Recent Submissions

  • The burden of disease of food-related pathogens in the Netherlands in 2022

    E Beninca; R Pijnacker; IHM Friesema; E Franz; L Mughini Gras (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-02-19)
    Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel jaren mensen een slechte gezondheid hebben of eerder overlijden (ziektelast) door een infectie van de maag of darm. We hebben hiervoor naar 14 ziekteverwekkers gekeken die deze infecties kunnen veroorzaken. Ze worden vooral via voedsel overgedragen (ongeveer 41 procent). Mensen kunnen er ook via het milieu, zoals via oppervlaktewater, via dieren of andere mensen mee in aanraking komen. De ziektelast door de 14 ziekteverwekkers was hoger dan in 2021 en 2020, maar nog wel iets lager dan in 2019, het jaar voordat de coronapandemie begon. Deze stijging geeft aan dat de ziektelast bijna terug is op het niveau van vóór COVID-19. Voor de ziektelast wordt een internationale maat gebruikt: DALY(Disability Adjusted Life Year)’s (Disability Adjusted Life Years). De bijdragen van de verschillende routes waardoor mensen besmet raken, verschillen per ziekteverwekker. Het totaal aantal DALY’s dat deze 14 ziekteverwekkers in 2022 (10.000 DALY’s) veroorzaakten, was hoger dan in 2021 (9.100 DALY’s) en in 2020 (7.300 DALY’s). Het was wel iets lager dan in 2019 (11.000 DALY’s). Het deel van de ziektelast dat in 2022 aan voeding wordt toegeschreven, is geschat op 4.300 DALY’s. Dat is wat hoger dan in 2021 (4.200 DALY’s) en in 2020 (3.600 DALY’s), maar iets lager dan in 2019 (4.600 DALY’s). De totale kosten van deze ziektelast in 2022 zijn geschat op 478 miljoen euro. Dat is veel hoger dan in 2021 (397 miljoen euro) en in 2020 (317 miljoen euro), maar iets lager dan in 2019 (480 miljoen euro). De geschatte kosten omvatten de directe medische kosten, zoals voor ziekenhuisopname, en de indirecte kosten die de patiënten en families maken, zoals reiskosten. Hieronder vallen ook de kosten die in andere sectoren worden gemaakt, bijvoorbeeld door ziekteverzuim. De kosten als gevolg van maag-darminfecties via voeding waren in 2022 (201 miljoen euro) hoger dan de 189 miljoen euro in 2021 en de 173 miljoen euro in 2020 maar iets lager dan in 2019 (208 miljoen euro). Het ministerie van VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft de opdracht voor dit onderzoek gegeven. De resultaten bieden beleidsmakers handvatten om meer zicht te krijgen op de ziektelast en de manieren waarop mensen met de ziekteverwekkers in contact komen. Ook geeft het een beeld hoe de ziektelast van voedselinfecties en kosten ervan zich door de jaren heen ontwikkelen.
  • De gevolgen van de coronapandemie voor de gezondheid en het welzijn van de bevolking: deel 3. Een systematische literatuurstudie

    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-02-16
    Voor de derde keer is de wetenschappelijke literatuur naar de gezondheidseffecten van de coronapandemie verzameld. In deze literatuurstudie hebben de onderzoekers de nadruk gelegd op vier gevolgen van de pandemie die de vorige keer opvielen. De resultaten bevestigen de inzichten uit de vorige rondes. De onderzoeken gaan vooral over (de eerste helft van) 2021. Er is weinig informatie gevonden over 2022, waardoor er nog weinig bekend is over de langetermijneffecten van de pandemie. Zo bevestigt het onderzoek dat een groep mensen na een coronabesmetting lange tijd klachten houdt, waardoor zij niet of niet helemaal kan werken. Deze klachten kunnen lang blijven bestaan, tot twee jaar na een besmetting. Het aantal mensen met klachten wordt wel met de jaren minder. Verder is duidelijk dat de mentale gezondheid van de jeugd ook na het eerste jaar van de pandemie is afgenomen, vergeleken met de periode voor de pandemie. Depressieve klachten en angstklachten kwamen vaker voor. Dat was vooral te zien tijdens lockdowns. Hoewel de klachten tijdens versoepelingen van de maatregelen verminderden, herstelde de mentale gezondheid van de jongeren niet helemaal. Het is niet bekend hoe dit zich op langere termijn ontwikkelt. De pandemie had meestal een negatief effect op het sociale functioneren van mensen. Ze namen minder vaak deel aan sociale activiteiten en voelden zich sociaal geïsoleerd. Ook was de ervaren kwaliteit van sociale contacten lager, bijvoorbeeld omdat ze online waren. Tot slot had uitgestelde zorg een negatief effect. Hierdoor was de gezondheid van bijvoorbeeld mensen met een hartinfarct na behandeling meer afgenomen dan gebruikelijk. Ook hadden ze meer complicaties. Patiënten met kanker hadden meer uitzaaiingen door latere diagnoses en behandelingen. Ook hadden mensen door uitgestelde operaties een lagere kwaliteit van leven dan voor de pandemie. Het literatuuronderzoek bevestigt opnieuw dat bepaalde groepen harder zijn geraakt door de coronapandemie. Dit geldt in het bijzonder voor jongeren, mensen met een lager inkomen en mensen met bestaande gezondheidsproblemen. Kennis over deze effecten en kwetsbare groepen is voor beleidsmakers essentieel om de juiste zorg en ondersteuning te organiseren bij een eventuele nieuwe pandemie, maar is ook los van de pandemie relevant voor de gezondheidsbevorderingstaak.
  • Naleving van Covid-19 gedragsmaatregelen door mensen in een kwetsbare positie - geleerde lessen voor pandemische paraatheid

    Fransen, MP; Buitenhuis, AH; Wuyts, R; de Valk, T; Mensinga, X; Uiters, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-02-12)
    Een gezondheidscrisis, zoals de coronapandemie, heeft voor sommige mensen grotere gevolgen dan voor anderen. Mensen die de meeste gevolgen ervaren zitten vaak in een kwetsbare maatschappelijke positie. Het RIVM heeft in de internationale wetenschappelijke literatuur gezocht wat bekend is over naleving van de coronamaatregelen door deze mensen. Voor de meeste groepen in een kwetsbare maatschappelijk positie was geen informatie beschikbaar. Wel is informatie gevonden specifiek over mensen die dakloos zijn, mensen met een migratieachtergrond, ouderen (met dementie), en mensen met een minder goede fysieke of mentale gezondheid. Deze informatie ging over de naleving van maatregelen en adviezen over hygiëne, mondkapjes, afstand houden tot anderen (ook isolatie of quarantaine) en testen bij klachten. De naleving varieerde per groep en studie. Maar er zijn geen aanwijzingen gevonden dat mensen in een kwetsbare positie de maatregelen en adviezen niet probeerden na te leven. Wel bleek naleving voor hen lastiger te zijn dan voor de algemene bevolking. Mensen met een migratie achtergrond ervaarden bijvoorbeeld problemen door onduidelijke informatie. En door hun woon-, werk- of financiële situatie hadden ze bijvoorbeeld geen ruimte om in isolatie te gaan. Dit laatste gold ook voor mensen die dakloos zijn. Mensen met een minder goede mentale gezondheid leken zich minder vaak, of korter, aan de maatregelen en adviezen te houden. Wantrouwen in de overheid of maatregelen leek hier invloed op te hebben. De naleving leek ook minder te zijn bij ouderen met dementie. Dat kwam vooral omdat zij zich door hun aandoening minder bewust waren van de coronapandemie. Mensen met een minder goede fysieke gezondheid leken zich vaker aan de maatregelen te houden dan de algemene bevolking. Het RIVM heeft dit uitgezocht om beter voorbereid te zijn op een volgende pandemie. Daarvoor is het belangrijk beter te begrijpen wat bij wie werkt, wat niet en waarom. Met deze informatie kan beleid meer rekening houden met mogelijkheden om mensen in een kwetsbare positie te ondersteunen bij de naleving. Hierdoor kan iedereen zichzelf zo goed mogelijk beschermen en verspreidt het virus zich zo min mogelijk.
  • Risk assessment of plant protection products based on dsRNA/RNAi

    van Rijn, CPE; Jongekrijg, CD; de Jong, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-02-09)
    Plant protection products are used to protect crops against diseases and pests. The EU Member States are looking to make agriculture more sustainable, among other things by using fewer chemicals. To that end, new plant protection products are being developed that are less harmful to the environment, growers, and consumers. One of these developments concerns plant protection products on the basis of double-stranded RNA (dsRNA). These are natural alternatives to chemical pesticides that work specifically against certain diseases and pests. Plant protection products are assessed for their safety for humans and the environment before they receive market authorisation. However, it turns out that the existing risk assessment is unsuitable for assessing the potentially harmful effects of this latest type of plant protection products, as it focuses primarily on the effects of chemicals. RIVM has made a number of recommendations to facilitate the assessment of dsRNA-based plant protection products. Among other things, it advises risk assessors about which data they need from the entire product in order to evaluate its effects on the environment. Normally, dsRNA degrades rapidly in the environment, causing little exposure. When used in a plant protection product, however, it may be more stable. For the purpose of this study, RIVM investigated which applications on the basis of dsRNA are currently in development. It also looked at the risks that dsRNA might pose for human health and the environment.
  • CPE afvalwatersurveillance bij een vleeskuikenslachterij

    Blaak, H; Kemper, MA; Schilperoort, R; de Roda Husman, AM; Schmitt, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-02-08)
    Het RIVM heeft bij een slachterij van vleeskuikens onderzocht of er CPE (carbapenemase-producerende Enterobacterales) in het afvalwater zaten. Dit zijn bijzonder resistente bacteriën waartegen nog maar weinig soorten antibiotica werken. In het afvalwater zijn geen CPE gevonden. Dit betekent dat CPE niet bij de geslachte vleeskuikens voorkomen. Deze resultaten zijn hetzelfde als de reguliere monitoring van CPE laat zien. Deze monitor onderzoekt darmmateriaal van vleeskuikens bij verschillende slachterijen. Op basis van de resultaten van de twee monitors concludeert het RIVM dat CPE niet bij Nederlandse vleeskuikens voorkomen, of maar heel weinig. Via afvalwater kan van veel meer dieren tegelijk worden achterhaald of ze schadelijke bacteriën bij zich dragen. De reguliere monitoring van vleeskuikens onderzoekt dat bij individuele dieren van meer verschillende bedrijven. Het precieze voordeel van beide vormen is nu nog onduidelijk. Voor dit onderzoek is het afvalwater van een slachterij tussen 6 september 2022 en 1 februari 2023 onderzocht op CPE. Dat gebeurde op 33 dagen, verspreid over 20 weken. Tijdens de metingen zijn in totaal 150.000 á 170.000 vleeskuikens geslacht van 103 verschillende bedrijven, waarvan ongeveer de helft Nederlands. In de gewone monitor worden voor vleeskuikens elk jaar darmmateriaal van 3000 dieren van ongeveer 300 verschillende Nederlandse bedrijven onderzocht.
  • Liquid hydrogen carriers: an overview of technical aspects and SVHC properties

    Marinković, M; Ng-A-Tham, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-02-06)
    Hydrogen is an important and renewable energy source. It is expected that 10 megatonnes of renewable hydrogen will be produced in the EU in 2030. The same amount will be imported, much of which will take place via Dutch ports. In the years after that, a further increase is expected. Hydrogen can be transported and stored using substances that can chemically bind and release hydrogen. When the substances are liquid they are called liquid hydrogen carriers. They can be carbon based (LOHC), or without carbon in their structure (LIHC). So far, the safety aspect of liquid hydrogen carriers has almost exclusively been investigated with regard to external safety, meaning the risk of explosions. RIVM believes that the effects of Substances of Very High Concern (SVHC, in Dutch ‘ZZS’) on humans and the environment should also be considered. ZZS can be harmful because, for example, they are carcinogenic, hinder reproduction or accumulate in the environment and food chains. In this report, eight LOHCs and two LIHCs were selected, including the currently most promising candidates. Their technical aspects were elaborated and it was determined if they contain substances with ZZS properties. The LIHC ammonia contains no substances with ZZS properties. In the absence of data, it could not be determined if the LIHC silicone hydride derivatives has substances with ZZS properties. All LOHCs have one or more ZZS. Methanol and formic acid form the ZZS carbon monoxide. The aromatic LOHC toluene forms three ZZS byproducts, including benzene. Concerning the other (hetero)aromatic LOHCs, at least the hydrogen-lean carrier has ZZS properties. Due to the harmful effects of ZZS, policy is to keep ZZS out of the living environment whenever possible, preferably by replacing them with safer substances. If that is not possible, ZZS emissions must be minimised. For new applications, it is better not to use ZZS altogether. RIVM recommends that due attention be paid to harmful effects on humans and the environment during the design phase of liquid hydrogen carriers and during their use, following the Safe and Sustainable by Design approach. This is crucial as hydrogen is expected to be widely used in the future. This will allow for the energy transition to be shaped safely and sustainably.
  • Brede toekomstverkenning screening en vroege opsporing

    de Vries, M; Snijders, B; F den Hertog; H Hilderink; LH Dekker (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-02-01)
    De Nederlandse overheid biedt de bevolking onderzoeken aan om ziekten vroegtijdig op te sporen, en zo beter te kunnen behandelen. Het gaat om bevolkingsonderzoeken naar verschillende vormen van kanker en de screenings van ongeboren en pasgeboren kinderen op bepaalde ziekten. Allerlei ontwikkelingen hebben invloed op het aanbod van deze onderzoeken in de toekomst: de vergrijzing, economische en technologische ontwikkelingen en maatschappelijke opvattingen. Het is alleen onzeker hoe deze ontwikkelingen zullen verlopen. De overheid wil inzicht krijgen in de mogelijke ontwikkelingen om beter voorbereid te zijn op de toekomst van screening en vroege opsporing. Het RIVM heeft daarom de belangrijkste ontwikkelingen op een rij gezet. Dit kan VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ) helpen om een visie te vormen over de toekomst van screening en vroege opsporing en keuzes te maken over mogelijke acties. Een voorbeeld is het groeiende tekort aan personeel en de druk die dit zal leggen op de uitvoering van bevolkingsonderzoeken naar kanker. Dit betekent dat misschien op een andere manier zal worden bepaald wie een uitnodiging voor een screening krijgt en op welk moment. Nu zijn leeftijd en geslacht daar de basis voor, maar in de toekomst kunnen ook andere kenmerken mee gaan spelen. Zo zouden mensen met een kleine kans op kanker minder vaak gescreend kunnen worden, en blijft het aanbod voor mensen met een hoog risico behouden. Technologische vernieuwing op het gebied van screening en vroege opsporing gaan snel. Mogelijk kan de techniek helpen om ze in de toekomst in een andere, eenvoudigere vorm aan te bieden. Denk aan een bloedtest voor de bevolkingsonderzoeken naar kanker. Maar nieuwe vormen van screening en vroege opsporing roepen ook vragen op over het beheer van persoonlijke gegevens en de rol van de overheid. Bedrijven zullen vaker dan nu gezondheidsonderzoeken aanbieden. De vraag is hoe de overheid zich daartoe gaat verhouden. Bovendien denkt niet iedereen hetzelfde over een wenselijke toekomst voor screening en vroege opsporing. Het RIVM heeft daarom verschillende ideeën uit de samenleving op een rij gezet. Bijvoorbeeld dat iedereen toegang moet krijgen tot de onderzoeken of dat er juist behoefte is aan een aanbod op maat. Het antwoord hangt af van wat mensen het belangrijkst vinden: effectiviteit, toegang voor iedereen, betaalbaarheid of keuzevrijheid.
  • An overview of the available data on the reproductive toxicity of ethylene glycol

    Eliesen, GAM; Proquin, HAA; Fransen, LFH; van de Weijgert, VPL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-31)
    The substance ethylene glycol is a precursor (source) which is used to make polyester fibres, polymers and polyethylene terephthalate (PET) resins. Ethylene glycol is also used for its antifreeze and cooling properties, for example as a substance in de-icing agents for aircraft windscreens. It is additionally used as a solvent in paint and as a plasticiser in plastics. This literature overview was commissioned by the Health Council of the Netherlands. The Health Council will use RIVM’s overview to assess whether ethylene glycol is toxic to reproduction and harmful to the health of unborn children. The Minister of Social Affairs and Employment has asked the Health Council for this advice. RIVM has summarised the relevant scientific literature selected by the Health Council. RIVM has summarised a total of 29 studies in laboratory animals and cells.
  • Monitor Valpreventie 2020-2022. Terug- en vooruitblik

    Baâdoudi, F; van der Heide, J; de Bekker, A; Reckman, P; Doornbos, G; Lemmens, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-30)
    Een val kan grote impact hebben op het leven van ouderen. Gemeenten en zorgverleners werken sinds 2023 samen om risicofactoren te verminderen. Dit doen ze door activiteiten voor valpreventie aan te bieden, waarbij er onder andere aandacht is voor zicht, balans en spierkracht. In opdracht van het ministerie van VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ) heeft het RIVM een monitor opgezet. Het RIVM volgt daarmee vanaf 2023 elk jaar het proces, de voortgang en resultaten van de ‘ketenaanpak’ van gemeenten en zorgverleners. Het doel is meer zicht te krijgen op het aanbod van valpreventie activiteiten voor thuiswonende 65-plussers, hoeveel mensen eraan meedoen en de toe- of afname van het aantal ziekenhuisopnames door valongelukken. Het RIVM presenteert nu de eerste resultaten. Als voorbereiding op de monitor is de beschikbare informatie verzameld over de jaren 2020 tot en met 2022. Hieruit blijkt dat het aantal 65-plussers dat na een val in het ziekenhuis terechtkomt is gestegen in de periode 2020-2022. In totaal kwamen in deze drie jaren 325.000 65-plussers na een val op de spoedeisende hulp terecht en bijna 124.000 in het ziekenhuis. Ruim 16.000 65-plussers zijn in deze periode overleden na een val. Ook blijkt uit de beschikbare informatie dat er 414 trainers voor valpreventie zijn opgeleid. De komende jaren komen er meer data beschikbaar. Een overzicht van de beschikbare informatie is opgenomen in dit rapport. Dit rapport beschrijft ook uit welke onderdelen de monitor Valpreventie vanaf 2024 bestaat. Zo wordt via vragenlijsten informatie gevraagd bij gemeenten en zorgverzekeraars. Bijvoorbeeld of en hoe zij 65-plussers met een grotere kans om te vallen opsporen en hoeveel 65-plussers eraan meedoen. Daarnaast gaat het RIVM zorg- en welzijnsmedewerkers en ouderen interviewen over hun ervaringen met de ketenaanpak Valpreventie. Gemeenten hebben vanaf 2024 de taak gekregen om de ketenaanpak valpreventie in te richten. Voor de monitor gaan zij onder andere registreren hoeveel interventies voor valpreventie zij aanbieden, hoeveel ouderen daaraan meedoen en of zij ‘doorstromen’ naar beweegprogramma’s binnen de gemeente.
  • Rapportage pilot Varkensinfluenza surveillance

    Meijer, A; Eggink, D; Kroneman, A; Fouchier, R; Houben, M; van der Vries, E; Germeraad, E; van der Giessen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-29)
    Varkensgriep bij varkens komt veel voor in West-Europese landen. Sommige varkensgriepvirussen kunnen overgaan van varken naar mens. Dat gebeurt niet vaak en meestal alleen bij mensen die veel in contact komen met varkens. De klachten zijn over het algemeen mild, maar griepvirussen van varkens en mensen kunnen ook vermengen en dan tot ernstigere klachten leiden. Het is niet bekend welke griepvirussen voorkomen bij varkens in Nederland. De ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport )) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV(Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)) willen daarom meer inzicht krijgen welke varianten van varkensgriep op Nederlandse varkensbedrijven voorkomen. Deze varianten kunnen dan zo nodig worden vergeleken met de varianten van griepvirussen die bij mensen zijn gevonden. Hiervoor is in 2022 in nauwe samenwerking met varkensdierenartsen een pilot opgezet. In de pilot zijn bij 90 varkenshouderijen monsters getest op griepvirussen die kunnen voorkomen bij zoogdieren, mensen en vogels. Er zijn verschillende varianten van varkensgriepvirussen van het subtype H1 en één van het subtype H3 gevonden. De zeer besmettelijke variant van vogelgriep (H5) is niet aangetoond bij varkens. De medicijnen, die bij mensen werken tegen griepvirussen, bleken ook te werken tegen de gevonden varkensgriepvirussen. In de pilot is onder andere veel kennis verzameld over de erfelijke eigenschappen van varkensgriepvirussen. Met deze informatie kan beter worden achterhaald waar het virus vandaan komt als mensen met een varkensgriepvirus zijn besmet. Ook kan zo worden achterhaald of varkens-, vogel- en menselijke griepvirussen vermengen. Het onderzoek is anoniem gedaan op verschillende soorten varkensbedrijven: bij reguliere varkenshouderijen, enkele varkensbedrijven waar varkens buiten lopen en bij bedrijven waarbij naast varkens ook pluimvee, koeien of paarden aanwezig zijn. De monsters zijn op de bedrijven genomen door in een hok met varkens met griepachtige verschijnselen een touw op te hangen om aan te kauwen. Ook zijn uitstrijken genomen uit de neus bij een ziek dier. Daarnaast zijn monsters onderzocht van dode varkens waarbij het vermoeden was dat ze griep hadden. Dit is ook gedaan bij een groep controlevarkens zonder griepverschijnselen. De pilot is uitgevoerd door een samenwerkingsverband van het RIVM, de Gezondheidsdienst voor dieren (Royal GD(Gezondheidsdienst voor Dieren)), het Erasmus Medisch Centrum (EMC(Erasmus Medisch Centrum)) en de Wageningen Bioveterinairy Research (WBVR(Wageningen Bioveterinary Research)). Dit consortium beveelt aan om dit onderzoek meerdere jaren te blijven doen. Dat geeft meer inzicht hoe de varkensvirussen zich verspreiden op de varkensbedrijven, of er nog meer varianten zijn, en of er besmettingen zijn met vogel- en menselijke griepvirussen.
  • Measurement results from fires. Analysis of Environmental Incident Service measurement data from 2008–2021

    Keijzer, H; Engering, T; Zwijnenberg, W; Mennen, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-25)
    Fires produce many substances that are harmful if people inhale them or come into contact with them. These substances can spread in the surrounding area. The type and amount of substances that are produced and how they spread depends on the materials that burn, the weather conditions and how the fire develops. Some hazardous substances, such as soot and particulate matter, are produced by all fires. Other substances are only produced when certain materials burn. Examples include dioxins (from certain plastics) and metals (from sources like scrap fires). Between 2008 and 2021, RIVM’s Environmental Incident Service (Milieuongevallen Dienst, MOD) measured whether hazardous substances were released into the air during 132 fires. These samples were mainly gathered within 300 metre of a fire. RIVM has rarely detected substances at harmful concentrations more than a kilometre away from a fire. This is because substances dissipate as they spread through the air. The health risks in this case are very small. It is enough to advise residents to stay at home, close all windows and doors and keep out of the smoke. Additional measurements by RIVM are therefore not always necessary. The above conclusions have also been tentatively formulated in the 2007 RIVM report "Emissions from fires" and have now been confirmed by a new extensive systematic analysis. In certain situations, RIVM recommends to continue examining the hazardous substances. This concerns fires that last for a long time, take a long time to fully extinguish, produce a great deal of smoke, or produce smoke that lingers and does not rise much. This is especially true for fires at industrial sites used for waste processing, demolition and recycling, and fires in warehouses and large buildings. Measurements can also be useful in the event of social unrest or if requested by emergency response teams or a relevant competent authority. Furthermore, the MOD will continue to develop their measuring strategy in case of a fire to keep up with innovation and be prepared to measure new substances.
  • Epidemiological impact and effectiveness of COVID-19 measures

    Wallinga, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-25)
    We provide evidence for the effectiveness of COVID-19 measures in the Netherlands. We estimate the effectiveness of the bundles of non-pharmaceutical interventions (NPIs) against transmission. We show that the effectiveness against transmission would have resulted in a very different outcome on the pandemic if the interventions would have been delayed by one or three days, and we compare the effects of the bundles of interventions as quantified for the Netherlands with the bundles of interventions as quantified for other countries (Belgium, Germany, Denmark, Sweden, UK). We show that the effectiveness increases with increasing stringency of the control measures. This association is complemented by an association with a decreasing number of contacts as reported in contact surveys, and a reduction in transmission of other infectious diseases that have the same transmission route as SARS-CoV-2. In a literature review we identify what is known about the contribution of individual interventions and the vaccine effectiveness. We report on approaches to disentangle the contribution of individual interventions to the overall effectiveness in reducing transmission, using information from multiple countries, we point to current best estimates and identify the limitations to using these estimates for future infection control. We recommend looking into complementarity of interventions, and setting up data streams that inform infection control in a future pandemic.
  • Uncertainty in the determined nitrogen deposition in the Netherlands. Status report 2023

    Hoogerbrugge, R; Braam, M; Siteur, K; Jacobs, C; Hazelhorst, S; Stefess, G; van der Swaluw, E; Wichink Kruit, R; Wesseling, J; van Pul, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-24)
    Every year, RIVM produces maps that show how much nitrogen is deposited in the Netherlands. We refer to this as nitrogen deposition. RIVM determines the nitrogen deposition by combining model calculations with measurements. These model calculations are necessary because measurements cannot be performed everywhere in the Netherlands. The deposition is influenced by the weather, the roughness of the terrain and characteristics of the vegetation. These factors give rise to a degree of uncertainty. In this technical report, RIVM describes how the uncertainties in terms of deposition levels are derived. In terms of degree, the uncertainties are similar to earlier estimates in 2004 and 2010, but they are now better underpinned. The uncertainty in a calculated deposition level is expressed as the probability of the calculated level deviating from the actual level. On the national scale, the probability that the calculated level deviates by between less than 20% and up to 30% from the actual level is considerable (95%). For specific areas in the Netherlands, there is a considerable probability (95%) that the calculated level deviates by between less than 60% and up to 70% from the actual level. This latter uncertainty applies when the deposition is calculated for a very small area, such as a hectare or a square kilometre. The degree of uncertainty of to the national nitrogen deposition is lower because uncertainties in the processes affecting deposition average out on the national scale. The results also show the largest contributors to the uncertainties in the overall nitrogen deposition. The most important factor in this regard is the uncertainty in the dry deposition, which entails nitrogen depositing on soil or vegetation directly from the air. There can be considerable variation from area to area and there is insufficient information to quantify this process.
  • Validatie analyse piekbelasters

    van der Maas, CWM; Romeijn, P; Jones, PA; Ngyuen, TNP; Stolwijk, GJC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-23)
    Met de landelijke aanpak piekbelasting wil het kabinet stikstofdepositie in kwetsbare natuurgebieden terugdringen. Onder de aanpak piekbelasting vallen verschillende regelingen, waaronder de ‘landelijke regeling om veehouderijen met piekbelasting te beëindigen’ (Lbv-plus). Voor de Lbv-plus liet het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV(Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)) eerder vijf varianten doorrekenen om te bepalen onder welke voorwaarden bedrijven voor de regeling in aanmerking kunnen komen. Gekozen is voor de variant met bedrijven die de hoogste vracht aan stikstofdepositie veroorzaken op de overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, binnen een straal van 25 kilometer rond het bedrijf. Er wordt dan ingegrepen op zo min mogelijk bedrijven om de grootste daling in de stikstofdepositie te bereiken. Op verzoek van LNV heeft het RIVM nu deze vijf varianten gecontroleerd. Het RIVM heeft dit met eigen berekeningen gedaan en hiervoor actuelere gegevens gebruikt. Hieruit blijkt dat de gekozen variant inderdaad de grootste stikstofwinst geeft. LNV verwacht dat 20 procent van de bedrijven die voor de aanpak piekbelasting in aanmerking komen, meedoen met de Lbv-plus. Dit zijn ongeveer 600 bedrijven. Als dat gebeurt, dan daalt de gemiddelde stikstofdepositie in de kwetsbare natuur naar schatting met ongeveer 40 mol stikstof per hectare per jaar, op een gemiddelde overbelasting van de kritische depositiewaarde (KDW) van 385 mol stikstof per hectare per jaar. Het werkelijke effect kan pas berekend worden als bekend is welke bedrijven er meedoen. Hun emissie en ligging ten opzichte van de natuur zijn hierbij bepalend en geven een marge van tientallen procenten op het resultaat. Daarnaast is natuurlijk het aantal deelnemers bepalend. LNV gaat uit van 600 bedrijven maar een range van 100 tot 700 bedrijven levert een depositiereductie van 7 tot 47 mol stikstof per hectare per jaar. Met de door het RIVM gebruikte actuelere gegevens daalde de geschatte depositie iets meer dan LNV eerder had laten berekenen. Dit heeft verschillende oorzaken. Het RIVM gebruikte bijvoorbeeld de emissiefactoren uit de Emissieregistratie om de depositie te bepalen, terwijl LNV eerder emissiefactoren uit de wettelijke ‘Rav-richtlijn’ gebruikte. Emissiefactoren uit de dagelijkse praktijk zijn hoger dan die in de Ravrichtlijn. Ook was in de nieuwere cijfers het aantal dieren hoger omdat het aantal dieren per bedrijf gemiddeld toeneemt.
  • Risico’s van pijnstillers in het oppervlaktewater. Keuzes voor gebruik op basis van milieueffecten

    Faber, M; Montforts, MMHM; Roex, EWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-19)
    Resten van medicijnen kunnen via de urine en ontlasting in het oppervlaktewater terechtkomen. Daar kunnen ze schadelijk zijn voor de organismen die erin leven. Het is daarom belangrijk dat er minder medicijnresten in het oppervlaktewater terechtkomen. Bijvoorbeeld door te kiezen voor medicijnen die het oppervlaktewater het minst belasten. Zowel de zorgsector als de watersector heeft behoefte aan informatie hierover. De zorgsector en patiënten kunnen daarmee bewuste keuzes maken. Het RIVM heeft onderzocht in hoeverre vijf pijnstillers die zonder recept te koop zijn het oppervlaktewater belasten. Hierbij is gekeken wat het voor het oppervlaktewater betekent als een pijnstiller door een andere wordt vervangen. Vooral de hoeveelheden diclofenac in oppervlaktewater kunnen schadelijk zijn voor dieren in water. Dit komt vooral door het gebruik van dit middel als gel op de huid. Het grootste deel van de gel spoelt namelijk weg via douchen of het wassen van kleding, waarna het in het oppervlaktewater terecht komt. Wanneer het niet nodig is om NSAID pijnstillers (diclofenac, ibuprofen of naproxen) te gebruiken én kan worden gekozen voor paracetamol of aspirine, heeft dat vanuit het oogpunt van milieurisico’s de voorkeur. Uitgezocht moet nog worden hoe deze keuze kan worden meegenomen in bijvoorbeeld de richtlijn voor de behandeling van pijn. Deze informeert zorgprofessionals over de keuze van pijnstillers. Daarnaast moet worden uitgezocht hoe de voorlichting over milieurisico’s eruit kan zien voor medicijnen in de vrije verkoop. Voor dit onderzoek heeft het RIVM berekend hoeveel van de werkzame stoffen van vijf pijnstillers via het riool in het oppervlaktewater terechtkomen. Er is niet gekeken naar andere graadmeters voor milieubelasting zoals de hoeveelheid broeikasgassen die vrijkomt bij de productie van de middelen.
  • De link tussen extra-intestinale infecties en voedsel. Een literatuurstudie

    IHM Friesema; AF Schoffelen; O van den Berg; E Franz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-18)
    Extra-intestinale infecties zijn infecties die buiten de darmen ontstaan, vooral in urinewegen en de bloedbaan. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat extra-intestinale infecties door voedsel kunnen worden veroorzaakt. Een infectie kan dan ontstaan doordat bacteriën uit de ontlasting in de urinewegen terechtkomen. Het RIVM zocht daarom in de wetenschappelijke literatuur of er een verband is. Daar zijn aanwijzingen voor, maar er is geen hard bewijs dat voedsel een directe oorzaak van deze infecties is. Voor dit onderzoek heeft het RIVM eerst gekeken welke ziekteverwekkers in Nederland het vaakst urineweginfecties en bloedbaaninfecties veroorzaken. De extra-intestinale pathogene E. coli (ExPEC) bacterie blijkt de belangrijkste ziekteverwekker te zijn van deze twee soorten infecties. In de wetenschappelijke literatuur is daarom vooral gezocht naar een verband tussen infecties door deze bacterie en voedsel. Het blijkt moeilijk te zijn om aan te tonen of bacteriën die urineweginfecties veroorzaken, uit voedsel komen. Daarvoor moet worden gekeken of de bacteriestam bij de mens hetzelfde is als in voedsel of landbouwdieren. Daarna moet worden onderzocht of mensen daadwerkelijk dit voedselproduct hebben gegeten voordat ze een extraintestinale infectie kregen. Het kost veel tijd en geld om dit soort onderzoek te doen.
  • Doorrekening impact Nationaal Preventieakkoord: deelakkoord roken. Worden de ambities voor 2040 bereikt?

    Kuijpers, TG; Boer, JMA; Rodenburg, AJ; Edens, JJ; Eykelenboom, M; Sanderman-Nawijn, EL; Koopman, N; Blokstra, A; van Giessen, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-17)
    De Nederlandse overheid wil dat er minder mensen roken, overgewicht hebben of te veel alcohol drinken. Om dat te bereiken, is in 2018 het Nationaal Preventieakkoord met doelen voor 2040 afgesloten. Hiervoor heeft de overheid met meer dan zeventig partijen afspraken gemaakt. Het RIVM heeft berekend of de doelen in 2040 worden gehaald met de afspraken zoals ze nu worden uitgevoerd. Het RIVM heeft hiervoor berekend hoe de situatie in 2040 zal zijn met én zonder de afspraken. Uit de berekening blijkt dat het aantal mensen dat rookt in 2040 iets verder zal zijn gedaald met de afspraken dan zonder de afspraken. Maar de gestelde doelen worden met de afspraken niet gehaald. Extra en stevigere maatregelen zijn nodig om deze doelen te bereiken. Denk bijvoorbeeld aan extra prijsverhogingen, naast de verhogingen die al zijn afgesproken. Het doel is dat in 2040 minder dan vijf procent van de volwassenen en geen enkele jongere meer rookt. Volgens de berekeningen zal door de afspraken naar schatting ongeveer 10 procent van de volwassenen roken. Zonder afspraken zou dat 13 procent zijn. Het aantal jongeren (12 t/m 16 jaar) dat rookt, zal in 2040 door de afspraken ongeveer vier procent zijn, in plaats van vijf procent zonder de afspraken. Het duurder maken van sigaretten en shag bleek het meest effectieve middel om mensen te laten stoppen met roken of te voorkomen dat ze ermee beginnen. In dit onderzoek is niet gekeken naar het roken van elektronische sigaretten (vapen).
  • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG. Periode 2022

    Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-17)
    Het nucleair bedrijf Nuclear Research and Consultancy Group (NRG(Nuclear Research and consultancy Group)) in Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en de ventilatielucht naar de omgeving loost. De monsters hiervoor worden verspreid over het jaar genomen. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. RIVM stelt vast dat de meetdata van NRG betrouwbaar zijn. Net als in eerdere jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2022 goed overeen. De totaal-alfa resultaten in afvalwater stemmen redelijk tot goed overeen. De overeenstemming in de totaal-bèta resultaten is matig en kan veel worden verbeterd. Dit resultaat wordt verklaard door de verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De overeenstemming in de 3H-resultaten in afvalwater is redelijk. De resultaten in ventilatielucht komen goed overeen. Het RIVM heeft in een aantal monsters een lage activiteitsconcentratie van 131I, 133Xe, 191Os en 203Hg gevonden. Deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG, waardoor ze niet worden opgemerkt. Het RIVM heeft zes keer een zeer lage totaal-alfa activiteit in ventilatielucht aangetroffen, waar NRG niets vond. De meetwaarden voor zowel totaal-alfa als totaal-bèta in ventilatielucht liggen in de range van wat er in buitenlucht zit en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra-expertises elk jaar uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
  • Doorrekening impact Nationaal Preventieakkoord: deelakkoord overgewicht. Worden de ambities voor 2040 bereikt?

    Eykelenboom, M; Boer, JMA; ten Dam, J; Sanderman-Nawijn, EL; Hoekstra, J; Bogaardt, L; Gouwens, S; Blokstra, N; Koopman, N; van Giessen, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-17)
    De Nederlandse overheid wil dat er minder mensen roken, overgewicht hebben of te veel alcohol drinken. Om dat te bereiken, is in 2018 het Nationaal Preventieakkoord afgesloten met doelen voor 2040. Hiervoor heeft de overheid met meer dan zeventig partijen afspraken gemaakt. Het RIVM heeft berekend of de doelen in 2040 worden gehaald met de afspraken zoals ze nu worden uitgevoerd. Het RIVM heeft daarvoor berekend hoe de situatie in 2040 zal zijn met én zonder afspraken. Uit de berekening blijkt dat de doelen niet worden gehaald met de afspraken. Ondanks de afspraken zal het aantal mensen met overgewicht blijven stijgen. Door de afspraken neemt het aantal mensen met overgewicht wel iets minder sterk toe dan zonder de afspraken. Extra en stevigere maatregelen zijn nodig om de doelen te bereiken. Dit zijn bijvoorbeeld: gezond voedsel goedkoper maken, ongezond voedsel duurder maken, of reclame voor ongezond voedsel verder beperken. Het doel is dat in 2040 maximaal 38 procent van de volwassenen en 9,1 procent van de kinderen (4 t/m 17 jaar) overgewicht heeft. Volgens de berekeningen zal met de huidige afspraken ongeveer 56 procent van de volwassenen overgewicht hebben. Zonder afspraken zou dat 58 procent zijn. Het aantal kinderen met overgewicht zal ongeveer 14 procent zijn in plaats van 15 procent.
  • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA NV. Periode 2022

    Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-17)
    De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA(Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval)) meet hoeveel radioactiviteit zij in afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM controleert elk jaar deze metingen. COVRA neemt de monsters verspreid over het jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. RIVM concludeert dat dit inderdaad het geval is. Net als in voorgaande jaren kwamen de analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2022 goed overeen met de resultaten van COVRA. Het gamma-spectrometrische resultaat, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, en de tritiumbepaling kwamen redelijk tot goed overeen. Ook de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bèta-meetwaarden van COVRA kwamen goed overeen ondanks de verschillende meetprincipes. Ook het resultaat in de 14C-bepaling in afvalwater kwam eveneens goed overeen. Verder kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG(algemene verordening gegevensbescherming)) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen voor tritium en 14C. Er is in geen enkel monster een gammaactiviteit, of een totaal-alfa of totaal-bèta activiteit in ventilatielucht gevonden. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).

View more