Show simple item record

dc.contributor.authorBollen MJS
dc.contributor.authorBekhuis FHWM
dc.contributor.authorReiling R
dc.contributor.authorScheper E
dc.date.accessioned2012-12-12T19:27:32Z
dc.date.available2012-12-12T19:27:32Z
dc.date.issued1995-03-31
dc.identifier711901012
dc.identifier.urihttp://hdl.handle.net/10029/260047
dc.description.abstractIn het kader van het meerjarenprogramma Gebiedsgerichte Integratie wordt de milieuproblematiek in het landelijk gebied geanalyseerd. Deze problematiek is specifiek per "gebied" en wordt bepaald door de mate van belasting, de (a)biotische gevoeligheid en de functie(s). De resultaten die in dit rapport beschreven zijn hebben betrekking op de gevoeligheid van de bodem en het grondwater voor een aantal milieubelastingen en ingrepen. Hierdoor wordt inzicht verkregen in de abiotische aspecten van de regionale draagkracht van het milieu. De resultaten zijn het produkt van de koppeling van de 'best beschikbare ruimtelijke bestanden van relevante bodemkenmerken' aan de 'best beschikbare abiotische effectmodellen' met de meest geschikte techniek (GIS). De abiotische gevoeligheidskaarten van zware metalen, bestrijdingsmiddelen, grondwateronttrekking en ammoniakdepositie worden in dit rapport gepresenteerd. Voor het bepalen van de verschillende aspecten van 'abiotische gevoeligheid' waren in eerste instantie betere ruimtelijke basisgegevens nodig over de bepalende fysisch-chemische kenmerken van de bodem. Belangrijke fysisch-chemische parameters daarbij zijn o.a. organisch-stofgehalte, zuurgraad, textuur. In het kader van het project Gebiedsgerichte Integratie is de vereiste fysisch-chemische karakterisering uitgevoerd door het Staringcentrum-DLO voor de eenheden van de bodemkaarten schaal 1:250.000 en 1:50.000. Samenvattend zijn de zandgronden in het algemeen gevoelig voor uitspoeling van milieubelastende stoffen naar het grondwater, terwijl klei- en veengronden juist gevoelig zijn voor accumulatie van milieubelastende stoffen in de bovengrond. De voorlopige resultaten geven aan dat het veelal mogelijk is om de abiotische gevoeligheid ('regionale draagkracht') kwantitatief of semi-kwantitatief uit te drukken en met een zeker ruimtelijk detail te presenteren. Kanttekeningen daarbij zijn: - dat de resultaten slechts op nationale schaal toepasbaar zijn ; - dat de 'modellen' die gebruikt zijn om de abiotische gevoeligheid uit te drukken weliswaar kwantitatief zijn, maar conceptueel sterk divergeren, zodat de resulaten onderling niet vergelijkbaar zijn ; - dat de gevoeligheidskaarten slechts 'momentopnamen' vertegenwoordigen, omdat er geen rekening is gehouden met de dynamiek (buffers!) van sommige bodemparameters (zuurgraad, organische stof). Voor enkele vormen van milieubelasting (ammoniak en enkele bestrijdingsmiddelen) is bij wijze van illustratie een koppeling gemaakt tussen de abiotische gevoeligheidsgegevens met de belastingsgegevens. Hierdoor onstaat een eerste beeld van de ruimtelijke ligging van potentiele probleemgebieden voor wat betreft de grondwaterkwaliteit.
dc.description.abstractFor the project "spatial integration", the problems of the environment at the country side are analyzed. These problems are specific for every area and are determined by the pollution, the sensitivity and the functions of an area. Regional environmental quality can be described as the extent to which functions of the environment can be sustained. This is determined by three factors: the amount of environmental pollution, the abiotic sensitivity to environmental stresses and the vulnerability of the functions in that area. Abiotic sensitivity and vulnerability of functions together determine the carrying capacity of the area. The geographic approach explicitly takes into account the systematic regional differences in abiotic sensitivity and the vulnerability of regional functions like groundwater supply and nature. It will be clear that in some cases the environment of a specific region needs special attention. At the moment, national standards are given for pollution which are believed not to threaten the environment or the function. These standards may not be sufficient to protect all the regions. This can be explained by two reasons: - regions may be relatively sensitive for pollution (abiotic sensitivity) ; - the function of a region may be sensitive for pollution. This report deals with the methods to describe the sensitivity of the groundwater and top soil for pollution. This is done by combining existing models with spatial data using a Geographic Information System (GIS). The spatial input data needed are for example a physical-chemical description of the soil, the landuse and the amount of pollution. The summarized conclusions are that the sandy soils are sensitive for leaching of pollution to the groundwater. Clay- and peat soils are sensitive for accumulation of pollution in the topsoil. The results show that it is possible to quantify the abiotic sensitivity with a certain spatial detail. However, the result are only valid on national scales. To determine where problems may occur, a link has to be made between the vulnerability and the load. This is illustrated for ammonia-deposition and pesticides. This results in an image wich shows the areas were a problem may arise, namely the areas with a high pollution which are vulnerable for that pollution.
dc.description.sponsorshipDGM/B
dc.format.extent69 p
dc.language.isonl
dc.relation.ispartofRIVM Rapport 711901012
dc.relation.urlhttp://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/711901012.html
dc.subject04nl
dc.subjectgevoeligheiden
dc.subjectbodemen
dc.subjectgrondwateren
dc.subjectgebiedsgerichte integratieen
dc.subjectzware metalenen
dc.subjectbestrijdingsmiddelenen
dc.subjectammoniak-depositieen
dc.subjectgrondwaterontrekking; gisen
dc.titleNaar een ruimtelijk beeld van de gevoeligheid van bodem en grondwater. Deel 1: De gevoeligheid voor belasting met zware metalen, bestrijdingsmiddelen, grondwateronttrekking en ammoniak-depositienl
dc.title.alternativeTo a spatial view of the vulnerability of the soil and groundwater. Part 1: the vulnerability for loading with heavy metals, pesticides, groundwater discharge and ammonia-depositionen
dc.typeReport
dc.contributor.departmentLBG
dc.date.updated2012-12-12T19:27:33Z
html.description.abstractIn het kader van het meerjarenprogramma Gebiedsgerichte Integratie wordt de milieuproblematiek in het landelijk gebied geanalyseerd. Deze problematiek is specifiek per "gebied" en wordt bepaald door de mate van belasting, de (a)biotische gevoeligheid en de functie(s). De resultaten die in dit rapport beschreven zijn hebben betrekking op de gevoeligheid van de bodem en het grondwater voor een aantal milieubelastingen en ingrepen. Hierdoor wordt inzicht verkregen in de abiotische aspecten van de regionale draagkracht van het milieu. De resultaten zijn het produkt van de koppeling van de 'best beschikbare ruimtelijke bestanden van relevante bodemkenmerken' aan de 'best beschikbare abiotische effectmodellen' met de meest geschikte techniek (GIS). De abiotische gevoeligheidskaarten van zware metalen, bestrijdingsmiddelen, grondwateronttrekking en ammoniakdepositie worden in dit rapport gepresenteerd. Voor het bepalen van de verschillende aspecten van 'abiotische gevoeligheid' waren in eerste instantie betere ruimtelijke basisgegevens nodig over de bepalende fysisch-chemische kenmerken van de bodem. Belangrijke fysisch-chemische parameters daarbij zijn o.a. organisch-stofgehalte, zuurgraad, textuur. In het kader van het project Gebiedsgerichte Integratie is de vereiste fysisch-chemische karakterisering uitgevoerd door het Staringcentrum-DLO voor de eenheden van de bodemkaarten schaal 1:250.000 en 1:50.000. Samenvattend zijn de zandgronden in het algemeen gevoelig voor uitspoeling van milieubelastende stoffen naar het grondwater, terwijl klei- en veengronden juist gevoelig zijn voor accumulatie van milieubelastende stoffen in de bovengrond. De voorlopige resultaten geven aan dat het veelal mogelijk is om de abiotische gevoeligheid ('regionale draagkracht') kwantitatief of semi-kwantitatief uit te drukken en met een zeker ruimtelijk detail te presenteren. Kanttekeningen daarbij zijn: - dat de resultaten slechts op nationale schaal toepasbaar zijn ; - dat de 'modellen' die gebruikt zijn om de abiotische gevoeligheid uit te drukken weliswaar kwantitatief zijn, maar conceptueel sterk divergeren, zodat de resulaten onderling niet vergelijkbaar zijn ; - dat de gevoeligheidskaarten slechts 'momentopnamen' vertegenwoordigen, omdat er geen rekening is gehouden met de dynamiek (buffers!) van sommige bodemparameters (zuurgraad, organische stof). Voor enkele vormen van milieubelasting (ammoniak en enkele bestrijdingsmiddelen) is bij wijze van illustratie een koppeling gemaakt tussen de abiotische gevoeligheidsgegevens met de belastingsgegevens. Hierdoor onstaat een eerste beeld van de ruimtelijke ligging van potentiele probleemgebieden voor wat betreft de grondwaterkwaliteit.
html.description.abstractFor the project "spatial integration", the problems of the environment at the country side are analyzed. These problems are specific for every area and are determined by the pollution, the sensitivity and the functions of an area. Regional environmental quality can be described as the extent to which functions of the environment can be sustained. This is determined by three factors: the amount of environmental pollution, the abiotic sensitivity to environmental stresses and the vulnerability of the functions in that area. Abiotic sensitivity and vulnerability of functions together determine the carrying capacity of the area. The geographic approach explicitly takes into account the systematic regional differences in abiotic sensitivity and the vulnerability of regional functions like groundwater supply and nature. It will be clear that in some cases the environment of a specific region needs special attention. At the moment, national standards are given for pollution which are believed not to threaten the environment or the function. These standards may not be sufficient to protect all the regions. This can be explained by two reasons: - regions may be relatively sensitive for pollution (abiotic sensitivity) ; - the function of a region may be sensitive for pollution. This report deals with the methods to describe the sensitivity of the groundwater and top soil for pollution. This is done by combining existing models with spatial data using a Geographic Information System (GIS). The spatial input data needed are for example a physical-chemical description of the soil, the landuse and the amount of pollution. The summarized conclusions are that the sandy soils are sensitive for leaching of pollution to the groundwater. Clay- and peat soils are sensitive for accumulation of pollution in the topsoil. The results show that it is possible to quantify the abiotic sensitivity with a certain spatial detail. However, the result are only valid on national scales. To determine where problems may occur, a link has to be made between the vulnerability and the load. This is illustrated for ammonia-deposition and pesticides. This results in an image wich shows the areas were a problem may arise, namely the areas with a high pollution which are vulnerable for that pollution.


This item appears in the following Collection(s)

Show simple item record