The RIVM's legal task is to investigate and report on questions addressed by the Dutch government. The findings from these investigations are published in the series RIVM reports.

Collections in this community

Recent Submissions

  • Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2020

    Staritsky, LE; Visser, M; van Aar, F; op de Coul, ELM; Heijne, JCM; van Wees, DA; Kusters, JMA; Alexiou, ZW; de Vries, A; Gotz, HM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
    In 2020 hebben minder mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) dan in 2019, door de uitbraak van het coronavirus. Het percentage dat ook echt een soa had (21 procent), is gestegen. Chlamydia bleef de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen. Bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) kwam gonorroe het meest voor. Bij CSG’s kunnen mensen die een grotere kans hebben op een soa, bijvoorbeeld jongeren onder de 25, zich gratis laten testen. In 2020 zijn er in totaal 105.936 consulten geregistreerd bij de CSG’s. Het aantal consulten nam af onder zowel vrouwen, heteroseksuele mannen en MSM. Infecties zijn relatief het vaakst gevonden bij mensen die een melding hadden ontvangen dat ze een risico op een soa lopen. Naast de CSG-cijfers worden schattingen gemaakt van het aantal soa-consulten en -diagnoses bij huisartspraktijken. Zij voeren de meeste soa-consulten uit. Hun gegevens gaan over het voorgaande jaar omdat de 2020 data pas later beschikbaar zijn. Chlamydia In 2020 waren er 15.979 chlamydia-diagnoses bij cliënten van de CSG’s, 24 procent minder dan in 2019 (21.134). Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met chlamydia was stabiel tussen 2016 en 2019 (respectievelijk 15 en 18 procent). In 2020 is het percentage onder vrouwen toegenomen naar 17 procent en naar 22 procent onder heteroseksuele mannen. Voor MSM ligt dit percentage al jaren rond de 10 procent; in 2020 steeg het licht naar 11,2 procent. Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses bij cliënten van de CSG’s is het afgelopen jaar met 18 procent afgenomen tot 6.722 infecties. Het percentage consulten waarbij gonorroe is gevonden steeg tussen 2016 en 2020: onder heteroseksuele mannen van 1,9 naar 2,5 procent en onder vrouwen van 1,4 naar 2,1 procent. Het percentage onder MSM was tussen 2015 en 2019 stabiel rond de 11 procent maar nam toe tot 12 procent in 2020. Bij de CSG’s is geen antibioticaresistentie tegen het huidige ‘eerste keus’ antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Wel is er resistentie tegen andere antibiotica. De resistentie tegen ciprofloxacine bleef hoog in 2020 met 57 procent. Syfilis In 2020 had 7,4 procent minder cliënten van de CSG’s een syfilis-diagnose dan in 2019 (1.324 versus 1.430). Daarvan is 96 procent bij MSM gevonden. Het percentage met syfilis onder MSM daalde van 2,9 procent in 2016 naar 2,4 procent in 2018 en steeg weer naar 2,9 procent in 2020. Het percentage was voornamelijk hoger onder MSM die een melding hadden ontvangen voor syfilis (13 procent). Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef in 2020 laag, respectievelijk 17 en 35. Hiv In 2020 kregen 122 mensen via de CSG’s te horen dat ze hiv hadden, 26 procent minder dan in 2019. Hiervan waren 107 diagnoses bij MSM. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef laag, respectievelijk 5 en 10. Het aantal mensen met hiv dat in 2020 voor het eerst voor behandeling bij een van de Nederlandse hiv-behandelcentra kwam (‘in zorg’) was 755. Dat was minder dan in 2019 (972). In totaal zijn in 2020 21.186 mensen met hiv geregistreerd als in zorg.
  • Voorbereiding van Brzo bedrijven op klimaatverandering

    Pompe, CE; Pijnenburg, H; Uijt de Haag, PAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
    Door klimaatverandering is de kans groter dat in Nederland overstromingen, piekbuien, droogte en hittegolven komen. De chemische industrie is wettelijk verplicht om zich hierop voor te bereiden. Zo blijft de kans op ongevallen, en daarmee het risico voor de omgeving, klein. Uit een eerdere analyse van het RIVM blijkt dat bedrijven in hun veiligheidsrapporten niet duidelijk aangeven hoe zij zich hierop voorbereiden. Het RIVM, adviesbureau Econos en Rijkswaterstaat hebben daarom met bedrijven een overzicht gemaakt van de gevaren en mogelijke maatregelen. Door er samen over te brainstormen konden ze kennis delen en van elkaar leren. Bedrijven kunnen het overzicht gebruiken om gevaren voor hun eigen situatie te analyseren en gericht maatregelen te nemen. Ook kan het bevoegd gezag het overzicht gebruiken bij hun beoordeling of bedrijven zich genoeg voorbereiden. De bedrijven bleken nog niet planmatig te analyseren welke problemen bij een dreigende overstroming, hittegolf en dergelijke kunnen ontstaan. Het is belangrijk dat zij zich bewust worden van de gevaren en er van tevoren oplossingen voor bedenken. Zo is het belangrijk dat bedrijven weten hoeveel tijd ze bij een dreiging hebben om maatregelen te nemen. Ook moeten ze regelen dat dan genoeg mensen beschikbaar zijn om de maatregelen uit te voeren. Het blijkt dat maatwerk nodig is omdat dreigingen per bedrijf kunnen verschillen.
  • Antibioticaresistente bacteriën in slachterijafvalwater

    Blaak, H; Kemper, MA; Schilperoort, R; de Rijk, SE; de Roda Husman, AM; Schmitt, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
    In afvalwater van twee slachterijen, een varkensslachterij en een runderslachterij, zijn geen bijzonder resistente CPE (carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae) aangetroffen. Dit betekent dat CPE in Nederland niet bij varkens of rundvee voorkomen, of maar heel weinig. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM onderzocht het afvalwater van de twee slachterijen tussen 10 april en 23 juli 2019 (varkens) en van 28 oktober 2019 tot 22 januari 2020 (rundvee). In totaal zijn op 45 dagen monsters van het afvalwater genomen en onderzocht. Op die dagen zijn in totaal 400.000 tot 500.000 varkens en ruim 7000 runderen geslacht. De genomen monsters zijn daarmee representatief voor een groot aantal dieren. Via afvalwater kunnen dergelijke aantallen dieren met relatief weinig moeite worden onderzocht op antibioticaresistente bacteriën. Deze aantallen zijn veel groter dan het aantal dat elk jaar standaard wordt onderzocht op deze bacteriën tijdens de nationale monitoring van antibioticaresistentie bij landbouwhuidieren. Bij deze landelijke monitoring wordt elk dier apart gemeten. In de afvalwatermonsters zijn wel ESBL-producerende E. coli-bacteriën gevonden, en vaker dan in de landelijke monitoring. Deze resultaten bevestigen het idee dat een methode preciezer (gevoeliger) wordt naarmate meer dieren worden gescreend. Vanwege de nauwkeurigheid en vrij kleine inspanning is meten in afvalwater een efficiënte manier om te onderzoeken of landbouwhuisdieren zeldzame vormen van antibioticaresistente bacteriën, zoals CPE, bij zich dragen. De methode moet de komende jaren nog wel worden verfijnd.
  • NethMap 2021. Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands in 2020 / MARAN 2021. Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2020

    de Greeff, SC; Schoffelen, AF; Verduin, CM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-24)
    De uitbraak van SARS-CoV-2 (het coronavirus) heeft de gezondheidszorg in Nederland erg belast. Er hebben meer mensen op de IC gelegen en de reguliere zorg is afgeschaald. Toch lijkt het er niet op dat er in 2020 meer bacteriën resistent zijn geworden tegen antibiotica. Bij sommige bacteriesoorten is de resistentie zelfs afgenomen ten opzichte van de jaren ervoor. Ook is het aantal bacteriën dat resistent is tegen verschillende antibiotica tegelijk, waardoor ze moeilijker te behandelen zijn, gelijk gebleven. De effecten van de coronauitbraak op de antibioticaresistentie op de langere termijn zijn nog niet duidelijk. Wereldwijd komt het steeds vaker voor dat infecties worden veroorzaakt door bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica. In Nederland is dat probleem minder groot dan in veel andere landen. Vanwege de situatie in de wereld blijft het belangrijk om in Nederland waakzaam te blijven. Dan kan het op tijd worden opgemerkt als het resistentieprobleem toeneemt. Om antibioticaresistentie te voorkomen is het belangrijk om antibiotica op de juiste manier te gebruiken en alleen als het nodig is. Huisartsen schreven het afgelopen jaar in Nederland ongeveer 10 procent minder antibioticakuren voor dan de jaren daarvoor. Door de maatregelen tegen het coronavirus, zoals afstand houden en thuis werken, kwamen veel infectieziekten die van mens op mens overdraagbaar zijn minder vaak voor. Ook gingen er minder mensen naar een huisarts. In ziekenhuizen bleef de totale hoeveelheid gebruikte antibiotica in 2019 ongeveer stabiel. De gegevens over het gebruik in ziekenhuizen in 2020 zijn nog niet bekend. De maatregelen die in Nederland zijn genomen om antibioticaresistentie te bestrijden, reiken verder dan de gezondheidszorg. Resistente bacteriën komen namelijk ook voor bij dieren, in voeding en in het milieu (One Health-aanpak). De laatste tien jaar zijn bij varkens, koeien en kippen die voor de voedselproductie worden gehouden (landbouwhuisdieren) de aanwezige darmbacteriën steeds minder resistent geworden. Ten opzichte van 2019 is de antibioticaresistentie in de verschillende diersectoren ongeveer gelijk gebleven. ESBLproducerende darmbacteriën in vleeskuikens en op kippenvlees kwamen in 2020 minder vaak voor. In de andere diersectoren zijn deze resistente bacteriën ongeveer even vaak aangetroffen als in 2019. ESBL zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica kunnen afbreken, zoals penicillines. In 2020 zijn voor landbouwhuisdieren iets meer antibiotica verkocht dan in 2019. Ten opzichte van 2009, het referentiejaar, is de verkoop met bijna 70 procent verminderd. Voor landbouwhuisdieren zijn de afgelopen jaren bijna geen antibiotica gebruikt die van cruciaal belang zijn om infecties bij de mens te behandelen. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2021. Hierin presenteren diverse organisaties samen de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, voor mensen en dieren.
  • The 25th EURL-Salmonella workshop, 17 and 18 September 2020, Online

    Mooijman, KA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-17)
    Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de 25e workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) voor Salmonella (17-18 september 2020). Deze workshop wordt elk jaar georganiseerd. Het doel is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella, en de NRL’s informatie uitwisselen. Door de uitbraak van het coronavirus is de workshop online georganiseerd. In elke workshop is er veel aandacht voor de ringonderzoeken die het EURL elk jaar organiseert om de kwaliteit van de NRL’s te controleren. In 2020 is voor het eerst een ringonderzoek georganiseerd om Salmonella in mosselen te analyseren. De NRL’s scoorden goed in de ringonderzoeken van 2019 en 2020. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Uitgebreide informatie staat in de rapporten die over elk ringonderzoek worden uitgegeven. Om Salmonella heel precies te karakteriseren wordt Whole Genome Sequencing gebruikt. Verschillende presentaties lieten zien dat deze techniek goed te gebruiken is voor Salmonella. Vooral bij onderzoek naar uitbraken is deze techniek zeer waardevol. Andere presentaties gaven informatie over andere methoden om Salmonella aan te tonen en te karakteriseren. Ook zijn de procedures om methoden te valideren en verifiëren uitgelegd. Het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM, organiseert deze workshop. Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa controleren.
  • Monitor cliëntondersteuning 2020: cijfers en ervaringen

    Hulshof, TA; de Bekker, A; Verweij, A; Baâdoudi, F; Bauer, F; de Bruin-Kooistra, M; Eeuwijk, J; van den Brink, CL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-14)
    Onafhankelijke cliëntondersteuning is ingevoerd om met mensen mee te denken over zorg en ondersteuning. Een cliëntondersteuner geeft informatie, advies en korte tijd ondersteuning om de cliënt op weg te helpen bij hulpvragen. Het gaat hierbij om vragen over bijvoorbeeld maatschappelijke ondersteuning, zorg, jeugdhulp, onderwijs, wonen, werk en inkomen. Het doel van cliëntondersteuning is de zelfredzaamheid en participatie van mensen te versterken. Als mensen eenmaal een cliëntondersteuner aan hun zijde hebben, zijn ze daarmee goed geholpen. Het ontlast hen dat er iemand meekijkt en weet welke wetten en regels er gelden, zeker bij complexe zorgvragen. Alleen weten veel mensen niet dat ze een cliëntondersteuner kunnen krijgen en hoe ze ermee in contact kunnen komen. Dit blijkt uit de eerste Monitor cliëntondersteuning van het RIVM. Het RIVM heeft in kaart gebracht hoe het er voor staat met de vraag, het aanbod, de bekendheid en kwaliteit van cliëntondersteuning in Nederland. De Monitor cliëntondersteuning is in opdracht van het ministerie van VWS ontwikkeld. De monitor bevat cijfers uit onderzoeken en ervaringen uit interviews met onder andere cliëntondersteuners en cliënten. Gemeenten en zorgkantoren zijn wettelijk verplicht om cliëntondersteuning aan te bieden. Toch zijn er mensen die ervoor in aanmerking zouden komen (potentiële cliënten) en er gebruik van hadden willen maken, maar dat niet hebben gedaan. Vaak komt dat omdat ze niet weten dat cliëntondersteuning bestaat (50 procent van de potentiële cliënten). Ook zijn niet alle professionals die mensen op cliëntondersteuning kunnen wijzen, zoals huisartsen en wijkverpleegkundigen, ermee bekend (46 procent van deze ‘toeleiders’). Uit gesprekken met cliëntondersteuners, cliënten en gemeenten blijkt dat een aantal zaken rond cliëntondersteuning onduidelijk zijn. Zo is het niet altijd duidelijk wat de rol van de cliëntondersteuner precies is en hoe die zich verhoudt tot andere partijen in de zorg. Bovendien komt de onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner soms in het geding. Bijvoorbeeld als zijzelf ook besluiten of ondersteuning wordt toegekend, of bij een organisatie werken die zelf zorg aanbiedt.
  • Prijsgevoeligheid van rokers. Gedragseffecten van accijnsverhoging: stoppen, minderen, goedkoper product roken of kopen over de grens?

    Visscher, K; Lambooij, M; Suijkerbuijk, A; van Gils, P; de Wit, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-11)
    In Nederland sterven elk jaar 20.000 mensen aan ziekten die een gevolg zijn van roken, zoals hart- en vaatziekten en kanker. Sterfte als gevolg van roken is te voorkomen. In het Preventieakkoord staan verschillende maatregelen om er voor te zorgen dat mensen stoppen met roken of om te voorkomen dat ze daarmee beginnen. Tabak duurder maken is een maatregel waarvan bewezen is dat hij effect heeft. Daarom is vanaf 1 april 2020 de accijns op een pakje sigaretten (20 stuks) verhoogd met €1, en op een pakje shag (50 gram) met €2,50. Het RIVM heeft onderzocht of deze accijnsverhoging effect heeft gehad op rookgedrag. Hiervoor is een groep mensen, voordat de accijnsverhoging werd ingevoerd, gevraagd wat zij verwachten te gaan doen. Na de accijnsverhoging is hen gevraagd wat zij daadwerkelijk hebben gedaan. Mensen hebben inderdaad hun rookgedrag veranderd, maar minder dan zij vooraf verwachtten. Rookgedrag is in de onderzochte periode niet alleen beïnvloed door de prijsverhoging maar ook door de uitbraak van SARS-CoV-2 dat jaar. Vanaf april 2020 is 11 procent van de ondervraagde rokers met roken gestopt. Dat is meer dan de circa 3 procent van de rokers die gemiddeld per jaar stoppen. Van de bevraagde mensen is 25 procent minder gaan roken, en 8 procent een ander, goedkoper product gaan gebruiken. Vier procent kocht zijn rookwaren vaker in het buitenland. Dat deden vooral mensen die vlak bij de grens met Duitsland en België wonen, waar tabak goedkoper is. De accijnsverhoging heeft er niet toe geleid dat veel meer mensen hun rookwaar over de grens gingen kopen. Dat komt ook omdat de grens met België gesloten was tijdens de eerste lockdown. Ruim een kwart van de rokers gaf aan dat zij dat wel vaker zouden hebben gedaan als de grenzen open waren gebleven. De resultaten van dit onderzoek zijn duidelijk beïnvloed door de uitbraak van SARS-CoV-2. Deelnemers gaven aan dat het virus eraan heeft bijgedragen dat zij zijn gaan minderen of gestopt zijn om gezonder te leven. Andere deelnemers (32 procent) zijn er juist meer door gaan roken.
  • Implementatieplan vitamine K-profylaxe voor zuigelingen

    Verkaik-Kloosterman, J; de Jong, MH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-10)
    Baby’s krijgen vlak na de geboorte vitamine K, omdat een tekort aan vitamine K bloedingen kan veroorzaken. De gevolgen van deze bloedingen kunnen heel ernstig zijn, vooral als dat in de hersenen gebeurt. Zuigelingen krijgen vitamine K nu in de vorm van druppels. De Gezondheidsraad gaf in 2017 aan dat druppels vitamine K sommige kinderen niet genoeg beschermen en een andere vorm nodig is. Het gaat om kinderen die borstvoeding krijgen en een verstoorde vetopname hebben. Bij de geboorte is niet te zien bij welke kinderen dit het geval is. Uit internationale studies blijkt dat toediening bij hen via een prik beter werkt. Om een keuze te kunnen maken heeft het ministerie van VWS eerder aan het RIVM gevraagd aanvullende informatie te verzamelen, over bijvoorbeeld de uitvoerbaarheid en kosten van de verschillende toedieningsvormen en het draagvlak onder professionals daarvoor. Naar aanleiding daarvan denkt VWS erover om baby's na de geboorte vitamine K via een prik te geven. Daarna heeft het RIVM in opdracht van VWS een plan gemaakt wat nodig is om de toedieningsvorm te veranderen (implementatieplan). Het RIVM heeft dit plan met zorgprofessionals uit de geboortezorg en belangenorganisaties van ouders gemaakt. Het plan is nodig omdat de toediening via een prik gevolgen heeft voor verschillende processen in de geboortezorg. Zo moeten het voorlichtingsmateriaal voor ouders en de digitale dossiers van het kind worden aangepast. Het is namelijk belangrijk om bij te houden welke baby’s de prikvorm krijgen en of dat inderdaad goed werkt. Verschillende beroepsgroepen in de geboortezorg en organisaties die ouders vertegenwoordigen, steunen allemaal de andere aanpak. Baby’s krijgen hierbij direct na de geboorte een prik met vitamine K. Eén prik is dan genoeg. Als ouders dit niet willen, kan hun baby de vitamine via de mond krijgen. Dan zijn er drie doses nodig.
  • Beoordeling van gezondheidsrisico’s bij gebruik van ethanol bevattende handgel

    Hendriks, HS; Woutersen, M; ter Burg, W; Bos, PMJ; Schuur, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-04)
    Ethanol (alcohol) is een chemische stof die bacteriën en virussen kan doden. Het wordt daarom vaak gebruikt als ontsmettingsmiddel, bijvoorbeeld in desinfecterende handgels. Ethanol heeft ook eigenschappen waardoor het ernstige ziekten kan veroorzaken. Voorbeelden zijn kanker of een verminderde vruchtbaarheid. Ook kan het de ontwikkeling van een ongeboren kind beïnvloeden. Dit betekent niet dat iemand die in contact komt met de stof altijd deze ziekten krijgt. De kans daarop wordt groter naarmate iemand meer, vaker en een lange tijd ethanol binnenkrijgt. Om te voorkomen dat het coronavirus (SARS-CoV-2) zich verspreidt, zijn veel mensen vaker handgels met ethanol gaan gebruiken. De ministeries van VWS en SZW wilden weten of mensen hierdoor een grotere kans hebben om (ernstige) ziekten te krijgen. Het RIVM heeft daarom de gezondheidsrisico’s van het gebruik van ethanol bevattende handgels beoordeeld. Bij een risicobeoordeling beoordeelt het RIVM de gezondheidsrisico’s voor groepen mensen in de samenleving, zoals in dit geval consumenten en werknemers. Daardoor is het niet mogelijk om kansen aan te geven voor individuen. De beoordeling richt zich op de kans op borstkanker, darmkanker en verminderde vruchtbaarheid. Het blijkt dat de totale hoeveelheid ethanol waarmee mensen over een langere periode in aanraking komen zo laag is, dat het geen darmkanker of verminderde vruchtbaarheid veroorzaakt. Wel neemt de kans op borstkanker zeer licht toe. Het RIVM heeft de kansen op borstkanker op een rij gezet bij verschillende frequenties van het gebruik op een dag en de totale periode waarin handgel wordt gebruikt. De kans op borstkanker wordt in het algemeen aangegeven met het aantal personen dat op 1 miljoen mensen de kans heeft om tijdens hun leven deze ziekte te krijgen. Borstkanker komt vaak voor in Nederland. Vrouwen die geen ethanol bevattende handgel gebruiken, hebben een kans van ongeveer 143.000 op 1.000.000 mensen om tijdens hun leven borstkanker te ontwikkelen. Vrouwen die bijvoorbeeld 1 jaar elke dag 10 keer handgel gebruiken hebben een kans van 143.006 op 1.000.000 om gedurende hun leven borstkanker te ontwikkelen. Ook is gekeken naar werknemers die beroepsmatig veel in aanraking komen met handgels, zoals in de zorg. Bij hen is de kans op borstkanker iets groter dan bij consumenten. Bijvoorbeeld: wanneer zij een jaar lang 25 keer per werkdag handgel met ethanol gebruiken, is er een kans van 143.015 op 1 miljoen mensen om borstkanker te ontwikkelen. Voor werknemers zijn grenzen gesteld met hoeveel ethanol zij beroepsmatig per dag in aanraking mogen komen. Deze zogenoemde wettelijke grenswaarde wordt bereikt wanneer een volwassen medewerker elke dag 32 keer ethanol bevattende handgel gebruikt.
  • Herziening van de risicobeoordeling van GenX en PFOA in moestuingewassen in Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht

    Boon, PE; te Biesebeek, JD; Bokkers, BGH; Bulder, AS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-04)
    In 2018 heeft het RIVM een risicobeoordeling uitgevoerd van GenX en PFOA (perfluoroctaanzuur) in moestuingewassen rond het chemiebedrijf Dupont/Chemours in Dordrecht. Deze stoffen zijn door de uitstoot van dit bedrijf in de bodem terechtgekomen en zijn opgenomen door gewassen in deze moestuinen. De conclusie was toen dat moestuingewassen die binnen een straal van 1 kilometer rondom het bedrijf zijn geteeld, konden worden gegeten, maar niet te vaak en niet te veel. Gewassen buiten deze straal konden veilig worden gegeten. Dit advies is gegeven op basis van de gezondheidskundige grenswaarden die toen golden en concentraties van GenX en PFOA die in 2017 in deze moestuingewassen zijn gemeten. In 2020 heeft de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA een nieuwe gezondheidskundige grenswaarde bepaald. Nieuwe wetenschappelijke informatie was daar de aanleiding voor. De nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. De stoffen kunnen al bij een lagere blootstelling schadelijk zijn voor de gezondheid. Deze kennis was er bij de eerdere beoordeling niet. Deze nieuwe grenswaarde is nu vergeleken met de hoeveelheid GenX en PFOA die mensen binnen kunnen krijgen via de moestuingewassen. Hiervoor zijn de concentraties uit 2017 gebruikt. Op basis van deze kennis adviseert het RIVM om geen gewassen te eten uit moestuinen die binnen een straal van 1 kilometer rondom DuPont/Chemours liggen. Bij dit advies is er rekening mee gehouden dat mensen waarschijnlijk ook via andere bronnen aan deze stoffen worden blootgesteld. Voorbeelden zijn drinkwater en andere voedselproducten dan uit de moestuin. Het is niet mogelijk om met de nieuwe inzichten een conclusie te trekken voor de moestuingewassen uit tuinen die verder weg liggen, in een straal van 1 tot 4 kilometer rondom DuPont/Chemours. In deze gewassen waren bijna alle concentraties lager dan de concentraties die in 2017 konden worden gemeten. Voor deze gewassen is de precieze concentratie van GenX en PFOA dus niet bekend, waardoor er geen risicobeoordeling kan worden uitgevoerd. De risicobeoordeling is gebaseerd op concentraties die in 2017 zijn gemeten. Sinds die tijd is de methode waarmee deze stoffen worden gemeten verder verbeterd. Nieuwe metingen in gewassen kunnen daardoor beter inzicht geven in de hoeveelheid van GenX en PFOA die mensen nu binnen kunnen krijgen via moestuingewassen afkomstig uit de omgeving van het chemiebedrijf.
  • Herziening van de risicobeoordeling van PFAS in moestuingewassen in Helmond

    Boon, PE; te Biesebeek, JD; Bokkers, BGH; Bulder, AS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-04)
    In 2019 heeft het RIVM een risicobeoordeling uitgevoerd van GenX en PFOA (perfluoroctaanzuur) in moestuingewassen uit het volkstuinencomplex Sluisdijk. Deze moestuinen liggen 450 meter ten noordoosten van chemiebedrijf Custom Powders in Helmond. De stoffen, die horen bij de groep poly- en perfluoroalkylstoffen (PFAS), zijn door de uitstoot van dit bedrijf in de bodem terechtgekomen en opgenomen door gewassen in de moestuinen. De conclusie was toen dat de moestuingewassen veilig konden worden gegeten. Dit advies is gegeven op basis van de gezondheidskundige grenswaarden die toen golden en concentraties van GenX en PFOA die in 2018 in deze moestuingewassen zijn gemeten. In 2020 heeft de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA een nieuwe gezondheidskundige grenswaarde bepaald voor PFAS. Nieuwe wetenschappelijke informatie was daar de aanleiding voor. De nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. De stoffen kunnen al bij een lagere blootstelling schadelijk zijn voor de gezondheid. Deze kennis was er bij de eerdere beoordeling niet. Deze nieuwe grenswaarde is nu vergeleken met de hoeveelheid GenX en PFOA die mensen kunnen binnenkrijgen via de moestuingewassen uit het volkstuinencomplex Sluisdijk. In deze herbeoordeling is ook onderzocht hoeveel PFHpA (perfluorheptaanzuur) mensen kunnen binnenkrijgen; dit is een andere PFAS die is aangetroffen in de moestuingewassen. Op basis van de nieuwe kennis over PFAS adviseert het RIVM om geen gewassen te eten uit volkstuinencomplex Sluisdijk (Helmond). Bij dit advies is er rekening mee gehouden dat mensen ook via andere bronnen aan deze stoffen worden blootgesteld. Voorbeelden zijn drinkwater en andere voedselproducten dan uit de moestuin. De risicobeoordeling is gebaseerd op concentraties die in 2018 zijn gemeten. Sinds die tijd is de methode waarmee PFAS worden gemeten, verder verbeterd. Nieuwe metingen in gewassen kunnen daardoor beter inzicht geven in de hoeveelheid PFAS die mensen nu binnen kunnen krijgen via moestuingewassen afkomstig uit de omgeving van het chemiebedrijf.
  • Risicoschatting PFAS in recreatieplas Berkendonk in Helmond

    Geraets, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-04)
    Het RIVM heeft in 2018 een voorlopige risicoschatting uitgevoerd voor twee perfluoralkyl-stoffen (PFAS), namelijk PFOA en GenX, in de recreatieplas Berkendonk in Helmond. De voorlopige conclusie was toen dat er geen negatieve effecten zijn voor de gezondheid door te zwemmen in deze plas. Voor de risicobeoordeling zijn toen de gezondheidskundige grenswaarden voor PFOA en GenX gebruikt die het RIVM in 2016 voor deze stoffen bepaalde. In opdracht van de gemeente Helmond heeft het RIVM dit onderzoek opnieuw gedaan met nieuwe gegevens over PFAS. Ook nu concludeert het RIVM dat mensen aan PFAS worden blootgesteld door te zwemmen in deze recreatieplas. Maar deze blootstelling is zo laag dat deze geen negatieve effecten heeft voor de gezondheid. Voor dit onderzoek is de nieuwe gezondheidskundige grenswaarde voor PFAS gebruikt én uitgebreidere informatie over de hoeveelheid PFAS in recreatieplas Berkendonk. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA heeft in 2020 een nieuwe gezondheidskundige grenswaarde bepaald. De nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. Nieuwe wetenschappelijke informatie was daar de aanleiding voor. De stoffen kunnen al bij een lagere blootstelling schadelijk zijn voor de gezondheid. PFAS horen tot een groep van chemische stoffen die door mensen gemaakt is en van nature niet voorkomt in het milieu. Dit onderzoek en de conclusie gaan alleen over de mogelijke risico’s van een blootstelling aan PFAS door zwemmen. Mensen kunnen ook via andere bronnen aan PFAS worden blootgesteld, zoals voedsel, drinkwater, lucht. Al deze bronnen dragen bij aan de totale blootstelling aan PFAS. De risico’s van de totale blootstelling aan PFAS valt buiten de scope van dit onderzoek.
  • Onderzoek naar blootstelling aan chroom-6 en arbeidsomstandigheden op Defensielocaties. Periode 1970-2015

    Beerlage, MAM; Zock, JP; Rijs, KJ; Bogers, RP; Slootweg, J; van Poll, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-31)
    Chroom-6 is een roestwerende stof en werd daarom toegevoegd aan sommige verf. In 2014 gaven veel (oud-)medewerkers aan bezorgd te zijn over hun gezondheid na berichten dat er bij Defensie was gewerkt met verf waar chroom-6 in zat. Het RIVM onderzoekt of er een samenhang kan zijn tussen gezondheidsklachten van medewerkers en een blootstelling aan verf met chroom-6. Het onderzoek begon op vijf locaties in Nederland waar Amerikaans legermaterieel werd onderhouden (POMS). Deze resultaten verschenen in 2018. Daarna is onderzoek gedaan naar alle locaties van Defensie die tussen 1970 en 2015 in gebruik waren. Het blijkt dat binnen de hele Defensieorganisatie medewerkers met chroom-6 in contact konden komen. Dus niet alleen de mensen die zelf het onderhoudswerk aan het legermaterieel deden, maar ook mensen die regelmatig in de werkplaatsen kwamen, zoals leidinggevenden, schoonmakers en anderen. Dit betekent dat niet alleen op basis van de functie van medewerkers kan worden bepaald of zij aan chroom-6 zijn blootgesteld. Op basis van de werkzaamheden kan worden beoordeeld of iemand ziek kan zijn geworden door blootstelling aan chroom-6. Mensen die in contact komen met chroom-6 hebben een grotere kans om bepaalde ziekten en aandoeningen te krijgen. Dat betekent niet dat iemand die in contact komt met de stof altijd deze ziekten krijgt. De kans is groter naarmate je meer, vaker of langer bent blootgesteld. Dat geldt vooral voor medewerkers die tijdens hun werk direct blootstonden aan chroom-6 en niet goed beschermd waren. Bijvoorbeeld als zij verflagen spoten of schuurden of aan het lassen of snijbranden waren. Net als op de POMS-locaties blijkt dat medewerkers ook op andere locaties niet altijd en overal genoeg waren beschermd tegen de blootstelling aan chroom-6. Beschermende maatregelen op de werkplek, zoals werkruimten afscheiden of afzuiginstallaties, werden niet altijd getroffen. Ook waren de persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals stofmaskers, niet altijd aanwezig of effectief genoeg. In de loop van de jaren is hier bij Defensie meer aandacht voor gekomen, vooral vanaf de jaren negentig.
  • CoronaMelder – modelstudie naar effectiviteit. Digitaal contactonderzoek in de bestrijding van COVID-19

    Klinkenberg, D; Leung, KY; Wallinga, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-29)
    De app CoronaMelder is gemaakt om de verspreiding van het coronavirus (SARS-CoV-2) in Nederland tegen te gaan. De app geeft een bericht bij gebruikers die langer dan een kwartier binnen een afstand van anderhalve meter bij iemand met corona zijn geweest. Daardoor kunnen ze zich snel laten testen en in quarantaine gaan. Dit moet voorkomen dat zij anderen besmetten met het virus, en daarmee helpen de epidemie onder controle te brengen. De app heeft in de eerste maanden een positieve maar kleine bijdrage aan geleverd aan de bestrijding van het coronavirus. Van 1 december 2020 tot en met 31 maart 2021 zijn 7514 mensen positief getest na een melding door de CoronaMelder. Dit heeft naar schatting ruim 15.000 besmettingen voorkomen. De R-waarde (het gemiddeld aantal nieuwe besmettingen dat een besmet persoon veroorzaakt) was 12,7 procent lager door de combinatie van testen, het reguliere bron- en contactonderzoek en de CoronaMelder. De bijdrage van de app aan dit percentage is 0,3 procent. In de onderzochte periode gebruikte 16 procent van de Nederlanders de app. Als de maatregelen om contacten te beperken worden versoepeld, zal het aantal contacten met onbekenden weer toenemen. Dan worden testen en het reguliere bron- en contactonderzoek minder effectief. De CoronaMelder kan dit voor een deel opvangen. De app heeft meer effect als gebruikers zelf in de app hun contacten kunnen inlichten. Nu doet de GGD dat. Ook is het belangrijk dat meer mensen de app gebruiken dan nu. Dit blijkt uit een evaluatie van het RIVM van het effect van CoronaMelder, in combinatie met het testen en het reguliere bron- en contactonderzoek. Het effect van de app tussen 1 december 2020 en 31 maart 2021 is met modelberekeningen geschat. 1 december is als datum gekozen omdat het vanaf die dag mogelijk was om zonder symptomen een test aan te vragen na bron- en contactopsporing of een melding van de CoronaMelder.
  • Analyse gelijkwaardigheidscriteria Schiphol

    Welkers, D; Sahai, A; van Kempen, E; Helder, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-28)
    De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM gevraagd de gelijkwaardigheidscriteria voor Schiphol te analyseren. Aanleiding is het voornemen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) om deze gelijkwaardigheidscriteria in de regelgeving op te nemen door het Luchthavenverkeersbesluit aan te passen. Dan zijn de criteria onderdeel van de handhaving. De ILT ziet erop toe dat wet- en regelgeving voor de luchtvaart wordt nageleefd. De ILT controleert bijvoorbeeld of vliegtuigen voor omwonenden rond Schiphol niet meer geluid maken dan is toegestaan. Dit wordt onder andere getoetst met behulp van zogeheten gelijkwaardigheidscriteria voor Schiphol. Deze gelijkwaardigheidscriteria zijn nu een onderdeel van de afspraken die in de loop van de jaren tussen het ministerie van IenW (en voorlopers) met de omgeving van Schiphol zijn gemaakt. De gelijkwaardigheidscriteria zijn gebaseerd op berekeningen en modellen. Het gaat om de berekende hoeveelheid geluid, de aantallen woningen, en de relatie tussen de blootstelling aan geluid en ernstige hinder en slaapverstoring (blootstellingresponsrelaties). Bij deze berekeningen worden modellen gebruikt, bijvoorbeeld om geluid en ernstige hinder te berekenen. De modellen zijn de afgelopen jaren meerdere keren veranderd. De wijzigingen in de gelijkwaardigheidscriteria en de gevolgen daarvan voor de naleving en handhaving zijn nauwelijks te volgen. Ook werken de modellen vaak niet met de actueelste cijfers, bijvoorbeeld van het aantal woningen. Het RIVM beveelt aan om de actueelste modellen te gebruiken en deze de komende jaren aan te houden. Na een aantal jaar kan worden overwogen om nieuwe gegevens te gebruiken op basis van actuele informatie. Een wijziging moet dan transparant en daarmee voor iedereen goed te volgen zijn.
  • Klimaatakkoord: effecten van nieuwe energiebronnen op gezondheid en veiligheid in Nederland

    Gooijer, L; Mennen, MG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-28)
    De Nederlandse overheid wil fossiele energiebronnen vervangen door energie die het milieu minder belast. Maatregelen om deze duurzame bronnen in te zetten, zoals zonne- en windenergie, staan beschreven in het Klimaatakkoord (2019). Maar ook de nieuwe energiebronnen kunnen negatieve effecten hebben op gezondheid en de veiligheid (arbeidsveiligheid en risico’s voor de leefomgeving). In opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft het RIVM uitgezocht wat deze effecten kunnen zijn. Daaruit blijkt dat de nadelen in verhouding vrij klein zijn. Wel kunnen enkele energiebronnen negatieve effecten op gezondheid en veiligheid veroorzaken. Voor de gezondheid hebben vooral windenergie en biomassa negatieve effecten. Windturbines kunnen hinder veroorzaken bij omwonenden. Installaties om biomassa te verbranden en houtkachels veroorzaken luchtverontreiniging. Wat veiligheid betreft moet er genoeg afstand zijn tussen windturbines en woonwijken. Verder moeten windturbines veilig worden geïnstalleerd en onderhouden. Dat geldt ook voor zonnepanelen, batterijen en warmtepompen. Bij het gebruik van waterstof en biogas zijn maatregelen nodig om de kans op brand en explosie zo klein mogelijk te houden. Hoe groot de effecten op gezondheid en veiligheid precies zijn, hangt af van de keuzes die de Nederlandse overheid zal maken welke nieuwe energiebronnen waar worden gebruikt. De resultaten van dit onderzoek kunnen bij die keuzes worden meegenomen. Het RIVM reikt ook mogelijkheden aan om de negatieve effecten te verkleinen. Bijvoorbeeld om geluid van windturbines of de uitstoot van biomassa-installaties en houtkachels te beperken. Het RIVM beveelt aan om de komende jaren goed te blijven volgen welke effecten de nieuwe energiebronnen hebben. Dit onderzoek is onderdeel van een drieluik over de gevolgen voor gezondheid en veiligheid van klimaatbeleid. De drie onderzoeken samen laten zien dat klimaatbeleid niet alleen gunstig is voor het klimaat, maar ook voor gezondheid en veiligheid.
  • Mondiaal klimaatbeleid: gezondheidswinst in Nederland bij minder klimaatverandering

    Hall, EF; Maas, RJM; Limaheluw, J; Betgen, CD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-28)
    Klimaatverandering heeft nu al merkbare gevolgen voor de gezondheid en veiligheid in Nederland. Deze gevolgen zijn in de toekomst te beperken als er wereldwijd minder broeikasgassen worden uitgestoten. Daarom zijn internationale afspraken gemaakt, waar het Nederlandse Klimaatakkoord deel van uitmaakt. Desondanks zullen de temperatuur en de zeespiegel voorlopig blijven stijgen en een bedreiging vormen voor de gezondheid en veiligheid in Nederland. Denk aan hittegolven en overstromingen. Maar zonder maatregelen zullen deze effecten nog groter zijn. Dit concludeert het RIVM. Het RIVM heeft de effecten van klimaatverandering op de gezondheid en veiligheid in kaart gebracht. Onderzocht is hoe deze effecten zich in Nederland zullen ontwikkelen in een situatie met en zonder internationaal klimaatbeleid. De zeespiegel zal door internationaal beleid minder en langzamer stijgen, en extreem weer, zoals heftige buien, zal minder vaak voorkomen. Dit verkleint de kans op overstromingen en daarmee ook de risico’s voor de veiligheid. Door klimaatverandering worden de zomers warmer en de winters minder koud. Dit heeft gevolgen voor de gezondheid in Nederland. Met klimaatbeleid zullen elk jaar ongeveer 4000 minder mensen overlijden in warme perioden in de tweede helft van de eeuw. Als het aantal warme en zonnige dagen toeneemt, kan ook de kans op huidkanker groter worden. Dit komt omdat er dan meer mensen buiten zijn en blootstaan aan UV-straling. Met klimaatbeleid zullen tussen 2050 en 2100 minder mensen huidkanker krijgen (enkele duizenden per jaar). Het is nog niet mogelijk om de omvang van alle effecten van klimaatverandering aan te geven. Wel zijn er veel ontwikkelingen te zien, zoals een langere bloeitijd van planten en bomen waardoor mensen langer last hebben van hooikoorts. Dat wordt erger als nieuwe allergene planten vanuit het zuiden naar Nederland oprukken. Ook zal de kans op sommige infectieziekten groter worden en kunnen nieuwe ziekteverwekkers gaan voorkomen. Dit onderzoek is onderdeel van een drieluik over de gevolgen voor gezondheid en veiligheid van klimaatbeleid. De drie onderzoeken samen laten zien dat klimaatbeleid niet alleen gunstig is voor het klimaat, maar ook voor gezondheid en veiligheid.
  • Klimaatakkoord: Gevolgen van het uitfaseren van fossiele energie voor veiligheid, gezondheid en stikstofdepositie; een update

    Kelfkens, G; Ruyssenaars, P; van der Ree, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-28)
    Om te voldoen aan het Klimaatakkoord van Parijs (2015) wil de Nederlandse overheid de uitstoot van CO2 sterk verminderen. Het gaat er vooral om geen fossiele energiebronnen meer te gebruiken. De maatregelen kunnen onbedoeld positieve en negatieve effecten hebben op gezondheid, de leef- en werkomstandigheden (‘veiligheid’), en de natuur in Nederland. Het RIVM heeft uitgezocht wat deze effecten zijn. Het is gunstig voor de gezondheid, veiligheid en natuur als er geen fossiele energiebronnen meer worden gebruikt. Mensen leven gemiddeld genomen iets langer. Dat effect is relevant maar niet heel groot. Door de maatregelen daalt er minder stikstof neer op de bodem. Dit is gunstig voor de natuur en het aantal plant- en diersoorten. Deze conclusies zijn grotendeels hetzelfde als van de analyse van de effecten die het RIVM in 2019 maakte op basis van het ontwerpklimaatakkoord. Beide analyses zijn in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat gemaakt. Het RIVM beveelt aan om de komende jaren goed te blijven volgen welke effecten de Klimaatmaatregelen hebben. De meeste gezondheidswinst wordt gehaald door een betere luchtkwaliteit. Als er steeds minder verbrandingsmotoren zijn, komen er minder stikstofoxiden en fijnstof in de lucht. Daardoor hebben mensen minder vaak astma, longaandoeningen en hart- en vaatziekten. In Nederland leven we gemiddeld negen maanden korter door luchtvervuiling. Die negen maanden worden door de maatregelen in het Klimaatakkoord in 2030 met ruim 2 procent ingekort. We leven dus gemiddeld iets langer. Omgevingsgeluid wordt ook minder als verbrandingsmotoren wegvallen. Elektromotoren zijn stiller, vooral bij lage snelheden binnen de bebouwde kom. Het autoverkeer op deze wegen maakt 1 decibel minder geluid in 2030 en 3 tot 4 decibel in 2050. Hierdoor kan slaapverstoring door verkeer in 2050 met een derde afnemen. Op de werkvloer is de belangrijkste winst van het Klimaatakkoord dat apparaten in 2050 geen dieselrook meer produceren. Hierdoor komt er minder longkanker voor onder werknemers. Dit scheelt ongeveer 3 procent van de totale gezondheidsschade door blootstelling van werknemers aan stoffen op het werk. Voor veiligheid is de winst vooral dat er geen koolmonoxidevergiftiging meer worden veroorzaakt door aardgasinstallaties in huis. Als deze installaties er in 2050 niet meer zijn, dan scheelt dat 10 tot 50 doden per jaar. Volgens een ruwe schatting kan door het Klimaatakkoord in 2050 in het gunstigste geval tot 10 procent minder stikstof op de bodem neerdalen. Een grondigere analyse is nodig om de precieze omvang te kunnen bepalen. Dit onderzoek is onderdeel van een drieluik over de gevolgen voor gezondheid en veiligheid van klimaatbeleid. De drie onderzoeken samen laten zien dat klimaatbeleid niet alleen gunstig is voor het klimaat, maar ook voor gezondheid en veiligheid.
  • “New Approach Methodologies” in de veiligheidsbeoordeling van consumentenproducten en voedsel

    Kienhuis, A; de Wit-Bos, L; van Engelen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-28)
    Voedsel en consumentenproducten, zoals cosmetica, wasmiddel, textiel en speelgoed, moeten veilig voor de mens zijn. In consumentenproducten en voedsel zitten chemische stoffen. De beoordeling of deze stoffen veilig zijn, gebeurt internationaal. Deze beoordeling maakt gebruik van resultaten uit dierproeven. De Europese Unie wil dat er minder dierproeven worden uitgevoerd. Het blijkt nu nog niet mogelijk om zonder de resultaten uit dierproeven te beoordelen of chemische stoffen in consumentenproducten en voedsel veilig zijn voor de mens. Dit komt omdat er nog niet voldoende geschikte methoden zónder dierproeven zijn om de veiligheid goed te kunnen beoordelen. Wel zijn de ontwikkelingen om dierproeven in de toekomst te vervangen veelbelovend. Bijvoorbeeld door effecten van stoffen te testen in cellen die buiten het lichaam zijn gekweekt, of met computermodellen. Ook kijken onderzoekers of nieuwe methoden meer informatie kunnen geven over effecten van stoffen die moeilijk met dierproeven te meten zijn, zoals de ziektes Parkinson of Alzheimer. Het is belangrijk dat alle organisaties die betrokken zijn bij de veiligheidsbeoordeling op internationaal niveau samen onderzoeken hoe nieuwe methoden gebruikt kunnen worden. Dit blijkt uit een overzicht van het RIVM van nieuwe, meestal proefdiervrije, methoden om de veiligheid van chemische stoffen in consumentenproducten en voedsel te beoordelen. Deze methoden worden New Approach Methodologies genoemd. Het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (BuRO) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gaf hier de opdracht voor.
  • EURL-Salmonella Proficiency Test Live Bivalve Molluscs 2020. Detection of Salmonella in mussels

    Diddens, RE; Mooijman, KA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-27)
    In 2020, the European Union Reference Laboratory for Salmonella (EURL-Salmonella) organised a Proficiency Test for the Salmonella bacteria in mussels. This was done to check whether the National Reference Laboratories (NRLs) are able to detect Salmonella in live bivalve molluscs. Twenty-one NRLs scored a good performance. One NRL tested the control samples in the wrong order and therefore also reported the results in the wrong order. The performance of this NRL was scored as moderate. One laboratory scored an unsatisfactory performance, because they indicated that a sample contained Salmonella when it did not. In a follow-up study, the performance was scored as good. A total of 23 NRLs for Salmonella participated in this Proficiency Test: 20 NRLs from 20 EU Member States and three NRLs from other European countries. The laboratories used an internationally accepted method to detect the presence of Salmonella in mussel samples. Each laboratory had to prepare and spike the samples themselves following a protocol from the EURL-Salmonella. For this, they received a package of mussels and frozen milk samples. Some milk samples contained a set concentration of Salmonella Typhimurium and others did not. The EURL-Salmonella is part of the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM).

View more