The RIVM's legal task is to investigate and report on questions addressed by the Dutch government. The findings from these investigations are published in the series RIVM reports.

Collections in this community

Recent Submissions

  • Zicht (krijgen) op Zeer Zorgwekkende Stoffen in een circulaire cconomie : Concretisering van een monitoringsstrategie

    van Bruggen, AR; de Boer, LM; Heens, F; Spanbroek, NM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-21)
    De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Daarin worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt zodat er zo min mogelijk afval is. Maar in hergebruikte materialen kunnen schadelijke stoffen zitten. Het is daarom belangrijk te weten of het hergebruikte product of gerecycled materiaal veilig is voor mens en milieu. Een voorbeeld van schadelijke stoffen zijn stoffen met zeer zorgwekkende eigenschappen (ZZS). Ze kunnen bijvoorbeeld kanker veroorzaken of de voortplanting belemmeren. Soms bevatten materialen en producten ZZS die inmiddels verboden zijn. Als deze producten of materialen worden hergebruikt of gerecycled, kunnen ze eruit vrijkomen en in omloop blijven. Het is niet makkelijk om een volledig overzicht te krijgen van ZZS in producten of materialen. Er zijn heel veel soorten ZZS die in heel veel verschillende materialen en producten zitten. Het RIVM heeft een opzet gemaakt voor een methode om de risico's van ZZS in een circulaire economie te achterhalen. Met deze methode kan worden ontleed op welke plek in 'de keten' van productie, gebruik en afvalverwerking ZZS kunnen zitten en waar ze risico's veroorzaken. Met deze inzichten kan bijvoorbeeld in beeld worden gebracht hoe de overheid en het bedrijfsleven zich (kunnen) inzetten om materialen veilig te verwerken. Twee voorbeelden (piepschuim in woningen en minerale olie in voedselverpakkingen) zijn uitgewerkt om de methode te testen. Beleidsmakers kunnen de methode gebruiken om beleid op te stellen voor de circulaire economie. Het RIVM beveelt aan om de uiteindelijke monitor samen met beleidsmakers en het bedrijfsleven te ontwikkelen. Dat vergroot de kans om een veilig hergebruik te garanderen. Dit onderzoek is onderdeel van de integrale circulaire economie rapportage (ICER) en is in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving uitgevoerd.
  • Ecotoxicologische risicogrenzen voor PFOS in bodem en grondwater

    Verbruggen, EMJ; Marinkovic, M; Wassenaar, PNH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-18)
    Het RIVM heeft risicogrenzen bepaald voor PFOS in bodem en grondwater. De risicogrenzen houden rekening met twee routes: directe effecten van PFOS op planten en dieren in de bodem, en effecten op vogels en zoogdieren die PFOS via hun voedsel binnenkrijgen. Het bevoegd gezag gebruikt de risicogrenzen om te beslissen of hergebruik van grond veilig is voor het milieu. PFOS en andere poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn door de mens gemaakte stoffen die heel langzaam afbreken, ophopen in het lichaam en giftig zijn. Het gebruik van PFOS is wereldwijd zeer sterk aan banden gelegd. Maar doordat de stof bijna niet afbreekt, zitten er nog steeds resten in het milieu. PFOS hoopt zich op in planten en dieren. Daarom is het relevant om te kijken naar de risico's voor vogels en zoogdieren die PFOS binnenkrijgen via het eten van bodemdieren, zoals regenwormen. Dit heet doorvergiftiging. Per route zijn twee risiconiveaus bepaald: het Ernstig Risiconiveau (ER) en het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR). Het MTR is de concentratie waarbij geen nadelige effecten zijn te verwachten. Het MTR voor doorvergiftiging is 3 microgram per kilogram droge grond. Het ER (106 microgram per kilogram) is de concentratie waarbij PFOS ernstige effecten kan hebben op vogels en zoogdieren. Het RIVM heeft in 2011 ook ecotoxicologische risicogrenzen afgeleid voor PFOS in bodem en grondwater, toen op basis van beperkt beschikbare informatie. De risicogrenzen zijn nu beter onderbouwd. Het nieuwe MTR voor doorvergiftiging is hetzelfde als in 2011, het ER voor doorvergiftiging is nu voor het eerst bepaald. Dit onderzoek is onderdeel van een serie rapportages over risicogrenzen van PFAS. Hiermee draagt het RIVM bij aan een landelijk kader waarmee bevoegde gezagen kunnen bepalen hoe zij omgaan met PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
  • Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of a novel method for material loops

    Quik, JTK; Dekker, E; Montforts, MHMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-12)
    This is a revised version of letter report 2020-0126 Every year, ProRail replaces 200,000 railway sleepers. In the last century, wooden sleepers were used treated with creosotes to preserve them. Creosotes contain substances of very high concern. More recently, sleepers have been made from concrete, but greater quantities of CO2 are released in the manufacture of these sleepers than from wooden sleepers. To minimize CO2 emissions and the use of substances of concern, ProRail is looking for alternative railway sleepers. To this end, RIVM has compared six different types of sleepers with cement concrete (100 percent Portland cement). The six sleeper types are made from copper-treated wood, untreated wood, recycled steel-reinforced plastic (PE), virgin steel-reinforced plastic (PE), glass-fiber-reinforced plastic (virgin PU) and Sulphur-based concrete (instead of cement-based concrete). The comparison of the various sleepers was based on the aspects that are important for sustainability and safety of substances for the environment. The sleepers made from recycled plastic and Sulphur-concrete are more sustainable than sleepers from concrete (Portland cement). The other types of sleepers are only favorable over concrete in certain aspects of sustainability. Based on the data available, the various types appear to be equally safe for the environment. Part of the sustainability assessment of the sleepers is done by looking at the extent to which they release greenhouse gases and how much land is needed to extract the materials to make them. The land used to produce wooden sleepers is greater than for the other sleeper types. This is important due to the effect on biodiversity, even though less greenhouse gases are released during production compared to concrete. The safety of the sleepers was analyzed by looking at the presence of pollutants and the degree to which these pollutants leach out. After all, any substance released during the use of the sleepers can end up in the soil and groundwater. There is legislation for all types of sleepers, the objective of which is to ensure that they are safe to use. For this study not all relevant data were available. Knowledge of the presence of any hazardous substances in sleepers is important if they are to be safely reused.
  • Monitoringsrapportage NSL 2020 : Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

    de Smet, PAM; Visser, S; Valster, NL; Schuch, WJL; Geijer, MN; Wesseling, JP; van den Beld, WA; Drukker, D; Groot-Wassink, H; Sanders, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-21)
    In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken de overheden samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Hierover wordt jaarlijks gerapporteerd. Uit de monitoringsrapportage 2020 blijkt dat de luchtkwaliteit iets verder is verbeterd. In vrijwel heel Nederland liggen de concentraties stikstofdioxide en fijnstof in 2019 onder de Europese grenswaarden. Ook onder deze grenswaarden is luchtverontreiniging nog schadelijk. Daarom is er beleid om de luchtkwaliteit te verbeteren. Uit de rapportage blijkt ook dat in een enkele straat in de binnenstad van Amsterdam en Arnhem de grenswaarde voor stikstofdioxide nog wordt overschreden. Er waren minder overschrijdingen dan in 2018. De gemiddelde concentratie fijnstof in Nederland is in 2019 gedaald ten opzichte van 2018. In het grootste deel van het land zijn de grenswaarden voor wegverkeer niet overschreden. Op enkele locaties in gebieden met intensieve veehouderijen worden de grenswaarden van fijnstof ook nog overschreden. Dit zijn er wel minder dan in 2018, hoewel er meer veehouderijen in de berekeningen zijn meegeteld. De daling komt vooral doordat de gemeenten de gegevens over de veehouderij hebben verbeterd. De komende jaren zet deze daling naar verwachting door, zowel voor stikstofdioxide als voor fijnstof. Naar verwachting wordt de bevolking gemiddeld minder blootgesteld aan deze stoffen. Het is moeilijk aan te geven in welk tempo dat zal gaan. Minder uitstoot door verkeer en veehouderijen helpen daarbij. Effecten van de coronamaatregelen zullen er ook zijn, maar daar is nog nu geen zicht op. De kwaliteit van gegevens die overheden over wegverkeer en veehouderijen aanleveren, verbetert de laatste jaren sterk. Aandacht van alle overheden voor de kwaliteit van de data blijft nodig om een betrouwbaar beeld te kunnen geven van de luchtkwaliteit. Schone lucht is belangrijk voor de volksgezondheid. Daarvoor zijn lagere concentraties luchtvervuilende stoffen nodig dan de Europese grenswaarden stellen. Om dat te bereiken heeft de overheid in 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) opgesteld. Hierin spreken de rijksoverheid, provincies en gemeenten met elkaar af de luchtkwaliteit in Nederland tot 2030 verder te verbeteren.
  • Supply security for medical radionuclides - additions 2020 : Supplement to RIVM Reports 2019-0101, 2017-0063 and 2018-0075

    Roobol, L; Rosenbaum, C; de Waard, I (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-21)
    Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden, zogenoemde therapeutische radionucliden. Samen heten ze medische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op een reactor na zijn deze installaties oud en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. In Nederland wordt overwogen een nieuwe reactor te bouwen, de Pallas. De wereldmarkt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kan het wereldwijd een probleem worden om medische radionucliden te leveren. De andere reactoren kunnen de vraag dan niet altijd opvangen. Bovendien neemt de vraag naar deze middelen toe. Nieuwe bestralingscapaciteit is dan ook nodig om te voorkomen dat er binnen 10 jaar zorgelijke tekorten ontstaan. Het is ook belangrijk om Europa zelfvoorzienend te houden door het bouwen van nieuwe bestralingsfaciliteiten. De planning van initiatieven die gaande zijn, blijkt al jarenlang te optimistisch. Naast nieuwe bestralingscapaciteit zijn alle onderdelen van de leveringsketen belangrijk voor de leveringszekerheid. Het gaat dan om de aanvoer van grondstoffen, betrouwbare reactoren of versnellers, laboratoria die een medisch product kunnen maken, betrouwbaar en efficiënt transport tussen deze schakels, en naar de ziekenhuizen. Nederland heeft een groot deel van de leveringsketen in eigen land. Hierdoor is Nederland goed in staat om nieuwe radiofarmaceutische producten te ontwikkelen. De aanwezigheid van academische ziekenhuizen, een reactor en gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Als de Pallas-reactor niet wordt gerealiseerd en de HFR moet sluiten, dan verliest Nederland een belangrijke schakel in de leveringsketen.
  • Cyanobacteria protocol 2020

    Schets, FM; van der Oost, R; van de Waal, DB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-17)
    Wanneer er veel blauwalgen in zwemwater zitten, kunnen ze voor overlast (zoals stank) en gezondheidsrisico's (zoals milde huid- en maagdarmklachten) voor zwemmers zorgen. De kwaliteit van water van officiële zwemlocaties moet voldoen aan Europese eisen. Om de gezondheid van zwemmers op deze zwemlocaties te beschermen, gebruiken waterbeheerders in Nederland daarom het Blauwalgenprotocol. Dit protocol vertelt hen hoe ze zwemlocaties moeten controleren op blauwalgen en welke maatregelen ze moeten nemen. Het Blauwalgenprotocol 2020 doet dit volgens de nieuwste inzichten Het Blauwalgenprotocol 2020 is een update. De update was nodig omdat er sinds het laatste Blauwalgenprotocol, uit 2012, nieuwe inzichten zijn hoe de aanwezigheid van blauwalgen kan worden gevolgd. Ook wil de overheid de blauwalgenproblematiek in heel Nederland op dezelfde manier aanpakken. Blauwalgen kunnen soms giftig zijn. Omdat het niet altijd mogelijk is de giftige van de niet-giftige te onderscheiden zijn, gaat het Blauwalgenprotocol 2020 er voor de zekerheid vanuit dat ze allemaal giftig kunnen zijn. Waterbeheerders controleren zwemlocaties door lokaal de situatie te bekijken. Daarna onderzoeken ze het water in het laboratorium. Ze volgen hierbij een verplichte, vaste procedure. Zo wordt vastgesteld hoeveel blauwalgen er in het water zitten en hoe groot het risico is. Waterbeheerders mogen ook extra onderzoek doen als zij dat nodig vinden. Als het risico bekend is, worden de maatregelen genomen die daarbij horen en worden de zwemmers geïnformeerd. Dit kan een waarschuwing, een negatief zwemadvies of een zwemverbod zijn. Dit wordt ter plaatse aangegeven en op www.zwemwater.nl. Door het Blauwalgenprotocol 2020 na te leven tijdens het zwemseizoen (1 mei - 1 oktober) voldoet Nederland aan de eisen van de Europese Zwemwaterrichtlijn.
  • An overview of the available data on the mutagenicity and carcinogenicity of 1-bromopropane

    Geraets, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-17)
    De stof 1-broompropaan wordt onder andere gebruikt als oplosmiddel voor vetten, waxen en harsen. Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht wat er bekend is over twee mogelijke schadelijke eigenschappen van deze stof. De vraag is of 1-broompropaan kankerverwekkend is en erfelijke veranderingen kan veroorzaken door schade aan het DNA (mutageen). De gevonden informatie is samengevat. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen om de mutagene en kankerverwekkende eigenschappen te beoordelen. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen ook voor een advies voor de classificatie van de stof dat op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wordt opgesteld. De genoemde beoordeling wordt uitgevoerd door de Subcommissie Classificatie van carcinogene stoffen. Deze subcommissie valt onder de Commissie Gezondheid en Beroepsmatige Blootstelling aan Stoffen (GBBS) van de Gezondheidsraad. De GBBS richt zich op gezondheidsrisico's door blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek.
  • Analyse REACH-autorisatieaanvragen: inventarisatie van alternatieven voor chroom-6

    van Goor-Gras, JEF; van Kuppevelt, MA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-15)
    Chroom-6 zit in verschillende materialen en producten. Dit metaal beschermt materialen tegen roestvorming en andere vormen van verwering. Daarnaast zien verchroomde voorwerpen er mooi uit, zoals badkamerkranen en autovelgen. Chroom-6 heeft wel gevaarlijke eigenschappen. Als mensen eraan blootstaan, bijvoorbeeld tijdens het werk, kunnen ze daar ziek van worden. Bedrijven mogen daarom alleen chroom-6 gebruiken als er geen veilige alternatieven mogelijk zijn. Er blijken veel ontwikkelingen te zijn op het gebied van alternatieven voor chroom-6. Dat laat een overzicht zien dat het RIVM in opdracht van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (i-SZW) heeft gemaakt. Het RIVM heeft per toepassingsgebied een overzicht van de mogelijke alternatieven gemaakt. De inspectie gebruikt deze informatie om haar controletaak beter uit te voeren. Het gebruik van chroom-6-houdende stoffen is verboden, tenzij een bedrijf toestemming voor gebruik heeft gekregen van de Europese Commissie en lidstaten (via een zogeheten autorisatie). Het doel van dit verbod is chroom-6 uiteindelijk te vervangen door minder gevaarlijke stoffen of technieken. De inspectie in Nederland controleert of een bedrijf genoeg doet om een alternatief voor chroom-6 te vinden. Alternatieven voor chroom-6 maken het mogelijk dat deze stof de komende jaren minder wordt gebruikt. Door welke stof of technieken het zal worden vervangen, is nu niet precies te voorspellen. Het RIVM- overzicht laat in elk geval zien dat het niet mogelijk is om voor alle toepassingen van chroom-6 één alternatief te vinden. Voor iedere toepassing moet een alternatief op maat worden gezocht. Om voor een autorisatie in aanmerking te komen, moet de aanvrager eerst via uitgebreid onderzoek aantonen dat er geen alternatieven zijn. Uit een analyse van autorisatieaanvragen blijkt dat er geen volledig beeld is van alle ontwikkelingen om chroom-6 te vervangen. De beschreven onderzoeken in de aanvragen zijn vaak enkele jaren oud of vertrouwelijk. Wanneer verlengingen van autorisaties worden aangevraagd, wordt meer nieuwe informatie openbaar. Het RIVM vindt het daarom belangrijk de ontwikkelingen goed te volgen. Ook zou het RIVM graag zien dat bedrijven meer informatie delen over lopend onderzoek, zodat een actueel beeld ontstaat van de alternatieven voor chroom-6.
  • Impact van de eerste COVID-19 golf op de reguliere zorg en gezondheid : Inventarisatie van de omvang van het probleem en eerste schatting van gezondheidseffecten

    van Giessen, A; de Wit, A; van den Brink, C; Degeling, K; Deuning, C; Eeuwijk, J; van den Ende, C; van Gestel, I; Gijsen, R; van Gils, P; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-15)
    De COVID-19-epidemie heeft tijdens de eerste golf grote impact gehad op de zorg, vooral in het voorjaar van 2020. Afspraken, behandelingen en operaties voor niet-COVID-patiënten zijn afgezegd of uitgesteld. Ook meden patiënten zelf de zorg, bijvoorbeeld uit angst om te worden besmet of om de zorg te ontlasten. Een deel van de afspraken is vervangen door zorg op afstand, bijvoorbeeld telefonisch of via beeldbellen. Aan het begin van de zomer herstelden veel sectoren in de zorg grotendeels, maar het lukte niet de achterstand in te halen. Sommige vormen, zoals de paramedische zorg, dagbesteding en groepsbehandelingen, herstelden moeizamer. Door de coronamaatregelen, zoals 1,5 meter afstand houden en de extra hygiënemaatregelen, was het vaak niet mogelijk om evenveel zorg als voorheen te leveren. Voor dit onderzoek is gekeken naar de behandelingen die binnen de 12 grootste specialismen in ziekenhuizen het meest worden uitgevoerd (in totaal 48). Tijdens de eerste coronagolf is gemiddeld 23 procent van deze behandelingen niet doorgegaan. De gezondheidswinst die behandelingen normaal gesproken opleveren is daardoor niet bereikt. Dit wordt uitgedrukt in 'verloren gezonde levensjaren', een eenheid die effecten op sterfte en kwaliteit van leven aangeeft. Door de uitgevallen behandelingen zijn er naar schatting 34.000 tot 50.000 minder gezonde levensjaren bereikt. Dit zijn vooral effecten op kwaliteit van leven, en in mindere mate op overlijden. Een relatief groot deel van de verloren gezonde levensjaren zijn het gevolg van weggevallen behandelingen binnen de specialismen oogheelkunde en orthopedie, zoals staar-, knie- en heupoperaties. De schattingen over de gevolgen voor kankerpatiënten vallen buiten de berekeningen van dit onderzoek. Deze schattingen zijn ingewikkelder. Als eerste aanzet daarvoor zijn de gevolgen voor melanoom uitgewerkt, de agressiefste vorm van huidkanker. Naar schatting zijn 1.600 tot 2.800 gezonde levensjaren verloren gegaan door deze uitgevallen zorg. De onderzochte behandelingen vormen 28 procent van de medisch-specialistische zorg. Deze behandelingen leveren in verhouding veel gezondheidswinst op, en dus ook relatief veel verlies als de zorg niet doorgaat. Het totale gezondheidsverlies zal zeker groter zijn dan de genoemde aantallen, maar niet drie tot vier keer zo groot. Een deel van het gezondheidsverlies gaat niet definitief verloren als de komende jaren extra behandelingen kunnen worden uitgevoerd.
  • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2019

    Lagerweij, GR; Pijnacker, R; Friesema, IHM; Mughini Gras, L; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-15)
    Dit rapport bevat een erratum d.d. 21-01-2021 op pagina 51 Het RIVM onderzoekt elk jaar hoeveel mensen ziek worden of sterven door 14 ziekteverwekkers die de maag of darm kunnen infecteren. Deze zogeheten ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationale maat voor het aantal gezonde levensjaren dat verloren gaat aan ziekte of eerder dan 'normaal' overlijden. De 14 ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel in het lichaam van de mens terechtkomen (ongeveer 40 procent). Het kan ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. Het aandeel van deze routes verschilt per ziekteverwekker. Het totaal aantal DALY's die deze 14 ziekteverwekkers in 2019 veroorzaakten, is hetzelfde als in 2018 en 2017 (11.000 DALY's). De ziektelast via voedsel is in 2019 geschat op 4.200, en is daarmee iets lager dan in 2018 (4.300 DALY's). De totale kosten van deze ziektelast worden geschat op 423 miljoen euro. Dat is lager dan in 2018 (426 miljoen). Deze cost of illness zijn directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie. Dat zijn bijvoorbeeld reiskosten, en de kosten binnen andere sectoren, zoals door werkverzuim. De kosten van de ziektelast door besmet voedsel zijn iets gestegen: 174 miljoen euro in 2019 ten opzichte van 171 miljoen euro in 2018. De verschillen in DALY's en kosten komen vooral doordat het aantal infecties dat een aantal van de ziekteverwekkers veroorzaakte veranderde. Het gaat om norovirus, rotavirus, Cryptosporidium spp., en Campylobacter spp. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. De resultaten geven handvatten om meer zicht te krijgen op de ziektelast en blootstellingsroutes van voedselinfecties bij de Nederlandse bevolking. Ook laten ze de ontwikkelingen hierin door de jaren heen zien.
  • CSOIL 2020: Exposure model for human health risk assessment through contaminated soil. Technical description

    van Breemen, PMF; Quik, Joris T K; Brand, E; Otte, PF; Wintersen, AM; Swartjes, FA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-15)
    This report describes the CSOIL 2020 model, which calculates human exposure to soil contaminants throughout the entire human lifetime. Exposure can occur through, for example, consuming home grown vegetables and inhalation of soil particles during gardening. CSOIL 2020 is the most recent version of the CSOIL model, which was developed in 1995 and revised in 2000. The Government of The Netherlands uses the results of this model to determine soil quality standards. CSOIL 2020 was updated to incorporate recent scientific knowledge and allow functionality under newer IT operating systems. Additionally, the exposure results from CSOIL can now be used in the newest version of the risk toolbox for soil (in Dutch: Risicotoolbox Bodem). The toolbox is used to determine whether soil can safely be (re-)used. New modules are currently under development to allow the toolbox to be used in the Environment and Planning act, which will enter into force on the first of January 2022. Contact with contaminants in soil can be damaging to human health. Information on the extent of human exposure is required to determine the risk to health. CSOIL determines the exposure on the basis of the type of soil use on a location, like 'Residential with garden', the properties of the contaminant, such as solubility, and the local situation.
  • Microbial cleaning products: an inventory of products, potential risks and applicable regulatory frameworks

    Razenberg, L; Bijtenhuijs, D; Graven, C; de Jonge, R; Wezenbeek, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-11)
    Microbial cleaners are cleaning agents containing bacteria. These can be cleaning agents for use in and around the home, as well as personal care products for cleaning your skin or hair. Examples are all-purpose cleaners and shampoo with added bacteria. The bacteria are for example added because they produce enzymes that can break down dirt or stains. The packaging of microbial cleaners often states that the product is safe, natural and free of chemicals. RIVM has carried out a general survey of which microbial cleaners are offered for sale in the Netherlands. In total, 92 products were identified. For each product, information was collected about which type of bacteria it contained and how it should be used. RIVM prepared this overview at the request of the Netherlands Food and Consumer Products Safety Authority (NVWA). The goal was to obtain more insight into these products, what they are used for and their potential health risks. Microbial cleaners may be covered by different pieces of legislation. For example by the legislation for cleaning agents (detergents), for personal care products (cosmetics), or for agents that are used to combat harmful organisms (biocides). Specific safety requirements on bacteria in microbial cleaners are only set in the legislation on biocides. Appropriate legislation is therefore necessary when examining the safety of these cleaners. If people come into contact with bacteria from a microbial cleaner, they can develop symptoms such as a skin rash or an allergic reaction as a result. In order to assess the safety of a microbial cleaner, information is needed about the characteristics of the bacterial species that it contains. Information is also needed on how people come into contact with the bacteria and how frequently this occurs. For many microbial cleaners, this information is not available because there is no adequate legislation requiring this. It is therefore more difficult to assess the risk. The manufacturer is always responsible for ensuring that a product is safe.
  • De effectiviteit van 'Individuele plaatsing en steun' (IPS) op gezondheid en participatie : Een literatuuroverzicht

    Loef, B; van Oostrom, S; Proper, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-10)
    Individuele plaatsing en steun (IPS) maakt deel uit van een behandeling voor personen met ernstige psychische aandoeningen waar werk een onderdeel van is. Voorbeelden van deze aandoeningen zijn psychosen, bipolaire stoornissen, en ernstige depressies. Het doel van IPS is dat mensen snel een reguliere baan krijgen volgens het first place then train-principe. Dit betekent dat ze hulp voor hun aandoening blijven krijgen nadat ze met een baan zijn begonnen. Bij andere initiatieven houdt die hulp dan op. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van IPS. Het beschikbare onderzoek laat geen duidelijk positief of negatief effect zien op de kwaliteit van leven, het functioneren, en de mentale gezondheid van de mensen. De maatregel heeft wel een duidelijk positief effect als naar de arbeidsparticipatie wordt gekeken, zoals betaald werk vinden en behouden. Het bewijs of mensen die aan IPS deelnemen ook op lange termijn hun werk behouden is alleen nog heel beperkt. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM naar de effecten van IPS op gezondheid en participatie van mensen met psychische aandoeningen. De literatuurstudie is uitgevoerd in opdracht van de werkgroep Inclusieve samenleving van de Brede Maatschappelijke Heroverwegingen (BMH). De BMH wilde weten wat de effecten van IPS zijn op gezondheid en participatie.
  • Leveringszekerheid voor medische radionucliden - aanvullingen 2020 : Uitbreiding op RIVM Rapporten 2019-0101, 2017-0063 en 2018-0075

    Roobol, L; Rosenbaum, C; de Waard, I (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-09)
    Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden, zogenoemde therapeutische radionucliden. Samen heten ze medische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op een reactor na zijn deze installaties oud en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. In Nederland wordt overwogen een nieuwe reactor te bouwen, de Pallas. De wereldmarkt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kan het wereldwijd een probleem worden om medische radionucliden te leveren. De andere reactoren kunnen de vraag dan niet altijd opvangen. Bovendien neemt de vraag naar deze middelen toe. Nieuwe bestralingscapaciteit is dan ook nodig om te voorkomen dat er binnen 10 jaar zorgelijke tekorten ontstaan. Het is ook belangrijk om Europa zelfvoorzienend te houden door het bouwen van nieuwe bestralingsfaciliteiten. De planning van initiatieven die gaande zijn, blijkt al jarenlang te optimistisch. Naast nieuwe bestralingscapaciteit zijn alle onderdelen van de leveringsketen belangrijk voor de leveringszekerheid. Het gaat dan om de aanvoer van grondstoffen, betrouwbare reactoren of versnellers, laboratoria die een medisch product kunnen maken, betrouwbaar en efficiënt transport tussen deze schakels, en naar de ziekenhuizen. Nederland heeft een groot deel van de leveringsketen in eigen land. Hierdoor is Nederland goed in staat om nieuwe radiofarmaceutische producten te ontwikkelen. De aanwezigheid van academische ziekenhuizen, een reactor en gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Als de Pallas-reactor niet wordt gerealiseerd en de HFR moet sluiten, dan verliest Nederland een belangrijke schakel in de leveringsketen.
  • Beter Weten: Een Beter Begin : Samen sneller naar een betere zorg rond de zwangerschap

    Achterberg, PW; Harbers, MM; Post, NAM; Visscher, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-07)
    In vergelijking met andere landen stierven er tien tot vijftien jaar geleden in Nederland veel meer baby's rond de geboorte. Na veel media-aandacht en nieuw beleid is de geboortezorg (verloskundigen, gynaecologen, en kraamzorg) meer gaan samenwerken. De babysterfte daalde daarna sterk. Maar die daling is gestopt en de babysterfte neemt weer toe. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft het RIVM gevraagd te onderzoeken hoe dat komt en betrokkenen uit de geboortezorg bij dit onderzoek te betrekken. Ook is gevraagd om de Nederlandse cijfers te vergelijken met die van Finland, waar de babysterfte al lange tijd laag is. De recente stijging van de Nederlandse babysterfte betreft vooral baby's die te vroeg geboren worden. Wel is het grote verschil in babysterfte met Finland veel kleiner geworden, omdat de babysterfte in Nederland tot 2015 sterk daalde. Het verschil dat er nog is met Finland, komt vooral omdat er in Nederland vaker kinderen te vroeg worden geboren. Verschillende factoren vergroten de kans dat een baby rond de geboorte overlijdt. Voorbeelden zijn een vroeggeboorte en een ongezonde leefstijl van de aanstaande moeder. Enkele van deze factoren komen de laatste jaren vaker voor. Zo hebben Nederlandse vrouwen steeds vaker obesitas of overgewicht. Maar ook sociale factoren hebben invloed, zoals laaggeletterdheid, taalachterstand, en armoede. In achterstandswijken komen vroeggeboorte en babysterfte vaker voor, net als bij de toenemende groep moeders met een migratieachtergrond. De zorg moet zich aanpassen aan die risico's om babysterfte te vermijden. Volgens de geïnterviewde betrokkenen kan de geboortezorg verder verbeteren als de onderdelen meer samenwerken. Samenwerken met gemeenten, sociale zorg en de jeugdgezondheidszorg hoort daarbij. De lokale organisatie van de geboortezorg moet daarin worden ondersteund. Ook moeten patiëntengegevens sneller kunnen worden uitgewisseld. Verder zijn een goede ICT-voorziening en betere gegevens over zwangerschap en bevalling belangrijk om de kwaliteit van de zorg te verbeteren. Een op te richten perinataal monitoring centrum moet inzicht gaan geven in de landelijke ontwikkelingen in de geboortezorg en de gezondheid van moeder en kind. Tot slot geven de geïnterviewde betrokkenen aan dat de eigen bijdragen in de geboortezorg zou moeten worden afgeschaft.
  • Tuberculose in Nederland 2019 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies

    Slump, E; van Beurden, KM; Erkens, CGM; Schimmel, HJ; van Soolingen, D; de Vries, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-02)
    Het aantal tbc-patiënten in Nederland daalt de laatste tien jaar geleidelijk. In 2019 zijn er 759 patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 797 in 2018. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2019 waren dat driekwart van de zieken. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (88), gevolgd door Marokko (58) en India (41). In Afrika en Azië komt deze ziekte veel voor. Bijna de helft van de tbc-patiënten die geboren zijn in het buitenland, verbleef relatief kort (minder dan vijf jaar) in Nederland op het moment dat de tuberculose is vastgesteld. Dit zijn grotendeels immigranten en asielzoekers die in de jaren 2015 tot en met 2018 in Europa kwamen. Zij zijn waarschijnlijk in het land van herkomst of gedurende de reis naar Nederland besmet. Dit blijkt uit de cijfers over 2019. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de effecten te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020. Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet worden gemeld bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. In 2019 ging meer dan driekwart van de patiënten zelf naar een dokter. Twaalf procent is gevonden door risicogroepen te onderzoeken op tuberculose, zoals immigranten en asielzoekers bij aankomst in Nederland. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2019 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. Door zo vroeg mogelijk op te sporen wie in de omgeving van een patiënt besmet is geraakt, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Zes procent van de patiënten in 2019 is op deze manier gevonden.
  • Pneumococcal vaccination of the elderly : Information for the Dutch Health Council

    Knol, M; de Melker, H; Sanders, L; van Sorge, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-11-30)
    De pneumokok is de belangrijkste veroorzaker van ernstige infecties als longontsteking, bloedvergiftiging en hersenvliesontsteking. Deze infecties komen het meest voor bij ouderen met minder weerstand en bij kinderen onder de vijf jaar. Bij ouderen veroorzaakt de bacterie vooral longontsteking. In Nederland worden ongeveer 10.000 patiënten per jaar in het ziekenhuis opgenomen vanwege een pneumokokkeninfectie. Vooral ouderen hebben een groter risico (10 tot 20 procent) om hieraan te overlijden. In februari 2018 heeft de Gezondheidsraad geadviseerd om mensen van 60-80 jaar elke vijf jaar een pneumokokkenvaccinatie (PPV23) aan te bieden. Het was de bedoeling dat hiervoor alle mensen van 60, 65, 70 of 75 jaar in de herfst van 2020 zouden worden uitgenodigd. Vanwege de COVID-19-pandemie heeft de Gezondheidsraad in april 2020 geadviseerd om de vaccinatie eerst aan te bieden aan de oudste leeftijdsgroepen (70-79-jarigen). Zij hebben zowel een grotere kans op ernstige pneumokokkeninfecties als op een ernstig verloop van COVID19. Aangezien er onvoldoende vaccins zijn om alle mensen van 70 tot 79 jaar in 2020 te vaccineren, worden in het najaar eerst mensen van 73 tot 79 jaar uitgenodigd. In december 2020 zal de Gezondheidsraad adviseren welke leeftijdsgroepen in 2021 voor de pneumokokkenvaccinatie in aanmerking komen. Als ondersteuning van dat advies heeft het RIVM nu de beschikbare en relevante wetenschappelijke informatie bijeengebracht. Het gaat onder meer om het aantal mensen dat in Nederland ziek wordt van pneumokokken vlak voor en tijdens de COVID-19 pandemie. Het aantal patiënten met pneumokokkenziekte is sinds april 2020 tot 80 procent lager dan voorgaande jaren. Dit komt waarschijnlijk doordat pneumokokken minder worden verspreid door de maatregelen tegen COVID-19. Ook staat er informatie in het rapport over nieuwe pneumokokkenvaccins die momenteel ontwikkeld worden.
  • The National Immunisation Programme in the Netherlands : Surveillance and developments in 2019-2020

    Schurink-van 't Klooster, TM; de Melker, HE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-11-27)
    Under the National Immunisation Programme (NIP), 1,520,301 children and pregnant women were vaccinated in the Netherlands in 2019. Together, they received a total of 2,929,264 vaccinations. National immunisation coverage rose slightly for the first time in five years. In 2019, there were no notifications for diphtheria, tetanus, rubella, and polio. As in previous years, the number of notifications was low for Haemophilus influenzae type b (Hib; 39). The number of measles notifications was relatively high (84). The number of mumps cases (131) was double the number reported in the previous year. The number of notifications of hepatitis B (1205) remained stable. The number of notifications of meningococcal W disease (62) decreased after introduction of MenACWY-vaccination into the NIP (for 14-month-olds and 14-year-olds). This ended the rise in notifications from 2015 to 2018 (from 9 to 103). The number of pertussis notifications (6383) increased compared with 2018. Since the end of 2019, pregnant women are vaccinated against pertussis to prevent severe pertussis in infants. From March 2020 to June, during the Dutch COVID-19 response measures, including social distancing and school closure, the reported incidence of pertussis, invasive pneumococcal disease, meningococcal disease and mumps dropped. The Ministry of Health, Welfare and Sport has decided in April 2020 to cancel the implementation of rotavirus vaccination for children with an high risk for severe disease in the NIP. A new study showed lower vaccine-effectiveness estimates for high-risk infants than expected. The ministry asked for a new advise of the Health Council, which is expected in 2021. In 2020, the intention was to offer pneumococcal vaccination to elderly 60, 65, 70 and 75 years of age. Due to the COVID-19 pandemic, however, priority in this year has been given to the oldest age groups (73- to 79-year-olds).
  • Implementation of a data fusion approach to assess the concentration and dry deposition of ammonia in the Netherlands

    Wichink Kruit, R; Braam, M; Hoogerbrugge, R; van Pul, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-11-27)
    Methode om de concentratie en droge depositie van ammoniak vast te stellen is verder verfijnd Het RIVM heeft de methode om de concentratie en 'droge depositie' van ammoniak in Nederland vast te stellen verder verfijnd. De concentratie is de hoeveelheid ammoniak die in de lucht zit. De droge depositie is de hoeveelheid ammoniak die bij droog weer vanuit de lucht op de bodem terechtkomt. Met de verfijnde methode komen de gemeten en berekende ammoniakconcentraties nog beter overeen. De methode De nieuwe methode is een nabewerking op de berekende concentratie en droge depositie van ammoniak. Lokaal kan de verhouding tussen berekende en gemeten ammoniakconcentraties verschillen. De nieuwe methode houdt hier beter rekening mee dan voorheen en past de berekende waarden aan de lokale situatie aan. De eerdere methode gebruikte hiervoor een vaste, landelijke factor. De lokale aanpassing is nu mogelijk, omdat er in de afgelopen jaren veel meetpunten zijn bijgekomen in het Meetnet ammoniak in Natuurgebieden (MAN). Beter inzicht Met de nieuwe methode zijn lokale verschillen tussen de gemeten en berekende ammoniakconcentraties kleiner. De berekende concentratie en droge depositie met de nieuwe methode zijn hoger in het (zuid)westen van Nederland. In het oosten van Nederland zijn die juist lager. De gemiddelde concentratie en droge depositie van ammoniak over heel Nederland blijft vrijwel hetzelfde.
  • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2016-2019) en trend (1992-2019) : De Nitraatrapportage 2020 met de resultaten van de monitoring van de effecten van de EU Nitraatrichtlijn actieprogramma's

    Fraters, B; Hooijboer, AEJ; Vrijhoef, A; Plette, ACC; van Duijnhoven, N; Rozemeijer, JC; Gosseling, M; Daatselaar, CHG; Roskam, JL; Begeman, HAL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-11-23)
    De afgelopen dertig jaar heeft de Nederlandse overheid maatregelen genomen waardoor de concentraties stikstof en fosfor sterk zijn gedaald. Hierdoor is de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater verbeterd. Maar de waterkwaliteit is nog niet overal voldoende. In de bovenste meter van het grondwater van meer dan de helft van de landbouwbedrijven in de Zand- en Lössregio is de nitraatconcentratie te hoog. Dit geldt ook voor de bovenste meter van het grondwater in ruim dertig van de circa 200 grondwaterbeschermingsgebieden. Ook voldoet een groot deel van de oppervlaktewateren nog niet aan de gewenste kwaliteit en zijn de concentraties stikstof en fosfor er te hoog. Na 2015 neemt het teveel aan stikstof en fosfor toe. Dit is vanaf 2018 versterkt door de droge zomers. Bij droogte groeien planten minder goed, waardoor ze minder stikstof en fosfor uit de bodem opnemen. Ook wordt er minder nitraat in de bodem afgebroken en spoelt er meer weg naar het grond- en oppervlaktewater. Zo verdubbelde de nitraatconcentratie in het slootwater op landbouwbedrijven in de periode 2016 tot en met 2019. Toch was de nitraatconcentratie in het grond- en oppervlaktewater in deze periode gemiddeld genomen lager dan in de vier jaar ervoor. Stikstof en fosfor zijn stoffen in mest die landbouwbedrijven gebruiken om gewassen beter te laten groeien. Een teveel aan stikstof en fosfor kan wegspoelen naar het grond- en oppervlaktewater en dat vervuilen. Nitraat is een van de vormen waarin stikstof voorkomt in de bodem en het water. De verbeterde waterkwaliteit komt vooral doordat boeren steeds minder mest zijn gaan gebruiken. Hierdoor nam het te veel aan stikstof en fosfor in de bodem af. Dit betekent ook dat er minder nitraat met regenwater wegzakt naar diepere lagen in de bodem en zo in het grondwater terechtkomt. Hoe minder stikstof en fosfor in de bodem en in het grondwater zit, hoe minder er naar het oppervlaktewater stroomt. Het is belangrijk om schoon grond- en oppervlaktewater te hebben waar drinkwater van kan worden gemaakt. Ook zorgt schoon oppervlaktewater ervoor dat er meer verschillende planten en dieren kunnen leven in het water.

View more