• De voltammetrische bepaling van As(III) met een goud-elektrode

      Cleven RFMJ; Wolfs PM; Graaf M de (1990-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Voltammetrische bepaling van de kopercomplexeringscapaciteit van poriewater

      van den Hoop MAGT; Hoegee-Wehmann AA; Cleven RFMJ; Janssen RPT; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      De voltammetrische bepaling van de kopercomplexeringscapaciteit (CuCC) in aquatische systemen onder niet gebufferde condities is beschreven en toegepast op 16 poriewatermonsters. Op basis van de verschuiving van de potentiaal van de koperpiek kon worden vastgesteld dat het merendeel van de kopercomplexen voltammetrisch labiel was onder de gehanteerde experimentele condities. De CuCC varieerde van <0.45 tot circa 2.50 micromol per liter. Bij 3 monsters nam de concentratie voltammetrisch gemeten lood toe gedurende de titratie met koper duidend op competitie tussen lood en koper voor de aanwezige bindingsplaatsen. Uit de titratiecurven, het totaal kopergehalte en het voltammetrisch kopergehalte werd de gemiddelde stabiliteit (K) van de kopercomplexen als functie van de bezettingsgraad geschat. De K-waarden varieerden van ongeveer 4*10 exp. 6 tot 1*10 exp. 9 l per mol afhankelijk van het monster en de bezettingsgraad.<br>
    • Voltammetrische metaalspeciatie in oppervlaktewater: kinetiek en adsorptie

      Hoop MAGT van den; Hoegee-Wehmann AA; Cleven RFMJ; LAC (1997-01-31)
      In het kader van onderzoek naar de verdeling van vrije en gebonden metalen in natuurlijke systemen is de labiliteit van een aantal verschillende zwaar-metaal/ligand systemen bestudeerd onder stripping voltammetrische condities. De onderzochte systemen bestaan uit de zware metalen Cd, Cu en Pb op verschillende concentratieniveaus en een drietal oppervlaktewatermonsters, die onderling verschillen in pH, complexeringscapaciteit, DOC-gehalte, zoutniveau en concentraties competitieve kationen. Op basis van de gevonden relatie tussen voltammetrische stroom en potentiaal versus de tijdschaal van het experiment, in dit geval de roersnelheid, is kwalitatieve informatie verkregen over de labiliteit van de verschillende metaal/complexen. De Cd/complexen waren voor alle drie de monsters het meest labiel, terwijl de labiliteit van de Pb en Cu/complexen sterk afhankelijk was van het type monster. Voor labiele en statische metaalcomplexen is theorie beschikbaar om vanuit de voltammetrische respons de speciatie te berekenen. Ter illustratie is op basis hiervan voor een van de Cd/complexen een K-waarde geschat van 1900 l/mol exp-1. Middels variatie in depositietijd is mogelijke adsorptie van liganden aan het kwikelectrode-oppervlak onderzocht. Voor de zes onderzochte metaal/oppervlaktewatermonsters is geen noemenswaardige adsorptie geconstateerd, waardoor de interpretatie van het voltammetrisch signaal relatief eenvoudig blijft.
    • Volumebeleid in de veehouderij. Een verkenning van de economische en de milieuhygienische gevolgen

      Stolwijk HJJ; Wieringa K; Wijnands JHM; Oudendag DA (1992-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Voor- en nadelen generieke strafbaarstelling nieuwe psychoactieve stoffen

      van Amsterdam JGC; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-07-18)
      Dit rapport is geschreven op verzoek van het Ministerie van VWS. Zowel in nationale als Europese gremia wordt de laatste tijd nagedacht over de mogelijkheden van generieke strafbaarstelling van nieuwe psychoactieve stoffen, naast de bestaande wetgeving gebaseerd op lijsten van de verboden middelen. Het huidige rapport beschrijft deze mogelijkheden en de voor- en nadelen hiervan. De generieke benadering bij nieuwe psychoactieve drugs op basis van een chemische structuur is niet haalbaar, omdat hierdoor honderden verbindingen (analoga) verboden worden en er desondanks nieuwe psychoactieve stoffen ontwikkeld zullen worden die niet 'afgedekt' worden door de generieke strafbaarstelling.
    • Voorbereiding onderzoeksplan aandachtstoffen

      Booij H; Ros JPM (1991-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Voorbereiding van Brzo bedrijven op klimaatverandering

      Pompe, CE; Pijnenburg, H; Uijt de Haag, PAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
      Door klimaatverandering is de kans groter dat in Nederland overstromingen, piekbuien, droogte en hittegolven komen. De chemische industrie is wettelijk verplicht om zich hierop voor te bereiden. Zo blijft de kans op ongevallen, en daarmee het risico voor de omgeving, klein. Uit een eerdere analyse van het RIVM blijkt dat bedrijven in hun veiligheidsrapporten niet duidelijk aangeven hoe zij zich hierop voorbereiden. Het RIVM, adviesbureau Econos en Rijkswaterstaat hebben daarom met bedrijven een overzicht gemaakt van de gevaren en mogelijke maatregelen. Door er samen over te brainstormen konden ze kennis delen en van elkaar leren. Bedrijven kunnen het overzicht gebruiken om gevaren voor hun eigen situatie te analyseren en gericht maatregelen te nemen. Ook kan het bevoegd gezag het overzicht gebruiken bij hun beoordeling of bedrijven zich genoeg voorbereiden. De bedrijven bleken nog niet planmatig te analyseren welke problemen bij een dreigende overstroming, hittegolf en dergelijke kunnen ontstaan. Het is belangrijk dat zij zich bewust worden van de gevaren en er van tevoren oplossingen voor bedenken. Zo is het belangrijk dat bedrijven weten hoeveel tijd ze bij een dreiging hebben om maatregelen te nemen. Ook moeten ze regelen dat dan genoeg mensen beschikbaar zijn om de maatregelen uit te voeren. Het blijkt dat maatwerk nodig is omdat dreigingen per bedrijf kunnen verschillen.
    • Voorbereiding van de (verdere) automatisering van de uitslagverwerking van de PKU/CHT screening

      Loeber JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-12-31)
      Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de entadministraties en de PKU- en CHT-laboratoria, gesteund door enkele automatiseringsdeskundigen, heeft een model uitgewerkt voor de automatisering van de administratie van de PKU- en CHT-screening bij pasgeborenen. De voordelen zijn 1. de tijdswinst in de rapportage van de analyse uitslagen, 2. een vermindering van de kans op administratieve fouten en 3. vereenvoudigde bewaking van de "kwaliteit" van zowel het analystische als het logistieke deel van de screening. Hiertegenover staat voor het totale project een investering van apparatuur die, rekening houdend met een afschrijving van 20% per jaar neerkomt op f. 60.000,- a f. 80.000,- (incl. BTW). De programmatuur- en telecommunicatiekosten belopen f. 150.000,- a f. 170 .000,- per jaar.<br>
    • Voorbij de brand: Leren van ongevallen bij de brandweer : Resultaten van een pilotonderzoek met Storybuilder

      van Kampen J; Broek I van den (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-12-10)
      Het werk van de brandweer kan voor het brandweerpersoneel zelf gevaarlijke situaties en (bijna-)ongevallen met zich meebrengen, waardoor ze gewond kunnen raken. Dit kan gebeuren als ze in actie zijn bij een brand, of tijdens voorbereidende activiteiten op de kazerne of trainingsactiviteiten. Denk aan werken met een (ketting)zaag, duikwerkzaamheden of situaties waarin gevaarlijke stoffen vrijkomen. Om de veiligheid van de werknemers te verbeteren, wil de brandweer leren van incidenten. Het RIVM heeft daarom met de brandweer een instrument ontwikkeld dat door alle veiligheidsregio’s gebruikt kan worden om op eenduidige wijze gegevens te verzamelen en te analyseren. Zo ontstaat een betere samenwerking tussen de veiligheidsregio’s om incidenten te voorkomen. Momenteel worden incidenten bij brandweerpersoneel per veiligheidsregio geregistreerd. Voor dit onderzoek is met zes veiligheidsregio’s systematisch informatie verzameld over 140 (bijna-)ongevallen en gevaarlijke situaties bij de brandweer. Welk type ongeval is (bijna) opgetreden, welke veiligheidsmaatregelen hebben hierbij mogelijk gefaald en met welk gereedschap werd er gewerkt? Het ontwikkelde instrument is gebaseerd op Storybuilder, een bestaand instrument voor nationaal onderzoek naar alle ernstige, meldingsplichtige arbeidsongevallen. Dit onderzoek is een pilot waarbij de ontwikkeling van het instrument voorop stond. Niet alle ongevallen in Nederland zijn meegenomen. De gebruikte ongevallen zijn daarom niet representatief, maar geven een indruk. Om het instrument op nationaal niveau te kunnen gebruiken, is het gewenst om het verder te ontwikkelen en aanvullend onderzoek te doen. Het onderzoek maakt ook duidelijk dat Storybuilder aangepast kan worden om binnen een specifieke sector incidenten te analyseren.
    • Het voorkomen en de resistentie tegen enkele antimicrobiele middelen van Pseudomonas aeruginosa in ziekenhuis- en huishoudelijk afvalwater

      Havelaar AH; van Klingeren B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-01-31)
      In het afvalwater van een viertal ziekenhuizen werd Pseudomonas aeruginosa aangetroffen in aantallen varierend van 3,2x10-2 tot 6,6x10-4 cfu/ml. Dit was aanzienlijk hoger dan in huishoudelijk afvalwater (< 10-1-1,9x10-2 cfu/ml). Isolaten uit ziekenhuizen waren frequent resistent tegen of verminderd gevoelig voor carbenicilline en gentamicine en in mindere mate voor amikacine en ceftazidime. Er was een globaal verband met het gebruik van deze of verwante middelen ter plaatse. Uit huishoudelijk afvalwater werden geen resistente of verminderd gevoelige stammen geisoleerd.<br>
    • Voorkomen en detectie van (toxische metabolieten van) schimmels in granen en graanproducten; een gevaren-analyse

      Wijnands LM; Deisz WDC; van Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-04-30)
      De uitvoering van een risico-analyse moet inzicht verschaffen in het risico op negative gezondheidseffecten bij blootstelling aan (toxische metabolieten van) schimmels aanwezig in granen en graanproducten. De gevaren-analyse, als eerste stap van de risico-analyse, maakt duidelijk dat met (toxische metabolieten van) de schimmelgenera Aspergillus, Penicillium, Fusarium en Alternaria in dit verband het meest rekening gehouden moet worden. Een (niet uitputtend) literatuuroverzicht geeft de stand van zaken aangaande voorkomen en detectie van genoemde (toxische metabolieten van) schimmelgenera en, in mindere mate, de biosynthese-routes van toxische metabolieten. In hoeverre moleculair biologische technieken toepassing vinden in relatie tot (toxische metabolieten van) schimmels wordt eveneens beschreven. Uiteindelijk wordt beschreven hoe in het kader van project 257852, Blootstelling aan schimmel(s)(producten) en het daarmee verbonden risico voor de volksgezondheid, gewerkt zal worden aan het bepalen van de genoemde (toxische metabolieten van) schimmelgenera, hoe deze werkzaamheden passen in de totale risico-analyse en hoe deze risico-analyse uiteindelijk toegepast kan worden.<br>
    • Het voorkomen en gedrag van ditalg-dimethyl-ammoniumchloride (DTDMAC) tijdens de drinkwaterproduktie

      Versteegh JFM; Bergers PJM; de Groot AC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-10-31)
      Cationic quaternary ammonium compounds are used as fabric softeners. DTDMAC, a technical product with an ecotoxicological risk for aquatic organisms, is the most well known. Ecotoxicological risk values have been determined, followed by an agreement to ban the product from fabric softeners. The quaternary ammonium compounds are highly adsorptive for anionic surfactants, particles and sediments in watersystems. This report describes research on occurrence and behaviour of DTDMAC during drinking water production and gives possible risks for public health. DTDMAC occurs in raw surface water (maximum 30 mug/l), in bankfiltrate (maximum 5 mug/l) and in finished drinking water (maximum 4.3 mug/l ; median 1.7 mug/l). The measured concentrations in drinking water do not give risks for public health. The maximum acceptable value, calculated on the basis of literature data is 0.8 mg/kg food or water. On every sampling point only two measurements were carried out, and therefore effects due to the purification processes can only be interpreted qualitatively. In general, a relatively high concentration of DTDMAC can be decreased easily (bottom passage, conventional purification steps) to a few mug's, but the compound cannot be removed completely even by ozone or activated carbon filtration. In surface water the concentrations are much higher than the negligible risk value (0.5 mug/l) for aquatic ecosystems. The actual concentration given in this report give no reason to continue the research into the meaning of DTDMAC for drinking water supplies.<br>
    • Voorkomen en successie van nematoden tijdens landfarming en rijping van havenslib

      Esbroek MLP van (1988-06-30)
      Een orienterend onderzoek naar het voorkomen en de successie van nematoden tijdens landfarming en rijping van havenslib. Op verschillende tijdstippen werden monsters genomen van grond die met organische stoffen was verontreinigd en op een biologische manier werd gereinigd ; daarnaast van havenslib dat met zware metalen en organische stoffen verontreinigd was en een rijpingsproces onderging. De monsters werden kwantitatief en kwalitatief op mesofauna geanalyseerd. Uit het onderzoek blijkt, dat in deze sterk verstoorde milieus toch nog nematoden worden gevonden en vooral microbivore nematoden. In de tijd valt een verschuiving waar te nemen van pioniers naar nematoden die in een stabieler milieu voorkomen. Een ecologisch herstel wordt waargenomen en is vooral te zien aan de nematodendichtheid en de diversiteit.
    • Het voorkomen van aflatoxine M1 in babyvoedingensmiddelen bereid op basis van melk(produkten). Nederlandse monsters getrokken in 1986

      Egmond HP van; Sizoo EA (1987-11-30)
      Onderzoek is verricht naar het voorkomen van aflatoxine M1 in Nederlandse babyvoedingsmiddelen, bereid op basis van melkprodukten. 38 monsters werden onderzocht. Gebruik werd gemaakt van een nieuwe methode, waarbij van Florisil en C18 SEP-PAK patronen gebruik werd gemaakt, gevolgd door dunnelaagchromatografie. In alle monsters werd aflatoxine M1 aangetoond. Het gemiddelde aflatoxine M1 gehalte was 0,05 mug/kg, het mediane gehalte 0,06 mug/kg, de negende deciel waarden 0,07 mug/kg. (Alle waarden op poederbais, en niet gecorrigeerd op terugvindingspercentage). Alle monsters voldeden aan de nieuwe warenwettelijke eis dat het gehalte aan aflatoxine M1 in zuigelingenvoeding niet hoger mag zijn dan 0,05 mug/kg berekend op melkbasis. Vergeleken met 1977, 1980 en 1983, bleken zowel de gemiddelde als de mediane aflatoxine M1 gehalten te zijn gedaald.
    • Het voorkomen van aflatoxine M1 in babyvoedingsmiddelen bereid op basis van melk(produkten)

      Egmond; H.P.van; Sizoo; E.A. (1984-10-11)
      Onderzoek werd verricht naar het voorkomen van aflatoxine M1 in 25 monsters babyvoedingsmiddel, bereid op basis van melk(produkten), 3 monsters lactose, 6 monsters caseinaat en 1 monster weipoeder, alle in poedervorm. In 91% van alle monsters kon de aanwezigheid van aflatoxine M1 worden vastgesteld (> 0,02 mug/kg). De gevonden gehalten varieerden van 0,04 - 1,39 mug/kg poedervormig produkt; gemiddeld werd 0,22 mug/kg aangetroffen. Vergeleken met de studies, uitgevoerd in 1977 en 1980 bevindt de contaminatie met M1 zich, na een veelbelovende verbetering in 1980, thans weer op het niveau van 1977. Vermoedelijk is de oorzaak hiervan gelegen in het feit dat de gehalten aan aflatoxine in melk de laatste jaren zijn toegenomen.
    • Het voorkomen van aflatoxine M1 in babyvoedingsmiddelen bereid op basis van melk(producten) ; Nederlandse monsters getrokken in 1989 en 1994

      Sizoo EA; Egmond HP van; ARO (1997-06-30)
      Twee series babyvoedingsmiddelen bereid op basis van melkproducten werden onderzocht op het voorkomen van aflatoxine M1. 46 monsters waren verzameld in de maand september 1989 en 34 monsters waren verzameld in de periode februari - maart 1994. Een nieuwe HPLC analysemethode, waarin extracten worden gezuiverd m.b.v. Florisil en immunoaffiniteitspatronen, werd toegepast. De monsters vloeibare babyvoedingsmiddelen werden vooraf gevriesdroogd. In ca. 85% van de monsters uit 1989 en in 53% van de monsters uit 1994 bleek aflatoxine M1 aantoonbaar in gehalten boven 0,02 mug/kg, berekend op basis van droog product (bereik positieve monsters 1989: 0,02 - 0,20 mug/kg ; bereik positieve monsters 1994: 0,02 - 0,08 mug/kg). Krachtens de Warenwet (regeling Zuigelingenvoeding) mag het gehalte aan aflatoxine M1 in zuigelingenvoeding niet hoger zijn dan 0,05 mug/kg berekend op basis van melk. Wordt rekening gehouden met een concentratieverhoging bij drogen van 4 a 8 maal en wordt er van uitgegaan dat melk het hoofdbestanddeel is van zuigelingenvoeding, dan voldoen de onderzochte monsters aan de wettelijke eis. Vergeleken met de situatie in de periode 1977 - 1989 bleken zowel de gemiddelde als de mediane aflatoxine M1 gehalten in 1994 te zijn gedaald.
    • Voorkomen van bestrijdingsmiddelen in de bodem. Een eerste inventarisatie (herziene uitgave)

      Koops R; Linden AMA van der; Berg R van den; LBG (1996-10-31)
      Een eerste inventariserend onderzoek is verricht om een globaal inzicht te krijgen in het voorkomen van bestrijdingsmiddelen in de bodem. Daartoe werd een zevental bestrijdingsmiddelen geselecteerd en een bemonsteringsprogramma opgezet. Een viertal bestrijdingsmiddelen kon worden aangetoond: atrazin, fenpropimorf, parathion en simazin. De bepaalde gehalten lagen niet ver boven het detectieniveau. Uitzonderingen hierop waren de atrazingehalten welke voor een aantal percelen relatief hoog waren, maar waarvoor ook een duidelijke afname in de tijd werd waargenomen. De stoffen paraquat, pencycuron en pirimicarb werden in geen enkel monster aangetroffen. De gemeten bestrijdingsmiddelgehalten komen redelijk overeen met de berekende gehalten uit het simulatiemodel PESTLA. Voor zowel atrazin, parathion als simazin werden de streefwaarden overschreden. De betekenis van deze gehalten en overschrijdingen kan op basis van de beperkte gegevens en het inventariserende karakter van de studie nog niet worden vastgesteld.
    • Voorkomen van bestrijdingsmiddelen in de bodem. Een eerste inventarisatie

      Koops R; Linden AMA van der; Berg R van den; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      A preliminary investigation was conducted on the occurrence of particular pesticides in the soil. The aim was to gain insight into the appearance and behaviour of pesticides in soil from the plough layer in order to support the admission policy. Seven pesticides were chosen for determination on the basis of their accumulation properties and their market share. Four pesticides were found in the plough layer: atrazine, fenpropimorph, parathion and simazine. The amounts measured did hardly exceed the detection limit, with the exception of atrazine which showed relatively high levels for a number of plots, but also a decline in time. Paraquat, pencycuron and pirimicarb could not be detected in any of the plots. The measured amounts correspond reasonably well with the amounts calculated with the simulation model PESTLA.