estimated by establishing a ranking of the combined risks with regard to diffuse pollution. The results of the ranking and intermediate results are presented on maps.
    • Vuurwerkramp Enschede: lichamelijke en geestelijke gezondheid en ervaringen met de ramp; rapportage van het gezondheidsonderzoek

      Kamp I van; Velden PG van der; Instituut voor Psychotrauma; GGD Twente; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-19)
      De vuurwerkramp in Enschede 13 mei 2000 heeft grote invloed gehad op de gezondheid van de ongeveer 4000 betrokkenen bij deze ramp. Een belangrijk deel van deze mensen heeft 2 tot 3 weken na de ramp problemen op het gebied van de gezondheid. Door lichamelijke gezondheidsproblemen zijn veel bewoners beperkt in hun dagelijkse bezigheden. Veel mensen hebben slaapproblemen. Het percentage mensen in de ziektewet is 2 tot 3 weken na de ramp verdubbeld. Ook emotionele problemen beperken veel bewoners in hun functioneren. Meer dan 50% heeft te maken met onder andere angstgevoelens, neerslachtigheid, somberheid en gebrek aan vertrouwen. Na de ramp rapporteren vooral bewoners en passanten en in iets mindere mate de hulpverleners uit het rampgebied en uit Enschede een slechte ervaren gezondheid, ook als rekening wordt gehouden met ondermeer hun gezondheidstoestand voor de ramp, leeftijd, geslacht, opleiding en etniciteit. Hulpverleners van buiten Enschede rapporteren zowel voor als na de ramp, gemiddeld genomen in mindere mate lichamelijke en emotionele problemen dan de overige groepen. Mensen die hun huis zijn kwijtgeraakt, dierbaren hebben verloren of letsel hebben opgelopen, hebben de meeste last van problemen. Vrijwel alle lichamelijke en psychische klachten komen bij deze groepen 2 tot 3 keer vaker voor. Dit zijn de belangrijkste conclusies van het vragenlijstonderzoek naar de lichamelijke en geestelijke gezondheid van ongeveer 4000 betrokkenen bij de vuurwerkramp in Enschede. Het vragenlijstonderzoek is 1 van de onderdelen van het Gezondheidsonderzoek Vuurwerkramp Enschede. Als onderdeel van de gezondheidsmonitoring zal o.a. dit vragenlijstonderzoek in de toekomst herhaald worden.
    • Vuurwerkramp Enschede: lichamelijke en geestelijke gezondheid en ervaringen met de ramp; rapportage van het gezondheidsonderzoek

      van Kamp I; van der Velden PG; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMInstituut voor PsychotraumaGGD Twente, 2001-04-19)
      De vuurwerkramp in Enschede 13 mei 2000 heeft grote invloed gehad op de gezondheid van de ongeveer 4000 betrokkenen bij deze ramp. Een belangrijk deel van deze mensen heeft 2 tot 3 weken na de ramp problemen op het gebied van de gezondheid. Door lichamelijke gezondheidsproblemen zijn veel bewoners beperkt in hun dagelijkse bezigheden. Veel mensen hebben slaapproblemen. Het percentage mensen in de ziektewet is 2 tot 3 weken na de ramp verdubbeld. Ook emotionele problemen beperken veel bewoners in hun functioneren. Meer dan 50% heeft te maken met onder andere angstgevoelens, neerslachtigheid, somberheid en gebrek aan vertrouwen. Na de ramp rapporteren vooral bewoners en passanten en in iets mindere mate de hulpverleners uit het rampgebied en uit Enschede een slechte ervaren gezondheid, ook als rekening wordt gehouden met ondermeer hun gezondheidstoestand voor de ramp, leeftijd, geslacht, opleiding en etniciteit. Hulpverleners van buiten Enschede rapporteren zowel voor als na de ramp, gemiddeld genomen in mindere mate lichamelijke en emotionele problemen dan de overige groepen. Mensen die hun huis zijn kwijtgeraakt, dierbaren hebben verloren of letsel hebben opgelopen, hebben de meeste last van problemen. Vrijwel alle lichamelijke en psychische klachten komen bij deze groepen 2 tot 3 keer vaker voor. Dit zijn de belangrijkste conclusies van het vragenlijstonderzoek naar de lichamelijke en geestelijke gezondheid van ongeveer 4000 betrokkenen bij de vuurwerkramp in Enschede. Het vragenlijstonderzoek is 1 van de onderdelen van het Gezondheidsonderzoek Vuurwerkramp Enschede. Als onderdeel van de gezondheidsmonitoring zal o.a. dit vragenlijstonderzoek in de toekomst herhaald worden.<br>
    • Vuurwerkramp Enschede: Metingen van concentraties, verspreiding en depositie van schadelijke stoffen: rapportage van het milieuonderzoek

      Mennen MG; Kliest JJG; Bruggen M van; IEM; LAC; LOC; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-19)
      On May 13, 2000 the city of Enschede was hit by a series of explosions in a fireworks storage depot in the middle of a residential city district. The explosions resulted in a huge fire, in which more than 200 dwellings and dozens of commercial buildings were damaged. As a result of the accident, 22 people died and more than 1000 were wounded. On the day of the fire and the days following, RIVM's Environmental Incident Service took a series of samples in the surroundings of the fire to determine the potential exposure of the people involved. Measurements in the smoke, close to the fire, showed high concentrations of particles, carbon monoxide and heavy metals, especially lead, copper and zinc. In a second series of measurements made on the days following the fire only slightly increased concentrations of particles, heavy metals, volatile organic compounds and dioxins were found. Outside the measurement area background concentrations were hardly, if at all, exceeded. Concentrations of asbestos in the air did not exceed the maximum risk level. The data were used to estimate the potential human exposure to toxic compounds on the basis of exposure profiles of the people involved. The estimated exposure was compared to health based guidelines and it was concluded that health effects due to the exposure were highly unlikely, with the exception of short-term irritation of the air ways. Measurements of deposition showed the environmental load outside the disaster area to be non-relevant with respect to the normal background concentrations in soil.
    • Vuurwerkramp Enschede: Metingen van concentraties, verspreiding en depositie van schadelijke stoffen: rapportage van het milieuonderzoek

      Mennen MG; Kliest JJG; van Bruggen M; IEM; LAC; LOC; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-19)
      Op 13 mei 2000 werd Enschede getroffen door een reeks explosies bij het vuurwerk-bedrijf S.E. Fireworks, gelegen midden in een woonwijk, waardoor een groot aantal woningen en andere gebouwen werd verwoest. Als gevolg van de explosies ontstond een grote brand, waarbij meer dan tweehonderd woonhuizen en enkele tientallen bedrijfspanden vlam vatten. Naast tweeentwintig doden waren er bijna duizend gewonden die medische ondersteuning nodig hadden. Tijdens de brand en op de dagen daarna heeft de Milieu Ongevallen Dienst (MOD) van het RIVM metingen verricht van schadelijke stoffen in de lucht en in de omgeving. Ook zijn in het gebied benedenwinds van de ramplocatie monsters van veegstof en gras genomen om de verspreiding en depositie van deze stoffen te bepalen. Uit de metingen blijkt dat dichtbij de brand, in de rook, sterk verhoogde concentraties stof en zware metalen (i.h.b. lood, koper en zink) voorkwamen. Ook koolmonoxide bleek in hoge concentraties aanwezig te zijn. Ook na de brand werden deze stoffen in het rampgebied gevonden, zij het in lagere concentraties. Tevens werden daar licht verhoogde concentraties dioxinen en vluchtige organische verbindingen gemeten. Buiten het rampgebied waren de concentraties van deze stoffen niet of nauwelijks verhoogd. Door TNO is vastgesteld dat er op de door MOD bemonsterde filters geen asbestvezels voorkwamen. Op 14 mei is door SGS en TNO geconstateerd, dat zich buiten de binnenring geen relevante verspreiding van asbest had voorgedaan. In de binnenring was bij visuele inspectie wel op verschillende plaatsen asbest aangetroffen. Metingen in de lucht hebben uitgewezen dat op de dagen na de brand de concentratie aan asbestvezels in de lucht meestal onder het verwaarloosbaar risiconiveau lag. Met behulp van de meetgegevens en modelberekeningen is de potentiele blootstelling geschat van de betrokken hulpverleners en omwonenden. Na vergelijking met gezondheidskundige grenswaarden en normen werd duidelijk dat langdurige gezondheidseffecten door inademing van deze stoffen onaannemelijk waren. Kortdurende effecten, als irritatie van de luchtwegen, kunnen echter wel zijn opgetreden. Tot op 5 km benedenwinds van de voormalige vuurwerkopslagplaats zijn verhoogde concentraties zware metalen gevonden in veegstof en gras. Dit heeft echter niet tot een noemenswaardige belasting van de bodem geleid.<br>
    • Vuurwerkramp Enschede: Stoffen in bloed en urine; rapportage van het gezondheidsonderzoek

      Projectteam Gezondheidsonderzoek Vuurwerkramp Enschede; LBM (2001-04-19)
      Het rapport beschrijft de resultaten van de bepaling van stoffen in bloed- en urinemonsters van de ongeveer 4000 getroffenen van de vuurwerkramp in Enschede die hebben deelgenomen aan het Gezondheidsonderzoek Vuurwerkramp Enschede. Het doel van het onderzoek was het vaststellen van de situatie direct na de ramp, zodat in de toekomst nagegaan kan worden of eventuele gezondheidsproblemen van bewoners, hulpverleners of passanten met de ramp te maken hebben. Daartoe zijn twee weken na de ramp gegevens verzameld over de lichaamsbelasting aan schadelijke stoffen en de lichamelijke en geestelijke gezondheid van een groot aantal bewoners, hulpverleners en passanten. De vraagstellingen luiden: - Wijken de niveaus van stoffen in bloed en urine van bewoners, hulpverleners en passanten af van die van vergelijkbare bevolkingsgroepen (referentiewaarden)? - Is een hoge score voor potentiele blootstelling (op basis van de vragenlijst) geassocieerd met de niveaus van stoffen in bloed en urine van bewoners en hulpverleners? De beschikbare bloed- en/of urinemonsters van de deelnemers aan het onderzoek zijn geanalyseerd met de ICP-MS methode op de volgende elementen: barium (Ba), cadmium (Cd), chroom (Cr), koper (Cu), nikkel (Ni), lood (Pb), antimoon (Sb), strontium (Sr), titanium (Ti) en zink (Zn). Deze stoffen zijn gekozen omdat zij indicatief worden geacht voor het vaststellen van een eventuele verhoogde lichaamsbelasting door de vuurwerkramp. Om vast te stellen of er sprake is van een verhoogde lichaamsbelasting zijn de waargenomen niveaus in bloed en urine van de onderzoekspopulatie vergeleken met concentraties gemeten bij vergelijkbare bevolkingsgroepen (referentiewaarden). De relatie tussen de niveaus in bloed en urine en de potentiele blootstelling aan genoemde elementen in stofvormige luchtverontreiniging is onderzocht met behulp van meervoudige regressie-analyse, waarbij is gecorrigeerd voor mogelijke verstorende invloeden van leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, etniciteit, roken, alcoholgebruik en hobby's. De belangrijkste conclusie is dat er geen consistente verhogingen van de gemeten stoffen in bloed en urine zijn in vergelijking met de niveaus die normaal bij de algemene bevolking worden gevonden. Er is evenmin een consistente relatie gevonden tussen de potentiele blootstelling aan stoffen en de gemeten concentraties in bloed en urine. De conclusie van het onderzoek is dat er voor de onderzochte stoffen bij bewoners, passanten en hulpverleners geen verhoogde lichaamsbelasting door de vuurwerkramp is aangetoond. Milieukwaliteitsmetingen van RIVM en TNO uitgevoerd direct na de explosie en brand gaven ook geen aanwijzing dat er een sterk verhoogde blootstelling aan bepaalde stoffen heeft plaatsgevonden. Op puur klinisch-toxicologische gronden was er daarom geen reden voor verder onderzoek. Desalniettemin is op basis van ervaringen met de Bijlmermeer vliegramp en de aanbevelingen van de Enquete commissie besloten tot een pro-actieve benadering in de uitvoering van gezondheidsmonitoring. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
    • Vuurwerkramp Enschede: Stoffen in bloed en urine; rapportage van het gezondheidsonderzoek

      Projectteam Gezondheidsonderzoek Vuurwerkramp Enschede; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-19)
      On May 13th, 2000, a firework storage facility with 177 tons of heavy fireworks exploded in a residential area in Enschede, The Netherlands. The series of three explosions and subsequent fire killed 22 and injured over 900 people and some 400 homes were destroyed. The Dutch government declared a national disaster and a survey was launched to study potential exposure to substances and psycho-trauma, and to assess current physical and psychological health of victims and relief workers, as part of a larger health care programme for the victims. The data collection was performed between 30th May and 7th June, and the first results were reported within 8 weeks of the disaster. This report addresses the assessment of the body burden of specific disaster-related-components in blood and urine among the full study population of 4000 residents and relief workers. Blood and urine samples were collected and analysed by ICP-MS for barium (Ba), cadmium (Cd), chrome (Cr), copper (Cu), nickel (Ni), lead (Pb), antimony (Sb), strontium (Sr), titanium (Ti) and zinc (Zn). Measured values were compared with reference values of comparable populations based on the scientific literature. To assess differences in blood and urine levels between potentially different exposed groups (based on questionnaire information) of residents or relief workers, multiple regression analyses were performed with adjustment for potential confounders. No systematic increases of blood and urine levels were found in the residential group (including children) nor in the relief workers. Regression analyses showed no consistent pattern between potential exposure and blood or urine levels. Based on the comparison to reference levels in combination to the regression results, the overall conclusion of the study is that for the elements under study no elevated body burdens due to the firework disaster were demonstrated.
    • W.H.O./I.F.C.C. 5 country study 1981

      Koedam; J.C.; Dreumel; H.J.van (1984-09-01)
      Op verzoek van de W.H.O. heeft een commissie van de International Federation for Clinical Chemistry (I.F.C.C.) enkele protocollen opgesteld waarin richtlijnen staan betreffende het onderzoek van in vitro diagnostische reagentia ("Kits"). Deze protocollen zijn m.n. bedoeld voor gebruik in ontwikkelingslanden. Dit rapport beschrijft de opzet en de resultaten van een proef, waarbij aan laboratoria in 5 landen werd gevraagd, conform de protocollen, een bepaalde kit te onderzoeken met de bedoeling de bruikbaarheid van de richtlijnen te testen. Hoewel de uitvoering van het experiment niet vlekkeloos verliep, bleek dat de protocollen redelijk bruikbaar waren maar dat een groot aantal verbeteringen kon worden aangebracht. Het RIVM verstrekte adviezen en hulp aan de deelnemers (soms direct, soms via Geneve), controleerde alle berekeningen en rapporteerde het resultaat aan de W.H.O., I.F.C.C. en de deelnemende laboratoria.
    • De waarde van een voedselkeuzelogo voor het voedingsbeleid : Advies van de Onafhankelijke Commissie Voedselkeuzelogo

      Hoogendoorn MP; van den Berg M; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-09)
      Voedselkeuzelogo's kunnen consumenten informeren over gezondere producten. Het is echter niet wetenschappelijk aangetoond dat voedselkeuzelogo's er aan bijdragen dat het productaanbod gezonder wordt en consumenten vaker voor gezondere producten kiezen. Dat concludeert de Onafhankelijke Commissie Voedselkeuzelogo die op verzoek van het ministerie van VWS de wetenschappelijke literatuur over enkele voedselkeuzelogo's bestudeerde. Het eetpatroon van veel Nederlanders kan een stuk gezonder. Zo eten we gemiddeld te weinig groente en fruit, en te veel zout en verzadigd vet. Daarom is het Nederlandse voedingsbeleid erop gericht de gezonde keuze de makkelijke keuze te maken. Dat gebeurt onder andere door te stimuleren dat producenten het productaanbod gezonder maken en door consumenten heldere en betrouwbare informatie aan te bieden, bijvoorbeeld via de voorlichting van het Voedingscentrum. Ook het Vinkje was als voedselkeuzelogo de afgelopen jaren onderdeel van het voedingsbeleid. In het licht van de maatschappelijke discussie die was ontstaan over het Vinkje, heeft de minister van VWS in oktober 2016 aangekondigd dat het gebruik van het Vinkje beëindigd diende te worden. Het ministerie van VWS heeft de Onafhankelijke Commissie Voedselkeuzelogo ook gevraagd te adviseren over de waarde van een voedselkeuzelogo in het kader van de doelen van het Nederlandse voedingsbeleid. Hoewel de commissie geen overtuigende bewijslast voor effecten van voedselkeuzelogo's op consumentengedrag of productinnovatie vond, kan een voedselkeuzelogo wel passen in het doel van het voedingsbeleid om consumenten te informeren over gezonde voeding. Het is daarbij belangrijk een dergelijk logo onderdeel te laten zijn van een integrale aanpak die op een gezonder eetpatroon is gericht.