Show simple item record

dc.contributor.authorDirven EM
dc.contributor.authorvan Vlaardingen PLA
dc.contributor.authorPeijnenburg WJGM
dc.contributor.authorSijm DTHM
dc.contributor.authorPosthuma L
dc.date.accessioned2017-02-20T07:02:24
dc.date.issued2003-03-27
dc.identifier607220007
dc.description.abstractIn de loop van de tijd zijn er diverse punten van kritiek naar voren gebracht over de wijze waarop ecotoxicologische risicogrenzen voor essentiele metalen worden afgeleid. De kritiek heeft geleid tot het opstellen van een conceptueel kader waarmee de risicobeoordeling voor essentiele metalen zou moeten worden verbeterd. Dit kader bestaat uit zes stappen en een van de stappen betreft de keuze van karakteristieke organismen voor een aantal vooraf vastgestelde milieutypen. In het in dit rapport beschreven pilot-onderzoek is nagegaan of de in ecotoxiciteitstoetsen gebruikte toetssoorten voor koper en zink relevant zijn voor de Nederlandse bodemtypen. Een belangrijke overweging die hierbij een rol speelde, was of de betreffende soort in het desbetreffende bodemtype daadwerkelijk voorkomt, danwel voor zou kunnen komen. Indien dit het geval is, worden de gegevens uit die toetsen bruikbaar geacht voor risicobeoordelingen voor het desbetreffende bodemtype. Het pilot-onderzoek werd uitgevoerd voor de worm Allolobophora caliginosa en de springstaart Folsomia candida, door interpretatie van gegevens uit drie bronnen: biogeografische bronnen, algemene ecologische bronnen (overzichts-werken) en kwantitatieve ecologische datasets. Uit het pilot-onderzoek wordt duidelijk dat de hier gekozen benaderingswijze erg arbeidsintensief is. Pas indien op basis van algemene ecologische literatuur over een soortgroep geen uitspraak gedaan kan worden over de overlap tussen de habitat-eisen van de bestudeerde soorten (potentieel voorkomen) en de Nederlandse bodemtypen, dienen gedetailleerde gegevens te worden aangeboord. Het toevoegen van ecologische relevantie als extra criterium voor normstelling betekent dat met een kleinere dataset voor risicobeoordelingen kan worden volstaan. De toxicologische uitkomsten zijn ecologisch relevanter. De kleinere dataset leidt echter tot een lagere statistische betrouwbaarheid van de uitkomsten. In het licht van de trapsgewijze aanpak die bij de risicobeoordeling gevolgd wordt (zowel generieke normstelling als locatiespecifieke beoordelingen spelen een rol) wordt voorgesteld om allereerst de fundamentele vraag te beantwoorden of de ecologische relevantie van toetssoorten in principe voor alle stoffen geadresseerd moet worden. Daarnaast wordt aanbevolen om selectiecriteria omtrent 'ecologische relevantie' te formuleren die aansluiten bij het aspect generiek/specifiek van de beoogde risicobeoordeling.<br>
dc.description.abstractSerious questioning of the current methodologies for deriving environmental quality criteria for essential metals has led to the preparation of a six-step framework to improve the current risk assessment practices for essential metals. One of the six steps deals with 'ecological relevance' as an additional criterion for assessing whether toxicity data for specific species are of relevance in setting soil-type specific standards. This pilot-study investigated whether the introduction of this criterion would be feasible from a pragmatic point of view. Reviews on ecological data, specific bio-geographic sources and quantitative ecological data sets were screened to ascertain the ecological preferences of the earthworm Allolobophora caliginosa and the springtail Folsomia candida. Screening was done on the basis of general soil properties and natural background levels of Cu and Zn. Subsequently, the ecological preferences were compared to the properties and natural background levels of eight previously defined characteristic Dutch soil types. The approach taken in this study was concluded as being labour intensive. A pragmatic interim solution for determining a criterion for 'ecological relevance' of a test species might be found then in the use of general ecological literature on a species group. A smaller toxicity data set suffices when ecological relevance is added as an extra criterion for standard-setting. However, this could result in larger statistical uncertainties. A modified procedure for assessing the ecological relevance of test species in combination with a tiered approach for interpreting a toxicity data set is therefore proposed to solve the main problems identified.<br>
dc.description.sponsorshipDGM
dc.formatapplication/pdf
dc.format.extent67 p
dc.format.extent843 kb
dc.language.isonl
dc.publisherRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM
dc.relation.ispartofRIVM rapport 607220007
dc.relation.urlhttp://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/607220007.html
dc.relation.urlhttp://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/607220007.pdf
dc.subject04nl
dc.subjectecosystemennl
dc.subjectmetalennl
dc.subjecttoxiciteitnl
dc.subjecttoetsingnl
dc.subjectnormennl
dc.subjectorganismennl
dc.subjectecosystemsen
dc.subjectmetalsen
dc.subjecttoxicityen
dc.subjectassessingen
dc.subjectstandardsen
dc.subjectorganismsen
dc.titlePilotstudie naar toetsing van ecologische relevantie van soorten voor normstellingnl
dc.title.alternativePilot study for assessing the ecological relevance of biotic species used in ecotoxicity testen
dc.typeOnderzoeksrapport
dc.contributor.departmentLER
dc.contributor.departmentSEC
dc.date.updated2017-02-20T06:02:24Z
html.description.abstractIn de loop van de tijd zijn er diverse punten van kritiek naar voren gebracht over de wijze waarop ecotoxicologische risicogrenzen voor essentiele metalen worden afgeleid. De kritiek heeft geleid tot het opstellen van een conceptueel kader waarmee de risicobeoordeling voor essentiele metalen zou moeten worden verbeterd. Dit kader bestaat uit zes stappen en een van de stappen betreft de keuze van karakteristieke organismen voor een aantal vooraf vastgestelde milieutypen. In het in dit rapport beschreven pilot-onderzoek is nagegaan of de in ecotoxiciteitstoetsen gebruikte toetssoorten voor koper en zink relevant zijn voor de Nederlandse bodemtypen. Een belangrijke overweging die hierbij een rol speelde, was of de betreffende soort in het desbetreffende bodemtype daadwerkelijk voorkomt, danwel voor zou kunnen komen. Indien dit het geval is, worden de gegevens uit die toetsen bruikbaar geacht voor risicobeoordelingen voor het desbetreffende bodemtype. Het pilot-onderzoek werd uitgevoerd voor de worm Allolobophora caliginosa en de springstaart Folsomia candida, door interpretatie van gegevens uit drie bronnen: biogeografische bronnen, algemene ecologische bronnen (overzichts-werken) en kwantitatieve ecologische datasets. Uit het pilot-onderzoek wordt duidelijk dat de hier gekozen benaderingswijze erg arbeidsintensief is. Pas indien op basis van algemene ecologische literatuur over een soortgroep geen uitspraak gedaan kan worden over de overlap tussen de habitat-eisen van de bestudeerde soorten (potentieel voorkomen) en de Nederlandse bodemtypen, dienen gedetailleerde gegevens te worden aangeboord. Het toevoegen van ecologische relevantie als extra criterium voor normstelling betekent dat met een kleinere dataset voor risicobeoordelingen kan worden volstaan. De toxicologische uitkomsten zijn ecologisch relevanter. De kleinere dataset leidt echter tot een lagere statistische betrouwbaarheid van de uitkomsten. In het licht van de trapsgewijze aanpak die bij de risicobeoordeling gevolgd wordt (zowel generieke normstelling als locatiespecifieke beoordelingen spelen een rol) wordt voorgesteld om allereerst de fundamentele vraag te beantwoorden of de ecologische relevantie van toetssoorten in principe voor alle stoffen geadresseerd moet worden. Daarnaast wordt aanbevolen om selectiecriteria omtrent &apos;ecologische relevantie&apos; te formuleren die aansluiten bij het aspect generiek/specifiek van de beoogde risicobeoordeling.&lt;br&gt;
html.description.abstractSerious questioning of the current methodologies for deriving environmental quality criteria for essential metals has led to the preparation of a six-step framework to improve the current risk assessment practices for essential metals. One of the six steps deals with &apos;ecological relevance&apos; as an additional criterion for assessing whether toxicity data for specific species are of relevance in setting soil-type specific standards. This pilot-study investigated whether the introduction of this criterion would be feasible from a pragmatic point of view. Reviews on ecological data, specific bio-geographic sources and quantitative ecological data sets were screened to ascertain the ecological preferences of the earthworm Allolobophora caliginosa and the springtail Folsomia candida. Screening was done on the basis of general soil properties and natural background levels of Cu and Zn. Subsequently, the ecological preferences were compared to the properties and natural background levels of eight previously defined characteristic Dutch soil types. The approach taken in this study was concluded as being labour intensive. A pragmatic interim solution for determining a criterion for &apos;ecological relevance&apos; of a test species might be found then in the use of general ecological literature on a species group. A smaller toxicity data set suffices when ecological relevance is added as an extra criterion for standard-setting. However, this could result in larger statistical uncertainties. A modified procedure for assessing the ecological relevance of test species in combination with a tiered approach for interpreting a toxicity data set is therefore proposed to solve the main problems identified.&lt;br&gt;


This item appears in the following Collection(s)

Show simple item record