Now showing items 21-40 of 9979

    • Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2021

      DA van Wees; M Visser; F van Aar; ELM Op de Coul; LE Staritsky; D Sarink; IJM Willemstein; A de Vries; JMA Kusters; E den Boogert; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-23)
      In 2021 hebben meer mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) dan in 2020. Dit aantal is nog wel lager dan in 2019, het jaar voor de uitbraak van het coronavirus. Het percentage dat een soa had (20 procent) was lager dan in 2020, maar hoger dan in 2019. Mensen die een melding ontvingen voor een soa, hadden het vaakst infecties. Vanwege de coronacrisis evalueert het RIVM de ontwikkelingen van 2019-2021. Bij CSG's kunnen mensen met een grotere kans op soa, zich gratis laten testen. Sinds augustus 2019 bieden CSG's ook zorg aan mannen die seks hebben met mannen (MSM) en een geneesmiddel krijgen dat hiv voorkomt (Pre-Expositie Profylaxe, PrEP). Deze groep wordt elke drie maanden getest op soa's (MSM in de PrEP-pilot). In 2021 zijn in totaal 138.436 consulten geregistreerd bij de CSG's. Chlamydia In 2021 hadden 20.338 bezoekers aan de CSG's een chlamydia-infectie. Dat is bijna evenveel als in 2019 (21.123). Van het totaal aantal vrouwen dat zich liet testen bij de CSG's had 16,2 procent chlamydia. Van de heteroseksuele mannen was dat 21,3 procent. Deze percentages zijn lager dan in 2020, maar wel hoger dan in 2019. Van de MSM die zich lieten testen had 12,2 procent chlamydia. In 2019 was dat nog 10,6 procent. Onder MSM in de PrEP-pilot is het percentage chlamydia-diagnoses gedaald van 11,7 procent in 2019 naar 10 procent in 2021. Gonorroe Het aantal CSG-bezoekers dat in 2021 gonorroe had (7.842) was bijna hetzelfde als in 2019 (8.180). Van het totaal aantal vrouwen dat zich liet testen, had 1,5 procent deze soa. Van de heteroseksuele mannen was dat 1,8 procent. Deze percentages zijn licht gedaald, na een stijging in 2020, en lager dan in 2019. Het percentage gonorroe onder MSM steeg van 11,6 in 2019 naar 12,4 procent in 2021. Onder MSM in de PrEP-pilot daalde het percentage van 10,7 in 2019 naar 9,2 procent in 2021. Er is geen antibioticaresistentie tegen het huidige 'eerste keus' antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Syfilis In 2021 was het aantal CSG-bezoekers dat syfilis had (1.378) lager dan in 2019 (1.430). Het percentage MSM met syfilis was 2,6 procent in 2021, ongeveer hetzelfde als 2019 (2,5 procent). Onder MSM in de PrEP-pilot is dit percentage licht afgenomen van 2,2 procent in 2019 naar 1,7 procent in 2021. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef in 2021 laag, respectievelijk 21 en 33. Hiv In 2021 kregen 128 CSG-bezoekers te horen dat ze hiv hebben, iets meer dan in 2020 (123). Onder hen waren 93 MSM en 17 deelnemers aan de PrEP-pilot. Er waren 6 vrouwen met hiv en 12 heteroseksuele mannen. In 2021, kwamen 794 mensen met hiv voor het eerst naar een hiv-behandelcentrum ('in zorg'). Dat was 18 procent minder dan in 2019 (972). PrEP In de nationale PrEP-pilot hebben 9.782 personen (van wie 97 procent MSM is) een eerste PrEP-consult gehad, van wie 3.450 in 2021. Op 31 december 2021 deden ongeveer 7.693 mensen mee aan de PrEP-pilot. Het percentage deelnemers met een soa was in 2021 17,7 procent.
    • Risicobeoordeling van PFAS in moestuingewassen uit volkstuinencomplex Volkstuin Delta in Helmond

      Boon, PE; te Biesebeek, JD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-22)
      Het RIVM heeft berekend hoeveel poly- en perfluoroalkylstoffen (PFAS) mensen binnen kunnen krijgen als zij groenten en fruit eten uit hun moestuin in volkstuinencomplex Volkstuin Delta. Dit volkstuinencomplex ligt 1150 meter ten noordoosten van het bedrijf Custom Powders in Helmond. Dit bedrijf heeft teflon verwerkt waar twee PFAS in zaten (tot 2012 perfluoroctaanzuur (PFOA) en vanaf 2012 tot 2018 GenX). Hierdoor zijn PFAS via de lucht op de bodem en in het oppervlaktewater terechtgekomen en, via de grond en het grondwater, in de gewassen uit de moestuinen. PFAS zijn stoffen die al bij een lage blootstelling schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Uit dit onderzoek blijkt dat mensen niet te veel PFAS binnenkrijgen via gewassen uit het complex Volkstuin Delta. Zij kunnen hun zelf geteelde gewassen blijven eten. Wel zijn de concentraties van PFAS in de gewassen uit deze moestuinen hoger dan in gewassen uit twee volkstuinencomplexen die niet dicht bij een PFAS-bron liggen. De moestuinhouders kunnen de hoeveelheid PFAS die zij binnenkrijgen verlagen door het eten van hun eigen gewassen af te wisselen met groenten en fruit uit de winkel. Deze groenten en fruit bevatten minder PFAS. Deze afwisseling is belangrijk, omdat mensen ook via andere voedselproducten en via drinkwater PFAS binnenkrijgen. Nederlanders krijgen hierdoor al meer PFAS binnen dan de zogeheten gezondheidskundige grenswaarde. Bij een hoeveelheid onder deze grenswaarde zijn er geen nadelige effecten op de gezondheid te verwachten. Bij een hoeveelheid erboven kunnen op de lange termijn wel gezondheidseffecten optreden. Het RIVM heeft voor dit onderzoek berekend hoeveel PFAS mensen binnen kunnen krijgen als zij elke dag zelf geteelde moestuingewassen uit het volkstuinencomplex Volkstuin Delta eten. Deze hoeveelheid is vergeleken met de gezondheidskundige grenswaarde van deze stoffen, die de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) heeft bepaald.
    • Effects of long-term exposure to ultrafine particles from aviation around Schiphol Airport

      Janssen, NAH; Hoekstra, J; Houthuijs, D; Jacobs, J; Nicolaie, A; Strak, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-20)
      Health effects of long-term exposure to ultrafine particles from air traffic around Schiphol Aircraft emit ultrafine particles. These are very fine particles in the air (smaller than 0.1 micrometre). People who live in the vicinity of Amsterdam Airport Schiphol are regularly exposed to higher concentrations of ultrafine particles from air traffic. RIVM has investigated the health effects of long-term exposure to ultrafine particles. Long-term exposure to ultrafine particles emitted by air traffic may possibly have an effect on the cardiovascular system. For example, more people have started taking medication for heart disease in areas with high concentrations of ultrafine particles than in areas with low concentrations. Furthermore, exposure of pregnant women to ultrafine particles may possibly have a detrimental effect on the development of unborn children. We speak of possibly because there is too much uncertainty to conclude that there is a causal relation. There are no indications that long-term exposure to ultrafine particles from air traffic is the cause of respiratory diseases. However, previous research has shown that short-term exposure can aggravate existing respiratory diseases. At the time, it was found that children suffered from more respiratory symptoms, such as shortness of breath and wheezing, on days with high concentrations of ultrafine particles. In its latest study, RIVM examined the effects on the cardiovascular system, childbirth, the respiratory tract, the nervous system, diabetes and general health (including mortality). There is insufficient scientific evidence to suggest that exposure to ultrafine particles from air traffic has an impact on the nervous system or causes diabetes. ‘Insufficient evidence’ means that the results of the sub-studies of this study are either contradictory or unclear and that an insufficient number of other studies has been carried out. With the exception of a possible effect on death from arrhythmia, there are no indications that people die sooner if they are exposed to ultrafine particles from air traffic over many years. This is the first time that such an extensive study has been carried out into the potential health effects of ultrafine particles from air traffic. The results reinforce previous conclusions reached by the Health Council of the Netherlands. As such, they increase the level of understanding of the possible effects of ultrafine particles on human health. To bolster these conclusions further, studies need to be carried out at other major international airports.
    • Gezondheidseffecten van ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol. Integraal rapport

      Janssen, NAH; Houthuijs, D; Dusseldorp, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-20)
      Vliegtuigen stoten ultrafijn stof uit. Dit zijn zeer kleine deeltjes fijn stof in de lucht (kleiner dan 0,1 micrometer). Mensen die in de buurt van Schiphol wonen staan regelmatig bloot aan hogere concentraties ultrafijn stof van vliegtuigen. Het RIVM heeft onderzocht wat de gezondheidseffecten zijn als mensen korte en langere tijd ultrafijn stof inademen. Langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer heeft mogelijk effect op het hart- en vaatstelsel. In gebieden met hoge concentraties zijn bijvoorbeeld meer mensen medicijnen tegen hartaandoeningen gaan gebruiken dan in gebieden met lage concentraties. Verder heeft blootstelling aan ultrafijn stof bij zwangeren mogelijk een nadelig effect op de ontwikkeling van ongeboren kinderen. We spreken van mogelijk omdat er te veel onzeker is om definitief te kunnen concluderen dat er een oorzakelijk verband is. Er zijn geen aanwijzingen dat langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer de oorzaak is van aandoeningen aan de luchtwegen. Wel kan een korte blootstelling bestaande aandoeningen aan de luchtwegen verergeren. Zo bleek dat op dagen met hoge concentraties kinderen meer klachten hebben aan de luchtwegen, zoals kortademigheid en piepende ademhaling. Het RIVM heeft in dit onderzoek gekeken naar effecten op: hart- en vaatstelsel, geboorte, luchtwegen, zenuwstelsel, diabetes en algemene gezondheid (waaronder sterfte). Er is niet genoeg wetenschappelijk bewijs dat blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer effect heeft op het zenuwstelsel of diabetes veroorzaakt. Niet genoeg bewijs betekent dat de resultaten van de deelonderzoeken van deze studie elkaar tegenspreken of niet duidelijk zijn. Ook zijn er weinig andere studies gedaan. Met uitzondering van een mogelijk effect op sterfte aan hartritmestoornis, zijn er geen aanwijzingen dat mensen eerder overlijden als zij jarenlang aan ultrafijn stof van vliegverkeer blootstaan. Het is wereldwijd voor het eerst dat er zo’n uitgebreide studie is gedaan naar mogelijke gezondheidseffecten van ultrafijn stof van vliegtuigen. De resultaten versterken eerdere conclusies van de Gezondheidsraad en vergroten het inzicht in de mogelijke effecten van ultrafijn stof op de gezondheid. Onderzoek bij andere grote (internationale) vliegvelden is nodig om de conclusies verder te verstevigen.
    • Cumulatie en vergunningverlening ZZS

      Bodar, CWM; de Boer, L; ter Burg, W; Janssen, N; Smit, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-15)
      Bedrijven krijgen van de overheid een vergunning voor de hoeveelheid chemische stoffen die ze mogen uitstoten, waaronder Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Deze vergunning wordt meestal voor één stof gegeven maar bedrijven stoten vaak mengsels van verschillende stoffen tegelijk uit. Mensen en het milieu kunnen hieraan worden blootgesteld (cumulatie). De kans dat een mengsel schadelijke effecten heeft, kan groter zijn dan de effecten van één stof. Hoe groot die kans is, hangt af van de samenstelling, de concentraties en de schadelijkheid van de stoffen. Het effect van een mengsel wordt nu nauwelijks meegenomen bij de vergunningverlening, zo blijkt uit een verkenning van het RIVM. Daarin is ook geïnventariseerd welke mogelijkheden er zijn om daar wat aan te doen. Dit is gedaan in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Het RIVM beschrijft welke methoden overheden kunnen gebruiken om de effecten van stoffenmengsels voor mens en milieu te kunnen inschatten en voor de vergunningverlening te gebruiken. Ook is gekeken hoe landen rondom Nederland, zoals Denemarken, België (Vlaanderen) en Duitsland, het effect van mengsels erin betrekken. Het RIVM beveelt aan te onderzoeken in welke stappen van het vergunningsverleningsproces de cumulatie-effecten het beste kunnen worden meegenomen. Het is hierbij belangrijk rekening te houden met veiligheidsmarges die er al zijn. Ook is het nodig de voorstellen uit te werken met betrokken partijen, zoals omgevingsdiensten. Dan zijn ze beter uit te voeren in de praktijk. Daarnaast geeft het RIVM aanbevelingen voor vervolgonderzoek. Bijvoorbeeld om in kaart te brengen op welke plekken in Nederland ZZS en andere chemische stoffen het meest voorkomen, zodat deze locaties als eerste kunnen worden aangepakt. Ook is aandacht nodig voor de hoeveelheid vergunde stoffen die uit de lucht in de bodem en het water terechtkomt. De neerslag op bodem en water blijft nu grotendeels buiten beeld, en dus ook het cumulatie-effect daarvan. Tot slot benadrukt het RIVM in het algemeen om zo min mogelijk ZZS naar de leefomgeving uit te stoten. Dat verkleint de mogelijke cumulatieve effecten van ZZS voor mens en milieu.
    • Rapportage pilot surveillance Shigella spp. op basis van whole genome sequencing

      Pijnacker, R; van den Beld, M; van Dam, A; Bovée, L; Kwa, D; Linde, I; Notermans, D; Leenstra, T; Bosch, T; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-15)
      Shigellose, ook wel bacillaire dysenterie genoemd, wordt veroorzaakt door een infectie van de darmen met de bacterie Shigella. De ziekte begint met koorts, buikkrampen en waterige diarree. Daarna volgt slijmerige diarree, waarin vaak ook bloed zit. Mensen kunnen met de bacterie besmet raken door contact met ontlasting. Dit gebeurt vaak bij reizigers in landen buiten Europa waar de hygiëne minder goed is. Ook door seksuele handelingen kunnen mensen in contact komen met ontlasting en besmet raken. Dit gebeurt vooral bij mannen die seks hebben met mannen (MSM). De laatste twintig jaar is het aantal shigellose-patiënten onder MSM sterk gestegen. Ook blijkt de Shigella bacterie bij veel patiënten resistent tegen verschillende soorten antibiotica. Antibiotica kunnen nodig zijn als de infectie ernstig verloopt, bijvoorbeeld bij mensen die een andere ernstige ziekte hebben. Het is daarom belangrijk te weten welke antibiotica werken. Het RIVM heeft in een pilot met de GGD Amsterdam uitgezocht hoe de bacterie zich verspreidt, en bij hoeveel patiënten de bacterie resistent is tegen verschillende soorten antibiotica. Dit is gedaan van februari 2019 tot en met oktober 2021. Om te begrijpen hoe de bacterie zich verspreidt, is het nodig te weten of twee of meer patiënten met dezelfde Shigella-stam zijn besmet. Als dat zo is, dan heet dat een cluster. Uit de pilot blijkt dat meer dan de helft van de 109 patiënten in de regio Amsterdam tot een cluster behoorde. In totaal waren er 14 clusters, waarvan de grootte verschilde van 2 tot en met 15 patiënten. Tien van de clusters was te vinden onder MSM. Bijna de helft van de Shigella-stammen binnen de clusters bij MSM is ook in het buitenland gevonden. Verder bleek de bacterie bij veel shigellose-patiënten resistent tegen een of meer soorten antibiotica. Dit was vaker het geval bij MSM dan bij niet-MSM. Met informatie over clusters kan de GGD de bron van de besmetting achterhalen, en bepalen of maatregelen nodig zijn. Naar aanleiding van deze pilot wordt de Shigella-bacterie van een deel van de patiënten in heel Nederland voortaan onderzocht bij het RIVM op clustering en resistentie tegen antibiotica.
    • Magneetvelden bij hoogspanningsstations en opstijgpunten

      Kelfkens, G; Pruppers, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-14)
      Er zijn aanwijzingen dat kinderen die dicht bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen mogelijk een hogere kans hebben om leukemie te krijgen. Daarom is er in Nederland sinds 2005 uit voorzorg beleid op dit gebied. De overheid wil daarmee zo veel mogelijk voorkomen dat kinderen in nieuwe situaties lange tijd in de magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen verblijven. De minister voor Klimaat en Energie wil met de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening dit beleid nu aanpassen. Het huidige beleid voor hoogspanningslijnen wordt uitgebreid naar andere onderdelen van het elektriciteitsnetwerk: ondergrondse kabels, hoogspanningsstations, zogeheten opstijgpunten en transformatorhuisjes. De ministers overwegen om voor de grootte van de magneetveldzone rond deze onderdelen vaste afstanden te kiezen. Dan hoeft het magneetveld niet steeds voor elk onderdeel apart te worden berekend. Het RIVM heeft daarom de magneetveldcontouren bij zes hoogspanningsstations en zes opstijgpunten laten berekenen en geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de omtrek van de magneetveldzone rond een hoogspanningsstation grillig verloopt. Die magneetveldzone kan zich uitstrekken tot 65 meter buiten het hek van het station. Deze afstanden geven slechts een indruk, omdat maar een klein aantal locaties is onderzocht. Het is daarom niet makkelijk om op basis van deze inzichten één vaste afstand te kiezen. Meer berekeningen zouden deze beperking kunnen oplossen. Het kan zijn dat de ministeries met de huidige gegevens voor een vaste afstand willen kiezen. In dat geval stelt het RIVM voor om daar een extra veiligheidsmarge aan toe te voegen. Ze kunnen er ook voor kiezen om de magneetveldcontour bij de stations, net als bij bovengrondse hoogspanningslijnen, te laten uitrekenen en geen vaste afstand te gebruiken.
    • Inventarisatie nationale CBRNe-expertise en -signalering

      Vennis, I; Bleijs, R; Rutjes, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-10)
      De overheid heeft de taak zich in te zetten voor een veilige leefomgeving. Dat betekent dat zij de kans op ongelukken of rampen zo klein mogelijk moet maken. Denk aan een overstroming, een griepuitbraak of een ongeluk met chemische stoffen in een fabriek of laboratorium. Bij deze gebeurtenissen kunnen chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen vrijkomen of er kunnen explosieven bij betrokken zijn (CBRNe). Grote incidenten waarbij deze stoffen betrokken zijn, kunnen het gevolg zijn van een ongeluk of met opzet zijn aangericht, zoals bij een aanslag. Door de snelle technologische veranderingen in de wereld en de opkomst van nieuwe ziekmakende stoffen ontstaan nieuwe veiligheidsrisico’s. Voor de overheid is het daarom belangrijk ontwikkelingen hierin in beeld te hebben, omdat deze grote ongelukken of rampen met (nieuwe) chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen (CBRN) kunnen veroorzaken. Dit vraagt om kennis over de eigenschappen en risico’s van deze stoffen. Ook is deze kennis nodig om een aanslag met CBRNe-stoffen zo vroeg mogelijk te herkennen en zo te voorkomen. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht welke kennis en expertise over CBRNe het zelf in huis heeft. Ook is onderzocht welke netwerken van organisaties in Nederland risico’s van nieuwe CBRN-stoffen signaleren. Het RIVM blijkt veel kennis over chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen te hebben, en minder over explosieven. Het RIVM heeft contacten met organisaties die deze kennis wel in huis hebben. Ook blijkt dat veel netwerken nieuwe risico’s van CBRN-stoffen in kaart brengen en dat ze hierin weinig overlappen. Om goed voorbereid te zijn, is het belangrijk dat deze signaleringsnetwerken hun informatie beter delen. Het RIVM heeft de verzamelde informatie in Nederland samengebracht in één overzicht. Deze Nationale CBRNe expertise en signaleringgids 2021 is te vinden op de website www.rivm.nl/documenten/nationale-cbrne-expertise-signaleringsgids-2021.
    • Gezondheid in de IJmond III: Monitoring incidentie medicijngebruik 2008-2019

      Houthuijs, D; de Vries, W; Hoekstra, J; Hoogerbrugge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-09)
      Het RIVM heeft onderzoek gedaan naar de invloed van luchtkwaliteit in de IJmond op de gezondheid van bewoners in deze regio. Daartoe is onderzocht hoe vaak bewoners van de regio IJmond tussen 2008 en 2019 voor het eerst medicijnen hebben gekregen voor bepaalde aandoeningen. Het gaat om ziekten die te maken kunnen hebben met fijnstof en stikstofoxiden in de lucht. Dat zijn hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, diabetes, aandoeningen aan de luchtwegen bij kinderen en volwassenen, en de ziekte van Parkinson. Tegelijkertijd is op woonadressen in de IJmond per jaar in kaart gebracht hoe hoog de concentraties fijnstof en stikstofdioxiden van het terrein van Tata Steel zijn. Woongebieden dicht bij het terrein zijn daarna vergeleken met gebieden die verder weg liggen, waar de luchtkwaliteit minder is beïnvloed door Tata Steel. De tien postcodegebieden met de hoogste concentraties fijnstof liggen in Beverwijk en Velsen. Inwoners uit deze gebieden blijken 11 tot 16 procent vaker medicijnen te krijgen voor hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk en diabetes. Voor aandoeningen aan de luchtwegen bij volwassenen is dat 5 tot 10 procent vaker. Er zijn voor kinderen niet vaker medicijnen voor luchtwegaandoeningen voorgeschreven. Dat is ook niet het geval voor de ziekte van Parkinson. Door de jaren heen lijken de verhogingen in het eerste medicatiegebruik in postcodegebieden met de hoogste concentraties wat af te nemen. Dit blijkt uit de derde en laatste monitor van het RIVM naar de invloed van de luchtkwaliteit op de gezondheid. Deze gezondheidsmonitor maakt deel uit van een langetermijnonderzoek naar de gezondheid van bewoners van de IJmond. Dit onderzoek is in 2009 begonnen naar aanleiding van zorgen van omwonenden over de risico’s van de uitstoot van luchtverontreiniging vanaf het Tata Steel-terrein.
    • Microplastics in soil systems, from source to path to protection goals. State of knowledge on microplastics in soil

      Rutgers, M; Faber, M; Waaijers-van der Loop, SL; Quik, JTK (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-07)
      Microplastics are small plastic particles less than five millimetres across. More and more microplastics are ending up in the environment. They are everywhere: not just in water and air but also in soil, including in urban areas, on farms and in nature reserves. There are indications that microplastics pose a risk to the health of humans, plants, animals and soil life. An increasing number of publications on microplastics in the soil have featured in the scientific literature recently. And yet there is still a lack of clarity on whether or not there are potential risks. This is why the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) deems further clarification important. Consequently, it has summarised the available knowledge for policymakers and risk assessors. This information proves to be fragmentary, incomplete and sometimes even contradictory, as a result of which it cannot (or cannot yet) be used to arrive at a reliable risk assessment. For example, there are no measurements available of microplastics in Dutch soils. This is largely down to the fact that no reliable, practical, standard techniques exist to analyse microplastics in the soil. These need to be developed. More knowledge will be required to reliably gauge the environmental risks presented by microplastics. RIVM recommends better charting of the sources from which microplastics are released and how they are dispersed in the environment. In addition, a greater degree of insight is needed into the rate at which various types of plastic break down as well as the rate at which microplastics break down into harmless compounds. This is necessary for the purposes of gauging exposure. To support efforts to this end, the RIVM has created a ‘conceptual model’. Another recommendation is to simultaneously assess the risks posed to the soil by various types of microplastic. The substance risk assessment frameworks currently in place are unsuitable for this as microplastics occur in various forms and compositions. Finally, a list has been drawn up of what is known about measures geared towards reducing the release of microplastics. Examples include a ban on free plastic bags and deposits on PET bottles.
    • Optimalisation of the schedule of the National Immunisation Programme. Background information for the advice of the Health Council of The Netherlands on the vaccination schedule of the National Immunisation Programme

      Houweling, H; de Melker, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-06-07)
      The National Immunisation Programme (NIP) protects against twelve diseases. In order to make a vaccination as effective as possible, it is important to vaccinate children at the ideal ages and frequencies. The Minister of Health asked the Health Council of the Netherlands for advice on the schedule of the NIP. He wants to know which improvements can be made. RIVM was asked to supply a background document with relevant information. The RIVM has examined the NIP and determined the optimal vaccination schedule for each of the twelve diseases. The current schedule meets most requirements. There is room for improvement for a few diseases. Now it’s the Health Council’s turn to assess the various possibilities and advise the Minister of Health, who will thereupon take a decision. According to RIVM, a schedule with one jab less for tetanus and polio will still confer adequate protection. The jabs against diphtheria, pertussis, tetanus, polio, hepatitis B and Hib should be spread out more over a longer period of time. For preschool children the jab against pertussis, now at four years of age, is better off being administered at the age of five or six years old. The jab will likely be more effective and have fewer side effects at that age. On the other hand, the jab against measles at nine years of age should be moved forward to 2-4 years old. However, a combination vaccine is used for vaccination against measles and mumps, and the jab against mumps is best postponed. Several of the NIP vaccines are combination vaccines, which have the advantage of necessitating fewer injections. They can, however, also make it more difficult to decide to administer a component vaccine at another age. One ideal vaccination schedule may therefore not be possible.
    • Risicoschatting TGG voor de omgeving van de zeedijk Perkpolder (Zeeland). Evaluatie 2021

      Brand, E; Negash, A; Schouten, T; Römkens, P; van Breemen, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-25)
      Bij de aanleg van de zeedijk in Perkpolder is thermische gereinigde grond (TGG) gebruikt. TGG bevat stoffen, zoals metalen en zouten, die naar het grondwater en oppervlaktewater naast de dijk kunnen verspreiden. Het RIVM heeft voor de tweede keer onderzocht of deze stoffen voorkomen in de omgeving van de zeedijk en welke mogelijke effecten hierdoor op de gezondheid en het milieu kunnen ontstaan. De aanleiding is dat er meer meetgegevens beschikbaar zijn over de concentraties van de stoffen in de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater. Ook hebben omwonenden vragen over de effecten op de gezondheid en de omgeving. Uit het onderzoek blijkt dat de verontreinigingen uit de TGG geen risico’s veroorzaken voor de gezondheid van omwonenden. De stoffen zijn soms van nature al aanwezig, of de aangetroffen concentraties zijn te laag om effecten te geven. De TGG heeft de bodemkwaliteit van de moestuinen niet beïnvloed. Verder is het veilig om op de dijk te wandelen en in het oppervlaktewater te zwemmen, ook al is dat niet als zwemwater bedoeld. Het onderzochte zoete grondwater is geschikt om gewassen mee water te geven en vee te laten drinken. De landbouwpercelen en de toplaag op de dijk zijn geschikt voor vee om te grazen en voor akkerbouw. Tijdens het onderzoek zijn in de omgeving van de dijk ook stoffen aangetroffen die zeer waarschijnlijk niet uit de TGG komen. Het gaat onder meer om PFAS, dioxines en arseen. De PFAS in het oppervlaktewater komen zeer waarschijnlijk uit de Westerschelde. Arseen kan misschien uit de TGG komen, maar komt in ieder geval van nature in hogere concentraties voor in Zeeland. Vanwege de PFAS, arseen en dioxines raadt het RIVM af om zelfgevangen vis uit dit gebied te eten. Ook raadt het RIVM aan om te onderzoeken of PFAS in zwemwateren in de omgeving voorkomen en zo ja, wat het effect daarvan is. Direct naast de dijk is het grond- en oppervlaktewater van nature zout. Daardoor raadt het RIVM af om dit water voor de landbouw te gebruiken. Om dezelfde reden, en door de arseen en PFAS, wordt ook afgeraden om honden van het oppervlaktewater te laten drinken. Hoe schadelijk arseen en PFAS in het oppervlaktewater voor honden precies zijn, is niet bekend. De kans op directe effecten door het zout is bepalend voor eventuele risico’s die honden lopen als zij van het oppervlaktewater drinken. Het RIVM heeft tot slot onderzocht welke effecten de voorgestelde maatregelen voor de dijk hebben op de gezondheid en het milieu. Mocht de dijk worden afgegraven, dan adviseert het RIVM om zo veel mogelijk te voorkomen dat er stof vrijkomt. De effecten van de overige maatregelen zijn naar verwachting beperkt, ook al is nog niet zeker hoeveel metalen er maximaal kunnen vrijkomen.
    • Consumptie van producten verontreinigd met PFAS uit de Westerschelde

      Zwartsen, A; Boon, PE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-25)
      Hobbyvissers kunnen in de Westerschelde vis en garnalen vangen, oesters en mosselen rapen en zeegroentes snijden. In de Westerschelde zitten hoge concentraties van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) door lozingen via het afvalwater van bedrijven. Hierdoor zit er PFAS in producten uit de Westerschelde. PFAS zijn stoffen die al bij een lage blootstelling schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Het RIVM heeft berekend hoe vaak volwassenen een portie van vis (wijting, bot, spiering en zeebaars), garnalen, oesters, mosselen of lamsoor (als zeegroente) uit de Westerschelde kunnen eten. Hiervoor is berekend bij hoeveel van deze producten ze niet te veel PFAS binnenkrijgen. Hierbij wordt gekeken naar de gezondheidskundige grenswaarde van PFAS. Onder deze grenswaarde zijn er geen schadelijke effecten op de gezondheid te verwachten. Als mensen langdurig meer PFAS binnenkrijgen dan deze grenswaarde is dat wel mogelijk. De berekeningen laten zien dat volwassenen onbeperkt lamsoor kunnen eten, omdat het weinig PFAS bevat. Een portie zelf gevangen bot uit de Westerschelde kan twee keer per jaar worden gegeten. Voor zeebaars is dat een tot zes keer per jaar en voor spiering twee tot 15 keer. Een portie wijting kan vier tot 19 keer per jaar worden gegeten en een portie garnalen vijf tot zes keer. Oesters en mosselen uit de Westerschelde kunnen beide 7 keer per jaar tot twee keer per week worden gegeten. De spreiding in het aantal keer dat een product kan worden gegeten komt door onzekerheden over lage concentraties PFAS in de producten. De berekeningen zijn voor elk product apart gedaan. Als mensen de producten combineren, kunnen ze er dus minder van eten. Het RIVM heeft in dit onderzoek alleen berekend hoeveel PFAS mensen kunnen binnenkrijgen via de producten uit de Westerschelde. Maar mensen in Nederland krijgen deze stoffen ook via andere voedselproducten en drinkwater binnen, waardoor zij al meer binnenkrijgen dan de gezondheidskundige grenswaarde. Hierdoor is het belangrijk om niet te veel van producten te eten met hoge PFAS-concentraties, zoals vis en schaal- en schelpdieren uit de Westerschelde. De berekening van het RIVM is gebaseerd op producten die in november 2021 zijn gevangen. Bij oesters en mosselen hangen de concentraties af van de plek in de Westerschelde waar ze zijn geraapt. Zo zijn lagere concentraties gemeten in het westelijk deel van de Westerschelde dan in het oostelijk deel.
    • Zicht op de zeedijk. Belevingsonderzoek Zeedijk in Perkpolder

      Zonneveld, M; Claassen, L; Elberse, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-25)
      Sinds 2015 ligt er in Perkpolder (gemeente Hulst, Zeeuw-Vlaanderen) een zeedijk die is opgevuld met thermisch gereinigde grond (TGG). Na de aanleg van de dijk bleken er verontreinigingen in de TGG te zitten. Deze verontreinigingen zijn (deels) in het oppervlakte- en ondiepe grondwater naast de dijk terechtgekomen. Een deel van de bewoners van dit gebied maakt zich zorgen over de gevolgen voor gezondheid en milieu. Het RIVM heeft de beleving, zorgen en behoeften aan communicatie onder bewoners onderzocht in opdracht van Rijkswaterstaat. Ook is onderzocht welke voorkeur mensen hebben voor een oplossing voor het probleem met de dijk. Op basis van de resultaten geeft RIVM adviezen over communicatie over de zeedijk. RIVM heeft voor dit onderzoek gesproken met (vertegenwoordigers van) bewoners, agrariërs, ondernemers en bestuurders. De meesten blijken zich vooral zorgen te maken over langeretermijneffecten op gezondheid en milieu van de vervuilde stoffen in het oppervlakte- en grondwater. Agrariërs maken zich ook zorgen over mogelijke vervuiling van de zoetwaterbel naast de dijk, die ze nodig hebben voor hun bedrijf. Sommige mensen hebben geen zorgen en gaan ervan uit dat het goed wordt opgelost. Veel mensen die zijn geïnterviewd, willen het liefst dat de dijk wordt afgegraven. Afgraven geeft hen de zekerheid dat hun zorgen over langetermijneffecten voor gezondheid en milieu worden weggenomen. Daarnaast verwachten zij dat deze oplossing het meeste draagvlak heeft onder omwonenden. Ook vinden zij dat Rijkswaterstaat de morele plicht heeft om de vervuilde TGG op te ruimen. Negatieve beelden over de zeedijk en de TGG lijken samen te hangen met andere ontwikkelingen in de omgeving. Zo is er onvrede over een plan om de gemeente Hulst aantrekkelijker te maken voor toerisme, nieuwe bewoners en ondernemers (Plan Perkpolder). Ook is het vertrouwen in de gemeente Hulst en Rijkswaterstaat beschadigd omdat bewoners zich niet genoeg betrokken voelen bij dit plan. Ook voelen ze zich niet serieus genomen in hun zorgen over de zeedijk. Tot slot lijkt de vervuiling van PFAS in het gebied bij te dragen aan de negatieve beelden van verschillende geïnterviewden. Om de communicatie te verbeteren is het onder andere belangrijk dat bewoners zich gehoord voelen, heldere en eerlijke informatie krijgen, en dat zaken die mis zijn gegaan worden erkend.
    • Het mijden van huisartsenzorg tijdens de coronapandemie. Inzicht in verminderde huisartsenzorg tijdens de coronapandemie

      Lambooij, MS; Heins, M; Meijer, M; Vader, S; de Jong, J; Janssen, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-23)
      In Nederland gaan mensen gewoonlijk eerst naar de huisarts als ze een vraag hebben over hun gezondheid. In het begin van de coronapandemie stonden er berichten in de media dat mensen niet naar de huisarts durfden. Het RIVM en het Nivel onderzochten hoe vaak dat gebeurde en wat de redenen hiervoor waren. Tussen maart en juni 2020 (de eerste golf) lag het totaal aantal bezoeken aan huisartsen in totaal 11 procent lager dan in dezelfde periode in 2019. Het aandeel huisartsbezoeken naar aanleiding van symptomen die mogelijk duiden op ernstige klachten, zoals kanker of hartziekten, was 21 procent lager. Het aandeel korte consulten was tijdens de eerste golf hoger. Waarschijnlijk gaat het daarbij om telefonische afspraken of mailcontact. Tijdens de zomer en de tweede golf (tussen half september en eind december 2020) was het aantal consulten weer vergelijkbaar met 2019. Het lijkt er dus op dat de gemiste consulten niet na de eerste golf zijn ingehaald. Het kan ook zijn dat een verschuiving heeft plaatsgevonden in type consulten en ze in een andere vorm hebben plaatsgevonden, zoals korte consulten. Het percentage korte consulten lijkt sinds de eerste golf hoger te blijven dan voor de coronapandemie. Overigens was het tijdens de eerste golf voor sommige klachten ook minder vaak nodig om naar de huisarts te gaan. Door de lockdown en de coronamaatregelen waren er bijvoorbeeld minder sportblessures en andere infectieziekten. Mensen meden de zorg om verschillende redenen. Een deel van hen vond zijn klacht niet ernstig genoeg om een afspraak te maken met de huisarts. Een ander deel zei dat hun klacht volgens de assistenten van de huisarts niet ernstig genoeg was voor een bezoek. Ook is de keuze van mensen beïnvloed door berichten in de media over de drukte in de zorg, de angst om daar besmet te raken of een ander te besmetten. Anderen dachten dat het niet mogelijk was om een afspraak met de huisarts te maken.
    • Gezondheidseffecten van de 23 smaakstoffen in vloeistoffen voor e-sigaretten

      Staal, YCM; Zijtveld, D; Huiberts, EHW; Bos, PMJ; Talhout, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-19)
      De overheid wil e-sigaretten minder aantrekkelijk maken, vooral voor jongeren. Aan e-sigaretten worden smaakstoffen toegevoegd om het product aantrekkelijker te maken. Gebruikers houden vooral van zoete smaken en fruitsmaken. Daarom heeft de Nederlandse regering besloten om alleen nog smaakstoffen toe te staan die naar tabak smaken. Het RIVM heeft daarom eerder een voorstel gedaan voor smaakstoffen in vloeistoffen voor e-sigaretten die kunnen worden toegestaan. Deze 23 stoffen zijn bepaald op basis van de smaak van de stof. Als vervolg hierop is nu gekeken of deze smaakstoffen schadelijk zijn voor de gezondheid. Want sinds 2016 mogen in e-sigaretten alleen stoffen worden gebruikt die niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Van 2 van de 23 stoffen is bekend dat ze kankerverwekkend kunnen zijn. Een andere stof kan allergie veroorzaken. Het is niet mogelijk om te bepalen welke hoeveelheid veilig is voor deze stoffen. Van de overige 20 stoffen is geen informatie beschikbaar om specifieke effecten in de luchtwegen te beoordelen, het eerste ‘contact’ van damp met het lichaam. Van sommige stoffen is wel bekend of ze schadelijk kunnen zijn na inslikken. Drie stoffen kunnen gezondheidsrisico’s veroorzaken bij de hoogste concentraties die in vloeistoffen in e-sigaretten zijn gevonden. Een andere stof is irriterend en kan daarom schadelijk zijn voor de longen. Voor de overige 16 stoffen is onvoldoende informatie om risico’s voor de gezondheid via e-sigaretten te beoordelen. Het RIVM adviseert om de 2 kankerverwekkende stoffen en de stof die allergie kan veroorzaken, niet toe te staan. Dat geldt ook voor de 3 stoffen die bij hoge concentraties schadelijk zijn en voor de irriterende stof. Voor de overige 16 stoffen is er niet genoeg informatie om de gezondheidseffecten te beoordelen. Het RIVM stelt daarom twee mogelijkheden voor. Een daarvan is om de stoffen te verbieden omdat onduidelijk is of ze schadelijk zijn. De andere mogelijkheid is om deze stoffen toch te gebruiken in e-liquids zodat dit product beschikbaar blijft om rokers te helpen met roken te stoppen.
    • The Dutch decision tree for the evaluation of the leaching of plant protection products. Revised 2022 version

      Tiktak, A; van den Berg, F; Poot, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-18)
      Gewasbeschermingsmiddelen kunnen in het grondwater terechtkomen (‘uitspoelen’) en daar problemen voor de drinkwaterwinning veroorzaken. Daarom wordt de kans dat een middel uitspoelt beoordeeld voordat een gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten op de Nederlandse markt. Nederland gebruikt sinds 2005 voor deze beoordeling de zogeheten beslisboom uitspoeling. Deze beslisboom is aangepast op basis van de nieuwste inzichten en data. De belangrijkste aanleiding voor de aanpassing van de beslisboom is het inzicht dat de hoeveelheid organische stof in de bodem te hoog was ingeschat. Hierdoor was de berekende concentratie van gewasbeschermingsmiddelen 2 tot 5 keer lager dan volgens de nieuwe inzichten het geval is. Dit is ongewenst omdat hierdoor een gewasbeschermingsmiddel onterecht zou kunnen worden toegelaten. Fabrikanten die een gewasbeschermingsmiddel in Nederland toegelaten willen hebben, moeten daarom de aangepaste beslisboom gebruiken. De beslisboom uitspoeling bestaat uit drie stappen. In de eerste stap voert de aanvrager een eenvoudige maar strenge berekening uit. Als het gebruik van het middel volgens deze stap als veilig wordt beschouwd, kan het middel zonder vervolgstappen worden toegelaten op de Nederlandse markt. Als het gebruik volgens deze stap niet veilig is, is de volgende stap van de beslisboom nodig. In deze tweede stap wordt de uitgespoelde hoeveelheid van het middel preciezer bepaald, namelijk voor de gewassen waarvoor de aanvrager het product wil gebruiken. Mocht de tweede stap ook niet veilig zijn, dan kan de aanvrager in een derde stap met meetgegevens aantonen dat het middel veilig kan worden gebruikt. Als het gebruik ook volgens deze stap niet veilig is, kan het middel niet worden toegelaten op de Nederlandse markt.
    • Chroom-6 en medische implantaten

      de Leeuw, VC; den Braver-Sewradj, SP; Geertsma, RE; Ezendam, J; Beijer, NRM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-18)
      Chroom zit in verschillende medische implantaten van metaal, zoals voor heupen en knieën. Het RIVM heeft daarom onderzocht of mensen met zulke implantaten worden blootgesteld aan chroom-6 en of dat schadelijk is voor hun gezondheid. De huidige wetenschappelijke literatuur geeft geen aanwijzingen dat chroom-6 uit een medisch implantaat in het lichaam tot ernstige gezondheidseffecten leidt. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VWS. Chroom kan in de schadelijke vorm chroom-6 vrijkomen als het implantaat in contact komt met lichaamsvloeistoffen rondom het implantaat. Het meeste chroom-6 wordt meteen omgezet in de minder schadelijke vorm chroom-3. Een klein deel chroom-6 kan in het bloed komen en zo in het lichaam worden verspreid. Met de wetenschappelijke kennis van nu is het niet mogelijk om precies te bepalen hoe groot deze blootstelling is. Wel dat de blootstelling geen ernstige effecten heeft. Enkele onderzoeken vermelden een grotere kans op metaalallergie bij mensen met een implantaat waar chroom in zit. Maar dit komt bijna nooit voor en veroorzaakt geen ernstige klachten. Metaalallergie kan ook door andere metalen in implantaten worden veroorzaakt. Het implantaat zelf kan lokale effecten veroorzaken, zoals irritatie of ontsteking. Deze klachten zijn niet gerelateerd aan chroom-6. Dit onderzoek is gedaan omdat uit eerder onderzoek bleek dat blootstelling aan chroom-6 tijdens het werk schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Dat heeft met verschillende factoren te maken. Bijvoorbeeld of mensen met grote hoeveelheden van de stof in contact komen, hoe vaak en op welke manier (bijvoorbeeld via inademen of inslikken).
    • Rapportage 2021 Nationale Adviesgroep Cabinelucht

      Hendriks, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-17)
      Piloten en personeel in vliegtuigen kunnen gezondheidsklachten hebben, zoals duizeligheid, misselijkheid en desoriëntatie. De vraag is of dat komt omdat zij via de cabinelucht blootgesteld worden aan chemische stoffen. De afgelopen jaren zijn hier verschillende onderzoeken naar gedaan. De oorzaak van de klachten is nog niet duidelijk. Een mogelijkheid is dat het om een kleine groep mensen gaat die door een erfelijke aanleg gevoeliger is voor gezondheidseffecten van bepaalde stoffen. Dit blijkt uit de Rapportage 2021 van de Nationale Adviesgroep Cabinelucht (NAC). De adviesgroep is in 2015 door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) opgericht naar aanleiding van de internationale discussies over de oorzaak van de klachten. Het RIVM voert sinds 2020 het secretariaat. De adviesgroep informeert alle betrokken partijen over internationale onderzoeken naar de kwaliteit van cabinelucht in vliegtuigen. In de rapportage staan de voortgang en resultaten van bijeenkomsten en onderzoeken van de NAC in 2021. Zo wordt gewerkt aan een Europese norm voor de luchtkwaliteit in vliegtuigcabines. Ook is in een Europees onderzoek nagebootst hoe chemische stoffen uit motorolie lekken en in de cabinelucht kunnen komen. De resultaten van dit onderzoek zijn in de zomer van 2021 gepubliceerd. Door dit onderzoek is nu meer bekend over bijvoorbeeld de chemische samenstelling van cabinelucht tijdens de nagebootste lekkage. Maar verder onderzoek is nodig om beter te begrijpen wat zo’n lekkage voor de gezondheid van cabinepersoneel kan betekenen. In 2021 heeft de NAC contact gehad met het Analysebureau luchtvaartvoorvallen (ABL) van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Dit bureau registreert en analyseert meldingen van voorvallen in de Nederlandse burgerluchtvaart. De NAC heeft meegedacht hoe meldingen in relatie tot de kwaliteit van cabinelucht beter in kaart gebracht kunnen worden. In 2022 zal hier verder aan gewerkt worden. In de NAC zitten vertegenwoordigers van werkgevers, zoals KLM en Corendon, werknemersvertegenwoordigers VNV, NVLT, VNC en FNV Cabine en onderzoeksinstituten, waaronder het RIVM, TNO en NLR. Vertegenwoordigers vanuit de ministeries van IenW en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn waarnemend lid.
    • Onvoldoende kennis om gezondheid in Nederland te beschermen tegen klimaatverandering

      van der Ree, J; Betgen, C; Boomsma, C; van Dijk, A; Hall, L; Houweling, D; Limaheluw, J; Rijs, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-17)
      Klimaat en klimaatverandering hebben invloed op onze gezondheid, zowel positief als negatief. Mensen kunnen bijvoorbeeld overlijden tijdens een hittegolf of huidkanker krijgen door blootstelling aan UVstraling. Maar over de invloed van klimaatverandering op onze fysieke en mentale gezondheid is ook nog veel onduidelijk. We ervaren nu al de gevolgen van klimaatverandering en daarom is het belangrijk om meer kennis te krijgen over de gezondheidsrisico’s van klimaatverandering. Het ministerie van VWS heeft daarom het RIVM gevraagd de gezondheidseffecten van klimaatverandering en de samenhang daartussen te onderzoeken. Als eerste stap daarin heeft het RIVM een Plan van Aanpak opgesteld, met een overzicht van de onderzoeksvragen die hierover bestaan. Het gaat om vragen over allergie, mentale gezondheid, infectieziekten, UV-straling en huidkanker, temperatuur en luchtkwaliteit. Deze vragen vormen de basis voor het onderzoeksprogramma van de komende jaren. Het overzicht maakt duidelijk op welke gebieden kennis ontbreekt over klimaatverandering en de gezondheidseffecten. Om een goed zicht te krijgen op gezondheidseffecten van klimaatverandering, is het belangrijk de effecten in samenhang te onderzoeken. Samenhang is belangrijk om effectieve maatregelen te kunnen nemen en te weten welke maatregelen op korte termijn nodig zijn. Zo is het belangrijk te weten of mensen sterven aan hitte, aan te veel ozon, of aan de combinatie van beide tijdens perioden van hitte. Samenhang voorkomt ook dat onderzoeken overlappen of elkaar tegenwerken. Verder is nog veel onbekend over de omvang van gezondheidseffecten die door klimaatverandering kunnen ontstaan of erger worden. Zo is niet bekend hoeveel mensen allergisch zijn voor pollen en hoeveel last ze daarvan hebben, laat staan wat het effect van klimaatverandering daarop is. Het onderzoek gaat vooral over de lichamelijke effecten van klimaatverandering, maar heeft voor het eerst ook aandacht voor mentale effecten. Bijvoorbeeld voor stress door overstromingen, zowel direct na de gebeurtenis als op de lange termijn. Bijvoorbeeld door angst voor herhaling of door financiële zorgen.