Show simple item record

dc.contributor.authorBerns MPH
dc.contributor.authorSnijders BM
dc.contributor.authorRozendaal CM van
dc.contributor.authorSchat Y
dc.contributor.authorHouweling H
dc.contributor.authorLaar MJW van de
dc.date.accessioned2012-12-12T19:44:17Z
dc.date.available2012-12-12T19:44:17Z
dc.date.issued1999-05-31
dc.identifier441100008
dc.identifier.urihttp://hdl.handle.net/10029/260197
dc.description.abstractIn deze studie wordt de prevalentie van infectie met HIV vastgesteld en inzicht gekregen in het risicogedrag van injecterende druggebruikers(IDs) in Arnhem. Er wordt nagegaan of er belangrijke verschillen zijn ten opzichte van eerdere metingen in 1995 en 1991/1992. Er worden subgroepen IDs onderscheiden met een verhoogd risico op HIV-infectie. Het risico wordt ingeschat op verdere verspreiding van HIV naar andere IDs, niet-injecterende druggebruikers en de rest van de algemene bevolking. Tussen 6 oktober en 22 november 1997 werd bij 130 IDs uit Arnhem een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (84%), een laagdrempelig dagcentrum voor druggebruikers (12%), een voorziening voor prostituees (2%) en via straatwerving (2%). Van de 127 IDs was een deelnemer HIV-positief (prevalentie 0.8%,95% betrouwbaarheidsinterval [BI] 0,0 - 4,3%). Deze prevalentie was niet significant verschillend van de metingen in 1995 (2,2%, 95% BI 0,6 - 5,5%) en 1991/1992 (2,2%, 95% BI 0,4-6,3%). Van de 81 actuele spuiters had 15% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend, een forse daling in vergelijking met de 39% en 42% in de metingen van 1995, respectievelijk 1991/1992. Zestien procent had een spuit of naald uitgeleend, eveneens een daling in vergelijking met 1995 (30%) en 1991/1992 (36%). Spuitattributen (gebruikt watje, lepel, filter of spoelwater) werd door 51% gedeeld. Deelnemers zonder een vast adres waren een risicogroep voor het lenen van spuiten van anderen. Zesendertig procent van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 57% hiervan was dat geen druggebruiker, bij 17% een niet- injecterende druggebruiker. In 96% van de vaste relaties werd niet altijd een condoom gebruikt (1995: 89%, 1991/1992 92%). Met losse partners en met klanten worden condooms meer gebruikt maar niet meer dan in 1995 en 1991/1992. Concluderend is de prevalentie van HIV onder IDs in Arnhem 1%, vergelijkbaar met het niveau in de metingen van 1995 en 1991/1992. Het lenen en uitlenen van gebruikte spuiten/naalden is in vergelijking met de vorige metingen aanzienlijk gedaald. Het niveau van seksueel gerelateerd risicogedrag is daarentegen gelijk gebleven. Door de lage prevalentie is het risico op verspreiding van HIV naar niet-IDs of de rest van de algemene bevolking laag.
dc.description.abstractIn this study the prevalence of HIV among injecting drug users (IDU) in Arnhem (the Netherlands) is assessed. The results are compared with previous surveys in Arnhem in 1995 and 1991/1992. The risk of further spread among IDU, to non-IDU and to the general population is evaluated. Between October 6 and November 22 1997 a saliva specimen and a questionnaire on risk behaviour were obtained from 130 IDU in Arnhem. Participation was on a voluntary basis and anonymous. Participants were recruited through methadon care (84%), a low-treshold daytime care project (12%), a street prostitution project (2%) and from the street (2%). Of 127 IDU, only one person was infected (prevalence 0.8%, 95% confidence interval [CI] 0.0-4.3). The seroprevalence was not significantly different from the previous survey in 1995 (2.2%, 95% CI 0.6-5.5) and 1991/1992 (2.2%, 95% CI) 15% of the current IDU borrowed used syringes or needles in the last 6 months, which is much lower compared with 1995 (39%) and 1991/1992 (42%) this percentage seems to be similar in the other cities in our surveillance studies. Condom use was very low during sexual contact between steady partners 21% of the IDU have a non-drug user as steady sexual partner. In conclusion the prevalence of HIV among IDU in Arnhem in the Netherlands is O.8% and has not changed compared with surveys in 1995 and 1991/1992. Injecting risk behaviour occurs at a much lower level then in the previous surveys. Sexual risk behaviour occurs regurlarly and at a same level. The risk of further spread among IDU is low. At this level of HIV prevalence, the risk of spread to non-IDU or the general population is low.
dc.description.sponsorshipIGZ RIVM
dc.format.extent35 p
dc.language.isonl
dc.publisherGemeentelijke Gezondheidsdienst Arnhem
dc.relation.ispartofRIVM rapport 441100008
dc.relation.urlhttp://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/441100008.html
dc.subject02nl
dc.subjectaidsnl
dc.subjecthivnl
dc.subjectepidemiologienl
dc.subjectdruggebruiknl
dc.titleSurveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in nederland:meting Arnhem 1997nl
dc.title.alternativeHIV-surveillance among injecting drug users in Arnhem 1997en
dc.typeReport
dc.contributor.departmentCIE
dc.contributor.departmentGGD Arnhem
dc.date.updated2012-12-12T19:44:17Z
html.description.abstractIn deze studie wordt de prevalentie van infectie met HIV vastgesteld en inzicht gekregen in het risicogedrag van injecterende druggebruikers(IDs) in Arnhem. Er wordt nagegaan of er belangrijke verschillen zijn ten opzichte van eerdere metingen in 1995 en 1991/1992. Er worden subgroepen IDs onderscheiden met een verhoogd risico op HIV-infectie. Het risico wordt ingeschat op verdere verspreiding van HIV naar andere IDs, niet-injecterende druggebruikers en de rest van de algemene bevolking. Tussen 6 oktober en 22 november 1997 werd bij 130 IDs uit Arnhem een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (84%), een laagdrempelig dagcentrum voor druggebruikers (12%), een voorziening voor prostituees (2%) en via straatwerving (2%). Van de 127 IDs was een deelnemer HIV-positief (prevalentie 0.8%,95% betrouwbaarheidsinterval [BI] 0,0 - 4,3%). Deze prevalentie was niet significant verschillend van de metingen in 1995 (2,2%, 95% BI 0,6 - 5,5%) en 1991/1992 (2,2%, 95% BI 0,4-6,3%). Van de 81 actuele spuiters had 15% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend, een forse daling in vergelijking met de 39% en 42% in de metingen van 1995, respectievelijk 1991/1992. Zestien procent had een spuit of naald uitgeleend, eveneens een daling in vergelijking met 1995 (30%) en 1991/1992 (36%). Spuitattributen (gebruikt watje, lepel, filter of spoelwater) werd door 51% gedeeld. Deelnemers zonder een vast adres waren een risicogroep voor het lenen van spuiten van anderen. Zesendertig procent van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 57% hiervan was dat geen druggebruiker, bij 17% een niet- injecterende druggebruiker. In 96% van de vaste relaties werd niet altijd een condoom gebruikt (1995: 89%, 1991/1992 92%). Met losse partners en met klanten worden condooms meer gebruikt maar niet meer dan in 1995 en 1991/1992. Concluderend is de prevalentie van HIV onder IDs in Arnhem 1%, vergelijkbaar met het niveau in de metingen van 1995 en 1991/1992. Het lenen en uitlenen van gebruikte spuiten/naalden is in vergelijking met de vorige metingen aanzienlijk gedaald. Het niveau van seksueel gerelateerd risicogedrag is daarentegen gelijk gebleven. Door de lage prevalentie is het risico op verspreiding van HIV naar niet-IDs of de rest van de algemene bevolking laag.
html.description.abstractIn this study the prevalence of HIV among injecting drug users (IDU) in Arnhem (the Netherlands) is assessed. The results are compared with previous surveys in Arnhem in 1995 and 1991/1992. The risk of further spread among IDU, to non-IDU and to the general population is evaluated. Between October 6 and November 22 1997 a saliva specimen and a questionnaire on risk behaviour were obtained from 130 IDU in Arnhem. Participation was on a voluntary basis and anonymous. Participants were recruited through methadon care (84%), a low-treshold daytime care project (12%), a street prostitution project (2%) and from the street (2%). Of 127 IDU, only one person was infected (prevalence 0.8%, 95% confidence interval [CI] 0.0-4.3). The seroprevalence was not significantly different from the previous survey in 1995 (2.2%, 95% CI 0.6-5.5) and 1991/1992 (2.2%, 95% CI) 15% of the current IDU borrowed used syringes or needles in the last 6 months, which is much lower compared with 1995 (39%) and 1991/1992 (42%) this percentage seems to be similar in the other cities in our surveillance studies. Condom use was very low during sexual contact between steady partners 21% of the IDU have a non-drug user as steady sexual partner. In conclusion the prevalence of HIV among IDU in Arnhem in the Netherlands is O.8% and has not changed compared with surveys in 1995 and 1991/1992. Injecting risk behaviour occurs at a much lower level then in the previous surveys. Sexual risk behaviour occurs regurlarly and at a same level. The risk of further spread among IDU is low. At this level of HIV prevalence, the risk of spread to non-IDU or the general population is low.


This item appears in the following Collection(s)

Show simple item record