Recent Submissions

  • Signalen leefomgeving en omgevingsveiligheid 2024

    Mesman, M; Brandes, LJ; Overbeek, BA; Ng-A-Tham, JEE; van Overveld, AJP; Vros, AC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-07-09)
    Het RIVM verzamelt doorlopend gegevens om risico's voor een gezonde, schone en veilige leefomgeving vroegtijdig te signaleren. We doen dit voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en andere departementen. De veelheid en diversiteit aan signalen maken het niet eenvoudig om hier rode draden uit te halen. Met deze rapportage geeft het RIVM een samenhangend beeld van de aandachtspunten voor de leefomgeving en omgevingsveiligheid voor IenW(Infrastructuur en Waterstaat). Dit kan helpen om mogelijke risico’s voor mens en milieu proactief te voorkomen of te verminderen. Dit overzicht is gebaseerd op bestaande signaleringsnetwerken, rapportages en lopende onderzoeken en biedt bouwstenen voor de onderzoeksprogrammering voor de komende jaren. Het wordt gebruikt in de bestaande gesprekscyclus met het ministerie
  • Essure®-sterilisatieveertjes. Een literatuuronderzoek

    van Baal, J; van der Maaden, T; Vermeij, J; de Vries, J; van der Bel, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-07-04)
    Essure® is een implantaat om vrouwen te steriliseren. Kleine metalen veertjes worden in de eileiders gezet, waardoor ze dichtgroeien. Sommige vrouwen met Essure® melden gezondheidsklachten. Bijvoorbeeld pijn, vermoeidheid, hevige bloedingen en geheugenverlies. Soms zijn de klachten zo ernstig dat de gynaecoloog het implantaat verwijdert. In Nederland hebben sinds 2002 naar schatting 30.000 vrouwen dit implantaat gekregen. Sinds juli 2017 wordt Essure® niet meer in Nederland verkocht. Het RIVM onderzocht of metalen die uit Essure® kunnen vrijkomen mogelijk schadelijk zijn voor de gezondheid. Gekeken is wat hierover in de wetenschappelijk literatuur bekend is en zijn experts en interne deskundigen bevraagd. Het is onwaarschijnlijk dat deze metalen schadelijk zijn voor de gezondheid, concludeert het RIVM. Veel implantaten, zoals heupimplantaten en stents, zijn net als Essure® gemaakt van metalen. Als metaal in het lichaam wordt gebracht, is het normaal dat daar metaaldeeltjes uitkomen. Doordat Essure® een klein implantaat is, gaat het om kleine hoeveelheden metalen. Verder blijkt dat er weinig wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan. De literatuur die er is, wijst er niet op dat deze metalen schadelijke effecten voor de gezondheid kunnen hebben. Grotere studies met een goede studieopzet zijn nodig om een verband tussen metalen uit Essure® en deze gezondheidsklachten echt uit te sluiten. Het RIVM heeft ook gekeken naar de mogelijkheden om Essure® te verwijderen en of daarmee de klachten verminderen. De klachten blijken in dezelfde mate te verminderen bij de verschillende operatietechnieken om Essure® te verwijderen. Volgens experts is er daarom geen reden om de behandeling in Nederland aan te passen. In Nederland worden bij voorkeur beide eileiders met de Essure®-implantaten weggehaald. Dat is naar schatting bij ruim 4000 vrouwen in Nederland gedaan. Dit onderzoek is in opdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uitgevoerd.
  • Risk assessment of herbal preparations containing seed extracts of Mucana pruriens

    de Heer, JA; Buijtenhuijs, D; de Wit-Bos, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-07-04)
    In Nederland worden kruidenpreparaten (voedingssupplementen) met extract van zaden van Mucuna pruriens verkocht. Deze kruidenpreparaten zijn vooral online verkrijgbaar. Volgens fabrikanten kan Mucuna pruriens het immuunsysteem ondersteunen en ervoor zorgen dat mensen meer energie hebben. Het RIVM onderzocht of kruidenpreparaten met extract van zaden van Mucuna pruriens schadelijk zijn voor de gezondheid. Er is over M. pruriens heel weinig openbare wetenschappelijke informatie beschikbaar. Daarom is het niet mogelijk te bepalen wat een veilige dosis van dit extract is. Wel zijn er aanwijzingen dat het extract negatieve effecten heeft op de lever, nieren en de ontwikkeling van het ongeboren kind. Daarom adviseert het RIVM uit voorzorg om deze kruidenpreparaten niet te gebruiken tijdens de zwangerschap en borstvoeding, of bij lever- of nierproblemen. In andere gevallen is het advies er voorzichtig mee te zijn. Het RIVM adviseert daarbij goed in de gaten te houden of er bijwerkingen optreden en met het product te stoppen als dat gebeurt. Áls mensen ervoor kiezen kruidenpreparaten met Mucuna pruriens te gebruiken, moeten ze de aanwijzingen op de verpakking volgen. En het gebruik met hun arts of apotheker bespreken wanneer ze medicijnen slikken. Ook is bekend dat een van de stoffen in Mucuna pruriens (levodopa) de werkzame stof is in medicijnen voor de behandeling van de ziekte van Parkinson. De hoeveelheid levodopa die iemand via deze kruidenpreparaten binnenkrijgt is vergelijkbaar met of hoger dan de hoeveelheid voor mensen met Parkinson die het medicijn beginnen te slikken. De bijwerkingen bij dit medicijn, zoals maagdarmklachten, ongewilde bewegingen (dyskinesie) en psychische klachten, kunnen ook optreden bij gebruikers van het kruidenpreparaat.
  • De risico's van PFAS (inclusief F-gassen) emissies - samenvatting van de onderbouwing van het REACH restrictievoorstel

    van Herwijnen, R; Janssen, N; de Kort, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-07-04)
    Veel per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) zijn schadelijk voor mens en milieu en kunnen door de industrie worden uitgestoten. Vijf Europese landen, waaronder Nederland, hebben in 2023 een voorstel ingediend om Europees de productie, handel en het gebruik van deze stoffen zoveel mogelijk te beperken. Dit heet het PFAS restrictiedossier voor de Europese stoffenwetgeving REACH. Hiervoor is onder andere een technisch wetenschappelijke beoordeling gemaakt van de risico’s van deze stoffen voor mens en milieu. De risicobeoordeling is in het Engels geschreven. Het RIVM heeft daar nu een Nederlandse samenvatting van gemaakt. Dit is gedaan om de verzamelde kennis in het restrictiedossier beter toegankelijk te maken, bijvoorbeeld voor vergunningverlening. Het voorstel richt zich op de hele groep van PFAS om te voorkomen dat de ene PFAS door een andere wordt vervangen. Onder deze groep vallen ook een aantal gefluoreerde gassen die bijdragen aan klimaatverandering: F-gassen. Dit document vat onder andere de gevaarlijke eigenschappen van PFAS samen, evenals de schadelijke effecten als mens en milieu blootstaan aan deze stoffen. Een belangrijke eigenschap van PFAS is dat ze niet of nauwelijks afbreken in mens en milieu (persistent). Verder kunnen de stoffen schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens: ze kunnen onder andere invloed hebben op de hormoonhuishouding, het immuunsysteem en op verschillende organen, zoals de lever. Het restrictievoorstel geeft ook genoeg wetenschappelijke informatie om de PFAS als één groep te beschouwen. Dat betekent dat niet voor elke PFAS een aparte risicobeoordeling nodig is. De wetenschappelijke informatie in het voorstel maakt volgens de vijf landen het belang duidelijk om ervoor te zorgen dat de blootstelling aan PFAS niet groter wordt. Want met elke uitstoot groeit de hoeveelheid PFAS in het milieu, wat uiteindelijk zorgt voor onomkeerbare schade voor mens en milieu.
  • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2022

    Buijs, S; Blokland, PW; Vrijhoef, A; Brussée, TJ; van Duijnen, R; GJ Doornewaard; CHG Daatselaar (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-07-03)
    Sinds 2006 mogen bepaalde agrarische bedrijven in Nederland meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor een vergunning hebben en aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals minimaal 80 procent grasland hebben. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de invloed van de waterkwaliteit bij driehonderd bedrijven die van derogatie gebruikmaken. Op de derogatiebedrijven daalde de concentratie nitraat in het grondwater tussen 2006 en 2017. In de jaren daarna steeg de concentratie, vooral in de Zandregio. Deze stijging komt waarschijnlijk door de droge jaren van 2018 tot en met 2020. Door droogte wordt er minder nitraat in de bodem afgebroken, waardoor de nitraatconcentratie in het grondwater stijgt. Sinds 2021 daalde de nitraatconcentratie weer in alle regio’s en deze daling zet door in 2022, waarschijnlijk door een aantal nattere jaren. In 2023 lag in de meeste regio's de gemiddelde concentratie nitraat in het bovenste grondwater op derogatiebedrijven onder de norm van 50 milligram per liter grondwater. Alleen in het zuiden en midden van de Zandregio was de concentratie nitraat gemiddeld genomen even hoog als de norm. In deze regio had 47 procent van de derogatiebedrijven een concentratie boven de norm. Door veranderingen in het mestbeleid en de bedrijfsvoering gebruiken boeren minder stikstof uit dierlijke mest. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor gemiddeld gedaald, vooral tussen 2006 en 2017. Dit betekent dat er minder stikstof in de bodem overblijft dat als nitraat met regenwater kan wegzakken naar diepere lagen in de bodem, en uiteindelijk in het grondwater terechtkomt. Vanaf 2018 tot 2022 schommelde het stikstofbodemoverschot. In 2022 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 228 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Dat is minder dan de 230 of 250 kilogram stikstof per hectare die, afhankelijk van de bodemsoort en regio, is toegestaan. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). In september 2022 heeft de Europese Commissie besloten de derogatie voor Nederland stapsgewijs af te bouwen. Vanaf 2026 zal Nederland geen derogatie meer hebben.
  • Minerals Policy Monitoring Programme report 2019–2022. Methods and procedures

    Negash, A; van Leeuwen, TC; Hoogeveen, MW; Oltmer, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-07-03)
    RIVM issues a report every four years, on the methods and procedures used in the Minerals Policy Monitoring programme (LMM). The results of the LMM provide the government with insight into the impact of the Minerals policy on farm management practices and water quality, amongst others. As such, the LMM is crucial for evaluating Dutch and European policies on the use of fertilisers (specifically nitrate and phosphate). This report describes the methods used between 2019 and 2022. The LMM also monitors the effects of derogation on water quality, farm management practices and crop yields. Derogation entails that the Netherlands is allowed to apply more nitrogen from animal manure than is allowed by the European Nitrates Directive, under specific conditions. Countries with derogation are required to submit an annual report on the effects of applying an increased amount of nitrogen from animal manure. Since 2023, steps have been taken to gradually phase out derogation, with complete cessation scheduled for 2026. In the period between 2019 and 2022, the LMM underwent some minor changes. The most notable change was the exclusion of farms recruited into the Derogation monitoring network from two research programmes. Additionally, since 2020, water samples have been analysed by a different laboratory. Wageningen Economic Research and RIVM cooperate to collect information on farm management practices and water quality on Dutch farms. Wageningen Economic Research collects financial, economic and environmental data from more than 600 farms, while RIVM measures the quality of groundwater, soil moisture, ditch water and/or drainage water on approximately 450 of these farms. The participating farms are spread across the four Dutch soil regions (Sand, Clay, Peat, Loess) and four farm types (arable, dairy, intensive livestock and other). Together they represent roughly 85 per cent of the agricultural area of these regions.
  • Gezondheidsvaardigheden in een pandemie. Uitdagingen en strategieën voor organisatie en beleid

    Fransen, M; Gorter, A; Jansen, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-28)
    Tijdens de coronapandemie informeerde de Nederlandse overheid inwoners over maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Voorbeelden zijn een mondkapje dragen, je laten vaccineren, afstand houden en handen wassen. Deze informatie was voor iedereen hetzelfde (one size fits all) en werd aangeboden via informatiebronnen van de overheid. Denk aan persconferenties en de website van het RIVM. Om deze informatie te vinden, te begrijpen, te beoordelen en te gebruiken voor het nemen van beslissingen, hebben mensen zogeheten gezondheidsvaardigheden nodig. In Nederland heeft 25 tot 30 procent van de inwoners daar moeite mee. Het RIVM onderzocht daarom hoe overheidsbeleid en de communicatie erover beter kunnen worden afgestemd op gezondheidsvaardigheden. Ook is in kaart gebracht hoe deze vaardigheden kunnen worden verbeterd. Het is belangrijk dat beleidsmakers weten dat een one size fits all-beleid niet iedereen bereikt. Door meer in gesprek te gaan met inwoners kan beleid beter aansluiten bij veel verschillende doelgroepen. Ook is het belangrijk inwoners bij de ontwikkeling van de communicatie over beleid te betrekken omdat deze interactief, persoonlijk en respectvol moet zijn. Ook moet informatie via kanalen worden gegeven die mensen gebruiken en vertrouwen. Ook zonder pandemie is het belangrijk om met de opgebouwde netwerken en tussenpersonen te blijven samenwerken. Bijvoorbeeld over andere onderwerpen zoals leefstijl. Bij een nieuwe gezondheidscrisis kunnen deze contacten dan makkelijker worden ingezet. Om meer grip te krijgen op het leven tijdens een pandemie helpt het als mensen betere gezondheidsvaardigheden hebben. Een manier hiervoor is mensen te leren herkennen wat betrouwbare informatie is. Daardoor zullen zij beter weten wanneer ze te maken hebben met misinformatie. Om gezondheidsvaardigheden blijvend te verbeteren, zou dit een vast onderdeel moeten zijn in het (basis)onderwijs en op het werk. Dit onderzoek is gedaan om beter voorbereid te zijn op een eventuele volgende pandemie. Het RIVM heeft professionals geïnterviewd die het beleid voor de coronapandemie hebben helpen ontwikkelen en uitvoeren. In de literatuur is gezocht naar onderzoeken over gezondheidsvaardigheden, gedragsmaatregelen en misinformatie.
  • Gedragswetenschappelijke analyse van de persconferenties tijdens de coronapandemie

    Stok, M; Bussemakers, C; Gootjes, F; Solovei, A; Stappers, N; Kroese, F; de Bruin, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-28)
    Tijdens de coronacrisis waren persconferenties een belangrijk middel voor de overheid om het publiek te informeren. De overheid kondigde er maatregelen en adviezen over gedrag in aan, zoals afstand nemen, thuiswerken en de sluiting van de scholen. Ook legde ze daarin uit wanneer maatregelen werden afgeschaft. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt welke technieken uit de sociale wetenschappen tijdens persconferenties zijn gebruikt. Daarbij hebben onderzoekers gekeken naar communicatietechnieken die kunnen helpen om draagvlak te creëren voor het coronabeleid en het gewenste gedrag te ondersteunen. Op basis hiervan stelt het RIVM voor om bij een volgende gezondheidscrisis meer te benoemen wanneer en hoe de mening van burgers is meegewogen bij bepaalde beslissingen. Bij de introductie van nieuwe maatregelen, die nieuw of ander gedrag van mensen vragen, is het altijd belangrijk om duidelijk te maken wat mensen moeten doen, waarom en hoe. Dit gebeurde tijdens de persconferenties niet altijd. Verder is het belangrijk om ook voor andere zaken dan gezondheid aandacht te hebben als een crisis invloed heeft op verschillende aspecten van het leven. Denk aan de economie en het maatschappelijk welzijn. Andere communicatietechnieken die kunnen helpen om draagvlak voor beleid te ondersteunen zijn vaak ingezet. Bijvoorbeeld uitleggen met welke informatie een besluit is genomen, of welke dilemma’s er waren. Ook zijn verschillende gedragsveranderingstechnieken ingezet om nieuw gedrag te ondersteunen. Bijvoorbeeld door te benoemen wat de gevolgen zijn als het gedrag wordt uitgevoerd (‘minder besmettingen’), of door steun en waardering uit te spreken voor het naleven van de maatregelen. Het overzicht van helpende communicatietechnieken kan gebruikt worden voor toekomstige persconferenties. De technieken kunnen ook worden ingezet voor andere communicatiemiddelen.
  • Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2023

    Kayaert, L; Sarink, D; Visser, M; Willemstein, IJM; Alexiou, ZW; van Bergen, I; Kusters, JMA; Op de Coul, ELM; de Vries, A; van Wees, DA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-27)
    In 2023 heeft 4 procent meer mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) dan in 2022. Het percentage dat een soa had (21 procent) was hetzelfde als in 2022. Mensen die via een partner een melding ontvingen voor een soa of zelf klachten hadden, hadden het vaakst een soa. Het RIVM beschrijft in dit overzicht de ontwikkelingen van soa in Nederland, waaronder het aantal testen en diagnoses per soa bij de CSG's. In 2023 waren er in totaal 172.113 consulten. Bij CSG's kunnen mensen met een grotere kans op soa, zich gratis laten testen. Sinds augustus 2019 bieden deze centra ook zorg aan mannen die seks hebben met mannen (MSM) die een geneesmiddel krijgen dat hiv voorkomt (Pre-Expositie Profylaxe, PrEP). Dit is een pilot van vijf jaar, waarin PrEP-gebruikers elke drie maanden worden getest op soa (MSM-PrEP). Chlamydia In 2023 waren er 24.048 chlamydia-diagnoses, iets minder dan in 2022 (24.684). Het percentage vrouwen met chlamydia daalde van 17,9 procent in 2022 naar 16,8 procent in 2023. Het percentage heteroseksuele mannen met chlamydia daalde van 21,2 procent in 2022 naar 19,6 procent in 2023. De percentages MSM en MSM-PrEP met chlamydia daalden naar respectievelijk 10,2 en 9,1 procent in 2023 (respectievelijk 10,9 en 9,4 procent in 2022). Gonorroe Het aantal diagnoses gonorroe (13.853) was veel hoger dan in 2022 (10.600), een stijging van 31 procent. De percentages vrouwen en heteroseksuele mannen met gonorroe zijn in 2023 toegenomen naar respectievelijk 4,1 en 3,5 procent (dat waren respectievelijk 2,3 en 2,4 procent in 2022). Dit is het hoogste percentage onder vrouwen en heteroseksuele mannen sinds 2014. De toename begon in de tweede helft van 2022 en zette heel 2023 door. Het percentage onder MSM steeg van naar 14,1 procent in 2023 (12,8 procent in 2022). Onder MSM-PrEP steeg het percentage van 9,8 procent in 2022 naar 11,7 procent in 2023. Er is geen antibioticaresistentie tegen het huidige 'eerste keus' antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Syfilis Ook waren er in 2023 meer syfilis-diagnoses (1.693) dan in 2022 (1.574). Het percentage MSM met syfilis was 2,3 procent in 2023, hetzelfde als in 2022. Onder MSM-PrEP was dit percentage 1,8 procent in 2023, een lichte stijging in vergelijking met 1,7 procent in 2022. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef in 2023 laag: respectievelijk 38 en 43. Hiv In 2023 kregen 141 personen een hiv-diagnose, iets minder dan in 2022 (144). Hiervan waren 122 diagnoses bij MSM (87 procent). Het aantal mensen met hiv dat in 2023 voor het eerst naar een hiv-behandelcentra kwam ('in zorg') was 987; ongeveer evenveel als in 2022 (997). PrEP In de PrEP-pilot hebben 13.715 personen (96 procent MSM) een eerste PrEP-consult gehad, van wie 1.521 in 2023. Op 31 december 2023 deden ongeveer 8.496 mee aan deze pilot.
  • Fairplay4Food. A first step towards a weighing system for the effects of different protein sources on health, environment and society

    de Jonge, R; van Rossum, C; Hollander, A; Toxopeus, I; Temme, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-27)
    In Nederland bestaat voldoende aanbod van gezond en veilig voedsel. Hoewel ons voedsel in het algemeen veilig is, draagt ons huidige eetpatroon bij aan een aantal chronische ziekten, zoals hart- en vaatziekten en overgewicht. Ook het milieu ondervindt problemen. De productie van al ons voedsel, met name van dierlijke producten, gaat gepaard met de productie van broeikasgassen, land-, water- en fosfaatgebruik, verontreiniging van bodem en oppervlaktewater met nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, en met de productie van veel mest en afval. De Nederlands overheid heeft als doel gesteld om in Nederland minder producten van dierlijke oorsprong en meer van plantaardige oorsprong te consumeren en produceren. Met het minder produceren en consumeren van dierlijke producten als vlees, eieren en zuivel, zou een belangrijke bijdrage geleverd kunnen worden aan het verminderen van een aantal ziekten en van de zojuist genoemde milieuproblemen. Maar zo'n verandering heeft meer gevolgen, bijvoorbeeld voor de koopkracht van consumenten en voor de handelsbalans van Nederland. We verdienen bijvoorbeeld veel geld aan de export van dierlijke producten. Aan de andere kant genieten we misschien wel meer van onze omgeving als er stallen verdwijnen en als de stankoverlast minder wordt. Maar hoe kun je het gedrag van consumenten veranderen, hoe kun je ze minder vlees, zuivel of eieren laten kopen? En wat gebeurt er als we in Nederland stoppen met het eten en produceren van bijvoorbeeld varkens? In Fairplay4Food (Fp4F) beschrijven we de ontwikkeling van een methode waarmee we de effecten van een aantal scenario's (waarin we minder dierlijke producten kopen, eten en/of produceren) kunnen vergelijken. Verschillende experts op het gebied van gezondheid, milieu en economie is gevraagd om de gevolgen van die scenario's te beoordelen. Wat zijn de gevolgen voor onze gezondheid, voor ons milieu, voor onze economie als we in Nederland geen varkens meer produceren en/of eten? Ten slotte hebben we met deze methode verschillende (virtuele) beleidsmakers het optimale scenario laten selecteren. En wat blijkt? Hoe je er ook naar kijkt, als vertegenwoordiger van het Ministerie van VWS, van Milieu of van Economische zaken: minder vlees produceren en minder vlees consumeren is gunstig voor de volksgezondheid, gunstig voor het milieu én gunstig voor de economie: Minder vlees? Een afgewogen keuze! Dit afwegingskader kan dus erg nuttig zijn in discussies over complexe onderwerpen als de eiwittransitie.
  • Monitoringsrapportage Doelbereik Schone Lucht Akkoord. Tweede voortgangsmeting

    Ruyssenaars, PG; Couvreur, A; Hoekstra, J; Jacobs, J; Lammerts-Huitema, M; Swart, WJR; de Vries, W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-27)
    De Nederlandse overheid wil de luchtkwaliteit verbeteren omdat minder luchtvervuiling beter is voor de gezondheid. Ze heeft hiervoor in 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) gesloten met inmiddels meer dan 100 gemeenten en alle provincies. Afgesproken is om in 2030 50 procent minder gezondheidseffecten te hebben van luchtvervuiling door Nederlandse bronnen dan in 2016. De SLA-partners hebben begin 2023 hun jaarlijkse plannen ingeleverd waarin staat hoe zij de uitstoot van stikstofoxiden en fijnstof in Nederland gaan verminderen. Het RIVM heeft berekend dat de gezondheidseffecten als gevolg van luchtvervuiling in 2030 met 46 procent afnemen ten opzichte van 2016. Voorwaarde daarvoor is dat deze plannen volledig worden uitgevoerd. Als ook de effecten van maatregelen tegen klimaatverandering en stikstofneerslag worden meegerekend is een gezondheidswinst van 50 procent haalbaar. Een gezondheidswinst van 50% betekent dat mensen in Nederland gemiddeld per persoon 2,5-3,5 maanden langer leven. De SLA-partners willen ook dat de luchtkwaliteit gaat voldoen aan de WHO(World Health Organization)-advieswaarden uit 2005 voor fijnstof en stikstofdioxide. Deze advieswaarden zijn strenger dan de normen die nu in Nederland gelden. De Europese Unie gebruikt deze advieswaarden om de wettelijke normen voor fijnstof en stikstofdioxide Europees aan te scherpen. Deze normen zullen naar verwachting gaan gelden vanaf 2030. RIVM berekeningen laten nu zien dat deze advieswaarden in 2030 bijna overal in Nederland kunnen worden gehaald als de plannen voor het SLA worden uitgevoerd. In een paar gebieden zullen extra maatregelen nodig zijn om in 2030 aan de nieuwe EU(Europese Unie)-wetgeving te voldoen. Dit blijkt uit de tweede voortgangsmeting van het RIVM. Hierin staat alle informatie om te kunnen berekenen of de doelen van het SLA worden gehaald. Bijvoorbeeld hoeveel de uitstoot en de concentraties van stikstof(di)oxiden en fijnstof dalen bij verschillende pakketten van maatregelen. Adviesbureau TAUW heeft berekend hoeveel de uitstoot daarbij daalt. Met deze resultaten heeft het RIVM de gezondheidseffecten berekend.
  • Herziening criteria Stookwijzer. Afleiden Criteria Stookwijzer op basis van overlastmeldingen

    S Teeuwisse; A Woutersen; G de Boer (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-27)
    De Stookwijzer uit 2017 informeert inwoners van Nederland wanneer ze wel of niet houtvuur kunnen stoken. Het instrument geeft voor elke postcode per uur een advies (code geel, oranje of rood). De criteria voor de adviezen zijn met de kennis van toen bepaald op basis van de windsnelheid en luchtkwaliteit. Het RIVM adviseert het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW(Infrastructuur en Waterstaat)) nu de criteria van de Stookwijzer te herzien. Met de nieuwe criteria kan de overlast door houtrook minder worden wanneer mensen zich bij code rood aan het advies houden om niet te stoken. De nieuwe criteria zijn onderbouwd met informatie van ruim 5.000 meldingen van overlast door houtrook tussen 2020 en 2022. Het aantal overlastmeldingen bleek sterk samen te hangen met de windsnelheid. Hoe lager de windsnelheid, hoe meer meldingen. Dan wordt houtrook namelijk minder verdund. De Beaufort-schaal voor windkracht is bij de bevolking bekender dan de windsnelheid in meter per seconde. Daarom adviseert het RIVM om bij een windkracht van 2 Beaufort of minder geen hout te stoken (code rood). Boven een windkracht van 2 Beaufort kijkt de nieuwe Stookwijzer ook naar de luchtkwaliteit. Voorgesteld wordt dit criterium te richten op de concentratie fijnstof PM2,5(fijnstof) in de lucht, de fijnstofdeeltjes kleiner dan 2,5 micrometer. Houtstook draagt namelijk veel bij aan de concentratie PM2,5 in de lucht. Tot slot adviseert het RIVM om een stookadvies te geven voor tijdblokken van 6 uur en niet meer per uur. Door het advies al te geven vóórdat het volgende blok van 6 uur begint, weten mensen al vroeg waar ze aan toe zijn. Op basis van de voorgestelde criteria zal vaker een code geel en een code rood worden gegeven. Code oranje zal met de nieuwe criteria veel minder voorkomen dan nu. Deze code wordt dan alleen nog maar gegeven bij een matige luchtkwaliteit door PM2,5. Dat komt niet vaak voor. Code geel geeft aan: ‘Let op: stoken zorgt voor overlast en luchtverontreiniging’. Oranje betekent ‘Het is beter geen hout te stoken’, en rood houdt in: ‘Stook geen hout’.
  • Bereikbaarheidsanalyse SEH’s en acute verloskunde 2024. Analyse gevoelige ziekenhuizen

    Hulshof, T; Brukx, S; Reckman, P; Kemper, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-25)
    Het RIVM analyseert in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)) periodiek het aanbod en de bereikbaarheid van de spoedeisende zorg in Nederland. Deze analyse omvat onder andere de spreiding en bereikbaarheid van de Spoedeisende Hulp afdelingen (SEH(Spoedeisende Hulp)’s) en acute verloskundige zorg afdelingen van de Nederlandse ziekenhuizen.
  • Rapportage 2023. Nationale Adviesgroep Cabinelucht

    Hendriks, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-24)
    Piloten en cabinepersoneel in vliegtuigen kunnen gezondheidsklachten hebben, zoals duizeligheid, misselijkheid, desoriëntatie en trillende ledematen. Ondanks veel onderzoek is de oorzaak van de klachten nog steeds niet duidelijk. Naar aanleiding van de internationale discussie hierover heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) in 2015 de Nationale Adviesgroep Cabinelucht (NAC) opgericht. De adviesgroep adviseert de minister van IenW over dit onderwerp. Ook informeert de NAC alle betrokken partijen over internationale onderzoeken naar de kwaliteit van cabinelucht in vliegtuigen. De NAC rapporteert elk jaar de voortgang en resultaten van bijeenkomsten en onderzoeken. In augustus 2023 heeft de NAC zijn eerste adviesnotitie aan de minister aangeboden. Hierin staan concrete adviezen om cabine-, cockpit- en technisch personeel te trainen om vreemde geuren te kunnen herkennen en waar ze dat kunnen melden. Naar aanleiding van de notitie heeft IenW actie ondernomen. Zo werkt het ministerie aan de eisen voor deze training en de inhoud. Ook wordt gezocht naar een manier om fume events beter te registreren om meer zicht te krijgen in de aard en omvang ervan. Bij een fume event lekken chemische stoffen uit motorolie de cabine in. Verder onderzoekt een werkgroep de mogelijkheden om een medisch protocol op te zetten voor vliegend personeel dat klachten blijft houden. Als eerste stap is onder andere verkend hoe zo'n protocol kan worden opgezet en wie daarvoor nodig is. Er blijken criteria nodig te zijn om een diagnose te kunnen stellen, wat medisch gezien moeilijk is. In 2024 wordt hier verder aan gewerkt. Voor een kennissessie voor NAC-leden hebben twee onderzoekers hun publicaties toegelicht. Dit leverde concrete punten op waar de NAC mee aan de slag is gegaan. Onder andere wordt uitgezocht of erfelijke factoren of persoonlijke omstandigheden invloed hebben op het ontstaan van aanhoudende klachten. In de NAC zitten vertegenwoordigers van werkgevers: KLM en Corendon, werknemersvertegenwoordigers: VNV, NVLT, VNC en FNV Cabine en onderzoeksinstituten: het RIVM, en NLR. Vertegenwoordigers vanuit de ministeries van IenW en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn waarnemend lid. Het RIVM voert sinds 2020 het secretariaat.
  • Seksuele gezondheid in Nederland monitoren. Een verkenning van relevante onderwerpen en huidige metingen

    Harbers, M; Brouwer-Prusak, A; Verweij, A; Savelkoul, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-24)
    De Tweede Kamer pleit voor een brede en positieve benadering van seksuele gezondheid in Nederland. Een onderdeel daarvan is seksuele gezondheid vollediger en structureler in beeld te brengen. Dat betekent dat de focus niet alleen moet liggen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's) en hiv. De benadering van seksuele gezondheid moet ook aansluiten bij maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de aandacht voor grensoverschrijdend gedrag en genderidentiteit. Het RIVM heeft daarom verkend welke onderwerpen van seksuele gezondheid wel en niet al worden gemonitord in Nederland. Uitgangspunt hierbij was de brede definitie van seksuele gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Om deze definitie concreter te maken, heeft het RIVM deskundigen gevraagd welke onderwerpen relevant zijn om seksuele gezondheid breed in beeld te brengen. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen onderwerpen op fysiek, emotioneel en sociaal gebied. Over de meeste onderwerpen is informatie beschikbaar in de huidige metingen van seksuele gezondheid in Nederland. Informatie die nog ontbreekt gaat bijvoorbeeld over een gevoel van veiligheid en zekerheid op seksueel gebied, een positief beeld over de eigen seksuele oriëntatie / genderidentiteit en seksueel zelfvertrouwen. Het RIVM beveelt aan om met deskundigen tot een definitieve set van onderwerpen te komen om seksuele gezondheid in Nederland volledig in beeld te hebben en te volgen. Deze deskundigen kunnen aangeven welke metingen we daarvoor moeten gebruiken, hoe vaak en bij wie. Door de deskundigen nu alvast te betrekken, heeft het RIVM een eerste stap gezet naar een breed gedragen set van onderwerpen met metingen van seksuele gezondheid. De huidige informatie over seksuele gezondheid is verspreid over verschillende organisaties en databronnen. Het RIVM beveelt daarom aan de informatie op hoofdpunten op één plek te bundelen in een 'Monitor Seksuele Gezondheid'.
  • Uitvoeringstoets Vaccinatiestelsel

    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-21
    Het ministerie van VWS wil het aanbod aan vaccinaties voor volwassenen makkelijker en duidelijker aanbieden. Dan kunnen volwassenen beter van het hele aanbod gebruikmaken. Het is dan bijvoorbeeld mogelijk om de griep- en de coronaprik tegelijk te halen. Ook wil VWS nieuwe vaccinaties in de toekomst makkelijker, toegankelijker en sneller kunnen toevoegen. Het RIVM heeft daarom verkend of het mogelijk is in Nederland alle vaccinaties voor volwassenen bij de GGD'en te organiseren. Dit houdt in dat er één organisatie is die alle vaccinaties voor volwassenen aanbiedt. Dat blijkt te kunnen. Het RIVM zou dan de landelijke regie over deze 'vaccinatievoorziening' hebben en de 25 GGD'en voeren de vaccinaties in hun regio uit. De voorziening zal in fases worden opgezet, omdat niet alle vaccinaties voor volwassenen tegelijk kunnen worden opgenomen. Een aantal voorwaarden zijn belangrijk om deze vaccinatievoorziening mogelijk te maken. Zo moet deze goed worden voorbereid, moeten de gegevens goed worden geregistreerd en gedeeld met het RIVM, en moet er structureel geld voor zijn. Dit blijkt uit een verkenning van het RIVM, in samenwerking met GGD GHOR Nederland en de 25 GGD'en. Nu bieden verschillende instanties deze vaccinaties aan, zoals de GGD en de (huis)artsen. Al deze partijen selecteren de doelgroep op een andere manier. Dat geldt ook voor de manier waarop de doelgroep wordt uitgenodigd en de vaccinaties worden geregistreerd. In deze zogeheten uitvoeringstoets beschrijft het RIVM op hoofdlijnen hoe zo'n vaccinatievoorziening eruit kan komen te zien. Deze beschrijving bevat de stappen om daartoe te komen, van besluitvorming en advies tot nazorg en toezicht. Het is een eerste onderzoek en geen plan om het uit te voeren. Zo'n plan wordt pas opgesteld nadat VWS een definitief besluit heeft genomen over het toekomstige vaccinatiestelsel. De vaccinaties voor kinderen vallen buiten deze verkenning. Deze zijn goed georganiseerd in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP).
  • Adviesrapport: vernieuwde set Kernindicatoren Sport en Bewegen

    Duijvestijn, M; van Mourik-Boelema, MS; van der Vegt, AJ; Wendel-Vos, GCW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-21)
    In 2014 heeft de toenmalige minister van VWS 20 kernindicatoren benoemd om de ontwikkelingen van sport en bewegen op lange termijn te volgen. Deze kernindicatoren geven inzicht in de meest relevante cijfers over het sport- en beweeggedrag in Nederland en alles wat daarbij komt kijken. Denk aan sportfaciliteiten, werkgelegenheid in de sport, en een leefomgeving die uitnodigt om te bewegen. De 20 kernindicatoren zijn geëvalueerd en aangepast om de ontwikkelingen op het gebied van sport en bewegen nu en in de toekomst beter te kunnen volgen. Het advies is om 25 kernindicatoren te gaan gebruiken: 18 van de 20 kernindicatoren blijven bestaan, 7 nieuwe zijn toegevoegd, 1 is geschrapt en 1 is samengevoegd met een bestaande kernindicator. Daarnaast is het advies om voor twee kernindicatoren een andere databron te gebruiken of de definitie te veranderen. Voor de meeste kernindicatoren zijn cijfers direct beschikbaar. Voor 7 kernindicatoren zijn die er nog niet. Daarvoor is het nodig om data te gaan verzamelen of een meetinstrument of rekenmethode te ontwikkelen. Het RIVM geeft dit advies vanuit het Netwerk Kernindicatoren Sport en Bewegen. In dit Netwerk zitten CBS, VeiligheidNL, NOC*NSF, het Mulier Instituut, Kenniscentrum Sport & Bewegen en het RIVM. Zij hebben samen bepaald welke kernindicatoren nog relevant zijn en behouden kunnen blijven, welke moeten worden aangepast en welke ontbraken. Ook beleidsmedewerkers van het ministerie van VWS, onderzoekers en medewerkers uit het werkveld van sport en bewegen zijn hierbij nauw betrokken geweest. Hierdoor is er veel draagvlak voor de vernieuwde set kernindicatoren. Het actuele overzicht van de kernindicatoren en de kengetallen die daarbij horen, is gepubliceerd op www.sportenbewegenincijfers.nl. Het netwerk blijft de kernindicatoren regelmatig meten, zodat ze door de jaren heen te vergelijken zijn en de kwaliteit hoog blijft.
  • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland. Verslagjaar 2024

    van Lier, EA; Hament, JM; Knijff, M; Westra, M; Giesbers, H; Drijfhout, IH; van Winsen, D; van Vliet, JA; de Melker, HE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-20)
    In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen dertien besmettelijke ziekten die ernstig kunnen verlopen. Het RIVM beschrijft elk jaar het percentage kinderen dat is gevaccineerd (vaccinatiegraad). Ook beschrijft het RIVM de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Vaccinatiegraad Het lijkt erop dat de vaccinatiegraad bij zuigelingen en kleuters hetzelfde is als het jaar ervoor. Voor BMR (bof, mazelen, rodehond) en meningokokkenziekte ACWY is deze misschien zelfs iets hoger geworden. Bij oudere leeftijdsgroepen (vanaf 9 jaar) lijkt de vaccinatiegraad voor de meeste vaccinaties verder te zijn gedaald. De veranderingen in de vaccinatiegraad zijn zo goed als mogelijk ingeschat. Hierbij is rekening gehouden met anonieme vaccinaties. Sinds 2022 ontvangt het RIVM een deel van de vaccinaties anoniem. Hierdoor weet het RIVM niet meer precies hoe hoog de vaccinatiegraad is. Het is namelijk niet mogelijk om anonieme vaccinaties mee te tellen. Dat komt doordat de informatie die nodig is om de vaccinatiegraad te bepalen dan niet bekend is. Bijvoorbeeld in welk jaar het gevaccineerde kind is geboren. De geregistreerde vaccinatiegraad is daarom lager dan de werkelijke vaccinatiegraad. Ontwikkelingen 2023 Besmettelijke ziekten kwamen door de maatregelen tijdens de coronacrisis minder vaak voor, ook de ziekten waartegen vanuit het RVP wordt gevaccineerd. In 2023 zijn er weer meer mensen die bof, meningokokkenziekte of kinkhoest kregen dan tijdens de pandemie. Nieuw is dat de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) vanaf griepseizoen 2023/2024 ook de griepvaccinatie voor zwangeren zonder medische indicatie uitvoert. Verder kregen de nog niet (volledig) gevaccineerde jongeren tot en met 26 jaar de kans om zich nog tegen HPV te laten vaccineren. Een peiling van het RIVM in 2023 liet opnieuw zien dat de meeste ouders positief denken over vaccineren. Dat jaar waren iets minder ouders van kinderen van 9 tot en met 14 jaar positief over vaccineren dan in 2022. Bij ouders van kinderen die jonger zijn dan 3,5 jaar was dat niet te zien.
  • Grootschalige concentratiekaarten Nederland. Rapportage 2024

    Mijnen-Visser, S; de Jongh, LA; Hazelhorst, SB; Hoogerbrugge, R; Soenario, I; Stolwijk, GJC; de Vries, WJ; Wichink Kruit, RJ; Zuidberg, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-17)
    Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor verschillende stoffen in de lucht, waaronder stikstofdioxide en fijnstof. Het RIVM gebruikt zowel modelberekeningen als metingen om deze GCN-kaarten te maken. Zo komen de concentraties het best overeen met de werkelijke situatie in het afgelopen jaar. De luchtkwaliteit was in 2023 beter dan in 2022. De veranderingen komen vooral door de weersomstandigheden. Omdat het meer regende dan in afgelopen jaren, kwamen meer luchtverontreinigende stoffen met de regen op de grond terecht. Daarnaast waaide het harder, waardoor de stoffen zich meer door de lucht verspreiden. De gemiddelde concentraties stikstofdioxide in de lucht waren in 2023 lager (ruim 23 procent) dan in 2022. Ook de gemiddelde concentraties fijnstof waren in 2023 lager dan in 2022. De concentratie van de deeltjesgrootte PM10 daalde ten opzichte van 2022 met bijna 13 procent en die van PM2,5 met bijna 15 procent. In elk onderzoek kijken we hoe zeker we zijn van onze berekeningen. In dit onderzoek zijn er ook onzekerheden in de berekenende concentraties. De onzekerheden zijn voor het Nederlands gemiddelde ongeveer 10 procent. Dat betekent dat de berekende waarde zeer waarschijnlijk niet meer dan 10 procent afwijkt van de hoeveelheid stoffen die er in de lucht zit. Op specifieke locaties zijn de onzekerheden in de concentraties groter. Slechte luchtkwaliteit is schadelijk voor de gezondheid. De GCN-kaarten worden gebruikt om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland te volgen. Overheden gebruiken de toekomstverwachtingen om beleid te maken voor een betere luchtkwaliteit. Dit keer maakte het RIVM geen nieuwe kaarten van de verwachte concentraties voor de jaren tot en met 2040. Deze worden voortaan om het jaar gemaakt. Dat past bij de Klimaat- en Energieverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving, die de verwachte effecten van het Nederlandse klimaat- en energiebeleid op de luchtkwaliteit beschrijft. De kaarten die vorig jaar over de toekomst zijn gemaakt, gelden nog steeds. De gegevens over de stikstofdepositie (de GDNkaarten) publiceert het RIVM sinds 2023 niet meer samen met de GCNkaarten.
  • Schadelijkheid stoffen tankwassingen

    Faber, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-06-17)
    Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft RIVM gevraagd om onderzoek te doen naar de schadelijkheid van vloeibare chemicaliën die over zee getransporteerd mogen worden. Op basis van de analyse zijn tientallen van deze vloeibare chemicaliën geclassificeerd als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS). ZZS zijn stoffen die gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Bij een incorrecte voorwas of bij wassingen op zee kunnen deze stoffen in het mariene milieu terechtkomen.

View more