The RIVM's legal task is to investigate and report on questions addressed by the Dutch government. The findings from these investigations are published in the series RIVM reports.

Collections in this community

Recent Submissions

  • Minerals Policy Monitoring Programme report 2015-2018 : Methods and procedures

    van Duijnen, R; van Leeuwen, TC; Hoogeveen, MW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-22)
    Dit technische rapport beschrijft de werkwijze van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) tussen 2015 en 2018. Dat gebeurt elke vier jaar. Het LMM geeft de Nederlandse overheid onder andere informatie over de effecten van het mestbeleid op de kwaliteit van water onder en op landbouwbedrijven in relatie tot de bedrijfsvoering. Het meetnet is daarmee belangrijk voor de evaluatie van het Nederlandse en Europese beleid over meststoffen (nitraat en fosfaat). Het LMM houdt ook bij wat de effecten van de zogeheten derogatie zijn op de waterkwaliteit en de bedrijfsvoering / gewasopbrengsten. Derogatie houdt in dat Nederland, onder voorwaarden, meer stikstof met dierlijke mest op het land mag gebruiken dan volgens de Europese nitraatrichtlijn is toegestaan. Landen met derogatie zijn verplicht de effecten van een hogere hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest elk jaar bij te houden. Tussen 2015 en 2018 is het meetnet aangepast om het te verbeteren en uit te breiden. Er zijn onder andere extra metingen gedaan in sloten op landbouwbedrijven. Hiermee sluit het LMM beter aan bij andere meetnetten en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Ook is op meer staldierbedrijven, zoals varkensbedrijven, gemeten. Wageningen Economic Research en het RIVM werken voor het meetnet samen om informatie te verzamelen over de landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven in Nederland. Wageningen Economic Research verzamelt financiële, economische en milieudata van ongeveer 450 landbouwbedrijven. Het RIVM meet de kwaliteit van het grondwater, bodemvocht, slootwater en/of drainagewater op deze bedrijven. De bedrijven die aan het LMM meedoen zijn verdeeld over grondsoortregio's (Zand, Klei, Veen en Löss) en bedrijfstypen (melkvee-, akkerbouw- , staldier- en overige bedrijven). Ze vertegenwoordigen ongeveer 85 procent van het landbouwgebied in de regio's.
  • Selection and ranking of chemical substances and consumer products based on a consumer product database : To be used in the NVWA analysis on the supply chain of consumer products

    Woutersen, M; Wijnhoven, S; Affourtit, F (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-19)
    Dit rapport beschrijft de resultaten van een analyse van chemische stoffen in producten die Nederlandse consumenten gebruiken. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) gebruikt de uitkomsten om te bepalen óf en welke risico's er zijn in de keten consumentenproducten. De analyse is gebaseerd op zoekopdrachten in de ISA database. Deze database is opgesteld om verschillende leveranciers (vooral bouwmarkten) te helpen. Hierin is gezocht naar de aanwezigheid van chemische stoffen in consumentenproducten. Het gaat daarbij vooral om doe-het-zelf producten, schoonmaakmiddelen, lijmen en cosmetica. Daarnaast is geselecteerd op stoffen met een gevaarsclassificatie of met mogelijk hormoonverstorende eigenschappen. In de database komen meer dan 18.000 consumentenproducten voor die minimaal één gevaarlijke of mogelijke gevaarlijke stof bevatten. Van de onderzochte (mogelijk) gevaarlijke stoffen komen er 274 voor in consumentenproducten. Deze stoffen en producten zijn gescoord en gerangschikt op basis van gevaarseigenschappen en blootstelling. De groep met de hoogste totale score is 'verf', gevolgd door 'bouwmaterialen' en 'cosmetica'. In verf en bouwmaterialen zitten een relatief groot aantal (mogelijk) gevaarlijke stoffen. Dit zijn productgroepen met veel verschillende producten. De stof met de hoogste totale score is ethanol, vooral omdat dit in veel producten zit. De meest schadelijke stoffen in consumentenproducten zijn bepaalde pesticiden en metalen die kankerverwekkend en schadelijk voor de voortplanting zijn, zoals thiacloprid, diuron, een organotinverbinding en lood chromaat. Naast de stoffen zijn ook de producten geclassificeerd door de fabrikant. Er is een groot verschil tussen de classificatie van stoffen en de producten. Een product met een mogelijk kankerverwekkende stof erin hoeft niet als kankerverwekkend geclassificeerd te worden als de concentratie van deze stof heel laag is. Ook bij stoffen is de classificatie soms afhankelijk van de aan- of afwezigheid van specifieke vervuilingen. Bijvoorbeeld het gehalte benzeen in petroleumderivaten bepaalt of deze al dan niet als kankerverwekkend geclassificeerd moeten worden.
  • Gebruiksvoorschrift Storybuilder-MHC : Wijze waarop kenmerken van incidenten met gevaarlijke stoffen bij majeure risicobedrijven worden ingevoerd in Storybuilder-MHC

    Kooi, ES; Manuel, HJ; Mud, ML; Wolting, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-03)
    Sinds 2009 analyseert het RIVM oorzaken en omstandigheden van incidenten en ongevallen met gevaarlijke stoffen bij chemische bedrijven. Het RIVM verzamelt hierover een groot aantal kenmerken en analyseert die vervolgens met het model Storybuilder-MHC. Het RIVM heeft nu een gebruiksvoorschrift gemaakt dat beschrijft welke informatie voor de analyses wordt gebruikt. Ook staat erin hoe de kenmerken van de incidenten in het model worden vastgelegd. Het gebruiksvoorschrift zorgt ervoor dat incidenten op dezelfde manier worden geanalyseerd. De analyses zijn bedoeld om ontwikkelingen en patronen in incidenten te ontdekken. De inzichten helpen inspecteurs bij hun werk. Bedrijven kunnen inzichten uit de analyses gebruiken om ongevallen te voorkomen. De analyses worden in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uitgevoerd. Storybuilder-MHC bevat onder andere kenmerken over het soort bedrijf (zoals raffinaderij), het type incident (bijvoorbeeld vrijgekomen gevaarlijke stoffen), de oorzaken van het incident en de kenmerken van het slachtoffer en zijn letsel (zoals de ernst ervan). De analisten halen deze informatie uit rapporten die zijn opgesteld door de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) of de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV). Zij leggen kenmerken per incident vast. Storybuilder-MHC is een onderdeel van het analysemodel Storybuilder. Hierin analyseert het RIVM oorzaken en omstandigheden van ernstige arbeidsongevallen bij bedrijven.
  • Multi-use disease models : A blueprint for application in support of health care insurance coverage policy and a case study in Diabetes Mellitus

    Wang, J; Pouwels, X; Ramaekers, B; Frederix, G; van Lieshout, C; Hoogenveen, R; Li, X; de Wit, GA; Joore, M; Koffijberg, H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-01)
    Zorginstituut Nederland adviseert de minister van VWS onder andere over vergoedingen van medicijnen en andere behandelingen in het basispakket van de ziektekostenverzekering. Het Zorginstituut gebruikt daarvoor onder andere dossiers van medicijnenfabrikanten waarin zij de gezondheidswinst en kosten inschatten op basis van beslismodellen. Met deze beslismodellen wordt bekeken of medicijnen en andere behandelingen op de lange termijn effect hebben op de gezondheid. Bijvoorbeeld wat een betere bloedsuikerspiegel bij mensen met diabetes betekent voor complicaties, zoals hart- en vaatziekten en amputaties. Ook brengt het model de kosten van een behandeling met een nieuw medicijn in kaart. Denk aan de kosten van het medicijn zelf, maar ook besparingen omdat het medicijn de kans op complicaties met hoge behandelkosten kan verkleinen. Op dit moment beoordeelt het Zorginstituut voor bijna elk medicijn of behandeling een dossier waarvoor een apart beslismodel is gebruikt. Hierdoor zijn de effecten van verschillende medicijnen voor dezelfde ziekte niet goed te vergelijken. Daarnaast is het Zorginstituut veel tijd kwijt om de kwaliteit van elk beslismodel te toetsen. Het is daarom aantrekkelijk om voor elke ziekte één model te hebben, de zogenaamde meervoudig gebruik-modellen. Hiermee kunnen betere en consistentere beslissingen genomen worden. Het RIVM heeft met de universiteiten van Twente, Maastricht, Groningen en Utrecht verkend hoe het Zorginstituut met meervoudig gebruikmodellen kan gaan werken. Mede op basis van dit rapport beslist het Zorginstituut of en hoe zij verder gaan met meervoudig gebruikmodellen. Bovendien is een meervoudig gebruik beslismodel gemaakt voor diabetes en als casus uitgewerkt. Het RIVM heeft vijf business cases ontwikkeld om het werken met meervoudig gebruik-modellen op te zetten, en de voor- en nadelen beschreven. In deze opties verschillen de rol en verantwoordelijkheid van betrokken partijen, zoals het Zorginstituut, onderzoeksinstituten en consultancy bureaus. Het gaat daarbij over vragen als wie eigenaar is van het model, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en de opslag van resultaten, en wie aansprakelijk is bij fouten. Daarnaast komt aan de orde wat een dergelijk model moet kunnen en hoe flexibel het moet zijn voor aanpassingen.
  • Kansen en risico's van DNA-zelftesten

    Rigter, T; Jansen, ME; van Klink-de Kruijff, IE; Onstwedder, SM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-29)
    Met een DNA-zelftest kunnen mensen zelf vaststellen of ze aanleg hebben voor bepaalde aandoeningen. Voorbeelden zijn de ziekte van Alzheimer, borstkanker, hoge bloedruk, en gevoeligheid voor gluten. Consumenten bestellen deze tests vaak online, sturen meestal hun speeksel op en krijgen vervolgens de uitslag thuisgestuurd. Dit gebeurt meestal zonder tussenkomst van een arts. De gedachte is dat mensen op basis van de uitslag gezonder gaan leven of eerder medische hulp inschakelen, en zo het risico op het ontstaan van ziektes verkleinen. Uit verkennend onderzoek van het RIVM blijkt echter dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat DNA-zelftesten de gezondheid echt verbeteren, bijvoorbeeld doordat mensen gezonder gaan leven. Maar het RIVM vindt ook geen bewijs dat mensen ongezonder gaan leven als zij horen dat zij een relatief laag risico hebben om een bepaalde ziekte te krijgen. De aanbieders van de tests geven vooral informatie over eventuele voordelen van zo'n test. Het RIVM adviseert dat de consument onafhankelijke ondersteuning krijgt, bijvoorbeeld in de vorm van een keuzehulp, om een weloverwogen keuze te kunnen maken. Een mogelijk voordeel van een DNA-zelftest is dat mensen laagdrempelig genetische informatie kunnen krijgen. Deze informatie kan ook gebruikt worden voor onderzoek. Een nadeel is dat er privacy problemen kunnen ontstaan bijvoorbeeld als niet duidelijk is dat gegevens voor onderzoek worden gebruikt. Ook realiseren consumenten zich vaak niet welke gevolgen een uitslag kan hebben. Familieleden kunnen bijvoorbeeld ongewild informatie krijgen over hun gezondheid, omdat zij voor een deel hetzelfde DNA hebben. Nader onderzoek is nodig over hoe de consument evenwichtige informatie kan krijgen en op welke manier die informatie bij de consument terecht kan komen. Verder moeten artsen op de hoogte zijn van de (on)mogelijkheden en risico's van DNA-zelftesten. Wetenschappelijk onderzoek wijst er op dat ze nu onvoldoende weten wat zij kunnen doen als een consument met een uitslag van een zelftest bij hen komt. Momenteel is handhaving op deze producten moeilijk omdat er verschillende wetten gelden voor de verschillende aspecten van het aanbod (privacy, reclame, diagnostiek). Bovendien verandert het aanbod aan tests snel en zitten de aanbieders van de zelftesten vaak buiten Nederland of zelfs Europa. Daar zijn de voor Nederland geldende wetten soms niet van toepassing of moeilijk te handhaven. Het RIVM beveelt aan veranderingen in het aanbod en relevante wetgeving de komende jaren in de gaten te houden. Op deze manier kan beleid waar nodig worden geëvalueerd en bijgesteld.
  • Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2019/2020

    Reukers, DFM; van Asten, L; Brandsema, PS; Dijkstra, F; Hendriksen, JMT; van der Hoek, W; Hooiveld, M; de Lange, MMA; Niessen, F; Teirlinck, AC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-28)
    Griepepidemie De griepepidemie in de winter van 2019/2020 was mild en duurde 5 weken. Dat is korter dan het gemiddelde van tien weken in de afgelopen 25 jaar. De laatste twee weken van de griepepidemie, de eerste helft van maart 2020, vielen samen met het begin van de COVID-19-epidemie in Nederland. Naar schatting hebben tussen oktober 2019 en mei 2020 400.000 mensen de griep gehad. Ongeveer 74.000 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A-griepvirus. Tijdens de epidemie stierven er 600 mensen meer dan verwacht in deze periode. Deze 'oversterfte' hangt waarschijnlijk samen met de griep. Mensen die een griepprik hebben gekregen, hadden in het griepseizoen 48 procent minder kans om griep te krijgen. De effectiviteit van het vaccin is ongeveer hetzelfde als in vorige griepseizoenen. COVID-19 epidemie in Nederland In deze rapportage zijn de gegevens over COVID-19 meegenomen voor de duur van het griepseizoen, tot en met 17 mei. Op 27 februari 2020 is de eerste COVID-19-patiënt in Nederland bevestigd. Sindsdien zijn veel mensen besmet met het nieuwe coronavirus (SARSCoV-2) dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Tussen 27 februari en 17 mei 2020 heeft de GGD 43.993 mensen met COVID-19 gemeld, met een piek van 7794 meldingen in de week van 6 april. In deze eerste golf zijn 11.095 patiënten opgenomen in het ziekenhuis en zijn er 9600 mensen meer overleden dan normaal. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan ze dan intensief volgen en als het nodig is op tijd actie nemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van psittacose is in 2019 sterk gestegen naar 91, het hoogste aantal sinds 2010. Het aantal gemelde gevallen van legionella (566) tuberculose (759) en Q-koorts (18) bleef stabiel. Q-koorts, psittacose en legionella uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. De werkelijke aantallen liggen hoger dan de gemelde. Mensen met een longontsteking worden vaak niet getest, waardoor de ziekteverwekker niet bekend is.
  • Staat Drinkwaterbronnen

    van Driezum, IH; Beekman, J; van Loon, A; van Leerdam, RC; Wuijts, S; Rutgers, M; Boekhold, S; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-26)
    In Nederland wordt drinkwater gemaakt van grond- en oppervlaktewater. Het RIVM heeft in kaart gebracht wat de kwaliteit van het water van deze bronnen is en hoeveel er beschikbaar is om drinkwater van te maken. Beleidsmakers van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gebruiken de resultaten voor nieuw beleid. In meer dan de helft van de 216 winningen in Nederland zijn nu, of in de nabije toekomst, problemen met de waterkwaliteit of de beschikbare hoeveelheid. In 135 van de winningen worden namelijk stoffen gevonden die dit ongezuiverde water vervuilen. Door de droogte van de laatste jaren is het minder vanzelfsprekend geworden dat er in sommige seizoenen genoeg water is. Ook zorgt de droogte ervoor dat de concentraties vervuilende stoffen hoger zijn. Hierdoor moeten drinkwaterbedrijven meer doen om er schoon drinkwater van te maken. Waterschappen, provincies en gemeenten en de Rijksoverheid hebben de afgelopen jaren veel gedaan om de kwaliteit van de drinkwaterbronnen te verbeteren. Maar de kwaliteit is nog niet zoals gewenst en is de afgelopen jaren niet merkbaar verbeterd. Het doel is om met eenvoudige zuiveringstechnieken drinkwater uit de bronnen te kunnen maken. Het kost tijd voordat een maatregel een effect heeft. Dat is een van de redenen waarom de effecten van de genomen maatregelen nog niet zichtbaar zijn bij de drinkwaterbronnen. Daarnaast worden de effecten niet op dezelfde manier gemonitord en vastgelegd als de gegevens over de waterwinningen. Meer zicht krijgen op de effecten is belangrijk om op tijd extra maatregelen te kunnen nemen als dit nodig is. Daarnaast is meer duidelijkheid nodig tussen de landelijke en decentrale overheden wie waarvoor verantwoordelijk is en wat partijen van elkaar kunnen verwachten. Zij hebben een belangrijke taak om de waterkwaliteit voor de toekomst veilig te stellen.
  • Zicht (krijgen) op Zeer Zorgwekkende Stoffen in een circulaire cconomie : Concretisering van een monitoringsstrategie

    van Bruggen, AR; de Boer, LM; Heens, F; Spanbroek, NM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-21)
    De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Daarin worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt zodat er zo min mogelijk afval is. Maar in hergebruikte materialen kunnen schadelijke stoffen zitten. Het is daarom belangrijk te weten of het hergebruikte product of gerecycled materiaal veilig is voor mens en milieu. Een voorbeeld van schadelijke stoffen zijn stoffen met zeer zorgwekkende eigenschappen (ZZS). Ze kunnen bijvoorbeeld kanker veroorzaken of de voortplanting belemmeren. Soms bevatten materialen en producten ZZS die inmiddels verboden zijn. Als deze producten of materialen worden hergebruikt of gerecycled, kunnen ze eruit vrijkomen en in omloop blijven. Het is niet makkelijk om een volledig overzicht te krijgen van ZZS in producten of materialen. Er zijn heel veel soorten ZZS die in heel veel verschillende materialen en producten zitten. Het RIVM heeft een opzet gemaakt voor een methode om de risico's van ZZS in een circulaire economie te achterhalen. Met deze methode kan worden ontleed op welke plek in 'de keten' van productie, gebruik en afvalverwerking ZZS kunnen zitten en waar ze risico's veroorzaken. Met deze inzichten kan bijvoorbeeld in beeld worden gebracht hoe de overheid en het bedrijfsleven zich (kunnen) inzetten om materialen veilig te verwerken. Twee voorbeelden (piepschuim in woningen en minerale olie in voedselverpakkingen) zijn uitgewerkt om de methode te testen. Beleidsmakers kunnen de methode gebruiken om beleid op te stellen voor de circulaire economie. Het RIVM beveelt aan om de uiteindelijke monitor samen met beleidsmakers en het bedrijfsleven te ontwikkelen. Dat vergroot de kans om een veilig hergebruik te garanderen. Dit onderzoek is onderdeel van de integrale circulaire economie rapportage (ICER) en is in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving uitgevoerd.
  • Ecotoxicologische risicogrenzen voor PFOS in bodem en grondwater

    Verbruggen, EMJ; Marinkovic, M; Wassenaar, PNH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-18)
    Het RIVM heeft risicogrenzen bepaald voor PFOS in bodem en grondwater. De risicogrenzen houden rekening met twee routes: directe effecten van PFOS op planten en dieren in de bodem, en effecten op vogels en zoogdieren die PFOS via hun voedsel binnenkrijgen. Het bevoegd gezag gebruikt de risicogrenzen om te beslissen of hergebruik van grond veilig is voor het milieu. PFOS en andere poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn door de mens gemaakte stoffen die heel langzaam afbreken, ophopen in het lichaam en giftig zijn. Het gebruik van PFOS is wereldwijd zeer sterk aan banden gelegd. Maar doordat de stof bijna niet afbreekt, zitten er nog steeds resten in het milieu. PFOS hoopt zich op in planten en dieren. Daarom is het relevant om te kijken naar de risico's voor vogels en zoogdieren die PFOS binnenkrijgen via het eten van bodemdieren, zoals regenwormen. Dit heet doorvergiftiging. Per route zijn twee risiconiveaus bepaald: het Ernstig Risiconiveau (ER) en het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR). Het MTR is de concentratie waarbij geen nadelige effecten zijn te verwachten. Het MTR voor doorvergiftiging is 3 microgram per kilogram droge grond. Het ER (106 microgram per kilogram) is de concentratie waarbij PFOS ernstige effecten kan hebben op vogels en zoogdieren. Het RIVM heeft in 2011 ook ecotoxicologische risicogrenzen afgeleid voor PFOS in bodem en grondwater, toen op basis van beperkt beschikbare informatie. De risicogrenzen zijn nu beter onderbouwd. Het nieuwe MTR voor doorvergiftiging is hetzelfde als in 2011, het ER voor doorvergiftiging is nu voor het eerst bepaald. Dit onderzoek is onderdeel van een serie rapportages over risicogrenzen van PFAS. Hiermee draagt het RIVM bij aan een landelijk kader waarmee bevoegde gezagen kunnen bepalen hoe zij omgaan met PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
  • Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of a novel method for material loops

    Quik, JTK; Dekker, E; Montforts, MHMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-12)
    This is a revised version of letter report 2020-0126 Every year, ProRail replaces 200,000 railway sleepers. In the last century, wooden sleepers were used treated with creosotes to preserve them. Creosotes contain substances of very high concern. More recently, sleepers have been made from concrete, but greater quantities of CO2 are released in the manufacture of these sleepers than from wooden sleepers. To minimize CO2 emissions and the use of substances of concern, ProRail is looking for alternative railway sleepers. To this end, RIVM has compared six different types of sleepers with cement concrete (100 percent Portland cement). The six sleeper types are made from copper-treated wood, untreated wood, recycled steel-reinforced plastic (PE), virgin steel-reinforced plastic (PE), glass-fiber-reinforced plastic (virgin PU) and Sulphur-based concrete (instead of cement-based concrete). The comparison of the various sleepers was based on the aspects that are important for sustainability and safety of substances for the environment. The sleepers made from recycled plastic and Sulphur-concrete are more sustainable than sleepers from concrete (Portland cement). The other types of sleepers are only favorable over concrete in certain aspects of sustainability. Based on the data available, the various types appear to be equally safe for the environment. Part of the sustainability assessment of the sleepers is done by looking at the extent to which they release greenhouse gases and how much land is needed to extract the materials to make them. The land used to produce wooden sleepers is greater than for the other sleeper types. This is important due to the effect on biodiversity, even though less greenhouse gases are released during production compared to concrete. The safety of the sleepers was analyzed by looking at the presence of pollutants and the degree to which these pollutants leach out. After all, any substance released during the use of the sleepers can end up in the soil and groundwater. There is legislation for all types of sleepers, the objective of which is to ensure that they are safe to use. For this study not all relevant data were available. Knowledge of the presence of any hazardous substances in sleepers is important if they are to be safely reused.
  • Monitoringsrapportage NSL 2020 : Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

    de Smet, PAM; Visser, S; Valster, NL; Schuch, WJL; Geijer, MN; Wesseling, JP; van den Beld, WA; Drukker, D; Groot-Wassink, H; Sanders, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-21)
    In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken de overheden samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Hierover wordt jaarlijks gerapporteerd. Uit de monitoringsrapportage 2020 blijkt dat de luchtkwaliteit iets verder is verbeterd. In vrijwel heel Nederland liggen de concentraties stikstofdioxide en fijnstof in 2019 onder de Europese grenswaarden. Ook onder deze grenswaarden is luchtverontreiniging nog schadelijk. Daarom is er beleid om de luchtkwaliteit te verbeteren. Uit de rapportage blijkt ook dat in een enkele straat in de binnenstad van Amsterdam en Arnhem de grenswaarde voor stikstofdioxide nog wordt overschreden. Er waren minder overschrijdingen dan in 2018. De gemiddelde concentratie fijnstof in Nederland is in 2019 gedaald ten opzichte van 2018. In het grootste deel van het land zijn de grenswaarden voor wegverkeer niet overschreden. Op enkele locaties in gebieden met intensieve veehouderijen worden de grenswaarden van fijnstof ook nog overschreden. Dit zijn er wel minder dan in 2018, hoewel er meer veehouderijen in de berekeningen zijn meegeteld. De daling komt vooral doordat de gemeenten de gegevens over de veehouderij hebben verbeterd. De komende jaren zet deze daling naar verwachting door, zowel voor stikstofdioxide als voor fijnstof. Naar verwachting wordt de bevolking gemiddeld minder blootgesteld aan deze stoffen. Het is moeilijk aan te geven in welk tempo dat zal gaan. Minder uitstoot door verkeer en veehouderijen helpen daarbij. Effecten van de coronamaatregelen zullen er ook zijn, maar daar is nog nu geen zicht op. De kwaliteit van gegevens die overheden over wegverkeer en veehouderijen aanleveren, verbetert de laatste jaren sterk. Aandacht van alle overheden voor de kwaliteit van de data blijft nodig om een betrouwbaar beeld te kunnen geven van de luchtkwaliteit. Schone lucht is belangrijk voor de volksgezondheid. Daarvoor zijn lagere concentraties luchtvervuilende stoffen nodig dan de Europese grenswaarden stellen. Om dat te bereiken heeft de overheid in 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) opgesteld. Hierin spreken de rijksoverheid, provincies en gemeenten met elkaar af de luchtkwaliteit in Nederland tot 2030 verder te verbeteren.
  • Supply security for medical radionuclides - additions 2020 : Supplement to RIVM Reports 2019-0101, 2017-0063 and 2018-0075

    Roobol, L; Rosenbaum, C; de Waard, I (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-21)
    Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden, zogenoemde therapeutische radionucliden. Samen heten ze medische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op een reactor na zijn deze installaties oud en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. In Nederland wordt overwogen een nieuwe reactor te bouwen, de Pallas. De wereldmarkt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kan het wereldwijd een probleem worden om medische radionucliden te leveren. De andere reactoren kunnen de vraag dan niet altijd opvangen. Bovendien neemt de vraag naar deze middelen toe. Nieuwe bestralingscapaciteit is dan ook nodig om te voorkomen dat er binnen 10 jaar zorgelijke tekorten ontstaan. Het is ook belangrijk om Europa zelfvoorzienend te houden door het bouwen van nieuwe bestralingsfaciliteiten. De planning van initiatieven die gaande zijn, blijkt al jarenlang te optimistisch. Naast nieuwe bestralingscapaciteit zijn alle onderdelen van de leveringsketen belangrijk voor de leveringszekerheid. Het gaat dan om de aanvoer van grondstoffen, betrouwbare reactoren of versnellers, laboratoria die een medisch product kunnen maken, betrouwbaar en efficiënt transport tussen deze schakels, en naar de ziekenhuizen. Nederland heeft een groot deel van de leveringsketen in eigen land. Hierdoor is Nederland goed in staat om nieuwe radiofarmaceutische producten te ontwikkelen. De aanwezigheid van academische ziekenhuizen, een reactor en gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Als de Pallas-reactor niet wordt gerealiseerd en de HFR moet sluiten, dan verliest Nederland een belangrijke schakel in de leveringsketen.
  • Cyanobacteria protocol 2020

    Schets, FM; van der Oost, R; van de Waal, DB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-17)
    Wanneer er veel blauwalgen in zwemwater zitten, kunnen ze voor overlast (zoals stank) en gezondheidsrisico's (zoals milde huid- en maagdarmklachten) voor zwemmers zorgen. De kwaliteit van water van officiële zwemlocaties moet voldoen aan Europese eisen. Om de gezondheid van zwemmers op deze zwemlocaties te beschermen, gebruiken waterbeheerders in Nederland daarom het Blauwalgenprotocol. Dit protocol vertelt hen hoe ze zwemlocaties moeten controleren op blauwalgen en welke maatregelen ze moeten nemen. Het Blauwalgenprotocol 2020 doet dit volgens de nieuwste inzichten Het Blauwalgenprotocol 2020 is een update. De update was nodig omdat er sinds het laatste Blauwalgenprotocol, uit 2012, nieuwe inzichten zijn hoe de aanwezigheid van blauwalgen kan worden gevolgd. Ook wil de overheid de blauwalgenproblematiek in heel Nederland op dezelfde manier aanpakken. Blauwalgen kunnen soms giftig zijn. Omdat het niet altijd mogelijk is de giftige van de niet-giftige te onderscheiden zijn, gaat het Blauwalgenprotocol 2020 er voor de zekerheid vanuit dat ze allemaal giftig kunnen zijn. Waterbeheerders controleren zwemlocaties door lokaal de situatie te bekijken. Daarna onderzoeken ze het water in het laboratorium. Ze volgen hierbij een verplichte, vaste procedure. Zo wordt vastgesteld hoeveel blauwalgen er in het water zitten en hoe groot het risico is. Waterbeheerders mogen ook extra onderzoek doen als zij dat nodig vinden. Als het risico bekend is, worden de maatregelen genomen die daarbij horen en worden de zwemmers geïnformeerd. Dit kan een waarschuwing, een negatief zwemadvies of een zwemverbod zijn. Dit wordt ter plaatse aangegeven en op www.zwemwater.nl. Door het Blauwalgenprotocol 2020 na te leven tijdens het zwemseizoen (1 mei - 1 oktober) voldoet Nederland aan de eisen van de Europese Zwemwaterrichtlijn.
  • An overview of the available data on the mutagenicity and carcinogenicity of 1-bromopropane

    Geraets, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-17)
    De stof 1-broompropaan wordt onder andere gebruikt als oplosmiddel voor vetten, waxen en harsen. Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht wat er bekend is over twee mogelijke schadelijke eigenschappen van deze stof. De vraag is of 1-broompropaan kankerverwekkend is en erfelijke veranderingen kan veroorzaken door schade aan het DNA (mutageen). De gevonden informatie is samengevat. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen om de mutagene en kankerverwekkende eigenschappen te beoordelen. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen ook voor een advies voor de classificatie van de stof dat op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wordt opgesteld. De genoemde beoordeling wordt uitgevoerd door de Subcommissie Classificatie van carcinogene stoffen. Deze subcommissie valt onder de Commissie Gezondheid en Beroepsmatige Blootstelling aan Stoffen (GBBS) van de Gezondheidsraad. De GBBS richt zich op gezondheidsrisico's door blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek.
  • Analyse REACH-autorisatieaanvragen: inventarisatie van alternatieven voor chroom-6

    van Goor-Gras, JEF; van Kuppevelt, MA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-15)
    Chroom-6 zit in verschillende materialen en producten. Dit metaal beschermt materialen tegen roestvorming en andere vormen van verwering. Daarnaast zien verchroomde voorwerpen er mooi uit, zoals badkamerkranen en autovelgen. Chroom-6 heeft wel gevaarlijke eigenschappen. Als mensen eraan blootstaan, bijvoorbeeld tijdens het werk, kunnen ze daar ziek van worden. Bedrijven mogen daarom alleen chroom-6 gebruiken als er geen veilige alternatieven mogelijk zijn. Er blijken veel ontwikkelingen te zijn op het gebied van alternatieven voor chroom-6. Dat laat een overzicht zien dat het RIVM in opdracht van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (i-SZW) heeft gemaakt. Het RIVM heeft per toepassingsgebied een overzicht van de mogelijke alternatieven gemaakt. De inspectie gebruikt deze informatie om haar controletaak beter uit te voeren. Het gebruik van chroom-6-houdende stoffen is verboden, tenzij een bedrijf toestemming voor gebruik heeft gekregen van de Europese Commissie en lidstaten (via een zogeheten autorisatie). Het doel van dit verbod is chroom-6 uiteindelijk te vervangen door minder gevaarlijke stoffen of technieken. De inspectie in Nederland controleert of een bedrijf genoeg doet om een alternatief voor chroom-6 te vinden. Alternatieven voor chroom-6 maken het mogelijk dat deze stof de komende jaren minder wordt gebruikt. Door welke stof of technieken het zal worden vervangen, is nu niet precies te voorspellen. Het RIVM- overzicht laat in elk geval zien dat het niet mogelijk is om voor alle toepassingen van chroom-6 één alternatief te vinden. Voor iedere toepassing moet een alternatief op maat worden gezocht. Om voor een autorisatie in aanmerking te komen, moet de aanvrager eerst via uitgebreid onderzoek aantonen dat er geen alternatieven zijn. Uit een analyse van autorisatieaanvragen blijkt dat er geen volledig beeld is van alle ontwikkelingen om chroom-6 te vervangen. De beschreven onderzoeken in de aanvragen zijn vaak enkele jaren oud of vertrouwelijk. Wanneer verlengingen van autorisaties worden aangevraagd, wordt meer nieuwe informatie openbaar. Het RIVM vindt het daarom belangrijk de ontwikkelingen goed te volgen. Ook zou het RIVM graag zien dat bedrijven meer informatie delen over lopend onderzoek, zodat een actueel beeld ontstaat van de alternatieven voor chroom-6.
  • Impact van de eerste COVID-19 golf op de reguliere zorg en gezondheid : Inventarisatie van de omvang van het probleem en eerste schatting van gezondheidseffecten

    van Giessen, A; de Wit, A; van den Brink, C; Degeling, K; Deuning, C; Eeuwijk, J; van den Ende, C; van Gestel, I; Gijsen, R; van Gils, P; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-15)
    De COVID-19-epidemie heeft tijdens de eerste golf grote impact gehad op de zorg, vooral in het voorjaar van 2020. Afspraken, behandelingen en operaties voor niet-COVID-patiënten zijn afgezegd of uitgesteld. Ook meden patiënten zelf de zorg, bijvoorbeeld uit angst om te worden besmet of om de zorg te ontlasten. Een deel van de afspraken is vervangen door zorg op afstand, bijvoorbeeld telefonisch of via beeldbellen. Aan het begin van de zomer herstelden veel sectoren in de zorg grotendeels, maar het lukte niet de achterstand in te halen. Sommige vormen, zoals de paramedische zorg, dagbesteding en groepsbehandelingen, herstelden moeizamer. Door de coronamaatregelen, zoals 1,5 meter afstand houden en de extra hygiënemaatregelen, was het vaak niet mogelijk om evenveel zorg als voorheen te leveren. Voor dit onderzoek is gekeken naar de behandelingen die binnen de 12 grootste specialismen in ziekenhuizen het meest worden uitgevoerd (in totaal 48). Tijdens de eerste coronagolf is gemiddeld 23 procent van deze behandelingen niet doorgegaan. De gezondheidswinst die behandelingen normaal gesproken opleveren is daardoor niet bereikt. Dit wordt uitgedrukt in 'verloren gezonde levensjaren', een eenheid die effecten op sterfte en kwaliteit van leven aangeeft. Door de uitgevallen behandelingen zijn er naar schatting 34.000 tot 50.000 minder gezonde levensjaren bereikt. Dit zijn vooral effecten op kwaliteit van leven, en in mindere mate op overlijden. Een relatief groot deel van de verloren gezonde levensjaren zijn het gevolg van weggevallen behandelingen binnen de specialismen oogheelkunde en orthopedie, zoals staar-, knie- en heupoperaties. De schattingen over de gevolgen voor kankerpatiënten vallen buiten de berekeningen van dit onderzoek. Deze schattingen zijn ingewikkelder. Als eerste aanzet daarvoor zijn de gevolgen voor melanoom uitgewerkt, de agressiefste vorm van huidkanker. Naar schatting zijn 1.600 tot 2.800 gezonde levensjaren verloren gegaan door deze uitgevallen zorg. De onderzochte behandelingen vormen 28 procent van de medisch-specialistische zorg. Deze behandelingen leveren in verhouding veel gezondheidswinst op, en dus ook relatief veel verlies als de zorg niet doorgaat. Het totale gezondheidsverlies zal zeker groter zijn dan de genoemde aantallen, maar niet drie tot vier keer zo groot. Een deel van het gezondheidsverlies gaat niet definitief verloren als de komende jaren extra behandelingen kunnen worden uitgevoerd.
  • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2019

    Lagerweij, GR; Pijnacker, R; Friesema, IHM; Mughini Gras, L; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-15)
    Dit rapport bevat een erratum d.d. 21-01-2021 op pagina 51 Het RIVM onderzoekt elk jaar hoeveel mensen ziek worden of sterven door 14 ziekteverwekkers die de maag of darm kunnen infecteren. Deze zogeheten ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationale maat voor het aantal gezonde levensjaren dat verloren gaat aan ziekte of eerder dan 'normaal' overlijden. De 14 ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel in het lichaam van de mens terechtkomen (ongeveer 40 procent). Het kan ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. Het aandeel van deze routes verschilt per ziekteverwekker. Het totaal aantal DALY's die deze 14 ziekteverwekkers in 2019 veroorzaakten, is hetzelfde als in 2018 en 2017 (11.000 DALY's). De ziektelast via voedsel is in 2019 geschat op 4.200, en is daarmee iets lager dan in 2018 (4.300 DALY's). De totale kosten van deze ziektelast worden geschat op 423 miljoen euro. Dat is lager dan in 2018 (426 miljoen). Deze cost of illness zijn directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie. Dat zijn bijvoorbeeld reiskosten, en de kosten binnen andere sectoren, zoals door werkverzuim. De kosten van de ziektelast door besmet voedsel zijn iets gestegen: 174 miljoen euro in 2019 ten opzichte van 171 miljoen euro in 2018. De verschillen in DALY's en kosten komen vooral doordat het aantal infecties dat een aantal van de ziekteverwekkers veroorzaakte veranderde. Het gaat om norovirus, rotavirus, Cryptosporidium spp., en Campylobacter spp. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. De resultaten geven handvatten om meer zicht te krijgen op de ziektelast en blootstellingsroutes van voedselinfecties bij de Nederlandse bevolking. Ook laten ze de ontwikkelingen hierin door de jaren heen zien.
  • CSOIL 2020: Exposure model for human health risk assessment through contaminated soil. Technical description

    van Breemen, PMF; Quik, Joris T K; Brand, E; Otte, PF; Wintersen, AM; Swartjes, FA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-15)
    This report describes the CSOIL 2020 model, which calculates human exposure to soil contaminants throughout the entire human lifetime. Exposure can occur through, for example, consuming home grown vegetables and inhalation of soil particles during gardening. CSOIL 2020 is the most recent version of the CSOIL model, which was developed in 1995 and revised in 2000. The Government of The Netherlands uses the results of this model to determine soil quality standards. CSOIL 2020 was updated to incorporate recent scientific knowledge and allow functionality under newer IT operating systems. Additionally, the exposure results from CSOIL can now be used in the newest version of the risk toolbox for soil (in Dutch: Risicotoolbox Bodem). The toolbox is used to determine whether soil can safely be (re-)used. New modules are currently under development to allow the toolbox to be used in the Environment and Planning act, which will enter into force on the first of January 2022. Contact with contaminants in soil can be damaging to human health. Information on the extent of human exposure is required to determine the risk to health. CSOIL determines the exposure on the basis of the type of soil use on a location, like 'Residential with garden', the properties of the contaminant, such as solubility, and the local situation.
  • Microbial cleaning products: an inventory of products, potential risks and applicable regulatory frameworks

    Razenberg, L; Bijtenhuijs, D; Graven, C; de Jonge, R; Wezenbeek, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-11)
    Microbial cleaners are cleaning agents containing bacteria. These can be cleaning agents for use in and around the home, as well as personal care products for cleaning your skin or hair. Examples are all-purpose cleaners and shampoo with added bacteria. The bacteria are for example added because they produce enzymes that can break down dirt or stains. The packaging of microbial cleaners often states that the product is safe, natural and free of chemicals. RIVM has carried out a general survey of which microbial cleaners are offered for sale in the Netherlands. In total, 92 products were identified. For each product, information was collected about which type of bacteria it contained and how it should be used. RIVM prepared this overview at the request of the Netherlands Food and Consumer Products Safety Authority (NVWA). The goal was to obtain more insight into these products, what they are used for and their potential health risks. Microbial cleaners may be covered by different pieces of legislation. For example by the legislation for cleaning agents (detergents), for personal care products (cosmetics), or for agents that are used to combat harmful organisms (biocides). Specific safety requirements on bacteria in microbial cleaners are only set in the legislation on biocides. Appropriate legislation is therefore necessary when examining the safety of these cleaners. If people come into contact with bacteria from a microbial cleaner, they can develop symptoms such as a skin rash or an allergic reaction as a result. In order to assess the safety of a microbial cleaner, information is needed about the characteristics of the bacterial species that it contains. Information is also needed on how people come into contact with the bacteria and how frequently this occurs. For many microbial cleaners, this information is not available because there is no adequate legislation requiring this. It is therefore more difficult to assess the risk. The manufacturer is always responsible for ensuring that a product is safe.
  • De effectiviteit van 'Individuele plaatsing en steun' (IPS) op gezondheid en participatie : Een literatuuroverzicht

    Loef, B; van Oostrom, S; Proper, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-10)
    Individuele plaatsing en steun (IPS) maakt deel uit van een behandeling voor personen met ernstige psychische aandoeningen waar werk een onderdeel van is. Voorbeelden van deze aandoeningen zijn psychosen, bipolaire stoornissen, en ernstige depressies. Het doel van IPS is dat mensen snel een reguliere baan krijgen volgens het first place then train-principe. Dit betekent dat ze hulp voor hun aandoening blijven krijgen nadat ze met een baan zijn begonnen. Bij andere initiatieven houdt die hulp dan op. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van IPS. Het beschikbare onderzoek laat geen duidelijk positief of negatief effect zien op de kwaliteit van leven, het functioneren, en de mentale gezondheid van de mensen. De maatregel heeft wel een duidelijk positief effect als naar de arbeidsparticipatie wordt gekeken, zoals betaald werk vinden en behouden. Het bewijs of mensen die aan IPS deelnemen ook op lange termijn hun werk behouden is alleen nog heel beperkt. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM naar de effecten van IPS op gezondheid en participatie van mensen met psychische aandoeningen. De literatuurstudie is uitgevoerd in opdracht van de werkgroep Inclusieve samenleving van de Brede Maatschappelijke Heroverwegingen (BMH). De BMH wilde weten wat de effecten van IPS zijn op gezondheid en participatie.

View more