Recent Submissions

  • Staat van Zoönosen 2020

    Vlaanderen, F; Cuperus, T; Keur, I; De Rosa, M; Rozendaal, H; Friesema, I; Rietveld, A; van der Poel, W; Franz, E; Maassen, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-26)
    Zoönosen zijn infectieziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen. Het RIVM maakt in opdracht van de NVWA elk jaar een overzicht van de belangrijkste zoönosen en geeft aan hoe vaak ze in Nederland voorkomen. Het gaat om de zoönosen die artsen en dierenartsen moeten melden bij de GGD (voor mensen) of de NVWA (voor dieren). Beleidsmakers kunnen deze informatie gebruiken om, als het nodig is, effectieve maatregelen te treffen. De belangrijkste ontwikkeling in 2020 was de uitbraak in maart van het nieuwe coronavirus (SARS-CoV-2) in Nederland, het virus dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Naast mensen bleken ook dieren, en vooral nertsen, besmet te kunnen worden. De overheid wilde met maatregelen voorkomen dat nertsen het coronavirus zouden overdragen op mensen. Toch bleef het aantal besmettingen onder nertsen stijgen. Daarom is in 2020 besloten om eerder dan was afgesproken te stoppen met de nertsenhouderij in Nederland. Een andere belangrijke ontwikkeling was de eerste besmetting met het westnijlvirus in Nederland bij een vogel (grasmus). Dit virus komt voor bij vogels en wordt overgebracht door muggen die zich voeden met bloed van besmette vogels. Deze muggen verspreiden het virus naar andere vogels en soms ook naar mensen en zoogdieren, zoals paarden. In oktober 2020 is het virus voor het eerst bij 8 mensen in Nederland vastgesteld. De meeste mensen worden niet ziek van een infectie met het virus. Ongeveer 1 op de 5 van de besmette mensen krijgt milde griepachtige symptomen zoals koorts, hoofdpijn en spierpijn. Slechts 1 procent van de besmette mensen krijgt een ernstige ziekte, zoals hersenontsteking. De Staat van Zoönosen behandelt elk jaar een thema. Dit jaar is het thema “emerging zoonoses”. Dat zijn nieuwe of bekende zoönosen, waarvan het aantal besmettingen plotseling sterk kan toenemen. Het thema gaat in op een aantal emerging zoönoses die via wilde dieren, vee, huisdieren en teken in Nederland plotseling zouden kunnen toenemen en wat er wordt gedaan om dit te voorkomen.
  • The National Immunisation Programme in the Netherlands. Surveillance and developments in 2020-2021

    Pluijmaekers, AJM; de Melker, HE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-25)
    In 2020 zijn 1.026.872 kinderen en zwangere vrouwen gevaccineerd via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). In totaal kregen zij 2.205.249 vaccinaties. De vaccinatiegraad in Nederland is licht gestegen, net als het jaar ervoor. Het betreft kinderen die hun vaccinatie(s) bijna allemaal vóór de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 kregen. Het lijkt erop dat de maatregelen om het coronavirus te bestrijden weinig negatieve invloed hebben gehad op het aantal kinderen dat in 2020 is gevaccineerd. De precieze vaccinatiegraad voor deze kinderen kan pas later worden berekend omdat dan pas alle benodigde cijfers bekend zijn. In 2020 kregen minder mensen dan in 2019 een ziekte waartegen binnen het RVP wordt gevaccineerd. Dit komt heel waarschijnlijk door de coronamaatregelen zoals afstand houden en handen wassen. De daling geldt vooral voor kinkhoest (943), bof (64), pneumokokkenziekte (ongeveer 1.500) en mazelen (2). Er waren geen meldingen van rodehond en polio in 2020. Er zijn 3 patiënten met difterie en 2 met tetanus gemeld. Ook het aantal meldingen van meningokokkenziekte type W (12) is verder gedaald na de invoering van deze vaccinatie in het RVP in 2019. Alleen Haemophilus influenzae type b (Hib) kwam vaker voor. Het aantal meldingen steeg van 39 in 2019 naar 68 in 2020. Het RIVM onderzoekt de oorzaak. Het aantal meldingen van chronische hepatitis B (825) daalde met ongeveer een derde vergeleken met 2019. Dit aantal is waarschijnlijk lager omdat mensen tijdens de coronapandemie minder vaak naar een dokter gingen. Deze ziekte geeft lange tijd weinig klachten, waardoor hij meestal toevallig wordt ontdekt. De Gezondheidsraad adviseerde in juni 2021 om het vaccin tegen het rotavirus aan alle kinderen aan te bieden. In september 2021 heeft de Gezondheidsraad geadviseerd om meer risicogroepen uit te nodigen voor de griepvaccinatie, onder wie zwangere vrouwen. Het RIVM verzamelt en onderzoekt gegevens over hoe goed vaccinaties werken. Hieruit blijkt dat coronavaccinaties goed werken.
  • Jaarrapportage surveillance gastro-intestinale infecties en zoönosen

    Friesema, I; Pijnacker, R; Tulen, R; van den Beld, M; Mughini Gras, L; Bosch, T; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-25)
    Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoe vaak in Nederland maag-darminfecties voorkomen. Voor het eerst is nu de informatie over alle maag-darminfecties bij elkaar gezet. Dat geeft een beter overzicht van deze infecties in Nederland. In 2020 daalde het aantal gemelde maag-darminfecties sterk ten opzichte van de jaren ervoor. Dit komt waarschijnlijk door de maatregelen die zijn genomen om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan. Door de sluiting van horeca, minder sociale evenementen (inclusief catering), beperkingen van internationaal reizen, social distancing, en meer aandacht voor hygiëne (zoals handenwassen) kwamen mensen minder in contact met ziekteverwekkers. Een andere oorzaak is dat mensen met maag-darminfecties vanwege corona waarschijnlijk minder snel medische hulp zochten. Vooral het norovirus en rotavirus kwamen minder voor. Deze virussen worden vooral van mens op mens overgedragen. Ook het aantal voedsel-gerelateerde infecties als salmonellose en campylobacteriose was lager. Het aantal mensen dat ziek werd van de bacterie Listeria monocytogenes (listeriose) bleef hetzelfde. Deze bacterie kan vooral in (gerookte) vis, kaas en langer houdbare vleeswaren zitten. Dat geldt ook voor leptospirose, dat vooral via contact met water en modder wordt opgelopen. Ondanks de sterke daling waren er in 2020 wel een paar opvallende uitbraken. Bij een uitbraak veroorzaakt één besmettingsbron meerdere zieken. Bijvoorbeeld met Salmonella Enteritidis in een instelling voor gehandicapten na het eten van Turkse pizza die een horecazaak had bezorgd. Ook was er een grote uitbraak van het norovirus gerelateerd aan een buffet op een boot. Ten slotte waren er drie (kleinere) listeriose-uitbraken, waarbij er een link was met een voedselproduct (forelfilet, paling en zachte kaas).
  • Contra expertise on environmental monitoring in the vicinity of the Borssele nuclear power plant. Results in 2019 and 2020

    Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-19)
    Het RIVM voert regelmatig een contra-expertise uit op de metingen die de kerncentrale Borssele in de directe omgeving van de centrale laat uitvoeren. Hiervoor zijn de monsters geanalyseerd die in 2019 en 2020 op verschillende plekken zijn genomen. Er is geen radioactiviteit van de kerncentrale gevonden. In de meeste gevallen rapporteert het RIVM een detectiegrens, een lage hoeveelheid van natuurlijke activiteit, of sporen van 137Cs in een grondmonster. Dit is een bekende oppervlaktebesmetting voor 137Cs en komt hoogstwaarschijnlijk van het kernongeval bij Chernobyl in 1986. De Nuclear Research and Consultancy Group (NRG) voert altijd de metingen uit voor Borssele. NRG rapporteerde in 2019 in één monster (van de 48 monsters) een significante hoeveelheid totaal-bèta activiteit in zwevend slib bij monsterlocatie 3. Het RIVM vond enkele maanden later in dat monster geen activiteit boven de detectiegrens. NRG heeft de hele analytische behandeling van dit monster uitgebreid bekeken, zonder een oorzaak te kunnen vinden. In 2020 was er een goede overeenstemming tussen de RIVM- en NRG-data voor totaal-bèta in Schelde water en zwevend slib. In 2019 en 2020 zijn enkele sporen van 54Mn in zandmonsters gevonden, zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts. De oorsprong van 54Mn is niet duidelijk. Het RIVM heeft in 2019 in enkele watermonsters van de Westerschelde een zeer lage hoeveelheid van 3H aangetroffen. 3H afkomstig van kerncentrale Doel stroomt eveneens langs kerncentrale Borssele, waardoor de oorsprong ervan onbekend is. In 2020 hebben het RIVM en NRG geen 3H gevonden. NRG neemt sinds de jaren negentig van de vorige eeuw elke maand monsters van gras, water, luchtstof, sediment, en zeewier. Elk jaar neemt het een grondmonster. NRG analyseerde deze monsters op gammastralers, totaal-alfa en totaal-bèta activiteit.
  • Gewasbeschermingsmiddelen en neurodegeneratieve ziekten: mogelijkheden om de toelatingsvereisten te verbeteren

    Heusinkveld, H; Wolterink, G; de Jong, E; Hessel, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-18)
    Gewasbeschermingsmiddelen beschermen planten tegen organismen waar planten ziek van kunnen worden zoals schimmels en insecten. Om ervoor te zorgen dat deze middelen veilig zijn voor mens, dier en milieu worden ze uitgebreid getest. Er zijn aanwijzingen dat mensen die in het verleden lang met chemische stoffen hebben gewerkt, zoals telers met gewasbeschermingsmiddelen, een grotere kans hebben om ziekten te krijgen die het zenuwstelsel aantasten (neurodegeneratieve ziekten), zoals Parkinson en Alzheimer. Deze ziekten ontstaan door een combinatie van factoren zoals ouderdom, leefstijl en langdurige blootstelling aan stoffen in het milieu of op het werk. Dit maakt het moeilijk om één stof als oorzaak aan te wijzen. Het is daarom belangrijk om al voor de goedkeuring te bepalen of een stof een aandoening kan veroorzaken. In dat verband is in Europa de vraag ontstaan of de vereiste informatie voor de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen kan aantonen of werkzame stoffen in deze middelen schadelijk zijn voor het zenuwstelsel. Het RIVM adviseert op basis van een verkennend onderzoek om de datavereisten en testrichtlijnen te verbeteren. In de datavereisten voor werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen wordt niet standaard informatie gevraagd over de effecten van deze stoffen op het zenuwstelsel. Ook geven de huidige testrichtlijnen onvoldoende inzicht of een stof een kleine, onopvallende veranderingen in de hersenen kan veroorzaken waardoor aandoeningen als Parkinson kunnen ontstaan. Er zijn mogelijkheden om aan de bestaande testrichtlijnen effecten toe te voegen om aandoeningen als Parkinson te kunnen onderzoeken. Voor deze aandoeningen was het lange tijd niet duidelijk welke effecten gemeten moeten worden. Het RIVM raadt aan een werkgroep op te richten waarin alle Europese kennis over mogelijke effecten kan worden samengebracht. De resultaten van dit onderzoek kunnen gebruikt worden om de testrichtlijnen verder te ontwikkelen. Ook beveelt het RIVM aan om testen zonder dier (in vitro) te ontwikkelen om meer informatie te krijgen of stoffen in gewasbeschermingsmiddelen eraan kunnen bijdragen dat aandoeningen als Parkinson ontstaan.
  • Pyridine: an overview of available data on mutagenicity and carcinogenicity

    Chen, W; Zijtveld, D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-18)
    De stof pyridine wordt gebruikt als oplosmiddel voor een breed scala aan producten. Het zit bijvoorbeeld in verf, rubber, waterafstotende textielstoffen, geneesmiddelen en vitaminen en smaakstoffen voor levensmiddelen. Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht wat er bekend is over twee mogelijke schadelijke eigenschappen van deze stof. De vraag is of pyridine kankerverwekkend is en erfelijke veranderingen kan veroorzaken door schade aan het DNA (mutageen). De gevonden informatie is samengevat. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen om de mutagene en kankerverwekkende eigenschappen te beoordelen. De Gezondheidsraad gebruikt ze ook om een advies op te stellen voor classificatie van de stof. Dit gebeurt op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De uiteindelijke beoordeling wordt uitgevoerd door de Subcommissie Classificatie van carcinogene stoffen van de Gezondheidsraad. Deze subcommissie valt onder de Commissie Gezondheid en Beroepsmatige Blootstelling aan Stoffen (GBBS). De GBBS richt zich op gezondheidsrisico’s door blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek.
  • Onderzoeksprogramma Laagfrequent geluid (LFG): Stand van zaken en aanbevelingen voor vervolgonderzoek

    White, K; Versteeg, A; Kok, A; van Poll, R; Benhadi, R; Dusseldorp, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-17)
    Laagfrequent geluid is geluid met lage tonen (tussen 20 en 100/125 Hertz). De laatste jaren is er meer maatschappelijke onrust over laagfrequent geluid en de vraag of het schadelijk is voor de gezondheid. De laatste vijf jaar hebben meer mensen laagfrequent geluid gemeld bij onder andere de GGD en gemeenten. Soms gingen de meldingen samen met hinder en lichamelijke klachten. Het RIVM doet aanbevelingen welk onderzoek nodig is om mogelijke gezondheidseffecten beter te begrijpen, ook omdat het aantal bronnen naar verwachting toeneemt. Zo is het niet bekend hoeveel laagfrequent geluid er in Nederland is en wanneer het hinder veroorzaakt. Het RIVM vindt het belangrijk om onderzoek te doen naar de blootstelling aan laagfrequent geluid in combinatie met onderzoek naar de gezondheid. Ook blijkt dat niet alle betrokkenen (GGD’en, gemeenten, omgevingsdiensten, huisartsen, audiologen, kno-artsen) goed samenwerken. De aanpak en de samenwerking van de verschillende organisaties verschillen nu per regio. Het RIVM beveelt aan om meer samen te werken. Verder is onderzoek nodig of (cognitieve) therapie helpt om mensen te leren omgaan met hun klachten. Deze therapie wordt soms aangeraden als er geen laagfrequent geluid wordt gemeten of de bron niet te vinden is. Geluid in het algemeen, waar laagfrequent geluid een onderdeel van is, is erkend als een risico voor de volksgezondheid. Verschillende gezondheidseffecten van geluid in het algemeen zijn bewezen, zoals hinder, slaapverstoring, en hart- en vaatziekten. Ook andere factoren dan het geluid zelf hebben invloed hoe mensen het ervaren. Voorbeelden zijn persoonlijke gevoeligheid, veranderingen in de omgeving en vertrouwen in de overheid. Volgens internationaal onderzoek hangt blootstelling aan laagfrequent geluid samen met (ernstige) hinder en mogelijk met slaapverstoring. Het is niet bewezen dat laagfrequent geluid hart- en vaatziekten veroorzaakt. Grofweg zijn er grote bronnen (zoals industrie, festivals, en transport) en kleine bronnen van laagfrequent geluid. De laatste zitten in huizen of kantoren (wasmachines, warmtepompen, ventilatiesystemen). Het is vaak lastig om de bron van laagfrequent geluid te vinden. Laagfrequent geluid van grote bronnen valt vaak op grotere afstand meer op, waardoor de bron moeilijk te achterhalen is. Maatregelen zijn meestal maatwerk. Voor de grotere bronnen kunnen dat dempers en isolerende kasten om apparaten zijn. Bij kleine bronnen helpen kleine ingrepen al om laagfrequent geluid te voorkomen, bijvoorbeeld door een koelkast op de goede manier te plaatsen.
  • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands 2020

    Benincà, E; Lagerweij, GR; Pijnacker, R; Friesema, I; Kretzschmar, M; Franz, E; Mughini Gras, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-15)
    The RIVM analyses how many years are lost on average due to ill health or death (disease burden) as a result of gastrointestinal infections. The 14 pathogens causing these infections are primarily foodborne (60%). People can also come into contact with these pathogens via the environment, for example via surface water, animals, or other people. The burden of disease from these 14 pathogens was much lower in 2020 than in 2019. This is most probably due to the measures implemented in the Netherlands since March 2020 aimed at stopping the spread of the SARS-CoV-2-virus. Examples of such measures include the closure of restaurants and cafés, a ban on face-to-face meetings, restrictions on international travel, and an increased focus on hygiene, including hand washing. In addition, fewer people might have sought or received medical help for these illnesses, which require a laboratory diagnosis, among other things, to be registered. An international unit of measure is used to quantify the disease burden, namely Disability Adjusted Life Years (DALYs). The estimated disease burden via food in 2020 was 3,600 DALYs, with a decrease of 22% compared to 2019 (4,600 DALYs). For all the 14 pathogens combined, the total number of DALYs in 2020 was approximately 7,300. That is 34% less than the corresponding figure for 2019, 2018, and 2017 (approximately 11,000 DALYs per year). The total cost of this disease burden in 2020 was estimated at 282 million euros, which was much less than in 2019 (423 million euros) and 2018 (426 million euros). The estimated cost includes the direct medical costs, for example in hospitals, as well as the costs incurred by the patients and families, such as travelling expenses. It also includes the costs incurred in other sectors, for example as a result of work absenteeism. The costs resulting from contaminated food also decreased significantly: 153 million euros in 2020 compared to 181 million euros in 2019 and 178 million euros in 2018. The Ministry of Health, Welfare and Sport commissioned this research. The results provide policymakers with insight into the disease burden and the various ways in which people can acquire an infection with food-related pathogens. This research also allows to monitor possible trends in time of the disease burden from foodborne infections, as well as of the associated costs.
  • Bijdrage aan de stikstofdepositie in de natuur vanuit de industrie, het verkeer en de consumenten

    van der Maas, CWM; Jones, PHAJ; Westerhoff, PW; Hazelhorst, SB; Roest, DGC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-12)
    Het RIVM heeft per Natura2000-gebied in kaart gebracht hoeveel de drie sectoren Industrie en energie, Verkeer, en Consumenten bijdragen aan de hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat (depositie). Hierbij is onderzocht hoe belangrijk de afstand van dez bronnen tot het Natura 2000-gebied is. Het is een aanvulling op een vergelijkbaar onderzoek naar de bijdrage van de sector Landbouw. De opdrachtgever is het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De stikstofdepositie vanuit de industrie is gemiddeld twee procent van de totale depositie in Nederland. Daarmee is de bijdrage van de industrie aan de overschrijding van de stikstofbelasting in Natura2000-gebieden (kritische depositiewaarde) klein. De emissie van de industrie verspreidt zich in het algemeen over een veel groter oppervlak dan die van de landbouw. Het is daarom effectiever om de uitstoot door industriële bronnen in het algemeen te verlagen dan de depositie in specifieke natuurgebieden. Bij landbouw is dat laatste juist wel zinvol. Het RIVM beschrijft wat de invloed van stikstofemissies van industrie is op de hoeveelheid stikstof die in drie Natura2000-gebieden neerslaat: de Grote Peel, Solleveld Kapittelduinen en de Veluwe. De informatie over de andere Natura2000-gebieden wordt er in spreadsheets bij geleverd. Het overzicht geeft ook inzicht welke de industriebedrijven het meeste bijdragen aan de depositie. Verder is voor de sectoren Verkeer en Consumenten beschreven hoever de bronnen afzitten van een natuurgebied waar ze stikstofneerslag veroorzaken. Hun bijdrage ligt tussen die van Industrie en de Landbouw in. De uitstoot van verkeer verspreidt zich op vrij grote afstanden. Het wegverkeer ten zuiden van Amsterdam bijvoorbeeld veroorzaakt relatief veel stikstofneerslag op de Veluwe. Verder blijkt dat een groot deel van de Nederlandse uitstoot van ammoniak op de Nederlandse bodem terechtkomt (53 procent). Voor stikstofdioxiden is dit percentage veel lager: 12 procent. Hiervan komt het grootste deel in het buitenland op de bodem terecht.
  • Ruimtelijk effect zonering emissiereducties landbouw

    Bleeker, A; Jones, P; Westerhoff, E; Hazelhorst, S; van der Maas, W; Roest, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-12)
    De overheid wil onderzoeken op welke plekken in Nederland een lagere uitstoot uit de landbouw de natuur het meest verbetert. Het RIVM heeft daarom het effect berekend van verschillende varianten die elk de totale uitstoot uit de landbouw met 30 kiloton ammoniak verminderen. Deze varianten zijn daarna vergeleken met een referentievariant. Bij de referentievariant wordt de vermindering van 30 kiloton in gelijke mate verdeeld over alle landbouwbedrijven in Nederland. De varianten lopen uiteen. Zo is gekeken naar een maximale verlaging van de neerslag op de gevoelige natuur (de vracht). Maar ook naar een gebiedsgerichtere aanpak met zones die meer of minder geschikt zijn voor landbouw. Ook zijn er varianten gecombineerd. Verder is voor het veenweidegebied berekend wat het effect op de stikstofdepositie is van de maatregelen die vanwege klimaatbeleid worden genomen. Het blijkt, afhankelijk van de variant, 15 tot 39 procent effectiever om de uitstoot gerichter aan te pakken dan de uitstoot van elk landbouwbedrijf in Nederland te verminderen (de referentievariant). Effectiever betekent hier dat er op steeds minder natuuroppervlak te veel stikstof neerslaat. Hoe dichter een landbouwbedrijf bij een natuurgebied ligt, hoe groter het effect op de depositie in dat gebied is. De stikstofdepositie daalt daarom het meest als er in een zone van 1 kilometer rond de Natura2000-gebieden geen stikstof meer wordt uitgestoten, in combinatie met de variant met een maximale verlaging van de vracht. Volgens het RIVM heeft het beperkingen als beleid er alleen op is gericht om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur gemiddeld zo effectief mogelijk te laten dalen. Daarmee worden vooral grote gebieden in het midden van Nederland (zoals de Veluwe) ontlast. Het RIVM beveelt aan om bij beleidskeuzes ook andere factoren mee te wegen. Voorbeelden zijn de mate waarin een natuurgebied overbelast is met stikstof, en in hoeverre het effect van de verlaging regionaal uitpakt. Daarnaast beveelt het RIVM aan niet alleen te sturen op minder overschrijdingen van de maximaal aanvaardbare stikstofbelasting van de natuur (de kritische depositiewaarde), maar er ook op te letten hoe de kwaliteit van de natuur zich ontwikkelt. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Aanleiding is de wens van het kabinet om een vervolgstap te nemen in de stikstofproblematiek. In het onderzoek is niet gekeken of het stikstofbeleid positieve effecten heeft op klimaat en de waterkwaliteit.
  • Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs. Deelrapport I. Mentale gezondheid van studenten in het hoger onderwijs

    Dopmeijer, JM; Nuijen, J; Busch, MCM; Tak, NI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-11)
    Voor het eerst is landelijk onderzocht hoe het staat met de mentale gezondheid van studenten in het hoger beroepsonderwijs en op de universiteit. Ruim 28.000 studenten vulden hiervoor in het voorjaar van 2021 een online vragenlijst in. Ook is in kaart gebracht welke factoren met de mentale gezondheid van studenten samenhangen. De helft van de studenten (51 procent) ervaart psychische klachten (zoals angst en somberheid), van wie 12 procent in ernstige mate. Hun mentaal welbevinden (dat is: veerkracht, positieve mentale gezondheid en levenstevredenheid) is niet in balans. Er blijkt een samenhang te zijn tussen het mentaal welbevinden en psychische klachten: bij studenten met een sterke positieve mentale gezondheid of veerkracht komen minder vaak psychische klachten voor. Verder blijkt dat studenten veel stress, prestatiedruk en slaapproblemen ervaren en dat er een sterke samenhang is tussen deze factoren en een mindere mentale gezondheid. Datzelfde geldt voor eenzaamheid en een gebrek aan sociale steun, zoals van familie en vrienden. Studievoortgang en omvang van de studieschuld lijken er minder sterk mee samen te hangen. Het is belangrijk om het mentaal welbevinden te vergroten en studenten optimaal te laten functioneren. Dit vraagt om meer aandacht voor het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van studenten. Zowel vanuit landelijk beleid als het onderwijs zelf. Vóór de coronacrisis bestond al bezorgdheid over de mentale gezondheid van studenten. In de onderzochte periode, voorjaar 2021, golden maatregelen om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan, zoals de sluiting van de horeca en de avondklok. De resultaten van het onderzoek zijn hierdoor beïnvloed, en vergroten de al bestaande zorg over de mentale gezondheid van studenten. Het is de eerste keer dat de mentale gezondheid van studenten voor heel Nederland in kaart is gebracht. Het onderzoek zal de komende jaren worden herhaald om te kijken hoe dit zich ontwikkelt. En ook om na te gaan in hoeverre een invloed van corona blijft voortduren. Het RIVM, het Trimbos-instituut en GGD GHOR Nederland hebben deze studentenmonitor opgezet en uitgevoerd. Dit is gedaan op verzoek van de ministeries van OCW en VWS.
  • Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs. Deelrapport II. Middelengebruik van studenten in het hoger onderwijs

    Dopmeijer, JM; Nuijen, J; Busch, MJM; Tak, NI; van Hasselt, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-11)
    Voor het eerst is landelijk onderzocht hoe het gaat met het middelengebruik van studenten in het hoger beroepsonderwijs en op de universiteit. Ruim 28.000 studenten vulden hiervoor in het voorjaar van 2021 een vragenlijst in over het gebruik van alcohol, drugs, tabak en over gamen. Ook is in kaart gebracht welke factoren met het middelengebruik samenhangen. Studenten die veel middelen gebruiken zijn vaker mannelijke studenten en studenten die op kamers wonen. Vergeleken met leeftijdsgenoten die niet studeren of de bevolking in zijn geheel, drinken studenten meer alcohol en gebruiken meer drugs, vooral cannabis en xtc. Dit ondanks de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken, zoals de sluiting van de horeca en de avondklok. Wel zegt een groot deel van de studenten dat ze minder alcohol en xtc gebruiken dan voor de coronacrisis. Dat geldt niet voor cannabisgebruik: ruim een kwart van de gebruikers gebruikt dat vaker. Er is geen duidelijke samenhang gevonden tussen het gebruik van alcohol en xtc en mentale problemen, zoals stress en eenzaamheid. Een verband met mentale gezondheid is wel te zien bij studenten die veel cannabis gebruiken of veel gamen. Verder valt op dat studenten die vaak middelen gebruiken, ook vaker een hoge studieschuld hebben. Meer onderzoek is nodig om te ontdekken wat de precieze redenen zijn voor de relatie tussen middelengebruik en studieschuld. In dit onderzoek is voor het eerst in kaart gebracht hoe vaak studenten concentratieverhogende middelen gebruiken, zoals Ritalin, zonder doktersvoorschrift. Een op de twintig studenten heeft dat in de 12 maanden voorafgaand aan het invullen van de vragenlijst één keer of vaker gedaan. Dat zijn vooral studenten die veel stress en prestatiedruk ervaren en studenten met concentratie-, lees- en rekenproblemen. De cijfers laten zien dat er meer aandacht nodig is om problemen door middelengebruik bij studenten te voorkomen. Zowel vanuit landelijk en lokaal beleid als het onderwijs zelf. Het is de eerste keer dat het middelengebruik van studenten voor heel Nederland in kaart is gebracht. Het onderzoek zal de komende jaren worden herhaald om te kijken hoe dit zich ontwikkelt. En ook om na te gaan in hoeverre de invloed van corona blijft voortduren. Het Trimbos-instituut, het RIVM en GGD GHOR Nederland hebben deze studentenmonitor opgezet en uitgevoerd. Dit is gedaan op verzoek van de ministeries van OCW en VWS.
  • Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale Borssele in 2020

    Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-05)
    Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale Borssele lag in 2020 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 1,2 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de herziening van de kernenergiewetvergunning van 2018 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het RIVM MONET-meetnet, dat in beheer is van het RIVM. Van de meting wordt vervolgens de hoeveelheid die van nature voorkomt (natuurlijke achtergrondwaarde) afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na het gebruik van deze ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis ten gevolge van externe gammastraling 1,2 microsievert per jaar. In 2020 is met acht monitoren op verschillende plekken op de terreingrens continu het gammastralingsniveau gemeten. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2020 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
  • Zout-, verzadigd vet- en suikergehalten in bewerkte voedingsmiddelen. RIVM Herformuleringsmonitor 2020

    Steenbergen, E; Wilson-van den Hooven, EC; ter Borg, S; Brants, HAM; Niekerk, EM; Lindeboom, A; de Klein, RJ; Milder, IEJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-04)
    De Nederlandse overheid wil dat consumenten gemakkelijk voor gezonde voedingsmiddelen kunnen kiezen. Daarom stimuleert de overheid onder andere producenten om minder zout, verzadigd vet en suiker in hun voedingsmiddelen te doen. De voedingsindustrie heeft met het ministerie van VWS afspraken gemaakt over de maximale gehalten zout, verzadigd vet en suiker. Deze afspraken komen voort uit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling (AVP), dat liep van 2014 tot en met 2020. Sinds 2012 brengt het RIVM elke twee jaar in kaart hoeveel zout, verzadigd vet en suiker in bewerkte voedingsmiddelen in supermarkten zit (Herformuleringsmonitor). Deze monitor wordt sinds 2014 gebruikt om de samenstelling te volgen van voedingsmiddelen(groepen) waarvoor vanuit het AVP afspraken zijn gemaakt. Deze afspraken gaan vaak over specifieke producten binnen een groep voedingsmiddelen. Dit is de laatste monitor van deze afspraken. In de meeste voedingsmiddelengroepen zijn de gehalten zout, verzadigd vet en suiker in gelijk gebleven of gedaald ten opzichte van 2018. In 2018 is de werkwijze van de Herformuleringsmonitor veranderd. Hierdoor kan niet worden gezegd of de gehalten zijn veranderd ten opzichte van de monitors voor 2018. De lagere gehalten zijn vooral te zien bij de productgroepen waarvoor vanuit het AVP afspraken zijn gemaakt. Het gehalte van zout is vooral lager geworden in sommige bewerkte vleesproducten (zoals knakworst in blik en filet americain), currysaus, naturel aardappelchips en peulvruchten in blik. Er zit minder verzadigd vet in enkele vleeswaren (gebraden gehakt, leverworst). Voor suiker zijn de grootste afnames te zien in (fris)dranken. Gemiddeld zat 72 procent van de AVP-producten op of onder het maximale zoutgehalte, voor het verzadigd vetgehalte is dat 86 procent en voor suikergehalte 71 procent. Sommige afspraken konden niet worden gemonitord, omdat ze nog doorlopen of omdat niet genoeg gegevens beschikbaar zijn. Het AVP krijgt een vervolg in een nieuwe aanpak voor een breder productassortiment. Naast een verbeterde productsamenstelling blijft een gezond voedingspatroon belangrijk om minder ongezonde voedingsstoffen binnen te krijgen.
  • Toepassing van thermisch gereinigde grond. Een evaluatie en opties voor een toepassingskader

    Brand, E; Rutgers, M; Schouten, T; Versluijs, K; Negash, A; Dijkstra, J; Comans, R; Breure, T; Otte, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-04)
    Thermisch Gereinigde Grond (TGG) is een mengsel van grond en andere materialen dat wordt verhit om organische verontreinigingen te verwijderen. Daarna kan de TGG opnieuw worden gebruikt. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft het RIVM gevraagd om de normen en de onderzoeksmethode voor TGG te evalueren. Aanleiding hiervoor zijn milieuproblemen die zijn ontstaan bij het gebruik van TGG. Met deze evaluatie wordt duidelijk wat nodig is om de kwaliteit van TGG beter te beoordelen. Het blijkt dat de wetgeving niet of onvoldoende geschikt is om TGG veilig voor het milieu te kunnen gebruiken. In TGG worden bepaalde stoffen in te hoge concentraties aangetroffen, zoals benzeen. Ook komen er meer verontreinigde stoffen uit TGG dan verwacht, zoals zware metalen en zouten. Dit verschil ontstaat vooral doordat TGG andere eigenschappen heeft dan gewone grond. Zo bevat TGG geen organische stof meer, is de bodemstructuur veranderd en de zuurgraad laag (hoge pH). De wetgeving is gebaseerd op eigenschappen van gewone grond en houdt geen rekening met de eigenschappen van TGG. Het RIVM adviseert daarom om bij de toetsing voor het gebruik van TGG wel met deze eigenschappen rekening te houden. Het RIVM adviseert ook om breder onderzoek te doen naar de uitloging van grond, bouw- en reststoffen om nieuwe normen te ontwikkelen als dat nodig blijkt. Ook uit andere hergebruikte materialen, zoals bouwmaterialen, kunnen meer schadelijke stoffen vrijkomen dan voor het milieu wenselijk is. In afwachting van nieuwe normen heeft het RIVM een eerste toepassingskader ontwikkeld. Hierin worden handvatten gegeven om TGG veilig te kunnen gebruiken. Ook wordt in het toepassingskader rekening gehouden met de bijzondere eigenschappen van TGG en het gewenste doel van het gebruik.
  • Chemische veiligheid mondkapjes. Voortgangsrapportage

    Wijnhoven, SWP; Brand, W; Hendriks, HS; Huiberts, EHW; van Kesteren, PCE; Visser, MJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-11-02)
    Sinds 1 juni 2020 is het in Nederland verplicht om een ‘niet-medisch mondkapje’ te dragen in het openbaar vervoer. Later dat jaar moest dat ook in alle publieke binnenruimtes. Naar aanleiding van de schaarste aan niet-medische mondkapjes zijn mensen ze zelf gaan maken. Ook behandelen mensen mondkapjes met desinfecterende sprays of etherische olie. Ze doen dat om de mondkapjes langer mee te laten gaan of frisser te laten ruiken. Er bestaan nog geen specifieke wettelijke eisen voor niet-medische mondkapjes. Uit zowel de media als de wetenschap kwamen berichten dat niet alle chemische stoffen die erin zaten of de toevoegingen, veilig waren om in te ademen. Daarom verzamelt en beschrijft het RIVM sinds mei 2020 signalen over mogelijk ongezonde stoffen in mondkapjes. Het gaat zowel om gekochte als zelfgemaakte mondkapjes. Er is nog te weinig informatie beschikbaar om te kunnen beoordelen of mondkapjes met claims als ‘antibacterieel’ of ‘antiviraal’ veilig zijn. Aan deze mondkapjes zijn vaak stoffen als (nano)zilver, (nano)koper, titaniumdioxide en/of grafeen toegevoegd. Mondkapjes zonder toevoegingen zijn, voor zover bekend, in chemisch opzicht veilig om te gebruiken. Het gebruik van sprays of etherische olie lijkt de beschermende functie van het mondkapje niet te verbeteren. En het kan ongewenste (allergische) reacties veroorzaken. Mensen hebben onder andere stofzuigerzakken en HEPA-filters voor stofzuigers gebruikt om mondkapjes van te maken of als filter in mondkapjes te stoppen. Maar aan stofzuigerzakken kunnen antimicrobiële stoffen zijn toegevoegd die schadelijke of ongewenste organismen bestrijden (biociden). Ook zijn er stoffen toegevoegd die geuren opnemen. Het kan schadelijk zijn als mensen deze stoffen inademen. Het RIVM raadt het daarom af om van stofzuigerzakken of - filters mondkapjes te maken. Consumenten zijn via de websites van het RIVM, de rijksoverheid, en Waarzitwatin geïnformeerd over de resultaten van dit onderzoek. In 2020 is er een vrijwillig NEN-keurmerk voor niet-medische mondkapjes ontwikkeld, dat sinds januari 2021 op verpakkingen van sommige mondkapjes staat. Ondanks het feit dat door de recente versoepelingen in Nederland mondkapjes alleen nog maar in het openbaar vervoer gedragen hoeven te worden, adviseert het RIVM om de ontwikkelingen van dit product te blijven volgen.
  • Validation of the TBX pour plate method (ISO 16649-2) for the enumeration of Escherichia coli in Live Bivalve Molluscs: renewal study for alignment with EN ISO 16140-2:2016

    Pol-Hofstad, IE; Jacobs-Reitsma, WF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-29)
    Volgens Europese wetgeving moet worden aangetoond of consumenten veilig schelpdieren kunnen eten. Hiervoor wordt geteld hoeveel Escherichia coli bacteriën er in het schelpdiervlees zitten. Om ze rauw of gekookt te mogen eten is een maximum aantal bacteriën toegestaan. Om bijvoorbeeld oesters rauw te kunnen eten mogen er niet meer dan 230 E. coli bacteriën in zitten. Wanneer er meer bacteriën in de schelpdieren zitten, dan moeten ze bijvoorbeeld gekookt worden om de bacteriën te doden voordat je ze veilig kunt eten. De Europese regelgeving verplicht de Europese lidstaten de MPN-methode te gebruiken om de aantallen te tellen. Om een andere methode te kunnen gebruiken, moet worden aangetoond dat deze methode dezelfde resultaten geef t als de MPN. Dit gebeurt met een validatiestudie. Het RIVM heeft dat eerder gedaan voor de TBX-methode (MicroVal-certificaat met certificaatnummer: 2007-LR07). De regels om dat aan te tonen staan beschreven in een ISO-norm (EN ISO 16140:2003). Maar deze eerdere studie is in 2017 verlopen en de ISO is veranderd. Daarom heef t het RIVM een nieuwe validatiestudie gedaan volgens de nieuwe regels (EN ISO 16140-2:2016). Ook nu blijkt dat de TBXmethode dezelfde resultaten geef t als de MPN-methode. De TBXmethode mag daarom nu ook worden gebruikt om de Escherichia coli bacterie in schelpdieren te tellen. Voor deze studie moesten enkele nieuwe experimenten worden gedaan. Hiervoor zijn de volgende schelpdiersoorten gebruikt: oesters, mosselen, kokkels en ensis. Alle proeven gaven dezelfde conclusies.
  • Overige broeikasgasemissies in de nationale klimaat- en energieverkenningen (KEV) 2021. Achtergronden bij de ramingen van de overige broeikasgasemissies uit alle sectoren exclusief de landbouw

    Honig, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-28)
    Het RIVM heeft de methode beschreven waarmee de uitstoot van de ‘overige broeikasgassen’ door alle sectoren behalve de landbouw (veeteelt en akkerbouw) wordt geraamd voor de toekomst. Het gaat om methaan (CH4), lachgas (N2O) en de gefluoreerde broeikasgassen (HFK’s, PFK’s en SF6), ook wel F- gassen genoemd. Verschillende sectoren stoten deze gassen uit zoals de afvalsector, de industrie en de landbouw. De methodebeschrijving is een bijlage bij de Klimaat- en Energieverkenning (KEV), die het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) elk jaar uitbrengt. De KEV kijkt vooruit: hierin staat aangegeven hoeveel uitstoot van broeikasgassen tot 2040 worden verwacht (ramingen). Deze ramingen worden gemaakt voor twee scenario’s: de effecten van het huidige klimaatbeleid en van voorgenomen beleid. De methodebeschrijving voor de uitstoot van CO2 en van de overige broeikasgassen uit de landbouw staan niet in deze bijlage. Zij worden in het hoofdrapport beschreven omdat zij het grootste deel van de uitstoot vormen. De overige broeikasgassen worden omgerekend naar zogeheten CO2-equivalenten, zodat ze met CO2 kunnen worden vergeleken. Deze rekeneenheid geeft aan in welke mate broeikasgassen bijdragen aan het broeikaseffect.
  • Analyseren van het effect van het hebben van diabetes op de sterftekans en levensverwachting

    Poos, R; Nielen, M; Hilderink, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-26)
    Mensen met diabetes leven gemiddeld korter dan mensen zonder diabetes. Dat komt niet alleen omdat ze diabetes hebben maar ook vaker andere ziekten. Dat veroorzaakt een grotere kans op overlijden. Het maakt daarbij uit welke soort diabetes iemand heeft. Bij diabetes type 1 werkt het natuurlijk afweersysteem niet goed. Bij type 2 speelt een ongezonde leefstijl een rol. Een ongezonde leefstijl vergroot de kans dat iemand diabetes type 2 krijgt én de kans dat die persoon aan een andere ziekte overlijdt, zoals hart- en vaatziekten. Mensen van 45 jaar met diabetes type 1 leven gemiddeld 13 jaar korter dan mensen zonder diabetes. Voor een 45-jarige met diabetes type 2 is dat gemiddeld 4 jaar korter. De kans om te sterven is voor mensen van 45 tot 60 jaar met diabetes type 1 ongeveer 5 keer groter dan voor mensen zonder diabetes van deze leeftijd. Dit verschil wordt kleiner naarmate ze ouder worden, omdat ook mensen zonder diabetes dan steeds vaker een of meer ziekten krijgen. Bij diabetes type 2 is de sterftekans voor mensen van 45 tot 60 jaar ongeveer 2 keer zo groot als voor mensen zonder diabetes. Ook hier neemt het verschil af naarmate ze ouder worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Hiervoor is een methode ontwikkeld om te berekenen welk effect het hebben van diabetes type 1 en type 2 in Nederland heeft op de kans op overlijden en de levensverwachting. Hiervoor heeft het RIVM cijfers van huisartsen die het Nivel heeft verzameld gekoppeld aan de sterftecijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Voor mensen onder de 45 jaar konden geen betrouwbare uitspraken worden gedaan omdat er weinig mensen met diabetes in deze leeftijdsgroep overlijden. Het onderzoek is in opdracht van het Diabetes Fonds gedaan. Dit fonds wil onder andere graag meer informatie over sterfte en levensverwachting om meer aandacht voor diabetes te vragen. Er zijn verschillende vormen van diabetes, waarvan diabetes type 1 en type 2 het meeste voorkomen. Deze twee typen hebben verschillende symptomen, worden anders behandeld en kunnen tot andere complicaties leiden. Diabetes type 2 komt veel vaker voor dan type 1.
  • Nanotechnology and Safe-by-Design. Inventory of research into Safe-by-Design Horizon 2020 projects from 2013 to 2020

    Krans, N; Hernandez, L; Noorlander, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-26)
    Een veilige, schone en gezonde leefomgeving is heel belangrijk voor Europa. De Nederlandse overheid streeft ernaar dat alle nieuwe materialen en technologische ontwikkelingen in 2050 veilig zijn voor mensen en milieu. Dit wordt gedaan door ze al vanaf de ontwerpfase veilig en gezond te laten zijn. Dit concept heet Safe-by-Design. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van onderzoeken die tussen 2013 en 2020 in Europa zijn gedaan naar Safe-by-Design. De projecten waren meestal onderdeel van het Europese onderzoeksprogramma Horizon 2020. Het RIVM richtte zich hierbij op onderzoeksprojecten over de veiligheid van nanomaterialen. Nanodeeltjes zijn hele kleine deeltjes, die zich anders kunnen gedragen dan 'normale' deeltjes en daardoor een risico vormen. Het overzicht is gemaakt in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Dit is uitgevoerd om milieubeleid te ondersteunen waarvan Safe-by-Design een belangrijk onderdeel is. Het overzicht kan gebruikt worden voor onder andere beleidsmakers en de industrie te informeren en inspireren. In het overzicht staan 74 onderzoeken beschreven, die elk zijn samengevat en onderverdeeld in vier beleidsthema’s: onderzoek, onderwijs, industrie en beleid (strategisch positioneren). Per thema zijn de resultaten van die onderzoeken weergegeven, zoals lesmateriaal bij onderwijs, en handleidingen en instrumenten bij industrie. Deze inventarisatie vormt een goede basis om vervolgactiviteiten te formuleren die de transitie naar Safe-by-Design-implementatie bevorderen.

View more