• Waterkwaliteit op landbouwbedrijven. Evaluatie Meststoffenwet 2007

      Hooijboer AEJ; Fraters B; Boumans LJM; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-01-25)
      Onder landbouwbedrijven in de zandregio wordt in het bovenste grondwater de norm van de Europese Nitraatrichtlijn (50 mg/l) gemiddeld gezien overschreden. Als gevolg van het mestbeleid is de nitraatconcentratie tot het jaar 2002 gedaald, waarna de concentratie zich stabiliseert. Op bedrijven in de klei- en veenregio wordt de norm gemiddeld gehaald, al is hier geen duidelijke relatie tussen de nitraatconcentratie en het mestbeleid te zien. Een daling van de nitraatconcentratie in het grondwater en slootwater op landbouwbedrijven heeft als gevolg dat het milieu minder belast wordt. De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater verschilt per bedrijfstype. Het bovenste grondwater op melkveebedrijven bevat gemiddeld het minste nitraat, 50 procent van de melkveebedrijven in de zandregio voldoet aan de norm. Akkerbouwbedrijven hebben gemiddeld een hogere nitraatconcentratie in het bovenste grondwater, in de zandregio voldoet hiervan 30 procent aan de norm. Van de hokdierbedrijven, zoals varkenshouders, voldoet 20 procent van de bedrijven in de zandregio aan de norm. Deze bedrijven hebben gemiddeld de hoogste nitraatconcentratie in het grondwater. Op de landbouwbedrijven in de klei- en veenregio is ook het slootwater bemonsterd. De stikstoftotaalconcentratie (onder andere nitraat) in het slootwater ligt gemiddeld boven de toetswaarde die ecologische risico's aanduidt (Maximaal Toelaatbaar Risico).
    • De 'waterkwaliteitscheck' voor nieuwe en bestaande stedelijk waterconcepten : Het belang van aandacht voor de microbiologische kwaliteit van water in de stad

      Schets FM; de Man H; Broek I van den; Broek I van den; MLU (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-09)
      Tegenwoordig worden in steden veel projecten opgezet om duurzaam met water om te gaan en de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Hierdoor kunnen mensen meer en op een andere manier in aanraking komen met water in de openbare ruimte. Behalve de voordelen hiervan, kan contact met dit water ook gezondheidsklachten veroorzaken, zoals maagdarm-, huid- en luchtwegklachten. Het RIVM pleit er daarom voor om bij het ontwerpen, plannen en realiseren van stedelijk waterinitiatieven stil te staan bij de kwaliteit van water. Eventuele gezondheidsrisico's kunnen dan vaak met relatief eenvoudige aanpassingen worden beperkt. Om dit te ondersteunen is de waterkwaliteitscheck voor stedelijk water ontwikkeld. Met de waterkwaliteitscheck kunnen potentiële gezondheidsrisico's van initiatieven om duurzaam met water om te gaan zorgvuldig in kaart worden gebracht. Vervolgens kan op basis daarvan worden bepaald welke aanpassingen de geconstateerde gezondheidsrisico's kunnen verminderen. De waterkwaliteitscheck kan ook worden gebruikt om bestaande initiatieven door te lichten. Daarnaast is de waterkwaliteitscheck geschikt om de oorzaak van opgetreden gezondheidsproblemen of uitbraken van ziekten uit te zoeken. Voorbeelden van projecten om duurzaam met water om te gaan zijn het hergebruik van afvalwater en het terugwinnen van grondstoffen uit afvalwater. Daarnaast zijn er projecten om overtollig regenwater op te vangen dat niet door het riool kan worden afgevoerd, zoals heropende grachten in oude binnensteden, waterpleinen en weides (wadi's). Voor dit onderzoek zijn projecten en trends die te maken hebben met stedelijk water geïnventariseerd. Bij veel daarvan bleek er een kans op gezondheidsklachten te bestaan wanneer mensen met het water in contact komen. Dit is bepaald aan de hand van gegevens over de waterkwaliteit, de waarschijnlijkheid dat mensen met dit water in contact komen en eerder opgetreden ziektegevallen bij vergelijkbare projecten.
    • Waterkwaliteitsindicatoren ; overzicht, methode-ontwikkeling en toepassing

      Harten HAJ van; Dijk GM van; Kruijf HAM de; LWD/ECO (1995-11-30)
      Dit rapport beoogt een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van een algemene methode, gebruikmakend van indicatoren en indices, door de toestand van zoetwatersystemen te beoordelen in relatie tot de functies en rekeninghoudend met thema's. Allereerst wordt een overzicht gegeven van de huidige inzichten en ontwikkelingen op het gebied van waterkwaliteitsindicatoren en -indices. Daarna wordt een waterkwaliteitsbeoordelingsmethode beschreven, de zogenaamde methode 'all-in water quality assessment index for watersystems (AWIX). Deze methode wordt vervolgens toegepast op 2 case studies nl. 'Europese Rivieren' en 'Rijnstroomgebied'. In het laatste hoofdstuk wordt de methode AWIX bediscussieerd en volgen conclusies en aanbevelingen.
    • Waterkwaliteitsnormen voor titanium : Advies over het gebruik van de huidige norm

      Smit CE; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-07-17)
      Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) verkend of er een nieuwe waterkwaliteitsnorm moet worden afgeleid voor titanium. Titanium wordt als titaniumdioxide toegepast als witmaker in allerlei producten, zoals verf, papier, inkt en tandpasta. Vanwege de UVwerende werking wordt het ook veel gebruikt in cosmetica en zonnebrandcrème. Titaniumdioxide wordt hiervoor vaak in de vorm van nanodeeltjes gebruikt en zou via deze toepassingen in het oppervlaktewater terecht kunnen komen. De huidige norm (MTR) is niet afgeleid volgens de meest recente methodiek en berust op zeer weinig gegevens. Huidige norm voor kortdurende blootstelling voldoet Uit een eerste literatuurverkenning blijkt dat de huidige norm (20 microgram per liter) waterorganismen voldoende beschermt tegen kortdurende blootstelling aan titaniumdioxide, inclusief de nano-vorm daarvan. Effecten treden namelijk pas op bij veel hogere concentraties. Het is echter niet bekend of dat ook geldt voor de lange termijn, omdat er nauwelijks studies zijn naar de effecten van titaniumdioxide als waterorganismen daar langdurig aan blootstaan. Langetermijnblootstelling: eerst aanwezigheid nanomateriaal in water aantonen De schaarse gegevens uit laboratoriumstudies die er zijn, laten zien dat de nanovorm op termijn mogelijk meer effect op waterorganismen heeft dan de gewone variant. Het is echter niet duidelijk of de laboratoriumsituatie opgaat voor de Nederlandse praktijk. Dat komt doordat het niet duidelijk is in welke hoedanigheid titanium in het Nederlandse oppervlaktewater aanwezig is. Het is pas zinvol om een norm voor deze specifieke variant af te leiden als zeker is dat er titanium in nanovorm in het Nederlandse oppervlaktewater voorkomt. Er bestaat alleen nog geen standaard werkwijze om nanomaterialen in water op te sporen. Het RIVM adviseert daarom om eerst methoden te laten ontwikkelen om dat mogelijk te maken.
    • Waterkwaliteitsonderzoek Reeuwijkse plassen WOR 1983-1985. Verslag van drie jaar veldonderzoek

      Vlugt; J.C. van der; Klapwijk; S.P.*; Eijk; J.A.A.M. van (1986-11-30)
      In de periode 1983-1985 werd in de plassen Elfhoeven en Nieuwenbroek onderzoek gedaan om de uitgangssituatie te beschrijven voordat de fosfaatbelasting werd verlaagd. Vastgesteld werd dat: de twee plassen verschillend reageren op de fosfaatbelasting ; - de hoogste belasting niet gepaard gaat met de grootste algenbloei [D ; - de fluctuatie in de algenbiomassa een duidelijk verband vertoont met de fluctuatie in de weersgesteldheid ; - de hogere trofische niveaus van veel invloed zijn op de algenbloei [D ; de ontwikkeling van een "eenvoudig" dynamisch planktonmodel broodnodig is.
    • Waterkwaliteitsonderzoek Reeuwijkse plassen. Studie naar de effecten van biomanipulatie in Klein Vogelenzang en P-fixatie in Groot Vogelenzang 1988-1992

      Vlugt JC van der; Veer B van der; LWD; Hoogheemraadschap van Rijnland; Leiden (Hoogheemraadschap van RijnlandLeiden, 1997-10-31)
      Uit deze studie bleek dat biomanipulatie (ter verbetering van de visstand) niet tot het gewenste effect heeft geleid; door verlaging van de visstand nam het zooplankton wel toe, maar niet voldoende om de algengroei binnen de perken te houden. De fosfaatfixatie (ter vermindering van de fosfaatmobilisatie) gaf wel een afname van de fosfaatmobilisatie en de fosfaatconcentratie te zien, maar deze verlaging leidde niet tot minder algengroei. Aanbevolen wordt de mogelijkheid nader te onderzoeken de bezinking van zwevend stof te bevorderen door het graven van enige putten van 5-10 m in deze plassen, die gemiddeld 1.5 m diep zijn. Aanbevolen wordt de permanente aanwas van de visstand door de beroepsvisserij te laten reduceren. Nader onderzoek naar de effecten van een combinatie van biomanipulatie en fosfaatfixatie door coagulatie met ijzer is gewenst.
    • Waterkwaliteitsonderzoek Reeuwijkse plassen. Studie naar de effecten van eutrofieringsbestrijding in Elfhoeven en Nieuwenbroek 1983-1992

      Vlugt JC van der; Veer B van der; LWD; Hoogheemraadschap van Rijnland; Leiden (Hoogheemraadschap van RijnlandLeiden, 1997-10-31)
      Geconcludeerd wordt dat ondanks de sterk verlaagde fosfaatconcentratie in het aangevoerde water van de Rijn en de ter plaatse genomen maatregelen ter verlaging van de fosfaatconcentratie in de plassen, zoals defosfatering van het effluent van de nabijgelegen awzi en riolering van de bebouwing langs de plassen de overmatige algengroei in de plassen niet is afgenomen. De fosfaatconcentratie in de plassen is niet afgenomen en de hoeveelheid blauwwieren is, zowel relatief als absoluut, toegenomen. Aanbevolen wordt de mogelijkheid nader te onderzoeken de bezinking van zwevend stof te bevorderen door het graven van enige putten van 5-10 m in deze plassen, die gemiddeld 1.5 m diep zijn. Tevens wordt aanbevolen de permanente aanwas van de visstand door de beroepsvisserij te laten reduceren. Nader onderzoek naar de effecten van een combinatie van biomanipulatie en fosfaatfixatie door coagulatie met ijzer is gewenst.
    • Waterleidingbedrijven

      Peek CJ; Mulschlegel JHC; Versteegh JFM; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      In dit rapport is informatie verzameld over de milieuaspecten van "Waterleidingbedrijven". Het is gepubliceerd binnen het samenwerkingsproject WESP: de Werkgroep Emissies Servicebedrijven en Produktgebruik. In dit project wordt informatie verzameld over processen in de doelgroepen van consumenten, bouw, handel en dienstverlening om tot overeenstemming te komen over de gegevens die gebruikt worden bij verschillende instituten. Het WESP-document levert informatie ondersteuning voor het regeringsbeleid over emissiereductie. Dit document bevat informatie over processen, emissiebronnen, emissies naar lucht en water, afval, emissie factoren, gebruik van energie en energiefactoren, emissiereductie, energiebehoud, onderzoek naar schone technologie normstelling en vergunningen.<br>
    • Waterleidingbesluit 2000. Voorstel voor implementatie van de EG-Drinkwaterrichtlijn; onderdeel kwaliteitseisen

      Versteehg JFM; Reinhold WFE; Leenen EJTM; Wetsteyn FJ; Apeldoorn ME van; LWD; VROM/DGM/DWL; VROM/IMH-ZW (1999-09-29)
      Eind 1998 is een nieuwe EG-Drinkwaterrichtlijn in werkinggetreden (Richtlijn 98/83). Deze richtlijn dient binnen twee jaar na het inwerking treden van de nationale wetgeving zijn geimplementeerd Het uitgangspunt voor de kwaliteitseisen, meetfrequenties en meetmethoden voor het 'WLB 2000' is de EG-Drinkwaterrichtlijn. Het pakket aan stoffen is als basispakket overgenomen. Op basis van onderstaande criteria zijn parameters toegevoegd of is de kwaliteitseis aangescherpt ten opzichte van de EG-Drinkwaterrichtlijn. De richtlijn biedt de mogelijkheid hiertoe en verplicht hier zelfs toe in bepaalde gevallen. De meest in het oog springende verandering met het huidige WLB is de verlaging van de kwaliteitseis voor lood (van 50 naar 10 ug/l), arseen en nikkel (van 50 naar respectievelijk 10 en 20 ug/l). Het beleid van de overheid en de bedrijfstak anticipeert al enkele jaren op de veranderende eisen voor lood in de vorm van het opzetten en uitvoeren van saneringsprogramma's. De nieuwe kwaliteitseisen voor arseen en nikkel worden op een enkele uitzondering na op alle productielocaties nu al gehaald en hebben nauwelijks gevolgen voor de zuiveringsinspanning. Er zijn kwaliteitseisen gesteld voor desinfectiebijproducten als bromaat en trihalomethanen. Er wordt een voorstel gedaan om uitgaande van een aanvaardbaar infectierisico eisen te stellen aan pathogene micro-organismen (virussen en protozoa) daarnaast worden de bestaande indicator-organismen deels vernieuwd (bijvoorbeeld E.coli) en/of gehandhaafd. De IMH vervult een belangrijke rol bij het vaststellen en goedkeuren van de voorgenomen meetprogramma's. De EG-Drinkwaterrichtlijn geeft randvoorwaarden voor meetfrequenties en meetmethoden aan; de IMH heeft de bevoegdheid het uiteindelijke programma vast te stellen dan wel af te keuren.
    • Wateroverlast en Watertekort: percepties op risico's en consequenties voor de ruimtelijke ordening

      Neuvel JMM; RIM (2005-03-08)
      De problematiek van wateroverlast en de noodzaak tot extra maatregelen wordt door zowel overheidsorganisaties als maatschappelijke organisaties erkend. Ondanks deze erkenning levert de regionale uitwerking van het overheidsbeleid om wateroverlast te beheersen discussie op. De problematiek van watertekort wordt niet door alle partijen erkend. Ook hier levert de regionale uitwerking van maatregelen tot veel discussie. Om inzicht te krijgen in deze discussie zijn visies van overheden en maatschappelijke organisaties op wateroverlast en mogelijke maatregelen in kaart gebracht. Naast wateroverlast is hierbij ook gekeken naar watertekort. Bij de analyse is ook aandacht besteed aan het besluitvormingsproces zelf: welke sturing hanteert de overheid en hoe komen beslissingen tot stand? Om het besluitvormingsproces soepeler te laten verlopen wordt aanbevolen om ook in vergelijkbare projecten de verschillen in risicopercepties en voorkeuren voor oplossingsrichtingen in kaart te brengen. Aan de hand van de in kaart gebrachte verschillen kan met behulp van de in het rapport gebruikte risicoladder en het model van het referentiekader de sturing door de overheid worden aangepast aan de gesignaleerde inhoudelijke verschillen. Op deze manier kan gesignaleerd worden wanneer er veel maatschappelijke discussie (te verwachten) is en kunnen maatschappelijke partijen op het juiste moment bij het proces betrokken worden.
    • Wateroverlast en Watertekort: percepties op risico's en consequenties voor de ruimtelijke ordening

      Neuvel JMM; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-03-08)
      Government organizations and societal stakeholder groups generally recognize flood risks caused by extreme precipitation, and the need for extra measures. Despite this recognition, the present regional implementation of this governmental flood reduction strategy has called for further discussion. That water shortage is an issue, is not recognized by all parties, which has caused the discussion on implemen-tation to be further elaborated. To promote insight into these discussions, MNP experts examined the perceptions of the relevant stakeholders (governmental and non-governmental) in flood risks and possible measures. Issues of water shortage were also discussed. The analysis focuses on the decision-making process, with such topics as: what governance is applied and how do decisions come about? For similar projects, it is recommended to determine the controversy from the perception of risks and measures. This could lead to the choice of a strategy for governance, which may enhance the decision-making process. The risk ladder and the frame of reference model were found to be useful instruments for both carrying out this analysis and indicating in which phase of the decision-making process discussion can be expected. This will allow the government to involve the stakeholder groups at the richt moment in the process.
    • Watersysteemverkenningen 1996; emissies naar lucht, en atmosferische depositie op Nederland en de Noordzee

      van Liere L; van Jaarsveld HJ; Ros JPM; Paardekooper EM; Elzenga HE; Beurskens JEM; Bleeker A; Booij H; Erisman JW; Hoogervorst NJP; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-03-31)
      Uitgaande van de gegevensset uit het TNO/RIVM rapport 'Calculation of atmospheric deposition of contaminants on the North Sea' werden voor enige stoffen aanvullende buitenlandse emissies verzameld en atmosferische depositie geevalueerd. Door het model PROMISE werd de atmosferische depositie toebedeeld naar de waterbelasting. Verder werd de emissiereductie berekend, die nodig was om milieukwaliteitsdoelstellingen te bereiken. Enige gevolgtrekkingen uit deze berekeningen: 1) Atmosferische depositie is een belangrijke bron van belasting van Noordzee en binnenwateren, met name voor persistente organische stoffen (PAK, PCB en bestrijdingsmiddelen en stikstof). Deze bijdrage wordt nog groter wanneer uit- en afspoeling deze stoffen op de bodem wordt meegenomen. Dit geldt met name voor stikstof. 2) De bijdrage aan de belasting van het water met zware metalen door Nederlandse emissies naar lucht is gering. 3) Nederlandse emissies naar lucht van PAK en PCB dragen ongeveer 10% bij aan de belasting van Noordzee en binnenwateren. 4) Ondanks de geringe bijdrage 'op eigen water' is Nederland een netto exporteur van stoffen via emissies naar lucht. 5) Nederlandse emissies van bestrijdingsmiddelen dragen aanzienlijk bij, via atmosferische depositie Noordzee en binnenwateren. 6) De atmosferische depositie van zware metalen daalt met 10-20% van 1990 tot 2000, uitgezonderd lood dat daalt met 50-60%. 7) De atmosferische depositie van PAK daalt met ongeveer 20% van 1990-2000. 8) De atmosferische depositie van stikstof (totaal) op water daalt met ongeveer 30% in 2000 t.o.v 1990. 9) De onzekerheid in de berekeningen varieert per stof, voor zware metalen is de onder- of overschatting 20-50%; voor NOx 30%; voor PAK een factor 200%; voor bestrijdingsmiddelen 500%.<br>
    • Watertypegerichte normstelling voor nutrienten in oppervlaktewater

      Liere E van; Jonkers DA (eds); LWD; RIZA; RIKZ; Alterra; STOWA (2002-07-08)
      Kentallen zijn geevalueerd, die aangeven bij welke waarde van het kental een verandering optreedt van de geeutrofieerde toestand van een watertype naar de heldere gewenste ecologische toestand. Bij het onderzoek is aangenomen dat nutrienten-reductie de enige sturende factor was. De keuze voor een gewenste ecologisch toestand is gemaakt door de auteurs die het betreffende watertype beschreven. Om benedenstroomse kwetsbare wateren te beschermen werden er tevens voor enige gevallen "afwentelingswaarden" berekend. De belangrijkste resultaten zijn weergegeven in een overzichtstabel. De waarden van de kentallen waren in het algemeen zeer laag. Een indicatie om naast nutrientenreductie ook andere aanvullende maatregelen te bestuderen, om sneller herstel te bewerkstelligen.
    • Watertypegerichte normstelling voor nutrienten in oppervlaktewater

      Liere E van; Jonkers DA; LWD; RIZA; RIKZ; Alterra; STOWA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-08)
      Kentallen zijn geevalueerd, die aangeven bij welke waarde van het kental een verandering optreedt van de geeutrofieerde toestand van een watertype naar de heldere gewenste ecologische toestand. Bij het onderzoek is aangenomen dat nutrienten-reductie de enige sturende factor was. De keuze voor een gewenste ecologisch toestand is gemaakt door de auteurs die het betreffende watertype beschreven. Om benedenstroomse kwetsbare wateren te beschermen werden er tevens voor enige gevallen "afwentelingswaarden" berekend. De belangrijkste resultaten zijn weergegeven in een overzichtstabel. De waarden van de kentallen waren in het algemeen zeer laag. Een indicatie om naast nutrientenreductie ook andere aanvullende maatregelen te bestuderen, om sneller herstel te bewerkstelligen.
    • Waterwinning en waterverbruik bij doelgroepen. Tevens achtergronddocumentatie van de nationale Milieuverkenning 1997-2020

      Muelschlegel JHC; Kragt FJ; LWD (1999-02-03)
      Voor de onderbouwing van het beleid, alsmede voor een bijdrage aan Milieuverkenning 4 is een analyse uitgevoerd van het historisch waterverbruik en de daarbij behorende winning van grond- en oppervlaktewater. Om inzicht in de toekomstige ontwikkelingen te krijgen zijn tevens prognoses opgesteld. Verschillende categorien verbruikers zijn beschouwd, zoals huishoudens, industrie en het sterk groeiende klein zakelijk verbruik. Onderscheid is daarbij ook gemaakt naar eigen voorzieningen en openbare watervoorziening. In het bijzonder voor het waterverbruik van consumenten is nader ingegaan op specifieke deelverbruiken. Op basis van scenario's van demografische, technologische en economische ontwikkelingen en de specifieke waterverbruiken bij verschillende doelgroepen zijn de prognoses opgesteld. Door vooral de toepassing van waterbesparende voorzieningen zal het specifiek huishoudelijk waterverbruik blijven afnemen in de komende decennia. Ondanks een vooralsnog verwachte groei van de bevolking zal het huishoudelijk verbruik een, sinds ongeveer 1990 ingezette, dalende trend te zien blijven geven. Sinds medio jaren zeventig is door strenge eisen gesteld aan de lozing van effluent op oppervlaktewater en hogere zuiveringslasten, een dalende trend ingezet van het waterverbruik bij de industrie. De verwachting is dat, mede in verband met de reeds gerealiseerde grote besparingen op koelwatergebruik, besparingen op het waterverbruik bij de industrie in de komende decennia minder groot zullen zijn dan in de afgelopen jaren. De heterogene samenstelling van de klein zakelijke waterverbruikers is er de oorzaak van dat van deze categorie weinig detail informatie beschikbaar kwam. Mede hierom kon per doelgroep geen prognose worden opgesteld en werd een diagnose slechts voor recreatie uitgevoerd..Door het sinds medio jaren zeventig stringentere beleid ten aanzien van grondwaterwinning voor laagwaardige doeleinden is ook in de landbouw de sterke groei in de toepassing ervan bij beregening afgenomen. Ook een verwachte verdere inkrimping van de veestapel zal het waterverbruik doen verminderen. In de beschouwde CPB-scenario's is, afhankelijk van de mate waarin dergelijke ontwikkelingen zich zullen voordoen, enerzijds nog een stijgend verbruik en anderzijds een dalend verbruik te onderkennen
    • Waterwinning en waterverbruik bij doelgroepen. Tevens achtergronddocumentatie van de nationale Milieuverkenning 1997-2020

      Muelschlegel JHC; Kragt FJ; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-03)
      Research into water consumption by various consumer categories is at present being carried out to support and sustain implementation of the governmental policy . In this overview of the results of water abstraction analyses and demand in the Netherlands, emphasis has been put on quantitative aspects. In general terms, water use can be divided into consumptive uses, of which a significant share of total supply does not return directly to its source (i.e. household, industry, agriculture) and non-consumptive uses, of which practically the entire volume returns to surface water or groundwater (e.g. cooling). In 1996 around 12,000,000,000 m3 groundwater and surface water were abstracted. Of the total abstracted water, around 54% was fresh and the rest was brackish/saline water. Of the total brackish/saline water, 70% was used as cooling water for electricity plants; this figure was 40% for fresh (surface) water. The total abstracted fresh groundwater in the Netherlands has been used for public water supply (69%), industry (15%), small businesses (4%) and agriculture (12%, mostly for sprinkling). Measured as specific water demand (litres per capita per day), domestic water use has increased. This happened especially between 1960 to 1975 (at 108 litres per capita per day). Since about 1990 it has decreased. In 1995 the level was 138 litres per cap. per day. Forecasts indicate a continuing population growth. Specific water demand is expected to decline; however, relatively little in the first ten years, reflecting the use of more water-saving appliances. Up to now industrial water demand was shown in relation to industrial production. The strong economic growth after 1960 introduced an increased water demand up to 1975. Stricter controls and charges on effluents encourage industries to reduce water demand. Forecasting industrial water is done on the basis of results from several branches of industry (e.g. paper industry) and the scenarios of the production level. The future production level of existing plants is taken from an economic model of the Netherlands Bureau for Economic Policy Analysis. All scenarios show a growth in the industrial water demand. Agricultural uses of water refer only to water supplied by the public water companies and direct water supply from groundwater abstraction, especially for sprinkling systems. Public water supply is important for cleaning some kinds of equipment (health aspects) and for livestock, although this use is expected to decrease in volume and in time due to diminishing livestock numbers.
    • Het webportaal: www.risicotoolboxBodem.nl. Modelbeschrijving

      de Nijs ACM; Wintersen AM; Posthuma L; Lijzen JPA; Romkens PFAM; de Zwart D; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-11-20)
      Met de inwerkingtreding van het Besluit bodemkwaliteit in 2008 zijn nieuwe regels vastgesteld voor de kwaliteit van grond en bagger, bedoeld voor hergebruik. Op het webportaal www.risicotoolboxbodem.nl is informatie te vinden over deze nieuwe regels en worden instrumenten aangeboden om de (water)bodems op basis van deze regels te beoordelen. Dit rapport bevat informatie over de onderliggende formules. Op dit moment zijn de modules 'Gevolgen Lokale Maximale Waarden' en 'Gevolgen Actuele Bodemkwaliteit' operationeel. Met de eerste module kunnen de risico's worden berekend voor een voorgestelde set van lokale normen, de zogenoemde Lokale Maximale Waarden. Binnen deze berekeningsvariant werkt de risicotoolbox strikt volgens de bepalingen uit het Besluit. Met de tweede module kunnen de mogelijke risico's van een bestaande lokale bodemkwaliteit naar aard en omvang worden gespecificeerd. Dit rapport vormt de modeldocumentatie van de module 'Gevolgen Lokale Maximale Waarden'. De modellen zijn voor alle stoffen gecontroleerd door deze in een andere applicatie na te bouwen en de uitkomsten te vergelijken. De modules omvatten ook onderliggende bestanden met modelparameters, stofeigenschappen en toxiciteitgegevens. Deze gegevens zijn ontleend aan de literatuur en zijn niet nader geverifieerd.
    • Weerbaarheid en gezond gedrag : Een inventarisatie van interventies voor de jeugd

      Wijga AH; van den Berg M; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-29)
      "Jongeren weerbaar maken zodat ze om leren gaan met verleidingen uit het dagelijkse leven" - dat is een van de speerpunten die het kabinet heeft geformuleerd in de Landelijke nota Gezondheidsbeleid van mei 2011. Bijna de helft van alle interventies die zijn bedoeld om de leefstijl van jongeren te verbeteren bevat handvatten om weerbaarheid te versterken. Dit blijkt uit een inventarisatie van leefstijlinterventies die het RIVM uitvoerde in opdracht van het ministerie van VWS. Hiervoor zijn met behulp van de interventiedatabase van het RIVM Centrum Gezond Leven (CGL) 53 interventies geïdentificeerd die erop gericht zijn een gezonde leefstijl te bevorderen en als 'goed onderbouwd' of 'effectief' zijn beoordeeld. De thema's zijn: alcohol, drugs, lichamelijke activiteit/bewegen, overgewicht, roken, seksualiteit en voeding. In 22 van deze 53 leefstijlinterventies is de versterking van de weerbaarheid onderdeel van de interventie. De aandacht voor weerbaarheid verschilt per onderwerp. Versterking van weerbaarheid maakt deel uit van vrijwel alle interventies die gericht zijn op seksueel gedrag. Van de interventies die zijn gericht op het gebruik van alcohol, tabak en drugs bevat tweederde een onderdeel weerbaarheid. In de meeste interventies gericht op voeding, overgewicht of lichamelijke activiteit/bewegen, is weerbaarheid geen thema. Van de meeste leefstijlinterventies, is de effectiviteit (nog) niet bekend. Het is daardoor moeilijk te beoordelen of de effectiviteit van de interventie groter is als er aandacht aan weerbaarheid wordt besteed. Aanbevolen wordt om nader onderzoek te doen naar de samenhang tussen weerbaarheid en leefstijl bij de Nederlandse jeugd.
    • Het wegen van milieu-effecten ten behoeve van besluitvorming bij overheden: een inventarisatie

      Verhallen EY; MNV (1996-01-31)
      Met behulp van een weegmethode kunnen de milieu-effecten en kosten van een activiteit tegen elkaar afgewogen worden. Om inzicht te krijgen in hoeverre de Nederlandse overheden systematisch het milieu meenemen in de besluitvorming, is in deze studie een onderzoek gedaan naar de weegmethoden die momenteel bij de overheid worden gebruikt, dan wel in ontwikkeling zijn. De aandacht ging hierbij uit naar mogelijke overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de verschillende overheidsniveaus. Het blijkt dat er op de verschillende overheidsniveaus nog maar weinig weegmethoden ontwikkeld zijn. Er bestaat geen overeenstemming over de bepaling en beoordeling van voorspelde milieu-effecten. Verschillen zijn te constateren wat betreft de meegenomen milieu-effecten en de bepaling van de ernst van effecten.
    • Welke legionellasoorten zijn niet ziekteverwekkend?

      Brandsema P; Schalk M; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-03-01)
      Niet beschikbaar