Recent Submissions

  • Gewasbeschermingsmiddelen met mogelijke neurodegeneratieve effecten: een analyse van werkzame stoffen op basis van de chemische structuur

    E de Jong; S Zhao; G Wolterink (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-10-06)
    Gewasbeschermingsmiddelen beschermen planten tegen organismen waar ze ziek van kunnen worden zoals schimmels en insecten. Om er voor te zorgen dat deze middelen veilig zijn voor mens, dier en milieu worden ze uitgebreid getest. Er zijn aanwijzingen dat mensen die in het verleden lang met sommige gewasbeschermingsmiddelen hebben gewerkt, zoals telers, een grotere kans hebben om ziekten te krijgen die het zenuwstelsel aantasten (neurodegeneratieve ziekten). Voorbeelden daarvan zijn de ziekte van Parkinson en Alzheimer. Uit eerder onderzoek van het RIVM bleek dat er voor vijf stoffen sterke aanwijzingen zijn dat ze neurodegeneratieve ziekten kunnen veroorzaken. Deze stoffen mogen niet meer in de Europese Unie worden gebruikt. Ook bleek dat de vereiste informatie voor de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen moet worden verbeterd om mogelijke gevolgen als de ziekte van Parkinson te kunnen onderzoeken. Er wordt nu onderzocht hoe de risicobeoordeling verder kan worden verbeterd. Vooruitlopend hierop heeft het RIVM gekeken of er op dit moment stoffen worden gebruikt die lijken op deze vijf verboden stoffen. Stoffen met een vergelijkbare chemische structuur kunnen soortgelijke effecten veroorzaken. Als dat zo is, dan zouden maatregelen wenselijk zijn om de eventuele risico’s voor telers te verkleinen. Hier blijkt weinig informatie over te zijn. Maar in de beschikbare informatie heeft het RIVM één stof gevonden (metiram) waarvan op basis van de structuur wordt verwacht dat deze neurodegeneratief kan zijn. Deze stof wordt in Nederland heel weinig gebruikt en naar verwachting niet opnieuw goedgekeurd tijdens de nu lopende Europese herbeoordeling. In afwachting van deze herbeoordeling is er volgens het RIVM nu geen reden om extra maatregelen te nemen.
  • Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2021

    Friesema, IHM; Slegers-Fitz-James, IA; Wit, B; Boxman, ILA; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-10-04)
    Mensen kunnen ziek worden van voedsel. Als twee of meer mensen tegelijk ziek worden na het eten van hetzelfde voedsel, wordt dat een uitbraak door een voedselgerelateerde ziekteverwekker genoemd. In 2021 zijn 838 uitbraken met 3.517 zieken gemeld. Dit zijn er duidelijk meer dan in 2020 (559 uitbraken met 1.907 zieken), en ook meer dan in 2018 en 2019 (735-756 uitbraken met 2.805-3.058 zieken). Het norovirus, Salmonella en Campylobacter veroorzaakten in 2021 nog steeds de meeste gemelde uitbraken en ziekte. Wel was dat voor norovirus voor het tweede jaar achter elkaar veel minder vaak dan in de jaren ervoor. De cijfers komen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit)) en de GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)’en. Zij registreren en onderzoeken voedselgerelateerde infecties en vergiftigingen. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld te achterhalen waar mensen besmet zijn geraakt en door welke ziekteverwekker. De NVWA onderzoekt de plaats waar het voedsel is bereid of verkocht of waar het voedsel vandaan komt. Zij laat bij Wageningen Food Safety Research ( WFSR (Wageningen Foodsafety Research )) onderzoeken of daar ziekteverwekkers in zitten. De GGD richt zich op de personen die mogelijk via voedsel een infectie hebben opgelopen en probeert via hen te achterhalen waardoor ze zijn besmet. Het doel van deze werkwijze is meer zieken te voorkomen door het product uit de handel te halen, of maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen. Het RIVM voegt de meldingen van de twee instanties samen en analyseert ze als één geheel. Deze aanpak geeft inzichten in oorzaken van voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, de mate waarin ze voorkomen en mogelijke veranderingen hierin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en zieken. Dit komt onder andere doordat niet elke zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Ook is niet altijd duidelijk of besmet voedsel de oorzaak van een ziekte is geweest.
  • Haalbaarheid van onderzoek naar blootstelling aan bestrijdingsmiddelen en de gezondheid van omwonenden

    JP Zock; NAH Janssen; M Simões; DM Figueiredo; A Huss; RCH Vermeulen; C Baliatsas; M Dückers (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-10-03)
    Mensen die in de buurt van landbouwpercelen wonen, kunnen worden blootgesteld aan chemische bestrijdingsmiddelen. Het is nog niet duidelijk hoe schadelijk dit is voor de gezondheid. Het RIVM heeft samen met andere instituten in 2018 en 2020 mogelijke gezondheidseffecten verkend. Daaruit kwamen aanwijzingen dat enkele gezondheidseffecten samenhangen met ‘wonen in de buurt van bepaald gewas’. Maar deze resultaten konden met de beschikbare informatie niet worden verklaard. In 2020 heeft de Gezondheidsraad daarom geadviseerd om meer gezondheidsonderzoek te doen naar de relatie tussen bestrijdingsmiddelen en de gezondheid van omwonenden. Er is vooral meer inzicht nodig in effecten op de lange termijn. De Gezondheidsraad stelde als voorwaarde dat de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen beter moest worden bepaald. Het RIVM raadde daarnaast aan om meer informatie over leefstijl van omwonenden in het onderzoek te betrekken. Het RIVM heeft daarna van vijf onderzoeksmogelijkheden uitgezocht welke haalbaar en zinvol zijn. Per ziekte of aandoening is aangegeven welke vorm van onderzoek, of een combinatie, het meest geschikt is om een verband met een blootstelling aan te tonen. Ook is aangegeven hoe lang het onderzoek duurt en hoeveel het kost. Op basis van dit overzicht kiezende ministeries van VWS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport )en LNV (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)welk onderzoek zal worden uitgevoerd. Bij de onderzoeksmogelijkheden ligt de nadruk op ziektes aan het zenuwstelsel, zoals leerachterstanden bij kinderen en de ziekte van Parkinson. Ook gaat het om aandoeningen aan de luchtwegen ( COPD (chronic obstructive pulmonary disease)) en bepaalde vormen van kanker, zoals leukemie bij kinderen. Tot slot worden acute effecten onderzocht, zoals (oog-) irritatie . De onderzoeksmogelijkheden zijn: 1. Cognitieve vaardigheden testen bij kinderen in groep 8, in combinatie met metingen van de blootstelling, 2. Nieuw onderzoek doen naar langetermijneffecten op de ziekte van Parkinson, 3. Onderzoek op basis van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie, 4. Analyse van gegevens uit de Gezondheidsmonitor van de GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)-en en de Gezondheidsenquête van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek), 5. Analyse van gegevens van huisartsen over acute effecten.
  • Het effect van de Nederlandse zorg op het milieu. Methode voor milieuvoetafdruk en voorbeelden voor een goede zorgomgeving

    Steenmeijer, MA; Pieters, LI; Warmerhoven, N; Huiberts, EHW; Stoelinga, M; Zijp, MC; van Zelm, R; Waaijers-van der Loop, SL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-10-03)
    Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Het is dan ook belangrijk om alle bronnen die aan klimaatverandering bijdragen in beeld te hebben. Een daarvan is de zorgsector. Het ministerie van VWS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport )wil daarom weten wat de effecten van de Nederlandse zorgsector op het milieu zijn. Van alle sectoren in Nederland draagt de zorgsector voor zo’n 7 procent bij aan de totale uitstoot van broeikasgassen. Dit is zowel uitstoot in Nederland als in het buitenland. Dit bevestigt eerdere schattingen uit onderzoek van anderen, en is nu beter onderbouwd. Het RIVM ontwikkelde een methode om de effecten op het milieu te berekenen. Hiermee is de wetenschappelijke kennis over meerdere effecten van de Nederlandse zorg op het milieu voor het eerst in kaart gebracht. Daarnaast is naar voorbeelden in de praktijk gezocht die de gezondheid verbeteren. De methode berekent zowel de effecten van medische handelingen, zoals het gebruik van narcosemiddelen bij operaties (die sterke broeikasgassen kunnen zijn), als de effecten van de productie van goederen en diensten die in de zorg worden gebruikt. De voetafdruk is berekend voor meer dan alleen klimaatverandering (de uitstoot van broeikasgassen). De berekening is ook gemaakt voor het gebruik van water en grondstoffen (metalen en mineralen), het landgebruik en de hoeveelheid afval. Zo nodig kunnen aan de methode meer effecten worden toegevoegd. Grofweg veroorzaakt de productie van chemische producten, waaronder geneesmiddelen en producten als zeep en oplosmiddelen, het grootste deel (ongeveer 40 procent) van de uitstoot van broeikasgassen en het grondstoffengebruik door de zorg. Het is nog niet precies duidelijk welke producten en processen die uitstoot en dat gebruik veroorzaken. Daarvoor is meer onderzoek nodig. Met verschillende zorgsectoren, zoals ziekenhuizen, ouderenzorg en de geestelijke gezondheidszorg ( GGZ (geestelijke gezondheidszorg)), is gezocht naar de praktijkvoorbeelden. Het gaat om voorbeelden die mensen in zorginstellingen, zoals ouderen en mensen met een beperking, gezond houden, bijvoorbeeld door hen gezond eten te geven en door planten en bomen aan te leggen. Zo’n gezonde ‘zorgomgeving’ kan helpen ziekte te voorkomen, en draagt bij aan goede en duurzame zorg. RIVM doet aanbevelingen om de methode om de effecten op het milieu te berekenen te verbeteren. Zo kan bijvoorbeeld een plan worden gemaakt om de situatie zoals die nu is te bepalen, en de ontwikkeling ervan in de toekomst te kunnen volgen. Ook wordt aangeraden om meer praktijkvoorbeelden te verzamelen, omdat zorgprofessionals daar veel behoefte aan hebben.
  • Surveillance zoönosen in melkvee 2021

    T Cuperus; M Opsteegh; K van der Ark; N Neppelenbroek; B Wit; B Wullings; J Kool; C Dierikx; E van Duijkeren; A van der Hoek; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-30)
    Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ook ziek van kunnen worden. De ziekten die hierdoor worden veroorzaakt, noemen we zoönosen. In 2021 onderzochten het RIVM, de NVWA en WFSR (Wageningen Food Safety Research) hoe vaak een aantal van deze ziekteverwekkers voorkwamen bij melkvee op 185 Nederlandse melkveebedrijven. Ook hebben 107 melkveehouders, gezinsleden en medewerkers aan dit onderzoek meegedaan om te kijken of zij deze ziekteverwekkers ook bij zich dragen. Bij de onderzochte koeien en kalveren komen een aantal ziekteverwekkers vaak voor. Ze zitten in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Melk kan tijdens het melken in aanraking komen met mest en op die manier besmet raken. Mensen kunnen de kans op een besmetting verkleinen door geen rauwe melk of rauwe melkproducten, zoals kaas, te consumeren. Het vlees kan tijdens de slacht besmet raken. Het is daarom belangrijk om rundvlees goed gaar te eten. Het RIVM heeft gekeken of dezelfde ziekteverwekkers in de ontlasting of in de neus van deze mensen voorkwamen. De meeste van deze ziekteverwekkers veroorzaken bij mensen diarree, maar soms kunnen infecties ernstiger verlopen. Daarnaast is er naar ESBL-producerende bacteriën en MRSA gekeken, omdat belangrijke groepen antibiotica daar niet tegen werken. Van de onderzochte ziekteverwekkers kwam Campylobacter het meest voor bij het melkvee: op 91 procent van de bedrijven. Bij de veehouders en gezinsleden werd Campylobacter bij 1 persoon gevonden. Het hoge percentage bij de dieren is dus niet direct terug te zien bij de veehouders. Daarnaast kwamen de Listeria en STEC-bacteriën regelmatig voor bij melkvee; namelijk op 34 procent (Listeria) en 21 procent (STEC) van de bedrijven. Twee deelnemers van de veehouders en gezinsleden droegen Listeria bij zich en één deelnemer STEC. ESBL-producerende bacteriën zijn op 8 procent van de bedrijven gevonden en bij 3 deelnemers. Het percentage bij de deelnemers is ongeveer hetzelfde als bij de Nederlandse bevolking. MRSA is op de huid van 4 procent van de koeien gevonden en bij één deelnemer. De bacterie Clostridioides is zowel bij koeien als bij kalveren onderzocht en kwam bij de kalveren jonger dan 4 weken vaker (18 procent) voor dan bij oudere dieren (4 procent). Dit was ook het geval bij de parasiet Cryptosporidium, die bij veel van de jonge kalveren voorkwam (72 procent). Zowel Clostridioides als Cryptosporidium zijn niet bij de deelnemers gevonden. Tenslotte werd op 4 bedrijven Salmonella gevonden. Salmonella werd niet bij de deelnemers aangetroffen.
  • Analyse van incidenten met gevaarlijke stoffen bij Brzo-bedrijven 2022

    HJ Manuel; GJ Kamps; PH Keijzer; AG Wolting (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-30)
    Het RIVM analyseert elk jaar de aard, omvang en oorzaak van incidenten bij bedrijven die in Nederland met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken. Dit keer zijn twaalf incidenten geanalyseerd. Bij negen incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij, waarna twee keer een explosie is ontstaan. Bij twee incidenten ontstonden direct explosies bij werkzaamheden. Een nooddrukvoorziening voorkwam bij het laatste incident dat er gevaarlijke stoffen vrijkwamen. Hierdoor ontsnapte er alleen stoom. Één persoon heeft aan een explosie blijvend letsel - verminderd zicht aan een oog - overgehouden. Overige slachtoffers hadden tijdelijk ademhalingsproblemen en irritaties. Bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en dat werknemers de productieprocessen en werkzaamheden veilig kunnen uitvoeren. Net als in voorgaande analyses ging het bij de onderzochte incidenten op verschillende onderdelen mis. Zo werden bij acht incidenten werkzaamheden uitgevoerd, terwijl het nog niet veilig was om te beginnen. De installatie was dan bijvoorbeeld niet genoeg geleegd, of kon weer gevuld raken doordat afsluiters lekten. Deze afwijkingen zijn vaak niet opgemerkt, waarna gevaarlijke stoffen konden ontsnappen of een explosie veroorzaken. Soms kunnen noodmaatregelen helpen om het incident te voorkomen. Bij de helft van de incidenten waren er geen noodmaatregelen getroffen of werkten ze niet. Als noodmaatregel kan bijvoorbeeld de installatie worden uitgeschakeld om te voorkomen dat een gevaarlijke stof uitstroomt. Bij alle incidenten schoten ‘plannen en procedures’ voor de werkzaamheden tekort. Ze waren er soms niet doordat de risico’s van tevoren niet waren verwacht. Soms had het bedrijf er niet op toegezien dat instructies voor werkzaamheden worden nageleefd. Of ze waren niet duidelijk genoeg opgesteld om in de praktijk te worden gebruikt. Deze rapportage maakt deel uit van de opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW (Sociale zaken en werkgelegenheid)) om incidenten te analyseren die de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft onderzocht. Het RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De resultaten kunnen worden gebruikt voor inspectie- en handhavingsstrategie?n. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
  • Stroomuitval bij risicovolle bedrijven: oorzaken, gevolgen en de invloed van de energietransitie

    R Hansler; P Keijzer; N Smets (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-29)
    Bedrijven die grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen maken, gebruiken of opslaan, noemen we risicovolle bedrijven. Als bij deze bedrijven de stroom uitvalt, kunnen ongevallen ontstaan waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen. Hierdoor kunnen onveilige situaties ontstaan voor werknemers of de omgeving. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat er elk jaar in Nederland enkele tientallen grote of kleine ongevallen zijn die met stroomuitval te maken hebben. Het precieze aantal is niet bekend, ook niet of dit aantal toe- of afneemt. Verder blijkt dat risicovolle bedrijven niet altijd goed op stroomuitval zijn voorbereid. Daarvoor is extra aandacht nodig, omdat steeds meer processen op elektriciteit werken door de overgang naar duurzame energie. Doordat bedrijven meer elektriciteit nodig hebben, kan zowel de kans op stroomuitval als de impact ervan groter worden. Het is daarom belangrijk dat deze bedrijven stroomuitval zo veel mogelijk voorkomen en erop voorbereid zijn als de stroom toch uitvalt. Bedrijven moeten daarom de risico’s van stroomuitval kennen en maatregelen nemen. Dat kan bijvoorbeeld door inspectie en onderhoud, en door personeel op te leiden. Of door ervoor te zorgen dat er goed functionerende noodstroom is om op terug te vallen. Een ongeval kan ontstaan doordat de stroom buiten het bedrijf uitvalt. Maar vaker komt het door omstandigheden bij de energievoorziening van het bedrijf zelf, meestal door storingen in de elektrische installaties. In beide gevallen zijn ongevallen na stroomuitval vaak een gevolg van onvoldoende inspectie en onderhoud van de elektrische installatie en het interne elektriciteitsnetwerk. Verder kunnen fouten bij het ontwerp en de aanleg van de elektrische installatie de oorzaak zijn. Het RIVM heeft onderzocht wat de oorzaken en gevolgen zijn van stroomuitval bij risicovolle bedrijven. Ook is onderzocht of dit verandert door de overgang naar duurzame energie. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW (Sociale zaken en werkgelegenheid)).
  • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2022

    R Hoogerbrugge (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-29)
    Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor diverse stoffen, waaronder stikstofdioxide, ammoniak en fijnstof. Ook wordt in kaart gebracht hoeveel stikstof er op de bodem neerslaat (depositie). Het RIVM gebruikt zowel modelberekeningen als metingen om de kaarten te maken. Zo komen de concentraties en deposities het best overeen met de werkelijke situatie in het afgelopen jaar. Naast de jaarlijkse berekeningen maakt het RIVM verwachtingen voor de concentraties en deposities voor de jaren 2025 en 2030. De verwachtingen worden vergeleken met het ‘basisjaar’ 2018. De kaarten worden gebruikt om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de stikstofdepositie in Nederland te volgen. Overheden gebruiken de verwachtingen om beleid te maken voor een betere luchtkwaliteit en minder stikstofdepositie. Luchtverontreiniging is schadelijk voor de volksgezondheid. Te veel stikstofdepositie op natuurgebieden is schadelijk voor het aantal plant- en diersoorten. Over het algemeen dalen de concentraties van luchtvervuilende stoffen al tientallen jaren. Deze daling is in 2020 en 2021 sterker geworden door de gevolgen van maatregelen die zijn genomen tegen de verspreiding van het coronavirus. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties De gemiddelde concentraties stikstofdioxide in de lucht waren in 2021 iets lager dan in 2020, en gemiddeld ongeveer 20 procent lager dan in 2019. Dat komt vooral doordat er in 2020 en 2021 minder wegverkeer was, en doordat elk jaar oudere auto’s worden vervangen door nieuwere die minder stikstofoxiden uitstoten. Naar verwachting zullen de concentraties stikstofdioxiden in 2030 ongeveer 40 procent lager zijn dan in 2018. De gemiddelde concentraties fijnstof waren in 2021 ongeveer even hoog als in 2020, maar veel lager dan in 2019; de concentratie van de deeltjesgrootte PM10 (fijnstof)daalde ten opzichte van 2019 met ongeveer 10 procent en die van PM2,5 (fijnstof)ongeveer 15 procent. Ook de lagere concentraties fijnstof in 2020 en 2021 worden verklaard door minder wegverkeer en schonere auto’s. De verwachting is dat de concentraties in 2030 ongeveer 17 respectievelijk 30 procent lager zullen zijn dan in 2018. Stikstofdepositie De gemiddelde stikstofdepositie op het Nederlandse landoppervlak was in 2021 circa 3 procent hoger dan in 2020. De verwachting is dat de stikstofdepositie in 2030 ongeveer 15 procent lager zal zijn dan in 2018. Lokaal kan de daling anders zijn dan dit landelijke gemiddelde. De lokale verschillen worden in het najaar gepubliceerd via de AERIUS-monitor. Gegevens voor de berekening van de verwachtingen Net als vorig jaar zijn voor de berekening van de verwachte concentraties en depositie zijn gegevens gebruikt over beleidsmaatregelen die op 1 mei 2020 beschikbaar waren. Maatregelen voor klimaat, luchtkwaliteit en stikstof die sindsdien zijn uitgewerkt, zijn dus nog niet meegenomen. Door een actualisatie van de ondersteunende kaarten, zoals die van het landgebruik, zijn de verwachtingen voor 2030 lokaal wel veranderd.
  • Bronnen van blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden: nieuwe ontwikkelingen

    Stam, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-26)
    Werknemers kunnen tijdens hun werk aan elektromagnetische velden worden blootgesteld. Soms kunnen de velden sterker zijn dan de velden waaraan de Nederlandse bevolking wordt blootgesteld. Dit kan schadelijk zijn voor de gezondheid of indirect onveilige situaties veroorzaken, bijvoorbeeld door te vallen na een schrikreactie. Om werknemers hiertegen te beschermen heeft de overheid ongeveer tien jaar geleden wettelijke regels met grenswaarden opgesteld. Ook is er een overzicht gemaakt van werkplekken waarvoor bedrijven de risico’s van een blootstelling moeten beoordelen. De afgelopen jaren is de technologie sterk ontwikkeld waardoor apparaten of processen op het werk kunnen zijn veranderd. Hierdoor is het mogelijk dat de aard, hoogte, complexiteit of variatie van de blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden is veranderd. Het RIVM vindt het belangrijk om deze nieuwe ontwikkelingen in bronnen van elektromagnetische velden te blijven volgen. Dan blijven werknemers goed beschermd. Het RIVM heeft de ontwikkelingen daarom geïnventariseerd. Het overzicht is gemaakt op basis van wetenschappelijke literatuur en gesprekken met deskundigen. Op basis hiervan kunnen beleidsmakers bepalen of het nodig is om de voorlichting over bronnen van elektromagnetische velden aan te passen. Er zijn nieuwe of veranderde bronnen van elektromagnetisch velden op het werk gevonden bij het gebruik van draadloze communicatie (5G, RFID), energieopwekking en -transport (omvormers, gelijkstroom), lassen, vervoer (elektrisch rijden, radar) en medische of wetenschappelijke technieken (medische beeldvorming zoals MRI (magnetic resonance imaging), cosmetische behandelingen, materiaalonderzoek). Bij sommige van deze bronnen kunnen mogelijk grenswaarden worden overschreden. Dit geldt bijvoorbeeld voor magnetisch pulslassen in de metaalindustrie, draadloos opladen van grote voertuigen en cosmetische behandelingen met elektromagnetische velden. Verder blijft bijzondere aandacht nodig voor werknemers met medische hulpmiddelen, zoals een pacemaker. Zij hebben ook bij een blootstelling onder de grenswaarde al kans op gezondheids- of veiligheidseffecten.
  • Meerwaarde van mobiele luchtreinigers in verminderen van transmissie van SARS-CoV-2 – een literatuurstudie

    Vermeulen, LC; Bartels, AA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-22)
    Het ministerie van VWS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport )vraagt zich af of verplaatsbare luchtreinigers helpen om de overdracht van het coronavirus SARS (severe acute respiratory syndrome)- CoV (coronavirus)-2 te verkleinen. Het RIVM heeft naar antwoorden gezocht in wetenschappelijke publicaties. Gekeken is of deze apparaten meerwaarde hebben als ze in geventileerde publieke ruimtes zoals scholen en winkels worden gebruikt. Met meerwaarde wordt bedoeld dat de luchtreinigers er voor zorgen dat minder mensen ziek worden dan als er alleen geventileerd wordt. Ook mogen luchtreinigers geen negatieve gevolgen voor de gezondheid hebben. Er blijkt te weinig wetenschappelijk onderzoek te zijn gedaan om te kunnen stellen dat luchtreinigers in publieke ruimtes ervoor zorgen dat minder mensen COVID-19 krijgen. Er zijn geen artikelen gevonden waarin dit vraagstuk voor corona of andere virussen is uitgezocht. Enkele studies tonen dat mobiele luchtreinigers bacteriën en schimmels uit de lucht verwijderen, maar het is niet duidelijk of daardoor minder mensen ziek worden. Zo bleek in 2016 het ziekteverzuim in schoollokalen met en zonder luchtreiniger hetzelfde te zijn, terwijl de luchtreiniger het aantal bacteriën in de lucht had verminderd. Verder blijkt dat mobiele luchtreinigers alleen veilig en goed werken als ze regelmatig worden onderhouden. Als dat niet gebeurt, neemt de werking af en kunnen micro-organismen op filters groeien die in de ruimte kunnen worden verspreid. Ook kan sommige apparatuur schadelijke stoffen in de ruimte brengen, zoals ozon. Meer onderzoek is nodig om te bepalen wat voor effect deze stoffen op de lange termijn op de gezondheid hebben. Vanwege bovenstaande redenen is er onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing om te adviseren mobiele luchtreinigers in alle publieke ruimtes te plaatsen. Meer onderzoek is nodig. Ondertussen kan worden overwogen om ze uit voorzorg tijdelijk als aanvullende maatregel in bepaalde ruimtes te plaatsen in een periode waarin veel mensen corona hebben. Het gaat dan om ruimtes waar kwetsbare mensen langere tijd verblijven, zoals in verpleeghuizen. Of in ruimtes waar de kans dat het virus via de lucht wordt overgedragen groter is, zoals in drukke cafés. De keuze voor een veilig apparaat en goed onderhoud is dan wel belangrijk. Internationaal zijn experts het erover eens dat mensen op korte afstand (binnen 1,5 meter) de meeste kans hebben om met het coronavirus besmet te raken via (kleine) druppels in de lucht. Het virus kan ook over langere afstand en tijd door de lucht worden verspreid, vooral in slecht geventileerde ruimtes waar veel mensen langere tijd verblijven. Ook heeft de soort activiteiten invloed op de verspreiding, bijvoorbeeld of iemand die besmettelijk is veel schreeuwt of zingt.
  • User needs for satellite data regarding emissions

    W Hendricx; H Volten (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-14)
    Satellieten worden onder andere gebruikt om te meten hoeveel broeikasgassen en vervuilende stoffen er worden uitgestoten in de lucht. Verschillende organisaties, zoals het RIVM, overheden en onderzoekers, gebruiken deze data. Satellieten worden steeds beter en kunnen steeds preciezer meten. Vanwege deze ontwikkelingen is het voor Nederland belangrijk om goed voorbereid te zijn op het gebruik van data van satellieten in de toekomst. Daarom heeft het Netherlands Space Office (NSO) het RIVM gevraagd in kaart te brengen welke behoeften gebruikers of toekomstige gebruikers van de data over de uitstoot van broeikasgassen of luchtvervuilende stoffen hebben. De NSO kan deze uitkomsten gebruiken om strategische beslissingen te nemen over satellieten van de toekomst. Voor het onderzoek zijn 24 (mogelijke) gebruikers van satellietdata geïnterviewd. De opvallendste uitkomst hieruit is dat zij vooral tegen praktische problemen aanlopen. Ze kunnen bijvoorbeeld de data niet goed vinden of ze weten niet hoe ze data kunnen gebruiken. Of ze hebben geen geld om met de data aan de slag te gaan. Er is geld en kennis nodig om de data gebruiksvriendelijk en makkelijker toegankelijk te maken en ze betekenis te geven. Een belangrijke stap naar een oplossing hiervoor is dat organisaties meer gaan samenwerken om bijvoorbeeld kennis uit te wisselen. De geïnterviewden stellen dit zelf als oplossing voor. Een mogelijkheid hiervoor is een meer open community te organiseren in Nederland, maar het liefst ook internationaal. Naast de praktische behoeften zijn er technische wensen en eisen, en wetenschappelijke behoeften en interesses. Zo hebben (mogelijke) gebruikers de behoefte aan preciezere metingen van kleine oppervlakten zodat van steeds kleinere bronnen kan worden achterhaald welke stoffen die uitstoten. Naar verwachting kan de combinatie van satellietmetingen met andere databronnen, zoals uitgebreidere metingen op de grond, veel nieuwe inzichten geven. De satellietinstrumenten kunnen bestaande databronnen niet vervangen, maar er wel een belangrijke aanvulling op zijn.
  • Annual report Surveillance of COVID-19, influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2021/2022

    DFM Reukers; L van Asten; PS Brandsema; F Dijkstra; JMT Hendriksen; M Hooiveld; F Jongenotter; MMA de Lange; AC Teirlinck; G Willekens; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-13)
    Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel mensen in Nederland griep en andere luchtweginfecties hebben gehad. Sinds 2020 doen we dat ook voor het aantal mensen in Nederland dat het coronavirus hadden. Coronavirus Tijdens de zomer van 2021, van juli tot en met september, hadden heel weinig mensen een positieve coronatest. In het najaar en de winter nam het aantal weer toe, door de opkomst van de delta- en omikronvariant. Tussen mei 2021 en mei 2022 zijn 6.448.170 mensen positief getest op corona. Van hen zijn 44.990 mensen opgenomen in het ziekenhuis, en 5756 op de intensive care. Van 3482 mensen is bekend dat ze zijn overleden aan COVID-19. Griepepidemie De griepepidemie in het griepseizoen 2021/2022 begon later dan eerdere seizoenen en duurde 13 weken. Ongeveer 127.378 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Dit waren er minder dan normaal: veel mensen met deze klachten lieten zich testen op het coronavirus en gingen niet naar de huisarts. Naar schatting hebben tussen oktober 2021 en mei 2022 ongeveer 795.000 mensen griep gehad. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A(H3N2) griepvirus. RS-virus Sinds het voorjaar van 2021 melden ziekenhuizen hoge aantallen infecties met het RS-virus, vooral in de zomer van dat jaar. Deze infecties komen vooral bij kinderen onder de vier jaar voor. De meesten hebben milde klachten, maar de infectie kan soms zo ernstig verlopen dat ze in het ziekenhuis moeten worden opgenomen. Na de zomer van 2021 daalde het aantal infecties, maar bleef het nog wel zo hoog dat het de omvang van een epidemie heeft. Deze epidemie duurt al meer dan een jaar. In totaal meldden de ziekenhuizen 4504 infecties met het RS-virus tussen mei 2021 en mei 2022. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan dan zo nodig actie nemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van legionella (658) is in 2021 sterk gestegen. Het aantal meldingen van tuberculose was in 2021 hoger (680) dan in 2020, maar nog wel lager dan de jaren daarvoor. Het aantal meldingen van psittacose (papegaaienziekte, 55) was in 2021 aanzienlijk lager dan vorige jaren. Het aantal meldingen van Q-koorts (6) was vergelijkbaar met 2020, maar lager dan de jaren daarvoor. Deze ziekten, met uitzondering van tuberculose, uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. Omdat de oorzaak daarvan vaak niet wordt onderzocht, zullen meer mensen deze ziekten hebben gehad dan is gemeld.
  • Risicogrenzen voor PFAS in oppervlaktewater. Doorvertaling van de gezondheidskundige grenswaarde van EFSA naar concentraties in water

    Smit, CE; Verbruggen, EMJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-08)
    Het RIVM heeft nieuwe risicogrenzen bepaald voor perfluoralkyl-stoffen (PFAS) in oppervlaktewater. Dit is nodig omdat de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) in 2020 een gezondheidskundige grenswaarde voor PFAS heeft bepaald. De gezondheidskundige grenswaarde werkt door in de beoordeling van de waterkwaliteit. Deze beoordeling houdt namelijk rekening met de hoeveelheid PFAS die mensen kunnen binnenkrijgen via het eten van vis. De nieuwe risicogrenzen geven aan hoeveel PFAS in het water mogen zitten zodat mensen daar hun leven lang veilig vis uit kunnen eten. Voor de drie PFAS waarvoor in Nederland al normen voor oppervlaktewater bestaan, zijn de nieuwe risicogrenzen: 0,3 nanogram per liter voor PFOA, 7 picogram per liter voor PFOS en 10 nanogram per liter voor HFPO-DA (GenX). Deze nieuwe risicogrenzen zijn veel lager dan de bestaande waterkwaliteitsnormen voor deze PFAS. Dat komt omdat de stoffen volgens EFSA giftiger zijn dan eerder bekend was. Hierdoor is er bij lagere concentraties een kans op schadelijke gevolgen. Er zijn nog veel meer PFAS dan PFOA, PFOS en GenX. Het RIVM heeft daarom een rekenmethode ontwikkeld waarmee de risico’s van meerdere PFAS tegelijk kunnen worden berekend. PFAS komen namelijk bijna nooit als losse stof voor, maar meestal in mengsels met verschillende PFAS. De verwachting is dat alle PFAS op een vergelijkbare manier werken en bijdragen aan de totale giftigheid van het mengsel. Daarom moeten zoveel mogelijk PFAS worden meegenomen bij de toetsing van lozingen en oppervlaktewatermonsters. De nieuwe risicogrenzen zijn advieswaarden. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat kan mede op basis van dit onderzoek besluiten of de waterkwaliteitsnormen voor PFAS worden aangepast.
  • Risk assessment of (herbal preparations containing) Salvia divinorum

    Zwartsen, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-07)
    In the Netherlands, (online) smart shops sell dried leaves and extracts of the herb Salvia divinorum. Products containing Salvia divinorum are used for their mind-altering and stimulant properties. RIVM has assessed whether products containing Salvia divinorum are harmful to human health. This assessment has found that people using these products can suffer from hallucinations, restlessness, confusion, increased heart rate, increased blood pressure and psychosis. These health effects can even occur at the recommended quantity. RIVM advises consumers not to use (herbal preparations containing) Salvia divinorum. The institute also advises the Ministry of Health, Welfare and Sport to consider restricting or banning the sale of (herbal preparations containing) Salvia divinorum. Products containing Salvia divinorum offered for sale consist of (dried) leaves or herbal extracts. Most people smoke or vape these products. You can also chew the leaves or extract tea from them. The effects are caused by the active ingredient salvinorin A. It is not known how many people use these products.
  • Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW). Hinder en slaapverstoring, de 2021-cijfers

    van Poll, R; Simon, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-06)
    Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) wil weten hoe bewoners hun woonomgeving beleven. Het laat dat sinds 1977 onderzoeken; sinds 2003 gebeurt dat door het RIVM. Het onderzoek brengt onder meer in kaart hoe bewoners geluid, trillingen, geur en veiligheid in de woonomgeving ervaren. In 2021 lijken de mate van hinder en slaapverstoring terug te keren naar de niveaus van 2019, voor de coronapandemie. Van sommige bronnen daalde na een stijging in 2020 de hinder en slaapverstoring in 2021 weer iets. In 2021 hadden mensen nog steeds vooral ernstige hinder van bronnen vlak bij hun woning, zoals wegverkeer, buren en bouw- en sloopactiviteiten. Van andere bronnen zoals vliegverkeer die ernstige hinder veroorzaken, ondervonden ze in 2021 weer meer last dan in 2020. De belangrijkste geluidbronnen voor hinder en slaapverstoring blijven ‘wegverkeer’ en ‘buren’. In 2021 was de categorie ‘Wegverkeer’ (op wegen tot 50 kilometer per uur) de belangrijkste bron van hinder. In 2019 was dat de categorie ‘Buren’. ‘Wegverkeer’ en ‘Buren’ blijven ook de belangrijkste bronnen van hinder en slaapverstoring door trillingen. Wat geurhinder betreft, zijn in 2021 net als in 2020 ‘buren’ de belangrijkste bron. In 2019 waren ‘open haarden’ en ‘allesbranders’ de belangrijkste bronnen van geurhinder. De belangrijkste bron van bezorgdheid is ‘wonen bij een risicovol bedrijf of industrie’. De bezorgdheid hierover is wel lager dan ‘wonen in een drukke straat’ in 2020. Dat was in 2020 de belangrijkste bron van bezorgdheid. Wat de effecten van omgevingsfactoren betreft, zijn mensen net als in 2020 het meest bezorgd over effecten op hun gezondheid door de luchtkwaliteit rond huizen. Mensen hebben in 2021 ongeveer dezelfde verwachtingen (vooruit, achteruit, hetzelfde) over de buurtontwikkeling of over geluid in hun omgeving als in de jaren ervoor. In 2021 namen bijna 1.990 inwoners van Nederland van zestien jaar en ouder aan dit onderzoek deel. Dit aantal is lager dan de jaren ervoor, maar nog steeds voldoende om representatief te zijn. Het RIVM en het CBS deden het onderzoek. Het RIVM baseert zijn resultaten op de uitkomsten van een vragenlijstonderzoek (Onderzoek Beleving Woonomgeving OBW).
  • ABR rioolwater surveillance 2020 – 2021. Antibioticaresistente bacterien bij de bevolking gemeten in rioolwater

    Blaak, H; Kemper, MA; Hendrickx, APA; van Santen-Verheul, MG; Leung, KY; de Roda Husman, AM; Schmitt, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-06)
    Het RIVM heeft in 2020 en 2021 in rioolwater twee soorten bacteriën gemeten die resistent zijn tegen antibiotica. Het gaat om CPE (carbapenemase-producerende Enterobacterales) en colistine-resistente E.coli (MCR-EC). De resultaten zijn vergeleken met rioolwatermetingen uit 2016. Op deze manier wordt duidelijk of het aantal mensen in Nederland die deze bacteriën bij zich draagt verandert. Het RIVM meet deze bacteriën omdat ze een bedreiging zijn voor de volksgezondheid. Ze veroorzaken namelijk ziekten die moeilijk te behandelen zijn met antibiotica. De bacteriën zijn vooral gevaarlijk voor mensen met een kwetsbare gezondheid. De meeste gezonde mensen worden niet ziek van de bacterie. Door regelmatig het rioolwater te meten wordt duidelijk of de overheid genoeg doet om de verspreiding onder de bevolking te beperken. Allebei de soorten bacteriën zijn in heel Nederland gevonden. De aantallen CPE in rioolwater zijn ongeveer hetzelfde als in 2016. De aantallen colistine-resistente E. coli-bacteriën konden met dit onderzoek niet precies worden gegeven. Het lijkt er daarmee op dat de coronamaatregelen, zoals handen wassen en minder reizen, de verspreiding van deze bacteriën niet hebben verminderd. Dit vermoeden kan niet hard worden gemaakt omdat er geen metingen zijn gedaan vlak voordat de corona-epidemie begon. Om inzicht te krijgen hoe de aantallen zich verder ontwikkelen is het belangrijk in rioolwater te blijven meten. Metingen in rioolwater vullen de bestaande onderzoeken bij mensen naar de verspreiding van resistente bacteriën, goed aan. Voor dit onderzoek zijn de concentraties in het rioolwater van 76 zuiveringsinstallaties onderzocht. Deze installaties lagen verspreid over heel Nederland, in stedelijke en landelijke gebieden. De onderzochte bacteriën zitten in ontlasting van mensen en dus in het rioolwater. Ze komen ook via reizigers uit bijvoorbeeld Zuid-Europa, Noord-Afrika en Zuidoost-Azië in Nederland terecht.
  • Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen

    Buitenhuis, E; van Velzen, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-06)
    De Nederlandse overheid biedt tijdens de zwangerschap en kort na de geboorte vijf screeningen aan. Het doel van deze screeningen is gezondheidswinst op groepsniveau realiseren, dan wel aanstaande ouders informeren over de gezondheid van hun kind en opties bieden om te handelen. Tijdens de zwangerschap zijn er drie screeningen voor het ongeboren kind: op het syndroom van down, edwards en patau, op infectieziekten en erytrocytenimmunisatie, en op lichamelijke afwijkingen. De screeningen vlak na de geboorte betreffen het gehoor en de hielprik. Om ervoor te zorgen dat de screeningen goed worden uitgevoerd, is het Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen opgesteld. Dit document geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor deze screeningen. Het ministerie van VWS heeft deze wettelijke kaders vastgesteld. Het beleidskader wordt regelmatig getoetst en is nu aangepast aan de actualiteit. Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CvB) van het RIVM heeft sinds 2006 de landelijke regie over de vijf screeningen. Dit beleidskader is een instrument om de regie te voeren. De uitvoering van het beleidskader ligt bij de uitvoeringsorganisaties. Het beleidskader beschrijft ook hoe partijen samenwerken die betrokken zijn bij de voorbereiding van, de besluitvorming over en de uitvoering van de vijf screeningen. Voor een goede kwaliteit van de screening is het namelijk belangrijk dat alle logistieke en inhoudelijke processen goed op elkaar aansluiten. Vooral de ‘overgang’ van een uitslag van een screening naar een diagnose en behandeling moet goed zijn geregeld. Partijen binnen de screening en de zorg zijn hiervoor samen verantwoordelijk. Daarnaast staan de kaders beschreven die relevant zijn om de draaiboeken van de screeningen uit te werken. Deze draaiboeken zijn vooral gericht op de wijze waarop de screeningen regionaal worden uitgevoerd.
  • Beleidskader Bevolkingsonderzoeken naar Kanker

    de Leede, DJ; van Velzen, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-06)
    Het Beleidskader Bevolkingsonderzoeken naar Kanker (BBK) geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor de drie bevolkingsonderzoeken naar kanker in Nederland: borst-, baarmoederhals- en darmkanker. Daarnaast beschrijft het de samenwerking en onderlinge verhoudingen van partijen die betrokken zijn bij de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van deze bevolkingsonderzoeken. Het RIVM heeft het Beleidskader opgesteld, waarna het ministerie van VWS het heeft vastgesteld. Het RIVM toetst het document regelmatig en past het zo nodig aan aan de actualiteit. Het RIVM ziet er als landelijke regisseur op toe dat de bevolkingsonderzoeken voor de deelnemers een hoge kwaliteit hebben, en goed bereikbaar en betaalbaar zijn. Op die manier ontstaat een optimaal ‘aanbod’ voor de deelnemers aan de bevolkingsonderzoeken. Het beleidskader is een instrument om de regie te voeren. Het vormt ook de basis voor de zogeheten uitvoeringskaders. Daarin is per bevolkingsonderzoek de precieze wijze waarop en door wie de bevolkingsonderzoeken worden uitgevoerd, uitgewerkt. De bevolkingsonderzoeken bestaan uit een reeks van opeenvolgende handelingen, die door verschillende partijen worden uitgevoerd en gecoördineerd. Het gaat om de uitnodiging voor het onderzoek, het onderzoek zelf, de beoordeling van de uitslag, de communicatie, en de eventuele doorverwijzing. Deze handelingen moeten goed op elkaar aansluiten en efficiënt gestructureerd zijn. Dat is de basis voor een goede kwaliteit van het bevolkingsonderzoek.
  • EURL-Salmonella Proficiency Test Primary Production Stage, 2021. Detection of Salmonella in chicken faeces adhering to boot socks

    Pol-Hofstad, I; Mooijman, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-06)
    In the annual EURL-Salmonella Proficiency Test performed in 2021, the National Reference Laboratories (NRLs) of the European (EU) Member States were able to detect Salmonella in chicken faeces adhering to boot socks. All laboratories were able to detect Salmonella in high and low concentrations in the contaminated boot sock samples. All but one laboratory achieved good results. This one laboratory had accidentally swapped control samples, resulting in a moderate performance score. This was the outcome of the Proficiency Test for the detection of Salmonella in samples from the primary production stage, organised by the coordinating European Union Reference Laboratory for Salmonella (EURL-Salmonella) in September 2021. Since 1992, all NRLs in EU Member States are obliged to participate in the annual quality control proficiency tests for Salmonella. Each Member State has to appoint an NRL with responsibility for analysing Salmonella in samples taken from the animal primary production stage. In total, 35 NRLs participated in this study: 27 NRLs originating from all 27 EU Member States, seven NRLs based in other countries in Europe and one NRL based in a non-European country. The EURL-Salmonella is based at the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). An important task of the EURLSalmonella is to monitor and improve the performance of the NRLs in Europe.
  • Risicobeoordeling van PFAS in moestuingewassen uit moestuinen in de gemeenten Dordrecht, Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden

    Boon, PE; te Biesebeek, JD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-05)
    Het RIVM heeft eerder berekend hoeveel poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) mensen kunnen binnenkrijgen als zij zelf geteelde groenten en fruit eten. Het ging om gewassen uit moestuinen vlakbij bedrijven in Helmond en Dordrecht die PFAS uitstoten of dat in het verleden hebben gedaan. Het RIVM heeft het onderzoek nu uitgebreid naar negen groepen moestuinen in de gemeenten Dordrecht, Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden die binnen een straal van 15 kilometer van het chemiebedrijf DuPont/Chemours in Dordrecht liggen. Als eerste blijkt dat mensen te veel PFAS binnenkrijgen via gewassen uit de groep moestuinen die binnen 1 kilometer ten noordoosten van het chemiebedrijf liggen. Het RIVM adviseert om deze gewassen niet te eten omdat effecten op de gezondheid niet kunnen worden uitgesloten. Als tweede blijkt dat mensen niet te veel PFAS binnenkrijgen via de gewassen uit een groep moestuinen die tussen 5 en 10 kilometer ten zuidwesten van het bedrijf ligt en ook niet uit een groep moestuinen die zo’n 15 kilometer ten noordoosten ligt. Zij kunnen hun zelf geteelde gewassen gewoon blijven eten. De derde conclusie gaat over zes groepen moestuinen die op zo’n 1 tot 10 kilometer ten noordwesten, noordoosten of oosten van het bedrijf liggen of op zo’n 2,5 kilometer ten zuidwesten. Deze moestuinhouders krijgen ook niet te veel PFAS binnen, maar wel meer dan via gewassen uit moestuinen die niet dicht bij een PFAS-bron liggen. Deze moestuinhouders kunnen hun zelf geteelde gewassen blijven eten, maar hen wordt aangeraden deze groenten en fruit af te wisselen met producten uit de winkel. Producten uit de winkel bevatten namelijk minder PFAS. Deze afwisseling is belangrijk omdat mensen in Nederland via andere voedselproducten en drinkwater al meer PFAS binnenkrijgen dan de zogeheten gezondheidskundige grenswaarde. DuPont/Chemours heeft twee soorten PFAS uitgestoten: tot 2012 perfluoroctaanzuur (PFOA) en vanaf 2012 GenX. Deze twee PFAS zijn via de lucht op de bodem en in het water terechtgekomen. Via de grond en het water kwamen ze daarna in de gewassen uit de moestuinen. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de adviesbureaus Tritium Advies B.V. en Arcadis Nederland B.V. en met het onderzoeksinstituut Wageningen Food Safety Research van Wageningen University & Research.

View more