The RIVM's legal task is to investigate and report on questions addressed by the Dutch government. The findings from these investigations are published in the series RIVM reports.

Collections in this community

Recent Submissions

  • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2020

    Hoogerbrugge, R; Geilenkirchen, GP; den Hollander, HA; Schuch, W; van der Swaluw, E; de Vries, WJ; Wichink Kruit, RJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-19)
    Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor heel veel stoffen, waaronder stikstofdioxide, ammoniak en fijnstof. Ook wordt de hoeveelheid stikstof die op de bodem en planten neerslaat, de stikstofdepositie, in kaart gebracht. Naast de jaarlijkse berekeningen maakt het RIVM verwachtingen voor 2020, 2025 en 2030. Hierbij is geen rekening gehouden met de mogelijke langetermijneffecten van de COVID-19-pandemie. De kaarten worden gebruikt om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de stikstofdepositie in Nederland te volgen. De overheden gebruiken de kaarten om nieuw beleid te maken om de luchtkwaliteit te verbeteren en de stikstofdepositie te verminderen. Luchtverontreiniging is schadelijk voor de volksgezondheid. Te veel stikstofdepositie op natuurgebieden is schadelijk voor het aantal soorten. De kaarten worden gemaakt door metingen te combineren met modelberekeningen. Zo komen de kaarten het beste overeen met de werkelijke situatie. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties De gemeten concentraties stikstofdioxide in de lucht zijn in 2019 gemiddeld iets (circa 5 procent) lager dan in 2018. Naar verwachting zullen de gemiddelde concentraties in Nederland in 2030 ongeveer 30 procent lager zijn dan de concentraties in 2019. Deze concentraties dalen iets minder dan vorig jaar, werd verwacht. Dit komt vooral doordat de verkeersemissies naar verwachting minder zullen dalen. De gemeten concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) waren in 2019 ook iets lager dan in 2018 (ongeveer 7 procent en 13 procent). De verwachting is dat de gemiddelde berekende Nederlandse concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) in de komende tien jaar nog ongeveer 13 respectievelijk 20 procent dalen. Ammoniakconcentraties en stikstofdepositie Ammoniak in de lucht levert een belangrijke bijdrage aan de hoeveelheid stikstof die uiteindelijk op de bodem en planten neerslaat. De concentraties ammoniak in de lucht zijn daarom een graadmeter voor de hoeveelheid ammoniak die neerslaat. De gemeten concentraties ammoniak in de lucht zijn in 2019 ongeveer 12 procent lager dan in 2018. In 2018 waren de concentraties door de weersomstandigheden overigens hoger dan normaal De gemiddelde stikstofdepositie op het totale Nederlandse landoppervlak was in 2019 circa 7 procent lager dan in 2018. De verwachting, vanuit het huidige beleid, is dat deze stikstofdepositie in Nederland tot 2030 met ongeveer 15 procent zal dalen. De stikstofdepositie is vooral van belang in de Natura 2000- gebieden. De gemiddelde daling tussen 2019 en 2030, in de Natura 2000- gebieden op het Nederlandse landoppervlak, is ook ongeveer 15 procent.
  • Inzicht in beleidsacties richting een circulaire economie : Monitoring van acties en verkenning van transitie-indicatoren per prioritaire keten

    Lijzen, JPA; Bastein, T; van Bruggen, AR; Hollander, A; van Kuppevelt, MA; Rietveld, E; Zwartkruis, JV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-16)
    De Nederlandse rijksoverheid streeft naar een circulaire economie in 2050. Om deze overgang te stimuleren heeft zij doelen en acties beschreven voor beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De doelen en acties om deze transitie te versnellen staan beschreven in het Uitvoeringsprogramma circulaire economie 2019 het Rijksbrede programma circulaire economie (2016) en de Transitieagenda's (2018). Vijf sectoren hebben voorrang: biomassa en voedsel, kunststoffen, de maakindustrie, consumptiegoederen en de bouw. Inmiddels zijn de acties in het Uitvoeringsprogramma goed van start gegaan: in september 2019 was ruim tachtig procent in uitvoering. Om de versnelling naar de circulaire economie te realiseren, beveelt het RIVM de overheid aan om concreter te benoemen welke veranderingen Nederland in gang wil zetten. Dit maakt het makkelijker om te bepalen welke acties nodig zijn. Ook is daardoor beter te monitoren welke verandering per sector plaatsvindt. Het RIVM heeft geanalyseerd op welk type actie de nadruk ligt in de drie genoemde beleidsdocumenten. Er blijkt nog vrij weinig aandacht te zijn voor hergebruik en reparatie van producten en materialen, en voor productontwerp. Deze aandacht is nodig voor de gewenste versnelling, wat betrokken partners in reflectiebijeenkomsten bevestigen. Het RIVM beveelt ook aan gedetailleerder in kaart te brengen waar acties per sector zich vooral op richten. Uit de inventarisatie blijkt dat voor een deel van de acties data over de voortgang ontbreken. Voor een goede monitoring is het belangrijk om deze informatie voor alle acties op dezelfde wijze beschikbaar te hebben. Het bleek waardevol om de analyse van de nadruk en de voortgang met alle betrokken partners te bespreken. Het resultaat is te gebruiken voor de jaarlijkse actualisatie van het uitvoeringsprogramma. Om de resultaten van de acties te kunnen gaan meten, stelt het RIVM per sector indicatoren voor. Denk aan de mate waarin overheden circulair inkopen en de bouwsector materialenpaspoorten gebruikt. Veel data voor de indicatoren kunnen uit bestaande lokale bronnen worden gehaald, maar zijn nog niet structureel beschikbaar. Aanbevolen wordt voor een aantal indicatoren gericht data te verzamelen, te beginnen met indicatoren waarvoor data beschikbaar zijn.
  • Effectiviteit van gebruiksadviezen bij diffuus lood in de bodem : Rapportage over een onderzoek in de gemeente Zaanstad

    Devilee, J; Dirven, L; Claassen, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-15)
    In veel oude binnensteden en stedelijke gebieden is de bodem 'diffuus' verontreinigd met lood. Dit betekent dat er geen duidelijke bron van de verontreiniging is. Ook verschillen de loodgehalten in het gebied sterk en is een groot gebied verontreinigd. Dit is vooral het geval in wijken in vooroorlogse stadscentra, oude dorpskernen en veengebieden waarvan de grond is opgehoogd en verstevigd. Omdat het duur en ingrijpend is om alle bodem in deze gebieden schoon te maken, vertrouwen beleidsmakers bij de aanpak van diffuus lood deels op gebruiksadviezen, die de blootstelling zouden moeten verkleinen. Voorbeelden zijn handen wassen na tuinieren en kinderhanden wassen na buiten spelen en groenten kweken in bakken met schone aarde. Door gedrag dat mensen uit zichzelf doen, zoals zelfgekweekte groenten wassen en tuinen betegelen, wordt de blootstelling ook verlaagd, maar dat is niet genoeg. Het was nog niet bekend of bewoners gebruiksadviezen opvolgen en hiermee de blootstelling inderdaad verkleinen. Kennis hierover is belangrijk, omdat lood in de bodem al snel risico's kan hebben voor de gezondheid van mensen, en vooral van kinderen. Ook bij lage blootstellingen. Het RIVM heeft in Zaanstad onderzocht of bewoners gebruiksadviezen ontvangen en als een gevolg hiervan extra maatregelen nemen. Dat laatste blijkt minder vaak te gebeuren dan wordt gedacht, ondanks een groots opgezette communicatiecampagne. Het gevolg van deze resultaten kan zijn dat extra maatregelen nodig zijn, zoals gebruiksbeperkingen of de grond vaker schoonmaken. Om dat zeker te weten adviseert het RIVM om het onderzoek in andere gemeenten te herhalen.
  • Grip op chemische stoffen : Jaarverslag Bureau REACH 2019

    Wouters, M; de Kort, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-12)
    Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij, van weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen tot kleurstoffen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is er Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen) en CLP (Classification (indeling), Labeling (etikettering) en Packaging (verpakking) van stoffen en mengsels). In opdracht van de Ministeries van IenW, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM de uitvoering van deze Europese wetgeving. Dit jaarverslag beschrijft in hoofdlijnen de activiteiten in 2019 en belicht enkele specifieke cases. Bijvoorbeeld de officiële identificatie van GenX als Europese zeer zorgwekkende stof voor autorisatie (SVHC). Verder blijkt dat de te lage dosering van chemische stoffen in toxiciteitstesten gevolgen heeft voor de mogelijkheid om risicobeheersmaatregelen op te leggen bij het gebruik van die stoffen. Bureau REACH stelt onder andere dossiers op om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof te vragen, of om de stof te identificeren als zeer ernstige zorgstof. Ook kan de classificatie van een stof Europees worden vastgesteld. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers die door andere landen en de industrie worden ingediend.
  • Medicijnresten en waterkwaliteit: een update

    Moermond, CTA; Montforts, MHMM; Roex, EWM; Venhuis, BJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-12)
    Medicijnresten komen na gebruik door de patiënt via het riool in het oppervlaktewater terecht. Volgens het RIVM zijn de medicijnresten een risico voor dieren en planten die in het oppervlaktewater leven. Regelmatig gaan concentraties van verschillende soorten medicijnresten over risicogrenzen heen: van pijnstillers en antibiotica tot bloeddrukverlagers, antidepressiva en anti-epileptica. Dit blijkt uit nieuw onderzoek van het RIVM en Deltares naar medicijnresten in oppervlaktewater. In 2017 en 2018 hebben concentraties van 19 verschillende stoffen een of meerdere keren de risicogrens overschreden. Waarschijnlijk gebeurt dit vaker. Veel medicijnresten hebben namelijk een heel lage risicogrens. Waterbeheerders zijn niet altijd in staat stoffen op dit lage niveau aan te tonen. Jaarlijks bereikt minstens 190 ton medicijnresten het oppervlaktewater. Dat is meer dan het RIVM in 2016 schatte (minstens 140 ton). Dat komt omdat er nauwkeurigere gegevens zijn gebruikt over de mate waarin medicijnen in de mens worden afgebroken en de rioolwaterzuivering ze uit het afvalwater haalt. De werkelijke hoeveelheid medicijnresten die in het oppervlaktewater belandt is nog groter, omdat de huidige schatting voornamelijk gaat over receptgeneesmiddelen uit de openbare apotheek. Het gebruik van geneesmiddelen uit de vrije verkoop en de specialistische zorg is niet bekend. Er is ook geen rekening gehouden met afbraakproducten die in het water weer de vorm van de oorspronkelijke werkzame stof kunnen krijgen. Deze terugvorming zorgt mogelijk voor nog eens 50 tot 500 ton extra medicijnresten per jaar. De huidige analyse laat zien dat medicijnresten een risico vormen voor het watermilieu. Onderzoek naar nog meer stoffen kan het beeld genuanceerder maken, maar verandert de conclusie voor de stofgroep als geheel niet. Deze informatie kan beleidsmakers helpen om te beslissen of en waar maatregelen nodig zijn. Dit onderzoek is een vervolg op een eerdere studie uit 2016, waarin meetgegevens uit 2014 zijn gebruikt. Het RIVM en Deltares hebben nu nieuwe meetgegevens van waterbeheerders uit 2017 en 2018 gebruikt. Het onderzoek bevestigt de conclusies uit 2016.
  • Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale Borssele in 2019

    Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-08)
    Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2019 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 1,5 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na de toepassing van deze ABCfactor is de berekende maximale effectieve dosis 1,5 microsievert per jaar. In 2019 is met acht monitoren op de terreingrens het gammastralingsniveau continu gemeten. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2019 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
  • Verkorte uitvoeringstoets aanvulling bevolkingsonderzoek borstkanker met MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel. : September 2020

    van Sonderen, JF; van Kerkhof, LWM; van Klink-de Kruijff, IE; Jansen, ME; Lock, AJJ; Klein, AW; Kallendorf, BG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-06)
    Volgens het RIVM is het in principe mogelijk het bevolkingsonderzoek borstkanker uit te breiden met een MRI-scan voor vrouwen die zeer dicht borstweefsel hebben. Deze vrouwen hebben een grotere kans op borstkanker en tumoren in zeer dicht borstweefsel zijn op de gewone röntgenfoto moeilijker te zien. Een belangrijke randvoorwaarde voor de uitbreiding van het bevolkingsonderzoek is dat er voldoende medisch personeel beschikbaar is op de arbeidsmarkt. Er moet nog onderzocht worden of er bij de vrouwen in de doelgroep en bij de bestuurders van ziekenhuizen genoeg draagvlak is voor de uitbreiding. Dit onderdeel van de 'verkorte uitvoeringstoets' naar de uitbreiding is vertraagd door de uitbraak van het nieuwe coronavirus. Het RIVM adviseert om het MRI-onderzoek in ziekenhuizen uit te voeren, gecoördineerd door de screeningsorganisaties. De belangrijkste reden is dat ziekenhuizen de noodzakelijke medische zorg in huis hebben als mensen allergisch reageren op de contrastvloeistof die zij voor de MRI krijgen ingespoten. Deze reactie komt heel weinig voor maar vraagt om acute zorg. Landelijke voorwaarden en meetprotocollen zorgen ervoor dat ziekenhuizen het MRI-onderzoek op dezelfde manier doen. Dat is belangrijk om resultaten te kunnen vergelijken en bij te kunnen houden hoe vaak een tumor wordt opgespoord met deze uitbreiding van het bevolkingsonderzoek. Het RIVM onderzocht of de uitbreiding van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker met een MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel uit te voeren is. Als uit het gewone bevolkingsonderzoek blijkt dat een vrouw zeer dicht borstweefsel heeft, wordt zij bij deze uitbreiding uitgenodigd voor een aanvullende MRI. Het gaat om ongeveer 8 procent van de vrouwen van 50 tot 75 jaar die worden uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek borstkanker, zo'n 80.000 vrouwen per jaar. Deze uitvoeringstoets van het RIVM wordt tegelijk uitgebracht met het advies van de Gezondheidsraad over de uitbreiding. Het RIVM heeft drie mogelijkheden geanalyseerd om een MRI-onderzoek uit te voeren: in mobiele MRI-bussen, in MRI-centra speciaal voor de screening, en in ziekenhuizen. Alle betrokken organisaties hebben aan de analyse meegewerkt: de screeningsorganisaties, de kenniscentra voor de bevolkingsonderzoeken naar kanker, koepels van beroepsgroepen in de zorg, ziekenhuizen (met name radiologen), een patiëntenorganisatie, Zorgverzekeraars Nederland, en overheidsorganisaties die zich bezighouden met de kwaliteit en financiering van de zorg.
  • Blauwalgenprotocol 2020

    Schets, FM; van der Oost, R; van de Waal, DB; Lammertink, M; Slot, D; van Druten, GHthM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2020-10-01)
    Wanneer er veel blauwalgen in zwemwater zitten, kunnen ze voor overlast (zoals stank) en gezondheidsrisico's (zoals milde huid- en maagdarmklachten) voor zwemmers zorgen. De kwaliteit van water van officiële zwemlocaties moet voldoen aan Europese eisen. Om de gezondheid van zwemmers op deze zwemlocaties te beschermen, gebruiken waterbeheerders in Nederland daarom het Blauwalgenprotocol. Dit protocol vertelt hen hoe ze zwemlocaties moeten controleren op blauwalgen en welke maatregelen ze moeten nemen. Het Blauwalgenprotocol 2020 doet dit volgens de nieuwste inzichten Het Blauwalgenprotocol 2020 is een update. De update was nodig omdat er sinds het laatste Blauwalgenprotocol, uit 2012, nieuwe inzichten zijn hoe de aanwezigheid van blauwalgen kan worden gevolgd. Ook wil de overheid de blauwalgenproblematiek in heel Nederland op dezelfde manier aanpakken. Blauwalgen kunnen soms giftig zijn. Omdat het niet altijd mogelijk is de giftige van de niet-giftige te onderscheiden, gaat het Blauwalgenprotocol 2020 er voor de zekerheid vanuit dat ze allemaal giftig kunnen zijn. Waterbeheerders controleren zwemlocaties door lokaal de situatie te bekijken. Daarna onderzoeken ze het water in het laboratorium. Ze volgen hierbij een verplichte, vaste procedure. Zo wordt vastgesteld hoeveel blauwalgen er in het water zitten en hoe groot het risico is. Waterbeheerders mogen ook extra onderzoek doen als zij dat nodig vinden. Als het risico bekend is, worden de maatregelen genomen die daarbij horen en worden de zwemmers geïnformeerd. Dit kan een waarschuwing, een negatief zwemadvies of een zwemverbod zijn. Dit wordt ter plaatse aangegeven en op www.zwemwater.nl. Door het Blauwalgenprotocol 2020 na te leven tijdens het zwemseizoen (1 mei - 1 oktober) voldoet Nederland aan de eisen van de Europese Zwemwaterrichtlijn.
  • Particulier gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

    Komen, CMD; Wezenbeek, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-01)
    Particulieren gebruiken de laatste jaren meer bestrijdingsmiddelen in hun tuin. Deze middelen worden gewasbeschermingsmiddelen genoemd. Tuinbezitters gebruiken vooral steeds meer middelen tegen insecten. De hoeveelheid gebruikte middelen tegen onkruid blijft gelijk. Tegen onkruid gebruikt men wel steeds meer bestrijdingsmiddelen op basis van organische zuren en minder op basis van glyfosaat. Het Europese en Nederlandse beleid streeft naar vermindering van het particuliere gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het doel is er voor te zorgen dat particulieren ziekten, plagen en onkruiden niet aanpakken met gewasbeschermingsmiddelen, maar door gebruik te maken van bijvoorbeeld gronddoek, schoffels en andere niet-chemische methoden. Er is een Green Deal gesloten tussen de overheid en brancheorganisaties, waarin maatregelen zijn afgesproken om dit doel dichterbij te brengen. Het RIVM heeft een analyse gemaakt van de verkoopgegevens van gewasbeschermingsmiddelen aan particulieren en hoe particulieren onkruid bestrijden. De gegevens gaan over de jaren 2014-2019. Uit de resultaten blijkt dat de maatregelen in de Green Deal niet hebben geleid tot een verminderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door particulieren. Gewasbeschermingsmiddelen die particulieren gebruiken zijn bestrijdingsmiddelen tegen onder andere onkruid, insecten, slakken en schimmels. Chemische middelen zoals (natuur)azijn en schoonmaakazijn behoren niet tot de groep van gewasbeschermingsmiddelen. De verkoop van gewasbeschermingsmiddelen aan particulieren is in de periode 2014-2019 gestegen. Dit is mede het gevolg van de verkoop van deze producten in discountwinkels. Die bieden hun producten tegen een lagere prijs aan. Particulieren kochten vooral onkruid- en insectenbestrijdingsmiddelen. Opvallend hierbij is dat zij meer onkruidbestrijdingsmiddelen zonder glyfosaat kochten. Mogelijk is dit deels het gevolg van discussies in de media over de schadelijke effecten van glyfosaat op het milieu en onze gezondheid. Wat de toename veroorzaakt van de verkoop van insectenbestrijdingsmiddelen aan particulieren is niet duidelijk en dit verdient nader onderzoek. Uit consumentenonderzoek blijkt dat twee van de vijf Nederlanders met een tuin geen onkruidbestrijdingsmiddelen gebruiken. Zij trekken het er met de hand uit of doen er niets tegen. Het aantal tuinbezitters dat wel onkruidbestrijdingsmiddelen gebruikt, is iets minder geworden. Maar zij gebruiken in plaats daarvan wel steeds meer azijn. Dit kan schadelijk zijn voor mens en milieu.
  • Uitvoeringstoets toevoeging Spinale Musculaire Atrofie aan de neonatale hielprikscreening

    Heijnen, ML; Jansen, M; van Gorp, AGM; Hillen, D; Elsinghorst, E; Klein, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-30)
    SMA is een ernstige, aangeboren spierziekte. Kinderen met SMA raken verlamd en kunnen eraan doodgaan. Ieder jaar krijgen 15 tot 20 kinderen de diagnose SMA. De klachten beginnen meestal op jonge leeftijd. Om de ziekte goed te kunnen behandelen, moet ze vroeg worden ontdekt. Het ministerie van VWS heeft het RIVM daarom gevraagd te onderzoeken wat nodig is om SMA toe te voegen aan de hielprik. De resultaten staan in deze uitvoeringstoets. De uitvoeringstoets laat zien dat SMA kan worden toegevoegd aan de hielprik. Het RIVM verwacht dat de screening op SMA in oktober 2022 in het hele land kan beginnen. Nederland is dan een van de eerste landen in Europa die baby's screenen op SMA. Er zijn veel stappen nodig om SMA toe te voegen aan de hielprik. Het is belangrijk dat de screening op SMA goed verloopt en past in het proces van de hielprik. Dan blijft het draagvlak hoog en blijven bijna alle kinderen meedoen. Een van de benodigde stappen is de aanschaf van een goede testmethode om kinderen met SMA op te sporen. Voor de koop van een testmethode gelden wettelijke regels. Na de koop moet worden getoetst of de methode ook in de Nederlandse praktijk de zieke kinderen goed opspoort. Alle screeningslaboratoria in Nederland gaan de test gebruiken zodra de screening op SMA start. Voor sommige kinderen met SMA is nog niet bekend wat het beste moment is om met de behandeling te beginnen. Het is ook nog niet bekend wat het gevolg van de behandeling is na langere tijd. Daarom moet er een plan komen om de screening na een paar jaar te evalueren. Tot voor kort was er geen behandeling voor kinderen met SMA. Die is er nu wel. De zorgverzekeraar betaalt de behandeling.
  • Consequentieonderzoek probitrelaties : De impact van veranderingen in uitkomsten van risicoberekeningen

    Zonneveld, M; Kooi, ES; Uijt de Haag, PAM; Kieskamp, KK (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-30)
    Activiteiten van bedrijven die werken met giftige stoffen, kunnen een risico vormen voor de omgeving. Dit geldt ook voor de buisleidingen waardoor deze stoffen worden vervoerd. In een specifiek gebied om deze bedrijven en buisleidingen heen mogen daarom geen gebouwen zoals woningen en scholen worden gebouwd. Hoe groter het risico, hoe groter dat gebied is. Om de omvang van deze gebieden te kunnen bepalen, wordt berekend hoe groot de kans is dat iemand zou kunnen overlijden bij een incident waarbij deze persoon aan een giftige stof blootstaat. Dit risico wordt berekend met zogeheten probitrelaties, die de overheid voorschrijft. De methode waarmee deze probitrelaties worden bepaald, is in 2015 grondig herzien. Een probitrelatie geeft het verband weer tussen de concentratie van een giftige stof, de duur van de blootstelling en de kans dat een mens eraan overlijdt. De nieuwe probitrelaties zijn beter te controleren en nauwkeuriger. Inmiddels zijn voor veertig giftige stoffen nieuwe probitrelaties bepaald. Het RIVM heeft voor 62 bedrijven in Nederland onderzocht wat de consequenties zijn van de nieuwe probitrelaties. Het gaat om bedrijven die giftige stoffen produceren, opslaan, gebruiken of vervoeren. Bij de meerderheid van de onderzochte bedrijven wordt het gebied waarvoor bouwbeperkingen gelden, groter. Naar verwachting ontstaan in dertien van de 62 onderzochte situaties knelpunten. In de meeste van deze gevallen betekent dit dat er bestaande woningen komen te liggen in het gebied waarvoor bouwbeperkingen gelden. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat besluit hoe en wanneer ze de nieuwe probitrelaties in regelgeving invoeren. Dit onderzoek dient daarvoor als input.
  • De tijdelijke opslag van radioactief afval in ziekenhuizen

    Boudewijns, LHA; van der Linden, M; Siegersma, D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-29)
    Ziekenhuizen gebruiken radioactieve stoffen voor onderzoeken en behandelingen van ziekten (zoals prostaatkanker). Hierbij ontstaat vaak radioactief afval. Het grootste deel van dit afval is na twee jaar niet meer radioactief. Dit deel mogen ziekenhuizen daarom zelf twee jaar opslaan in een aparte afgesloten bergruimte. Daarna kan het als conventioneel bedrijfsafval worden afgevoerd naar een afvalverwerker. Het afval dat langere tijd radioactieve stoffen bevat, wordt voor onbepaalde tijd opgeslagen bij de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA). Een deel daarvan blijkt na enkele jaren weinig radioactief te zijn. Dit zorgt voor onnodige, dure opslag bij de COVRA. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat ziekenhuizen radioactief afval enkele jaren langer op een veilige manier kunnen opslaan. Hierdoor hoeft er minder afval naar de COVRA te worden afgevoerd. Vooral medewerkers van ziekenhuizen staan bloot aan de straling van het afval. Hiervoor nemen zij beschermende maatregelen. Volgens berekeningen van het RIVM neemt deze blootstelling weinig toe als het afval enkele jaren langer blijft staan. Ziekenhuizen verwachten in de toekomst meer radioactieve stoffen te gebruiken, onder andere door de komst van nieuwe behandelingen in de nucleaire geneeskunde. De kans is groot dat dan meer radioactief afval ontstaat. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft het RIVM daarom gevraagd te onderzoeken of ziekenhuizen dit afval veilig langer kunnen opslaan.
  • Ernstige Hinder en Slaapverstoring. Monitoringsgegevens Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW) 2019

    van Poll, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-25)
    Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) wil weten hoe bewoners hun woonomgeving beleven. Het RIVM heeft dat onderzocht. Het heeft hierbij onder andere gekeken hoe bewoners geluid, trillingen, geur en veiligheid beleven. Daaruit blijkt dat de woontevredenheid hetzelfde is als in de vorige inventarisatie, uit 2016. Wegverkeer is een belangrijke bron van ernstige hinder en ernstige slaapverstoring. Vooral brommers en motoren veroorzaken ernstige geluidhinder. Ten opzichte van 2016 ervaren meer mensen ernstige hinder door geluid van bestelauto's. Wegverkeer geeft ook overlast omdat het trillingen veroorzaakt. Buren zijn een bron van geluidsoverlast en zijn de belangrijkste bron van ernstige geurhinder. Dat gaat vooral om geuren van open haarden, vuurkorven en barbecues. Ook veroorzaken activiteiten van buren ernstige hinder door trillingen. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat de ernstige hinder van relatief nieuwe bronnen zoals laagfrequent geluid en geluid van drones is toegenomen. Ook blijkt dat mensen die de buurt wonen van een 'activiteit met een risico', zoals zware industrie, vaker (ernstig) bezorgd zijn over hun eigen veiligheid. In 2019 namen ruim 2259 inwoners van Nederland van 16 jaar en ouder deel aan deze inventarisatie. Het RIVM en het CBS voerden het onderzoek uit. Het RIVM rapporteert de bevindingen die op basis van een vragenlijstonderzoek (Onderzoek Beleving Woonomgeving OBW; voorheen Inventarisatie Verstoringen) zijn verzameld.
  • Human health risk assessment of aluminium

    Affourtit, F; Bakker, MI; Pronk, MEJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2020-09-14)
    Mensen staan via verschillende bronnen bloot aan aluminium. Voorbeelden zijn voedsel, persoonlijke verzorgingsproducten, schoonmaakmiddelen, bodemdeeltjes en huisstof. Aluminium zit ook in sommige vaccins en medicijnen, zoals bepaalde maagzuurremmers. De laatste jaren bestaan er zorgen in de samenleving dat het gebruik van aluminium in persoonlijke verzorgingsproducten, zoals deodorant, een te hoge blootstelling aan aluminium kan veroorzaken. Te veel aluminium kan schadelijk zijn voor het zenuwstelsel. Het ministerie van VWS heeft het RIVM daarom gevraagd te bepalen aan hoeveel aluminium mensen via alle mogelijke bronnen blootstaan en wat het risico daarvan is. Volgens het RIVM is de totale blootstelling aan aluminium uit voedsel, consumentenproducten en bodem niet schadelijk voor de gezondheid. Dat komt omdat de totale blootstelling aan deze bronnen over het algemeen ruim beneden de gezondheidskundige grenswaarde ligt. Deze grens wordt alleen bij uitzondering overschreden, en zelfs dan slechts in lichte mate. Mensen krijgen de meeste aluminium binnen via het voedsel. Omdat zuigelingenvoeding soms relatief hoge gehaltes aluminium kan bevatten, is het raadzaam erop toe te zien dat deze gehaltes zo laag mogelijk zijn. In sommige voedingssupplementen op basis van klei kan ook veel aluminium zitten. Daarom wordt volwassenen afgeraden om vaak of langdurig ontslakkingsklei te gebruiken en zwangeren om zwangerschapsklei in te nemen. Kinderen tot een jaar of tien kunnen ook vrij veel aluminium binnenkrijgen via bodemdeeltjes die ze via hand-mond-contact inslikken. Aluminium uit huidverzorgingsproducten, zoals deodorant en zonnebrand, dringt nauwelijks door de huid heen. Hierdoor is de blootstelling van het lichaam aan aluminium door gebruik van deze producten heel laag. Voor jonge kinderen zijn sommige vaccins ook een bron van blootstelling. Ze worden door deze inentingen blootgesteld aan kleine hoeveelheden aluminium. De veiligheid van deze vaccins is bewezen en wordt continu in de gaten gehouden. Voor volwassenen kunnen maagzuurremmers die aluminium bevatten een grote bron van blootstelling zijn. De bijsluiter van dit type maagzuurremmers bevat daarom het advies om ze niet langdurig te gebruiken.
  • Fifteen years of incident analysis : Causes, consequences, and other characteristics of incidents with hazardous substances at major hazard companies in the period 2004-2018

    Kooi, ES; Manuel, HJ; Mud, M; Bellamy, LJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2020-09-14)
    Het RIVM heeft 326 incidenten met gevaarlijke stoffen geanalyseerd die tussen 2004 en 2018 plaatsvonden bij grote chemische bedrijven. Bij deze incidenten was de veiligheid van werknemers in het geding. In totaal vielen er 215 slachtoffers, onder wie vijf doden. De aard, omvang en oorzaken van de incidenten zijn in de onderzochte periode gelijk gebleven. Het jaarlijkse aantal incidenten met relatief ernstige gevolgen is in de periode ook niet wezenlijk veranderd. Bij 90 procent van de incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij. Bij 28 procent ontstond een brand of explosie. Drie keer (1 procent) gingen werknemers een besloten ruimte met gevaarlijke stoffen binnen. Incidenten ontstonden vooral tijdens de normale werkzaamheden (60 procent) of tijdens het onderhoud (20 procent). Slachtoffers ademden giftige of schadelijke stoffen in of kregen brandwonden door chemische reacties of hitte. Bij de incidenten tijdens het onderhoud vielen verhoudingsgewijs meer slachtoffers. Chemische bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en de productieprocessen en -werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. De incidenten ontstonden doordat in de reguliere procesvoering dingen mis gingen. De afwijkingen die daar het gevolg van waren, zijn niet op tijd opgemerkt. De veiligheid kan onder meer worden verbeterd door geschikte maatregelen in te voeren om deze afwijkingen op tijd in beeld te krijgen en te herstellen. Dit verkleint onder andere de kans dat incidenten ontstaan door ongewenste menselijke handelingen of door materiaalverzwakking. Voor deze analyse zijn incidentonderzoeken van de Inspectie SZW gebruikt. In opdracht van het ministerie van SZW gaat het RIVM na wat de overeenkomsten en verschillen tussen de onderzochte incidenten zijn. Inspectiediensten kunnen de analyse gebruiken voor hun inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om de veiligheid te verbeteren.
  • Toekomstverkenning veiligheid chemiesector : Inventarisatie van ontwikkelingen tussen nu en 2050 die van invloed zijn op de (arbeids)veiligheid

    Hansler, RJ; Pompe, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2020-09-14)
    Het RIVM heeft geïnventariseerd welke politiek-bestuurlijke, economische, sociaal-culturele en technologische ontwikkelingen de komende jaren invloed kunnen hebben op de veiligheid in de chemiesector. Het gaat om bedrijven die grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen produceren, verwerken of opslaan. Het RIVM heeft de inventarisatie in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uitgevoerd. Kennis over deze ontwikkelingen helpt dit ministerie om beleid over deze bedrijven te vormen. De belangrijkste ontwikkeling voor de chemiesector is de energietransitie. De komende jaren zal het gebruik van grondstoffen en energiebronnen verschuiven van fossiele brandstoffen naar duurzame energie. Hiermee kunnen de risico's voor werknemers veranderen, zowel in positieve als negatieve zin. Een ongunstige economische situatie of een verslechterde concurrentiepositie van de Nederlandse chemiesector kan bedrijven aanzetten tot kostenbesparingen. In het algemeen geldt dat kostenbesparingen onveiligere arbeidsomstandigheden kunnen veroorzaken. Digitalisering en automatisering zullen op steeds grotere schaal in de chemiesector worden ingezet. In het algemeen zal de werkomgeving hierdoor voor werknemers veiliger worden. Dat komt doordat zij de processen steeds meer op afstand kunnen aansturen, bijvoorbeeld met robots. Tegelijkertijd kunnen onveilige situaties ontstaan door de kans op verstoringen in de ICT. Een steeds groter wordend risico is de veroudering van installaties die al lange tijd meegaan. Dit vraagt om goed beheer en onderhoud van bestaande installaties. Ook kennis en organisaties kunnen verouderen, mede door de snelle digitale ontwikkelingen.
  • Combined exposure to nitrate and nitrite via food and drinking water in The Netherlands

    Sprong, RC; van den Brand, AD; van der Aa, NGFM; van de Ven, BM; Bulder, AS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2020-09-14)
    Mensen krijgen nitraat en nitriet binnen via voedsel en via drinkwater. Deze stoffen komen van nature voor in groente en fruit. Drinkwater kan met deze stoffen zijn vervuild. Ook mogen nitraat en nitriet als conserveermiddel worden toegevoegd aan vleesproducten en kaas. Nitraat kan het in het lichaam deels worden omgezet in nitriet. Nitriet kan schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarom moet de hoeveelheid nitraat die we binnenkrijgen, worden opgeteld bij die van nitriet. Dit heet een gecombineerde inname. RIVM heeft voor het eerst deze gecombineerde inname geschat voor de Nederlandse bevolking. Deze schatting wijst er op dat de gecombineerde inname van nitraat en nitriet hoger is dan gewenst. Er zijn echter niet genoeg gegevens beschikbaar om vast te stellen hoe hoog deze inname precies is. Mensen krijgen vooral nitraat en nitriet binnen via groente (het meest via bladgroenten) en fruit. Groente en fruit bevatten veel goede stoffen. Het effect van de goede stoffen op de gezondheid is groter dan de mogelijk slechte effecten van nitriet. Er is daarom geen reden om minder groente en fruit te eten. Om een betere berekening te kunnen maken, moeten er meer gegevens komen voor nitraat en/of nitriet in groente en fruit. En ook voor nitraat en nitriet in vlees waaraan deze stoffen niet zijn toegevoegd maar van nature aanwezig zijn. Daarnaast is het belangrijk meer te weten over de mate waarin nitraat in het lichaam wordt omgezet wordt naar nitriet. Er zijn mogelijkheden om de inname van nitraat en nitriet zo laag mogelijk te houden: het zo laag mogelijk houden van het nitraatgehalte in drinkwater en drinkwaterbronnen en het verlagen van de toegestane hoeveelheden van deze stoffen als conserveermiddel.
  • Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of the Safe and Sustainable Material Loops framework

    Quik, JTK; Dekker, E; Montforts, MHMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-07)
    ProRail vervangt elk jaar 200.000 zogeheten dwarsliggers op het spoor. In de vorige eeuw zijn hiervoor houten bielzen gebruikt die met zogeheten creosoten zijn bewerkt om verwering te voorkomen. Creosoten bevatten Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De laatste jaren worden dwarsliggers van beton gemaakt, maar bij de productie daarvan komt meer CO2 vrij dan bij houten dwarsliggers. Om de CO2 uitstoot en het gebruik van schadelijke stoffen te minimaliseren zoekt ProRail naar mogelijkheden om andere dwarsliggers te gebruiken. Daartoe heeft het RIVM zes verschillende typen dwarsliggers vergeleken met betonnen exemplaren. Het gaat om dwarsliggers van met koper behandeld hout, onbehandeld hout, gerecycled plastic dat met staal is versterkt, nieuw plastic dat met staal is versterkt, (nieuw) plastic dat met glasvezel is versterkt (composiet) en beton op basis van zwavel (in plaats van cement). Bij de vergelijking is gekeken naar zaken die belangrijk zijn voor duurzaamheid en voor de veiligheid van stoffen voor het milieu. De dwarsliggers van gerecycled plastic en van zwavelbeton zijn op alle onderzochte punten het meest duurzaam ten opzichte van betonnen dwarsliggers. De andere type dwarsliggers zijn alleen op sommige punten gunstiger. Op basis van de beschikbare gegevens lijken de verschillende typen ongeveer even veilig voor het milieu. Bij de beoordeling van de duurzaamheid is gekeken in hoeverre er broeikasgassen vrijkomen. Ook is gekeken hoeveel land nodig is om het benodigde materiaal te winnen. Voor houten dwarsliggers is het landgebruik groter dan voor de andere soorten, maar bij de productie komen de minste broeikasgassen vrij. Bij de veiligheid gaat het erom of er verontreinigende stoffen in de dwarsliggers zitten en in welke mate zij eruit vrijkomen. Vrijgekomen stoffen kunnen namelijk tijdens het gebruik van de dwarsliggers in bodem en grondwater terechtkomen. Voor alle typen dwarsliggers bestaat er regelgeving om te zorgen dat het gebruik veilig is. Voor dit onderzoek waren niet alle gegevens beschikbaar. Kennis over de aanwezigheid van eventueel schadelijke stoffen is belangrijk om materialen voor de dwarsliggers veilig te kunnen hergebruiken.
  • Surveillance zoönosen in vleeskuikens 2018-2019

    Cuperus, T; Opsteegh, M; Wit, B; Gijsbers, E; Dierikx, C; Hengeveld, P; Dam, C; van Hoek, A; van der Giessen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-03)
    Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ook ziek van kunnen worden. De ziekten die ze veroorzaken noemen we zoönosen. In 2018 en 2019 onderzochten het RIVM en de NVWA hoe vaak een aantal van deze ziekteverwekkers voorkwamen bij vleeskuikens. Hiervoor zijn vleeskuikens op 198 Nederlandse bedrijven onderzocht. Daarnaast hebben 132 veehouders, gezinsleden en medewerkers meegedaan aan dit onderzoek. Het RIVM heeft gekeken of dezelfde ziekteverwekkers ook bij deze mensen voorkwamen. De meeste van deze ziekteverwekkers veroorzaken diarree, maar soms kunnen infecties ernstiger verlopen. Er is ook naar ESBL-producerende bacteriën gekeken, omdat zij ongevoelig zijn voor een belangrijke groep antibiotica. Bij de onderzochte vleeskuikens komen een aantal ziekteverwekkers vaak voor. Ze zitten in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Vlees kan besmet raken in het slachthuis als er mest op komt. Mensen kunnen een besmetting voorkomen door alleen kip te eten als het goed gaar is. Ook is het belangrijk te voorkomen dat ander voedsel in contact komt met rauw vlees. Van de onderzochte ziekteverwekkers kwamen ESBL-producerende bacteriën het vaakst voor bij de vleeskuikens: op 36 procent van de bedrijven. Bij veehouders en gezinsleden kwam dit type bacterie bij 7 procent van de deelnemers voor. Dit is ongeveer even vaak als bij de hele Nederlandse bevolking. De bacterie Campylobacter is op 32 procent van de bedrijven gevonden. Dit is ongeveer even vaak als bij onderzoek naar Campylobacter tussen 1999-2002. Bij twee van de deelnemers is deze bacterie ook gevonden. Op vleeskuikenbedrijven wordt volgens Europese regels standaard Salmonella-onderzoek gedaan. Op 11 procent van de bedrijven kwam de salmonellabacterie voor bij de vleeskuikens. De typen salmonellabacteriën die zijn gevonden, kunnen bij mensen diarree veroorzaken. Salmonella is ook bij één deelnemer gevonden. STEC en Listeria kwamen heel weinig voor bij de vleeskuikens. Deze bacteriën zijn op 1 procent (Listeria) of minder (STEC) van de bedrijven gevonden.
  • Suikertaks: een vergelijking tussen drie Europese landen : Kenmerken en effecten van een belasting op suikerhoudende dranken, met overwegingen voor Nederland

    Vellinga, R; Steenbergen, E; Nawijn, E; van Bakel, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-03)
    Vijftig procent van de Nederlanders is te zwaar. De overheid wil dit percentage in 2040 terugdringen naar 38 procent. Dat staat in het Nationaal Preventieakkoord (NPA). Een van de afspraken is om het aantal calorieën in frisdranken in 2025 verlaagd te hebben met 30 procent. Nietalcoholische dranken leveren 24 procent van het toegevoegde suiker en 7 procent van de dagelijkse hoeveelheid energie die we binnenkrijgen. In diverse landen lijkt de belasting op suikerhoudende dranken ervoor te zorgen dat mensen minder frisdrank kopen en drinken. Het RIVM heeft in kaart gebracht hoe de suikertaks in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Noorwegen is vormgegeven. Vervolgens is bekeken wat de effecten van de belasting zijn op het aanbod, de samenstelling, de verkoop en consumptie van frisdrank, en op de mate waarin overgewicht voorkomt. Het doel van de belastingmaatregelen verschilt per land. Ook zijn het type belasting, de tarieven en de dranken die worden belast in elk land anders. Uit de beperkt beschikbare gegevens uit deze landen blijkt dat de verkoop van belaste frisdrank is afgenomen. In het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen worden meer gezondere alternatieven verkocht. Het is alleen niet duidelijk in hoeverre deze veranderingen in de verkoop het directe gevolg zijn van de belasting. Er zijn aanwijzingen vanuit het Verenigd Koninkrijk dat de suikertaks ook de herformulering van frisdrank kan stimuleren. De suikertaks is een van de mogelijke maatregelen tegen overgewicht. Het is belangrijk consumenten een gezonder alternatief te bieden. Om te kunnen achterhalen of de suikertaks effectief is, moeten de effecten ervan op korte en lange termijn goed worden gemonitord.

View more