• Zicht op zorg in de drinkwatervoorziening: de zuivering

      Versteegh JFM; van Gaalen FW; Groen L; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      In 1996 is een onderzoek uitgevoerd naar de interne proceskwaliteit bij 49 productielocaties van drinkwaterbedrijven. Een betrouwbare bedrijfsvoering bij de drinkwatervoorziening is in het belang van de volksgezondheid. De bedrijfsvoering is gebaat bij duidelijke organisatorische regels, procedures, methoden en processen. De mate van zekerstelling van de proceskwaliteit voor het bedrijfsonderdeel zuivering is beoordeeld met als referentie het beoogde streefbeeld van de Inspectie Milieuhygiene. De drinkwatersector is sinds 1991 zelf actief bezig geweest om de interne proceskwaliteit te verbeteren. Dit rapport beschrijft de kwaliteit van de bedrijfsvoering en de voortgang van het introductieproces van het kwaliteitssysteem. Het onderzoek heeft zich gericht op een breed scala van zorg- en waarborgingsaspecten bij de technische inrichting, onderhoud, veiligheid, hygiene, automatisering en milieuvoorzieningen. Het resultaat toont aan dat er tussen de bedrijven grote verschillen in de kwaliteitsborging van de bedrijfsvoering bestaan. De tussentijdse evaluatie van een proces dat nog in ontwikkeling is, is hier mede de oorzaak van. Op de traditioneel sterke punten van de bedrijfstak, een goede techniek en een goede analytische zorg voor het drinkwater, valt weinig af te dingen. Een moderne bedrijfsvoering vereist echter meer. De pompstations waar het kwaliteitssysteem operationeel is, hebben relatief vaker de werkzaamheden vastgelegd in procedures. Voor de meeste pompstations moet nog het nodige werk verricht worden om het vereiste niveau te bereiken. Op enkele onderdelen van de procesbeheersing zijn zelfs zodanige afwijkingen gevonden dat deze bij voorrang om afhandeling vragen.<br>
    • Ziekenhuisopname en poliklinische behandeling in relatie tot ozonconcentraties in de buitenlucht ; een voorbeeldstudie van meta-regressie-analyse

      Preller EA; Hollander AEM de; Heisterkamp SH; Lezenne Coulander C de; CCM (1996-10-31)
      Deze analyse werd uitgevoerd als voorbeeldstudie ten behoeve van de ontwikkeling en evaluatie van een protocol voor meta-regressie-analyse van observationeel epidemiologisch onderzoek, met inbegrip van statistische procedures voor Empirisch Bayesiaanse analyse. De methode beschrijft blootstelling-responsrelaties als een functie van studiekarakteristieken. Op deze wijze is een formele beoordeling mogelijk van heterogeniteit in de studieresultaten als gevolg van verschillen in studiekenmerken, bijvoorbeeld met betrekking tot de onderzoekspopulatie, de definitie van blootstelling of gezondheidseindpunten of de aanwezigheid van verstorende variabelen (confounders). De voorbeeldstudie laat duidelijk zien dat meta-analyse van observationeel onderzoek een nuttig instrument kan zijn bij het maken van formele, kwantitatieve literatuuroverzichten, waarbij subjectiviteit zoveel mogelijk wordt uitgesloten. Aggregatie van beschikbare studie-uitkomsten laat een statistisch significante toename zien van het risico op ziekenhuisbezoek of poliklinische behandeling van 12% bij een toename van de ozonconcentratie van 100 mug/m3 als 8-uursgemiddelde (95% BI: 7-18%). De analyse geeft voorts aanwijzingen dat het effect van ozonepisoden het sterkst is bij kinderen ; de respons voor poliklinische behandeling wegens luchtwegaandoeningen (in de Nederlandse situatie zal dit waarschijnlijk tevens bezoek aan de huisarts omvatten) lijkt sterker dan voor ziekenhuisopname. Tegelijkertijd optredende deeltjesvormige luchtverontreiniging lijkt slechts een geringe invloed op de associatie te hebben.
    • De ziekte van Parkinson in Nederland. Ontwikkelingen in de kennis van de epidemiologie, etiologie en mogelijkheden voor preventie

      Harteloh PPM; VTV (1994-10-31)
      Gezien de gestegen prevalentie van chronische ziekten in Nederland is er een toegenomen behoefte aan overzichten over de nieuwste ontwikkelingen in de kennis. Het voor u liggende rapport geeft een overzicht van de huidige kennis over een aantal aspecten van de ziekte van Parkinson. Nadruk ligt daarbij op de epidemiologie van de ziekte van Parkinson in Nederland, de etiologie van het ziektebeeld en de mogelijkheden voor preventie door interventie op leefstijlfactoren. De ziekte van Parkinson is een chronische ziekte waaraan naar schatting op basis van registratie in de huisartspraktijk tussen de 13.500 en 35.000 personen lijden. De huisarts registreert jaarlijks ongeveer 1.700 nieuwe gevallen van de ziekte van Parkinson. De eerste resultaten van een bevolkingsonderzoek in Nederland onder personen van 55 jaar en ouder tonen een prevalentie van 11 per 1.000 mannen (95%-betrouwbaarheidsinterval 7-16) en 15 per 1.000 vrouwen (95%-betrouwbaarheidsinterval 11-19), hetgeen overeenkomt met 15.300 mannen en 26.300 vrouwen. De ziekte van Parkinson is daarmee een regelmatig voorkomende ziekte onder ouderen. De ziekte van Parkinson wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren zoals genetische aanleg, veroudering, en omgeving. Het huidige onderzoek geeft geen eenduidige aanwijzing over een genetische etiologie. Aan omgevingsfactoren in de vorm van een virus, metalen of andere toxische stoffen wordt in combinatie met veroudering een belangrijke rol toegekend. Over de invloed van leefstijlfactoren op het ontstaan van de ziekte van Parkinson is nog niet veel (met zekerheid) bekend. Associaties met roken, voeding (vitamine E) en lichamelijke activiteit worden onderzocht. Veel onderzoek speelt zich op biologisch niveau af waar ook de belangrijkste aangrijpingspunten voor therapeutisch ingrijpen zijn gelegen. De oorzaak van de ziekte van Parkinson is vooralsnog onbekend. Screening op grote schaal lijkt, gelet op de criteria van Wilson en Jungner, momenteel niet zinvol. Hoewel ervan wordt uitgegaan dat de ziekte van Parkinson een pre-klinisch stadium heeft en er, zij het nog niet op grote schaal toepasbare, redelijk betrouwbare screeningsinstrumenten voorhanden zijn, is het arsenaal aan therapeutische mogelijkheden momenteel nog te smal om screening aan de bevolking aan te bieden. Het is dan ook moeilijk om algemene maatregelen op het niveau van primaire of secundaire preventie aan te bevelen. Wat betreft tertiaire preventie gericht op leefstijlfactoren lijken fysiotherapie en logopedie zinvol. Complicaties als vallen en slikstoornissen kunnen erdoor worden voorkomen en het welzijn van de patient wordt erdoor vergroot. De verschillende vormen van in aanmerking komende fysiotherapie dienen echter nog op doeltreffendheid en doelmatigheid getoetst te worden. Een gerichte onderzoeksinspanning om dit te realiseren kan worden aanbevolen.
    • De ziekte van Parkinson in Nederland. Ontwikkelingen in de kennis van de epidemiologie, etiologie en mogelijkheden voor preventie

      Harteloh PPM; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Since chronic diseases are becoming more prevalent in our society, there is a growing need for state-of-the-art reviews of developments in the knowledge of etiology, determinants and prevention of chronic diseases. This report is about Parkinson's disease. It is focused on the epidemiology of Parkinson's disease in the Netherlands, the etiology and determinants of the disease and possibilities of primary, secondary or tertiary prevention, especially in relation to life-style. In the Netherlands it is estimated that there are about 13.500 to 35.000 persons with Parkinson's disease and that every year 1.700 new cases of Parkinson's disease are diagnosed. These estimates are based on registration in general practice. In a population sample of elderly persons (55+) there appeared to be 11 per 1.000 men (95%-confidence interval 7-16) and 15 per 1.000 women (95%-confidence interval 11-19), which means 15.300 men and 26.300 women with Parkinson's disease. It makes Parkinson's disease one of the more common diseases in the elderly. A variety of factors contribute to the development of Parkinson's disease. These factors include combinations of genetic predisposition, aging and environment, and could vary between persons. To date the results of genetic research are inconclusive. So, many investigators postulate an important role for environmental factors in the development of Parkinson's disease. Proposals for specific putative environmental factors include viruses, metals and toxins. Smoking has often been reported to be less common in Parkinson's disease, and this has also been proposed to relate to its etiology. However, the cause of Parkinson's disease is unknown. Also there is not much knowledge of life-style as a cause of Parkinson's disease. Physical exercise and food constituents such as vitamin E might have a protective effect, but more research is still needed.Primary and secondary preventive measures aimed at life-style factors are hard to formulate. Tertiary prevention might be possible because physical exercise or speech therapy could prevent complications such as falling and swallowing the wrong way. The several possibilities still have to be examined on effectiveness and efficiency. More research on this topic is recommended.
    • Ziektelast en kosten van letsel door geweld

      Snijders BEP; Gommer AM; Haagsma JA; Panneman MJ; Polinder S; van Beeck EF; VVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-06-30)
      Ziektelast is het verlies van gezondheid binnen een bevolking door ziekte en vroegtijdig overlijden. Tot nu toe is de ziektelast van 'letsel door geweld' alleen uitgedrukt als het aantal mensen dat hierdoor vroegtijdig overlijdt. De lichamelijke en psychische gevolgen van letsel door geweld, zonder dat er sprake is van overlijden van het geweldsslachtoffer, zijn nog niet in de ziektelast opgenomen. Door dit wel te doen stijgt de totale ziektelast van letsel door geweld met 73 procent. Vier vijfde van deze stijging is toe te schrijven aan lichamelijk letsel en een vijfde aan de psychische gevolgen (PTSS en depressie) voor de slachtoffers van geweld. Dit blijkt uit een onderzoek over de periode 2009-2013 dat in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Veiligheid en Justitie (VenJ) is uitgevoerd. De berekeningen geven een beter beeld van de ziektelast van letsel door geweld. De uitkomsten van de nieuwe berekeningen blijven een onderschatting van de werkelijke cijfers doordat informatie ontbreekt, zoals gegevens over slachtoffers die niet op de eerste hulp zijn geregistreerd. De ziektelast van letsel is berekend voor twee typen geweld met het motief van de dader als onderscheid: expressief geweld (uiting gevoelens, 54 procent) en instrumenteel geweld (gericht op (im)materiële voordelen, zoals geld en macht; 12 procent). Van het resterende deel van de ziektelast is niet bekend om welk type geweld het gaat. De ziektelast van letsel door geweld vormt in Nederland 3 procent van de ziektelast van alle letsels, zoals verkeersongevallen, blessures en suïcidepogingen. Dit percentage is vergelijkbaar met dat van andere Europese landen. Deze vergelijking is gebaseerd op cijfers van de Global Burden Disease (GBD), een internationale studie naar ziektelast. Schattingen van de medische- en verzuimkosten als gevolg van lichamelijk letsel door geweld bedragen in de onderzochte periode (2009-2013) jaarlijks gemiddeld respectievelijk 30 miljoen en 66 miljoen. De geschatte kosten voor de psychische gevolgen van letsel door geweld (PTSS en depressie) zijn aanzienlijk lager ( 5,2 miljoen). Hierbij zijn de kosten van leed als gevolg van bedreiging (een veelvoorkomende vorm van geweld) niet meegenomen, noch de maatschappelijke kosten voor de omgeving (familieleden, getuigen). Het onderzoek is onder regie van het RIVM uitgevoerd door het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC) en de Stichting VeiligheidNL.
    • Ziektelast van effecten op de voortplanting ten gevolge van blootstelling aan stoffen op de werkplek. Best professional judgement

      Dekkers S; van Benthem J; Piersma AH; Eysink PED; Baars AJ; SIR; GBO; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-05-22)
      Contact met chemicalien op de werkvloer kan gevolgen hebben voor de vruchtbaarheid van mannen en vrouwen of voor de ontwikkeling van het nageslacht. Er zijn echter te weinig gegevens beschikbaar om alle gevolgen van dergelijke arbeidsgerelateerde blootstellingen te kwantificeren.<br>Om daar toch een indicatie van te krijgen, heeft het RIVM de ziektelast van vijf gevolgen (waaronder miskramen en aangeboren afwijkingen) en vier stofgroepen (zoals bestrijdings- en oplosmiddelen) geschat. Bij elkaar opgeteld bedraagt dit ongeveer 400 Disability Adjusted Life Years (DALY's). Dat is 1 procent van het totaal aantal DALY's voor effecten op de voortplanting onder de werkende bevolking (ongeacht de oorzaak). De onzekerheidsmarge van deze schatting is groot doordat beschikbare gegevens beperkt zijn en aannames in de berekeningen onzeker zijn.<br>Het begrip ziektelast is een maatstaf om de gevolgen van ziekten en aandoeningen te kwantificeren, en wordt uitgedrukt in DALY's. Het combineert gezondheidsverlies door verminderde kwaliteit van leven en door vroegtijdig overlijden.<br>Bij het onderzoek waren veel deskundigen betrokken. Zij zijn geraadpleegd over de afbakening, uitgangspunten, aannames en berekeningsmethode. Hun meningen liepen sterk uiteen. Bijvoorbeeld of de ziektelast van een miskraam alleen geldt voor de vrouw, of ook voor het ongeboren kind of de man.<br>Slechts een klein aantal deskundigen deed een uitspraak over de verwachte totale jaarlijkse ziektelast voor effecten op de voortplanting door beroepsmatige blootstelling aan stoffen. Hun schattingen liepen uiteen van 100 tot 10.000 DALY's.<br>Deze ziektelast neemt daarmee een middenpositie in ten opzichte van de totale ziektelasten van negen andere aandoeningen door beroepsmatige blootstelling aan stoffen, waarover het RIVM eerder heeft gerapporteerd.<br>
    • Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland

      Eysink PED; Blatter BM; van Gool CH; Gommer AM; van den Bossche SNJ; Hoeymans N; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO-Kwaliteit van Leven, 2007-12-07)
      Ongunstige arbeidsomstandigheden veroorzaken 2 tot 4% van de totale ziektelast in Nederland. Het begrip ziektelast is een maatstaf om de gevolgen van ziekte uit te drukken. Het combineert gezondheidsverlies door verminderde kwaliteit van leven en door vroegtijdig overlijden. Hoge werkdruk, blootstelling aan schadelijke stoffen (inclusief passief roken) en beeldschermwerk zijn de ongunstigste arbeidsomstandigheden. Zij zorgen voor veel ziektelast door burn-out, de chronische luchtwegaandoening COPD, longkanker en klachten van arm, nek en schouder (KANS). In het rapport is de positieve invloed van arbeid op de gezondheid niet meegenomen. Het RIVM laat voor het eerst zien welke arbeidsgerelateerde aandoeningen veel ziektelast in Nederland veroorzaken. Deze gegevens bieden aanknopingspunten voor verder onderzoek en voor maatregelen om de ziektelast door deze aandoeningen te verminderen. Dat is niet alleen goed voor werknemers en werkgevers, maar ook voor de volksgezondheid en de samenleving in haar geheel: health is wealth. In eerdere ziektelastberekeningen van de wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is de arbeidsgerelateerde ziektelast in Nederland sterk onderschat. In Nederland veroorzaken niet zozeer de 'klassieke' risico's en aandoeningen, zoals arbeidsongevallen en slechthorendheid door lawaai, de meeste ziektelast. Juist 'nieuwe' aandoeningen, zoals burn-out en KANS, leiden hiertoe, en die zijn niet meegenomen in de WHO-schattingen. Behalve negatieve effecten op de gezondheid hebben ongunstige arbeidsomstandigheden een nadelig effect op de arbeidsproductiviteit, het ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. In theorie blijkt het mogelijk om deze effecten te berekenen. Het is aan te bevelen om uit te zoeken of dit in de praktijk haalbaar is.
    • Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland 2007

      Eysink PED; Dekkers S; Janssen P; Poos MJJC; Meijer SM; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-12-31)
      Ongunstige arbeidsomstandigheden veroorzaken 3,9% (onzekerheidsmarge 1,5%-7,2%) van de totale ziektelast in Nederland. De ziektelast is een maat om het verlies aan gezondheid uit te drukken. Het combineert vroegtijdige sterfte, de mate van vóórkomen van gezondheidsproblemen en de ernst van de gezondheidsproblemen. De ongunstige arbeidsomstandigheden die leiden tot de meeste ongezondheid zijn werkdruk, beeldschermwerk en blootstelling aan stoffen. Deze omstandigheden kunnen leiden tot burn-out, depressie, KANS (klachten van arm, nek en schouder), COPD (chronisch obstructieve longziekten) en longkanker. In het rapport is de positieve invloed van arbeid op de gezondheid niet meegenomen. Ook in 2020 veroorzaken burn-out, depressie en KANS veel ziektelast in de werkzame beroepsbevolking, bij ongewijzigde economische omstandigheden, een pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar en bij ongewijzigd (arbo)beleid. In 2007 heeft het RIVM voor het eerst laten zien welke arbeidsgerelateerde aandoeningen veel ziektelast in Nederland veroorzaken met gegevens uit 2003. Het huidige rapport biedt een hernieuwde versie met data uit 2007, evenals een toekomstverkenning en een verkenning van de ziektelast per sector. Deze schattingen geven beleidsmakers inzicht in de invloed van arbeidsrisico's op de gezondheid van werknemers. Deze benadering geeft ook aanknopingspunten voor maatregelen om de ziektelast door deze aandoeningen te verminderen.
    • De ziektelast van suïcide en suïcidepogingen

      Hoeymans N; Schoemaker CG; VTV; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTrimbos InstituutStichting Consument en VeiligheidVrije Universiteit Amsterdam, 2010-08-06)
      In Nederland sterven jaarlijks bijna 1500 mensen door zelfdoding. Daarmee stond suïcide op de 21ste plaats in de rangordelijst van de belangrijkste aandoeningen in Nederland. Ook niet-dodelijke pogingen veroorzaken echter veel leed, zowel lichamelijk als psychisch. Als de ziektelast van suïcidepogingen ook wordt meegerekend, stijgt 'suïcide en suïcidepoging' naar de 11de plaats in deze rangordelijst. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS uitvoerde, in samenwerking met het Trimbos-instituut, het VU medisch centrum en Consument & Veiligheid. Het RIVM publiceerde in de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV) 2010 een rangordelijst met ziekten die de meeste ziektelast in Nederland veroorzaken. Coronaire hartziekten, beroerte en angststoornissen vormen respectievelijk de eerste drie aandoeningen op deze lijst. Ziekten veroorzaken veel ziektelast als de sterfte aan deze ziekte hoog is, als er veel mensen aan de ziekte lijden en/of als de ziekte een grote impact heeft op de kwaliteit van leven. Letsels door suïcidepogingen leiden jaarlijks tot 1500 doden, 15.000 behandelingen op de spoedeisende hulp en 9000 ziekenhuisopnamen. Omdat niet alle suïcidepogingen resulteren in een behandeling in het ziekenhuis of op de spoedeisende hulp, komen niet alle pogingen in deze statistieken terecht. Uitgaande van bevolkingsonderzoek, zijn er in totaal elk jaar bijna 100.000 mensen die een suïcidepoging doen. Op basis van deze cijfers en van informatie over de ernst van de lichamelijke letsels en psychisch leed is de ziektelast van suïcide en suïcidepogingen naar schatting twee keer zo hoog als eerder werd berekend.
    • Ziektespecifieke vergelijking van de geregistreerde morbiditeit in vier huisartsenregistraties: een analyse ten behoeve van VTV-1997

      Gijsen R; Verkleij H; Dijksterhuis PH; van de Lisdonk EH; Metsemakers JFM; van der Velden J; VTV; Vakgroep Huisartsgeneeskunde; Sociale geneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde; Katholieke Universiteit Nijmegen; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-08-31)
      In de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) wordt voor het beschrijven van het voorkomen van ziekten en aandoeningen onder andere gebruik gemaakt van gegevens van huisartsgeneeskundige registraties. Een probleem voor VTV is dat de registraties in Nederland, om geheel plausibele redenen, van elkaar verschillen in de doelstelling waarvoor zij zijn opgezet. De consequentie daarvan is dat gebruikte classificatiesystemen, codeerregels en rekenwijzen nogal van elkaar kunnen verschillen en dat gemeten morbiditeit niet op voorhand vergelijkbaar is. Daarom is een vergelijkende analyse tussen de vier belangrijkste huisartsenregistraties gemaakt, zodat een beter inzicht in de betekenis van cijfers uit deze huisartsenregistraties verkregen kon worden. Deze analyse bestond uit drie onderdelen. Ten eerste is een algemene beschrijving van de registratiekenmerken van de vier huisartsenregistraties gemaakt, met speciale aandacht voor prevalentie- en incidentiebepalingen ten behoeve van VTV. Een tweede onderdeel betrof het samenstellen van een tabellarisch overzicht van de empirisch aangetroffen prevalenties en incidenties. Een derde onderdeel betrof de inhoudelijke vergelijking van de registraties per ziekte. Voor de meeste ziekten kon meer inzicht verkregen worden in de betekenis van de cijfers en voor sommige ziekten konden de aangetroffen verschillen in prevalentie en incidentie min of meer verklaard worden. Soms bleken verschillen echter onverklaarbaar groot te zijn. Beschreven zijn enkele alternatieve mogelijkheden voor het presenteren van cijfers uit huisartsenregistraties in VTV. Omdat de bestaande situatie voor VTV verre van optimaal is, wordt ten slotte gepleid voor het verkennen van de mogelijkheden om ten behoeve van VTV-2001 en volgende VTV's tot een beter passende oplossing te komen.<br>
    • Zijn de risico's van apparatuur voor thuisbeademing door de leveranciers overwogen en beperkt? Een studie van risicoanalyses en gebruiksaanwijzingen

      van Drongelen AW; Hilbers-Modderman ESM; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-03)
    • Zijn de risicos van de apparatuur voor thuisdialyse door de fabrikanten voldoende afgedekt?

      de Vries CGJCA; Hilbers-Modderman ESM; de Bruijn ACP; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-07-16)
    • Zonkrachtactieplan : Versie 2019

      van Dijk, A; Hagens, W; Slaper, H; Boekema, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-12)
      Jaarlijks krijgen ruim 50.000 Nederlanders te horen dat ze huidkanker hebben. Blootstelling aan UV-straling van zonlicht is daar de belangrijkste oorzaak van. Ook vergroot UV-straling de kans op staar in het oog. Verstandig zongedrag kan het risico op schade door UV-straling verkleinen. Om verstandig zonnen te stimuleren is het Zonkrachtactieplan opgesteld. Het doel van het plan is dat betrokken partijen afspraken maken over een eenduidige communicatie over UV-blootstelling. Deze afspraken zullen eraan bijdragen dat mensen bewuster en verstandiger omgaan met UV-straling. Daarnaast kan het Zonkrachtplan de kennis over UV-straling en blootstelling vergroten door een gezamenlijke kennisagenda op te stellen. Hierin staan de kennisonderdelen benoemd en geprioriteerd waar extra onderzoek nodig is en waaraan in gezamenlijkheid kan worden gewerkt. Het Zonkrachtactieplan is opgesteld door het RIVM en maatschappelijke partners die zich inspannen om huidkanker te voorkomen. Het ministerie van VWS heeft hiertoe opdracht gegeven, omdat het bezorgd is over de sterke toename van het aantal huidkankergevallen. Dit aantal is harder gestegen dan vanwege de vergrijzing en de aantasting van de ozonlaag was verwacht. Vermoedelijk komt het doordat mensen vaker en langer de huid aan UV-straling blootstellen. Door de klimaatverandering zal het aantal warme dagen toenemen. Daardoor zullen we in de toekomst vermoedelijk nog vaker buiten zijn en onze huid en ogen nog meer blootstellen aan de zon.
    • Zoonoses and zoonotic agents in humans, food, animals and feed in the Netherlands 2003-2006

      Valkenburgh S; van Oosterom R; Stenvers O; Aalten M; Braks M; Schimmer B; van der Giessen A; van Pelt W; Langelaar M; LZO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMVoedsel en Waren Autoriteit VWS, 2007-11-30)
      Het rapport 'Zoonoses and Zoonotic Agents in Humans, Food, Animals and Feed in The Netherlands 2003 - 2006' beschrijft welke zoonosen in Nederland zijn opgenomen in een monitoringsprogramma, hoe vaak ze voorkomen, en wat er gedaan wordt aan onderzoek en bestrijding. Alle lidstaten van de Europese Unie geven jaarlijks een dergelijk overzicht. De rapportages zijn nodig om in Europees verband te kunnen werken aan onderzoek en bestrijding van deze groep van ziekteverwekkers. Ook resistentieopbouw van ziekteverwekkers tegen antibiotica is een onderwerp dat veel aandacht krijgt.
    • Zoonoses in Europe: a risk to public health

      Giessen JWB van der; Isken LD; Tiemersma EW; MGB; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-09-16)
      Infectious diseases originating from animal reservoirs (zoonoses) are a constant threat to public health. Recent examples are the outbreaks of avian influenza and SARS. Although it is unpredictable which zoonoses will emerge in the coming years in Europe, this report aims to summarize current scientific knowledge on the risks of (emerging) zoonoses for human public health in Europe. For this purpose, currently known zoonoses that are more or less likely to cause problems in Europe in the future and risk factors that may be involved in the emergence of zoonoses are listed. Also, European legislation concerning zoonoses and the strengths and weaknesses of the prevention and control of zoonotic diseases are discussed. The emergence of a zoonosis will often be the result of a complex mix of risk factors in which the intensity of contacts between the original reservoir, (the intermediate reservoir and vectors) and human beings seems to be crucial. Prevention and control of the emergence of zoonoses is therefore very difficult and may require a double-edged strategy. On one hand, preparedness needs to be improved as much as possible if it concerns zoonoses that are considered to become a potential risk for public health in Europe (preparing for the known and/or imaginable). On the other hand, public and veterinary health systems and their interaction in Europe need to be strengthened to generate basic scientific knowledge on missing links, to integrate current knowledge and to develop new ways for early warning and outbreak control to prepare as much as possible for new and currently unknown zoonoses. Concerted action at European level is required to respond timely and effectively to zoonoses that threaten public health in Europe.
    • Zoonoses in Europe: a risk to public health

      van der Giessen JWB; Isken LD; Tiemersma EW; MGB; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-09-16)
      Infectieziekten die afkomstig zijn van dieren (zoonosen) vormen een constant gevaar voor de volksgezondheid. Recente voorbeelden van zoonosen zijn de vogelpest en SARS. Het is niet te voorspellen welke zoonosen in de komende jaren voor problemen gaan zorgen in Europa. Toch wordt in dit rapport de wetenschappelijke kennis over de risico's van opkomende zoonosen voor de Europese volksgezondheid samengevat en een overzicht gegeven van bekende zoonosen waarvan in meer of mindere mate gevreesd wordt dat ze in de toekomst voor problemen kunnen zorgen in Europa. Hierbij is zowel gebruik gemaakt van literatuurgegevens als ook van de meningen van experts. Ook wordt een overzicht gegeven van de factoren die in het verleden bij het opkomen van zoonosen een rol hebben gespeeld. Verder wordt de Europese wetgeving op het gebied van zoonosen samengevat en worden de sterke en de zwakke punten die naar voren kwamen in interviews met Nederlandse en Europese deskundigen genoemd. Om het opkomen van zoonosen te voorkomen en te bestrijden is een tweezijdige strategie nodig. Aan de ene kant moeten we ons beter voorbereiden op de zoonosen waarvan al gevreesd wordt dat zij in de toekomst voor problemen gaan zorgen, door humane en veterinaire systemen beter op elkaar af te stemmen (voorbereiden op het bekende/voorstelbare). Aan de andere kant moet meer fundamenteel onderzoek gedaan worden naar allerlei onbekende variabelen en moeten systemen ontwikkeld worden om nieuwe ziekten tijdig op te merken. De Europese landen moeten gezamenlijk optreden om tijdig en effectief op het opkomen van (nieuwe) zoonosen ter reageren.
    • Zoönotische pathogenen bij de wasbeerhond en wasbeer in Nederland

      Maas M; Mulder J; Montizaan M; Dam-Deisz WDC; Jaarsma RI; Takumi K; van Roon A; Franssen FFJ; van der Giessen JWB; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-03-06)
      De wasbeerhond en de wasbeer worden in Nederland steeds vaker waargenomen, vooral in het oostelijke grensgebied. De komst van nieuwe diersoorten als deze kan ziekteverwekkers (her)introduceren of invloed hebben op de mate waarin reeds aanwezige ziekteverwekkers voorkomen. Zo leggen wasbeerhonden grote afstanden af en kunnen ze zich in meerdere leefomgevingen handhaven. Zowel wasbeerhonden als wasberen kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden. Bij onderzoek in 2014-2015 werd bij één van negen onderzochte wasbeerhonden Trichinella spiralis gevonden en bij één wasbeerhond Echinococcus multilocularis. Daarnaast is bij twee wasberen, die eind 2014 dood werden gevonden in de omgeving van Doetinchem, Baylisascaris procyonis aangetoond. Daarom heeft het RIVM in 2016-2017 12 wasbeerhonden en 5 wasberen onderzocht om meer inzicht te krijgen in de mate waarin een aantal ziekteverwekkers voorkomt: Echinococcus multilocularis (vossenlintworm), Trichinella spp. en Francisella tularensis bij wasbeerhonden en Baylisascaris procyonis (wasberenspoelworm) bij wasberen. Vossenlintworm, Trichinella spp. en Francisella tularensis zijn niet gevonden. Bij één wasbeer is Baylisascaris procyonis aangetroffen. De wasbeer was afkomstig uit Limburg. Het is nog onduidelijk of de wasberen die worden gevonden in Nederland uit wilde populaties komen of dat ze ontsnapte of losgelaten huisdieren zijn. Dit maakt het lastig om de vondst van Baylisascaris procyonis in Limburg (Elsloo) te duiden. Bij besmette wasberen worden spoelwormeieren via de ontlasting uitgescheiden in de omgeving, waar zij lange tijd kunnen overleven. Wanneer mensen deze eieren binnenkrijgen, ontwikkelen zich larven die zich door het lichaam kunnen verplaatsen naar onder andere de hersenen en dan neurologische klachten kunnen veroorzaken. Die kans lijkt nu nog klein, maar meer inzicht in de verspreiding van besmette wasberen is van groot belang om een goede risico-inschatting te maken.
    • Zorg Achter Tralies. Een onderzoek naar kwaliteitsaspecten van de gezondheidszorg in penitentiaire inrichtingen

      CZO; IGZ (Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en MilieuInspectie voor de Gezondheidszorg, 1999-07-01)
      In 1997 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een onderzoek verricht naar de kwaliteit van de gezondheidszorg in penitentiaire inrichtingen. Doel van het onderzoek was het geven van een algemene, brede beschrijving van kwaliteitsaspecten van de gezondheidszorg in de penitentiaire inrichtingen en het doen van aanbevelingen ter verbetering van de gezondheidszorg in deze inrichtingen. Het onderzoek, gericht op structuur- en procesaspecten van de zorg, is verricht bij alle 39 penitentiaire inrichtingen in Nederland. Met behulp van schriftelijke vragenlijsten zijn gegevens verzameld bij zowel zorgverleners (inrichtingsartsen, psychiaters, psychologen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten en tandartsen en een steekproef van penitentiaire inrichtingswerkers), de directie als een steekproef van gedetineerden (N=821). De totale respons op het schriftelijke onderzoek bedroeg 77%. Daarnaast zijn bij 30 medische diensten interviews gehouden met een inrichtingsarts, een psycholoog en een verpleegkundige, waarin dieper in werd gegaan op de onderwerpen 'verslaving', 'hiv/aids' en 'suocide'. De resultaten laten zien dat op diverse punten verbetering mogelijk is. Aanbevelingen betreffen het ontwikkelen van een beleidskader voor de organisatie van de zorg en het ontwikkelen van een kwaliteitsbeleid. Deze worden op aspecten uitgewerkt.
    • Zorg in de grote steden

      Verkleij H; Verheij RA - Verkleij H; Verheij RA (eds); VTV; NIVEL (2003-06-05)
      De zorg in de achterstandswijken van de grote steden functioneert niet optimaal door de grote diversiteit in bevolkingsgroepen, de gebrekkige samenhang in de zorg en de tekorten aan huisartsen, verpleegkundigen en verzorgenden. Juist in deze wijken is de gezondheid van de bevolking bovendien slechter dan in de rest van Nederland. Vooral de allochtone bevolking in de grote steden is de laatste jaren sterk gegroeid en bestaat uit een toenemend aantal nationaliteiten. Ook groepen in de marge van de samenleving, zoals dak- en thuislozen, verslaafden, ex-psychiatrische patienten, vereenzaamde ouderen en illegalen zijn oververtegenwoordigd. De werklast van huisartsen in de grote steden is de afgelopen jaren meer toegenomen dan in andere plaatsen. De werklast is het grootst in achterstandswijken. De animo onder jonge huisartsen om in de stad te werken is onvoldoende om de openvallende plaatsen van stoppende huisartsen in te vullen. De vacatures voor verpleegkundig en verzorgend personeel zijn in de drie grootste steden het moeilijkst te vervullen. In het algemeen kunnen zowel de autochtone als de allochtone bevolking in de grote steden de weg naar de zorg nog goed vinden. Maar zowel zorgverleners als patienten rapporteren dat de kwaliteit van de zorg voor allochtone patienten niet optimaal is. Er zijn daarom specifieke inspanningen nodig om de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg in de grote steden in de toekomst veilig te stellen en te verbeteren. Vooral de eerstelijns gezondheidszorg in achterstandswijken heeft extra aandacht nodig. Deze inspanningen moeten gericht zijn op de verbetering van de toegankelijkheid en kwaliteit van de kwetsbare groepen. Meer samenhang en samenwerking tussen verschillende zorgsectoren (preventie, curatieve zorg, care en welzijn is nodig om patienten met meervoudige medische en psychosociale problemen te helpen. Ook zijn acties nodig om het werken voor huisartsen en ander zorgpersoneel in de grote steden aantrekkelijker te maken. Op het lokale niveau zullen vooral zorgverzekeraars en gemeentebesturen moeten gaan samen werken om een goede eerstelijnszorg veilig te stellen.
    • Zorg in de grote steden

      Verkleij H; Verheij RA; Verkleij H; Verheij RA; VTV; NIVEL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-05)
      On average residents of the large cities in the Netherlands are in worse health than the rest of the Dutch population. Especially in deprived neighbourhoods, health care demands tend to be more extensive and complex than elsewhere. Immigrant groups are growing rapidly in size and diversity. Marginal groups, such as the homeless, drug or alcohol addicted, ex-psychiatric patients, isolated elderly and illegal immigrants are more represented. Health care workers are more often confronted with combinations of medical and non-medical problems. In the last decade the work load of general practitioners in the large cities has increased more than elsewhere in the Netherlands. The workload is highest in deprived neighbourhoods. The number of unfulfilled vacancies for qualified nurses and assisting health care workers tends to be higher in the more urban regions as well. In general immigrants as well as indigenous people from lower socio-economic strata appear to find their way to the health care quite adequately. However, health care providers as well as patients report that the quality of the health care provided to immigrant patients is far from optimal. To improve the situation and to deal with new challenges targeted actions are needed to improve accessibility and quality of health care for specific, vulnerable groups in deprived neighbourhoods. More health care workers from immigrant groups should be recruited. More coherence and co-operation between different care sectors (prevention, cure, care and social welfare), is needed to help patients with multiple medical and psychosocial problems. Labour market conditions for medical doctors and other health care professionals in the large cities should be improved.