Recent Submissions

  • Gezondheidseffecten van de 23 smaakstoffen in vloeistoffen voor e-sigaretten

    Staal, YCM; Zijtveld, D; Huiberts, EHW; Bos, PMJ; Talhout, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-19)
    De overheid wil e-sigaretten minder aantrekkelijk maken, vooral voor jongeren. Aan e-sigaretten worden smaakstoffen toegevoegd om het product aantrekkelijker te maken. Gebruikers houden vooral van zoete smaken en fruitsmaken. Daarom heeft de Nederlandse regering besloten om alleen nog smaakstoffen toe te staan die naar tabak smaken. Het RIVM heeft daarom eerder een voorstel gedaan voor smaakstoffen in vloeistoffen voor e-sigaretten die kunnen worden toegestaan. Deze 23 stoffen zijn bepaald op basis van de smaak van de stof. Als vervolg hierop is nu gekeken of deze smaakstoffen schadelijk zijn voor de gezondheid. Want sinds 2016 mogen in e-sigaretten alleen stoffen worden gebruikt die niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Van 2 van de 23 stoffen is bekend dat ze kankerverwekkend kunnen zijn. Een andere stof kan allergie veroorzaken. Het is niet mogelijk om te bepalen welke hoeveelheid veilig is voor deze stoffen. Van de overige 20 stoffen is geen informatie beschikbaar om specifieke effecten in de luchtwegen te beoordelen, het eerste ‘contact’ van damp met het lichaam. Van sommige stoffen is wel bekend of ze schadelijk kunnen zijn na inslikken. Drie stoffen kunnen gezondheidsrisico’s veroorzaken bij de hoogste concentraties die in vloeistoffen in e-sigaretten zijn gevonden. Een andere stof is irriterend en kan daarom schadelijk zijn voor de longen. Voor de overige 16 stoffen is onvoldoende informatie om risico’s voor de gezondheid via e-sigaretten te beoordelen. Het RIVM adviseert om de 2 kankerverwekkende stoffen en de stof die allergie kan veroorzaken, niet toe te staan. Dat geldt ook voor de 3 stoffen die bij hoge concentraties schadelijk zijn en voor de irriterende stof. Voor de overige 16 stoffen is er niet genoeg informatie om de gezondheidseffecten te beoordelen. Het RIVM stelt daarom twee mogelijkheden voor. Een daarvan is om de stoffen te verbieden omdat onduidelijk is of ze schadelijk zijn. De andere mogelijkheid is om deze stoffen toch te gebruiken in e-liquids zodat dit product beschikbaar blijft om rokers te helpen met roken te stoppen.
  • Chroom-6 en medische implantaten

    de Leeuw, VC; den Braver-Sewradj, SP; Geertsma, RE; Ezendam, J; Beijer, NRM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-18)
    Chroom zit in verschillende medische implantaten van metaal, zoals voor heupen en knieën. Het RIVM heeft daarom onderzocht of mensen met zulke implantaten worden blootgesteld aan chroom-6 en of dat schadelijk is voor hun gezondheid. De huidige wetenschappelijke literatuur geeft geen aanwijzingen dat chroom-6 uit een medisch implantaat in het lichaam tot ernstige gezondheidseffecten leidt. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VWS. Chroom kan in de schadelijke vorm chroom-6 vrijkomen als het implantaat in contact komt met lichaamsvloeistoffen rondom het implantaat. Het meeste chroom-6 wordt meteen omgezet in de minder schadelijke vorm chroom-3. Een klein deel chroom-6 kan in het bloed komen en zo in het lichaam worden verspreid. Met de wetenschappelijke kennis van nu is het niet mogelijk om precies te bepalen hoe groot deze blootstelling is. Wel dat de blootstelling geen ernstige effecten heeft. Enkele onderzoeken vermelden een grotere kans op metaalallergie bij mensen met een implantaat waar chroom in zit. Maar dit komt bijna nooit voor en veroorzaakt geen ernstige klachten. Metaalallergie kan ook door andere metalen in implantaten worden veroorzaakt. Het implantaat zelf kan lokale effecten veroorzaken, zoals irritatie of ontsteking. Deze klachten zijn niet gerelateerd aan chroom-6. Dit onderzoek is gedaan omdat uit eerder onderzoek bleek dat blootstelling aan chroom-6 tijdens het werk schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Dat heeft met verschillende factoren te maken. Bijvoorbeeld of mensen met grote hoeveelheden van de stof in contact komen, hoe vaak en op welke manier (bijvoorbeeld via inademen of inslikken).
  • The Dutch decision tree for the evaluation of the leaching of plant protection products. Revised 2022 version

    Tiktak, A; van den Berg, F; Poot, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-18)
    Gewasbeschermingsmiddelen kunnen in het grondwater terechtkomen (‘uitspoelen’) en daar problemen voor de drinkwaterwinning veroorzaken. Daarom wordt de kans dat een middel uitspoelt beoordeeld voordat een gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten op de Nederlandse markt. Nederland gebruikt sinds 2005 voor deze beoordeling de zogeheten beslisboom uitspoeling. Deze beslisboom is aangepast op basis van de nieuwste inzichten en data. De belangrijkste aanleiding voor de aanpassing van de beslisboom is het inzicht dat de hoeveelheid organische stof in de bodem te hoog was ingeschat. Hierdoor was de berekende concentratie van gewasbeschermingsmiddelen 2 tot 5 keer lager dan volgens de nieuwe inzichten het geval is. Dit is ongewenst omdat hierdoor een gewasbeschermingsmiddel onterecht zou kunnen worden toegelaten. Fabrikanten die een gewasbeschermingsmiddel in Nederland toegelaten willen hebben, moeten daarom de aangepaste beslisboom gebruiken. De beslisboom uitspoeling bestaat uit drie stappen. In de eerste stap voert de aanvrager een eenvoudige maar strenge berekening uit. Als het gebruik van het middel volgens deze stap als veilig wordt beschouwd, kan het middel zonder vervolgstappen worden toegelaten op de Nederlandse markt. Als het gebruik volgens deze stap niet veilig is, is de volgende stap van de beslisboom nodig. In deze tweede stap wordt de uitgespoelde hoeveelheid van het middel preciezer bepaald, namelijk voor de gewassen waarvoor de aanvrager het product wil gebruiken. Mocht de tweede stap ook niet veilig zijn, dan kan de aanvrager in een derde stap met meetgegevens aantonen dat het middel veilig kan worden gebruikt. Als het gebruik ook volgens deze stap niet veilig is, kan het middel niet worden toegelaten op de Nederlandse markt.
  • Rapportage 2021 Nationale Adviesgroep Cabinelucht

    Hendriks, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-17)
    Piloten en personeel in vliegtuigen kunnen gezondheidsklachten hebben, zoals duizeligheid, misselijkheid en desoriëntatie. De vraag is of dat komt omdat zij via de cabinelucht blootgesteld worden aan chemische stoffen. De afgelopen jaren zijn hier verschillende onderzoeken naar gedaan. De oorzaak van de klachten is nog niet duidelijk. Een mogelijkheid is dat het om een kleine groep mensen gaat die door een erfelijke aanleg gevoeliger is voor gezondheidseffecten van bepaalde stoffen. Dit blijkt uit de Rapportage 2021 van de Nationale Adviesgroep Cabinelucht (NAC). De adviesgroep is in 2015 door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) opgericht naar aanleiding van de internationale discussies over de oorzaak van de klachten. Het RIVM voert sinds 2020 het secretariaat. De adviesgroep informeert alle betrokken partijen over internationale onderzoeken naar de kwaliteit van cabinelucht in vliegtuigen. In de rapportage staan de voortgang en resultaten van bijeenkomsten en onderzoeken van de NAC in 2021. Zo wordt gewerkt aan een Europese norm voor de luchtkwaliteit in vliegtuigcabines. Ook is in een Europees onderzoek nagebootst hoe chemische stoffen uit motorolie lekken en in de cabinelucht kunnen komen. De resultaten van dit onderzoek zijn in de zomer van 2021 gepubliceerd. Door dit onderzoek is nu meer bekend over bijvoorbeeld de chemische samenstelling van cabinelucht tijdens de nagebootste lekkage. Maar verder onderzoek is nodig om beter te begrijpen wat zo’n lekkage voor de gezondheid van cabinepersoneel kan betekenen. In 2021 heeft de NAC contact gehad met het Analysebureau luchtvaartvoorvallen (ABL) van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Dit bureau registreert en analyseert meldingen van voorvallen in de Nederlandse burgerluchtvaart. De NAC heeft meegedacht hoe meldingen in relatie tot de kwaliteit van cabinelucht beter in kaart gebracht kunnen worden. In 2022 zal hier verder aan gewerkt worden. In de NAC zitten vertegenwoordigers van werkgevers, zoals KLM en Corendon, werknemersvertegenwoordigers VNV, NVLT, VNC en FNV Cabine en onderzoeksinstituten, waaronder het RIVM, TNO en NLR. Vertegenwoordigers vanuit de ministeries van IenW en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn waarnemend lid.
  • Onvoldoende kennis om gezondheid in Nederland te beschermen tegen klimaatverandering

    van der Ree, J; Betgen, C; Boomsma, C; van Dijk, A; Hall, L; Houweling, D; Limaheluw, J; Rijs, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-17)
    Klimaat en klimaatverandering hebben invloed op onze gezondheid, zowel positief als negatief. Mensen kunnen bijvoorbeeld overlijden tijdens een hittegolf of huidkanker krijgen door blootstelling aan UVstraling. Maar over de invloed van klimaatverandering op onze fysieke en mentale gezondheid is ook nog veel onduidelijk. We ervaren nu al de gevolgen van klimaatverandering en daarom is het belangrijk om meer kennis te krijgen over de gezondheidsrisico’s van klimaatverandering. Het ministerie van VWS heeft daarom het RIVM gevraagd de gezondheidseffecten van klimaatverandering en de samenhang daartussen te onderzoeken. Als eerste stap daarin heeft het RIVM een Plan van Aanpak opgesteld, met een overzicht van de onderzoeksvragen die hierover bestaan. Het gaat om vragen over allergie, mentale gezondheid, infectieziekten, UV-straling en huidkanker, temperatuur en luchtkwaliteit. Deze vragen vormen de basis voor het onderzoeksprogramma van de komende jaren. Het overzicht maakt duidelijk op welke gebieden kennis ontbreekt over klimaatverandering en de gezondheidseffecten. Om een goed zicht te krijgen op gezondheidseffecten van klimaatverandering, is het belangrijk de effecten in samenhang te onderzoeken. Samenhang is belangrijk om effectieve maatregelen te kunnen nemen en te weten welke maatregelen op korte termijn nodig zijn. Zo is het belangrijk te weten of mensen sterven aan hitte, aan te veel ozon, of aan de combinatie van beide tijdens perioden van hitte. Samenhang voorkomt ook dat onderzoeken overlappen of elkaar tegenwerken. Verder is nog veel onbekend over de omvang van gezondheidseffecten die door klimaatverandering kunnen ontstaan of erger worden. Zo is niet bekend hoeveel mensen allergisch zijn voor pollen en hoeveel last ze daarvan hebben, laat staan wat het effect van klimaatverandering daarop is. Het onderzoek gaat vooral over de lichamelijke effecten van klimaatverandering, maar heeft voor het eerst ook aandacht voor mentale effecten. Bijvoorbeeld voor stress door overstromingen, zowel direct na de gebeurtenis als op de lange termijn. Bijvoorbeeld door angst voor herhaling of door financiële zorgen.
  • Toetsing van het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg. Vergelijking van modeluitkomsten met meetresultaten

    Fraters, B; Kusters, E; Crijns, JWAM; Ros, GH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-13)
    Nitraat uit mest spoelt vanuit de lössgronden in Zuid-Limburg makkelijk weg naar het grondwater. Dat komt omdat het nitraat, dat na de oogst onder de zogeheten wortelzone achterblijft, in löss bijna niet wordt afgebroken. In de pilot Slim Bemesten probeerde deze regio de kwaliteit van het grondwater te verbeteren. Tegelijkertijd wilde de regio de landbouw de ruimte geven om de gewassen genoeg kunstmest te geven. Om de balans hiertussen te vinden, gebruikten de bedrijven in de pilot een eigen model om de nitraatconcentratie te berekenen in het water dat wegspoelt uit de wortelzone. De wortelzone is het bovenste deel van de bodem waaruit de wortels van de gewassen voedingstoffen en water halen. Het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg moet duidelijk maken met welke maatregelen de landbouwbedrijven op lössgronden de nitraatconcentratie kunnen verlagen. Voorbeelden zijn het soort gewas dat wordt geteeld en de gebruikte hoeveelheid en soort mest. Het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg blijkt lagere concentraties nitraat te berekenen dan het RIVM heeft gemeten bij de deelnemers van de pilot. Het verschil kan uitmaken of een bedrijf wel of niet voldoet aan de norm van 50 milligram nitraat per liter. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM heeft de metingen op dezelfde manier uitgevoerd als voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM), in de pilot is voor bepaling van de nitraatconcentratie een andere methode gebruikt. Daarnaast zijn er andere mogelijke oorzaken van het verschil tussen de metingen en de berekeningen. . De pilot Slim Bemesten is afgelopen (het liep tussen 2015 en 2021). Er deden 24 landbouwbedrijven aan mee. Andere landbouwbedrijven op lössgronden kunnen de resultaten van dit onderzoek gebruiken als zij met het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg de effecten van maatregelen op de nitraatconcentratie in beeld willen krijgen. Het RIVM-onderzoek is in opdracht van het ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) gedaan.
  • Actualisatie faalfrequenties windturbines

    Versluis, S; Pompe, CE; Manuel, HJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-12)
    Ongelukken met windturbines kunnen gevaarlijk zijn voor mensen in de omgeving. Bijvoorbeeld wanneer een windturbine omvalt of een blad afbreekt. Ook kan er ijs van het blad vallen. Om slachtoffers te voorkomen, wordt een afstand berekend tussen windturbines en de omgeving. Binnen deze afstanden mogen bijvoorbeeld geen woningen staan. De kans op een ongeluk met een windturbine is voor het laatst onderzocht in 2012. Het RIVM heeft de cijfers nu geactualiseerd. Onderzocht is wat er kan gebeuren en hoe vaak dat gebeurt. De reden voor de update is dat windturbines de laatste jaren technisch verder zijn ontwikkeld. Ze zijn bijvoorbeeld groter geworden. Ook zullen vanwege de overgang naar duurzame energie meer windturbines worden geplaatst. Uit het onderzoek blijkt dat de kans op een ongeluk klein is: op de ongeveer 2000 windturbines in Nederland op land wordt ongeveer ??n ongeluk per jaar verwacht. Over het algemeen zijn de nieuw berekende kansen iets kleiner dan eerder is ingeschat. Voor het onderzoek is informatie van het Caithness Windfarm Information Forum (CWIF) gebruikt, een van de weinige openbare databases die ongelukken bijhoudt. Het RIVM heeft gegevens gebruikt van landen die ongeveer hetzelfde klimaat hebben als Nederland en technisch ongeveer hetzelfde soort windturbines hebben, zoals Zweden en Duitsland. Het CWIF is in 2021 gestopt. Daarom beveelt het RIVM het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan om ongelukken structureel bij te gaan houden. Dan kunnen de kansen in de toekomst worden geactualiseerd. Het RIVM heeft het onderzoek in opdracht van IenW gedaan. Het gaat hierin niet om effecten op de gezondheid van mensen door het geluid of de schaduw van windturbines. Afstanden voor gezondheidseffecten zijn over het algemeen groter dan voor veiligheid.
  • Vergelijkbaar en verschillend. Een verkennend onderzoek gericht op de oorzaken van arbeidsongevallen en consumentenongevallen

    van Moll, E; Melssen, N; van Kampen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-10)
    Veel mensen klussen in huis en gebruiken daarvoor producten als een ladder of een cirkelzaag. Daar kan soms iets bij misgaan en een ongeluk veroorzaken. Uit ziekenhuisgegevens is informatie bekend over de slachtoffers, zoals leeftijd en geslacht. De slachtoffers zijn bijvoorbeeld vaak mannen op hogere leeftijd. Ook is bekend wat de gevolgen zijn van de ongelukken, zoals het soort letsel. Maar hoe de ongelukken thuis ontstaan is nog niet zo duidelijk. Het RIVM en de NVWA willen dat beter begrijpen. Dan kunnen betere adviezen worden gegeven om ongelukken thuis te voorkomen. Een belangrijke vraag is of het ongeluk aan het product ligt of aan het gedrag van de gebruiker. Het product kan bijvoorbeeld verouderd zijn. Of de gebruiker kan risico’s onderschatten of haast hebben. Er is al meer bekend over oorzaken van ongelukken op het werk. Het RIVM heeft daarom oorzaken van ernstige ongelukken op het werk vergeleken met wat er bekend is over ongelukken thuis. Er blijken zowel verschillen als overeenkomsten te zijn tussen de ongelukken thuis en op het werk. Een overeenkomst is bijvoorbeeld dat klussers thuis en op het werk hetzelfde soort letsel oplopen. Ook lijkt dat wat er vlak voor het ongeluk gebeurt, vaak op elkaar. Zo reiken slachtoffers van ongelukken met een ladder te ver van de ladder, waardoor zij hun balans verliezen. Een verschil is bijvoorbeeld dat er op het werk regels zijn om veilig te kunnen werken waar werknemers zich aan moeten houden en die worden gecontroleerd. Thuis is dat niet zo. Het RIVM gaat met de NVWA verder onderzoeken hoe het precies zit met de oorzaken van ongelukken die thuis gebeuren.
  • Gammastraling- en neutronendosistempometingen bij de terreingrens van COVRA-VOG in 2021

    Kwakman, PJM; Bosch, PP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-10)
    Het RIVM heeft extra metingen van het gamma- en neutronendosistempo bij de COVRA uitgevoerd. Dit is in opdracht van de ANVS gedaan. Deze metingen zijn aanvullingen op metingen die COVRA vaker doet. COVRA en het RIVM meten allebei een iets hoger gamma- en neutronendosistempo aan het hek bij het verarmd uranium opslag gebouw (VOG), aan de rand van het terrein. Die verhoging is ten opzichte van het van nature aanwezige stralingsniveau. De meetwaarden van het neutronendosistempo van COVRA en RIVM komen goed overeen. De gammadosismeetwaarden van COVRA en het RIVM verschillen, omdat zij andere grootheden meten: COVRA meet de effectieve dosis en het RIVM de omgevingsdosis. Een andere belangrijk verschil is de correctie voor de bijdrage aan de gammadosis van de achtergrond. COVRA maakt gebruik van metingen uit de tijd dat COVRA werd gebouwd; het RIVM gebruikt actuele metingen aan de terreingrens vlak bij het afvalverwerkingsgebouw. De extra metingen zijn door het RIVM uitgevoerd in augustus 2021 naar aanleiding van een ANVS-inspectie bij de COVRA op 16 april 2021. Reden was een wijziging van de bestemming van het terrein dat aan het COVRA-terrein grenst. Tijdens deze inspectie is specifiek ingegaan op de terreingrensdosis op 2 locaties aan het hek nabij het VOG. Doel is om gamma- en neutronendosistempo te meten dat COVRA heeft toegevoegd aan de natuurlijke waarde in de omgeving (achtergrondwaarde).
  • Het toepassen van brede gezondheidsconcepten: inspirerend en uitdagend voor de praktijk. Ervaringen uit drie regio’s

    Lemmens, L; Beijer, M; de Bekker, A; de Klijne, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-25)
    De zorg staat onder grote druk. Een mogelijke bijdrage aan een oplossing is om ‘gezondheid’ als uitgangspunt te nemen in plaats van ‘ziekte’. Oftewel: hoe blijven mensen zo lang mogelijk gezond, wat kan iemand nog wél en wat maakt hun leven zinvol. Het gaat dus niet alleen om lichamelijke klachten maar ook om de mentale kant. In Nederland werken steeds meer partijen, waaronder zorg- en welzijnsorganisaties, gemeenten, GGD-en, vanuit een breed gezondheidsconcept. Het RIVM heeft eerder kansen en belemmeringen geïnventariseerd. Dit keer is in kaart gebracht hoe drie regio’s in Nederland hun manier van werken hierop aanpassen. Het gaat om provincie Flevoland, gemeente Texel en de wijk Leidsche Rijn-Vleuten de Meern in Utrecht. De betrokken organisaties zijn enthousiast over deze brede kijk op gezondheid, maar lopen nog steeds tegen belemmeringen aan. Denk aan een gebrek aan geld, personeel en manieren om de resultaten te meten. Ook is het gebruik van een brede kijk op gezondheid een proces dat veel tijd vraagt. Organisaties hebben daarom behoefte om van elkaars ervaringen te leren. Zorgprofessionals ervaren dat door de bredere kijk op gezondheid mensen gezonder gaan leven en meer regie krijgen over hun gezondheid. Hierdoor hebben zij ook meer plezier in hun werk. Door de brede kijk op gezondheid kunnen organisaties en professionals uit verschillende domeinen, zoals zorg en welzijn, elkaar beter vinden. Vanuit hetzelfde doel kunnen ze samen makkelijker activiteiten opzetten om de gezondheid van inwoners te bevorderen. Door verder te kijken dan lichamelijke klachten is er meer oog voor zaken die het welzijn van mensen beïnvloeden, zoals eenzaamheid of financiële problemen. Volgens het RIVM vergroten zeven elementen de kans van slagen: draagvlak bij alle betrokken partijen, een duidelijke focus in de aanpak, professionals van verschillende organisaties die elkaar kennen en begrijpen, organisaties die werken vanuit de behoeften en mogelijkheden van inwoners, de mogelijkheid voor organisaties om vanuit een brede kijk te werken, voldoende geld, en gezond leven ook breder in de samenleving een plek geven, bijvoorbeeld in het onderwijs.
  • Informative Inventory Report 2022. Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2020

    Wever, D; Dröge, PWHG; Geilenkirchen, GP; van Huijstee, J; 't Hoen, M; Honig, E; te Molder, RAB; Smeets, WLM; van Zanten, MC; van der Zee, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-21)
    Increase in ammonia emissions The emissions of ammonia increased in 2020 by 0.5 Gg to a total of 124.4 Gg as result of a higher protein content in grass feed to dairy cows. With a reduction of 19% compared to 2005 the ammonia emissions comply with the reduction target of 13% as set by the European Union and the UNECE under the Gothenburg Protocol. Increase in emissions of non-methane volatile organic compounds Compared to 2019 the emissions of non-methane volatile organic compounds increased by 29 Gg. This increase is mainly the result of the governments Covid19 advice for regularly disinfecting the hands. This led to increased use of disinfectants. With a reduction of 11% in 2020 under the European Unions-National Emissions Ceilings Directive the emission reduction is in compliance with the reduction target of 8% as set by the European Union. However, unlike for the EU-inventory are under the UNECE Gothenburg Protocol the emissions of non-methane volatile organic compounds from manure management and agricultural soils are included in the inventory. This leads to a higher emission totals with the result that the reduction target of 8% under the UNECE Gothenburg Protocol is with an reduction of just over 0% not med in 2020. Decrease in emissions of nitrogen oxides The emissions of both nitrogen oxides decreased in 2020 with 24 Gg this is more than based on the historical trend could be expected. This is mainly a result of covid19 measures that led to decreasing emissions in civil aviation and in Road traffic a decrease in driven kilometers of 17% is visible. Under both the European Unions-National Emissions Ceilings Directive and the UNECE Gothenburg Protocol a reduction target of 45% compared to 2005 was set. With a reduction of respectively 55% and 51% compared to 2005 the nitrogen oxide emissions comply with the reduction target. Decrease in emissions of sulphur oxides The emissions sulphur oxides decreased with 3 Gg compared to 2019. The decrease of sulphur oxides is mainly a result of decreasing coal use for energy purposes. Under both the European Unions-National Emissions Ceilings Directive and the UNECE Gothenburg Protocol a reduction target was set of 28% compared to 2005. With a reduction of respectively 71% the sulphur oxide emissions comply with the reduction target. Applying for adjustments For non-methane volatile organic compounds the Netherlands applied for an inventory adjustment to meet compliance with the reduction target set by the UNECE under the Gothenburg Protocol. The Informative Inventory Report 2022 was drawn up by the RIVM and partner institutes, which collaborate to analyse and report emission data each year – an obligatory procedure for Member States. The analyses are used to support Dutch policy.
  • Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990–2020

    Ruyssenaars, PG; van der Net, L; Coenen, PWHG; Rienstra, JD; Zijlema, PJ; Arets, EJMM; Baas, K; Dröge, R; Geilenkirchen, G; 't Hoen, M; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-21)
    Total greenhouse gas (GHG) emissions in the Netherlands in 2020 decreased by 8.8 percent, in comparison with 2019 emissions. This decrease was mainly the result of several factors. Coal combustion for energy and heat production decreased, while the share of renewable energy increased up to 11.1 percent of total energy consumption. Besides, the Dutch economy and energy use were influenced by the COVID 19 pandemic. In 2020, total GHG emissions (including indirect CO2 emissions and excluding emissions from Land use, land use change and forestry (LULUCF)) in the Netherlands amounted to 164.3 Tg CO2 eq. This is approximately 25.5 percent below the emissions in the base year 1990 (220.5 Tg CO2 eq.). CO2 emissions in 2020 were 15.0 percent below the level in the base year. The total of the emissions of methane, nitrous oxide and fluorinated gases (CH4, N2O and F-gases) was reduced by 54.9 percent over this period. This report documents the Netherlands’ annual submission for 2022 of its GHG emissions inventory in accordance with the 2006 IPCC Guidelines for National Greenhouse Gas Inventories (IPCC, 2006) prescribed by the United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC), the Kyoto Protocol (KP) and the European Union’s Greenhouse Gas Monitoring Mechanism. This report includes explanations of observed trends in emissions, an assessment of the sources with the highest contribution to total national emissions (key sources) and a description of the uncertainty in the emissions estimates. Estimation methods, data sources and emission factors (EFs) are described for each source category, and there is also a description of the quality assurance system and the verification activities performed on the data. The report also describes changes in methodologies since the previous submission (NIR 2021), the results of recalculations and planned improvements.
  • Ontwikkelingen rondom e-health tijdens de COVID-19-pandemie. Bevindingen vanuit de literatuur en empirisch onderzoek

    van der Vaart, R; Kouwenberg, LHJA; Oosterhoff, M; Rotteveel, AH; van Tuyl, L; van Vliet, ED (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-21)
    Door de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 is uit nood veel zorg ‘op afstand’ geleverd met behulp van e-health. Voorbeelden zijn beeldbellen, een online schriftelijk consult en op afstand gezondheidswaarden meten, zoals bloeddruk of bloedsuiker. Het RIVM onderzocht de ontwikkelingen van het gebruik van e-health tijdens de coronapandemie in Nederland. Hieruit blijkt dat e-health veel meer is gebruikt dan voor de pandemie. Het was vaak de enige manier om afspraken en behandelingen door te laten gaan. Ook werd het gebruik makkelijker gemaakt. De overheid heeft bijvoorbeeld de financiering en de voorwaarden om het te mogen gebruiken, verruimd. Hierdoor konden zorgverleners en patiënten meer ervaring opdoen met e-health en leren wanneer het wel en niet geschikt is. Van alle soorten e-health is beeldbellen het meest ingezet. E-health is vooral gebruikt als er veel mensen besmet waren met het virus. Het is ook gebruikt om coronapatiënten te behandelen. Zij maten bijvoorbeeld thuis zelf hun gezondheidswaarden op die zorgverleners op afstand konden volgen. Zowel zorgverleners als patiënten hebben tijdens de pandemie voordelen van e-health ontdekt die ze voor die tijd nog niet kenden. Daardoor zijn ze beiden positiever gaan denken over e-health. Het maakte het zorgverleners bijvoorbeeld makkelijker om naasten van een patiënt bij het gesprek te betrekken. Patiënten scheelde het reistijd omdat zij niet naar de zorgverlener toe hoefden. Minder geschikt is e-health bijvoorbeeld voor afspraken waarbij bepaald lichamelijk onderzoek nodig was. Zowel zorgverleners als patiënten willen in de toekomst e-health het liefst combineren met bezoeken aan de zorgverlener. Het is nog niet duidelijk in welke situaties ná de pandemie e-health voordelen heeft. Om hier nog meer over te kunnen leren, moet het makkelijk zijn om e-health na de pandemie te blijven gebruiken en ermee te experimenteren. Voor dit onderzoek keek het RIVM naar de literatuur uit Nederland en het buitenland. Ook gebruikte het RIVM gegevens uit de E-healthmonitor.
  • Methodology for the calculation of emissions from agriculture. Calculations for methane, ammonia, nitrous oxide, nitrogen oxides, non-methane volatile organic compounds, fine particles and carbon dioxide emissions using the National Emission Model for Agriculture (NEMA)

    van der Zee, TC; Bannink, A; van Bruggen, C; Groenestein, CM; Huijsmans, JFM; Lagerwerf, LA; Huesink, HH; Velthof, GL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-21)
    Every year, the Netherlands reports, both nationally and internationally, the quantities of substances that are emitted into the air by its agricultural sector. This entails all the substances originating from agricultural activities that are listed in the Pollutant Release and Transfer Register, e.g. greenhouse gases and substances that cause air pollution, such as ammonia and fine particles. The methods used to calculate the emissions are in accordance with international guidelines. The emissions are calculated using the National Emission Model for Agriculture (NEMA), which is developed in the Netherlands. For example, the NEMA is used to calculate the emissions from stables, manure storages and the application of manure. It is also used to calculate emissions, such as methane, from various animals and manure. The model is updated annually to reflect the latest scientific insights. This time around, the methods used for different substances as well as the implemented adjustments have been described. The emission data is available to the public via the website emissieregistratie.nl. It is used for reports that are mandatory under international treaties such as the Kyoto Protocol, the EU Emission Ceilings (NEC Directive) and the Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). This report also forms the basis for the reviewers who validate the Dutch reports to the European Union and the United Nations.
  • Methodology for the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste

    Honig, E; Montfoort, JA; Dröge, R; Guis, B; Baas, K; van Huet, B; van Hunnik, OR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-21)
    Every year, the Netherlands reports, both nationally and internationally, on the quantities of substances that are emitted to the air by the industry sector and energy generation and waste processing sector (ENINA). This entails all the substances that are listed in the Netherlands Pollutant Emission Register and are relevant for ENINA, including greenhouse gases, acidifying substances and substances that cause large-scale air-pollution. RIVM has updated and described the methods with which the emissions are calculated. These methods are adjusted every year according to the most recent scientific insights. Emission estimates are performed based on the international guidelines. The emission data is available to the public via the website emissieregistratie.nl. It is used for reports that are mandatory under international treaties such as the Kyoto Protocol, the EU Emission ceilings (NEC Directive) and the Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). These reports also form the basis for the international reviewers who validate the Dutch reports to the EU and UN.
  • Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services

    Visschedijk, A; Meesters, JAJ; Nijkamp, MM; Koch, WWR; Jansen, BI; Dröge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-21)
    Every year, the Netherlands reports, both nationally and internationally, on the pollutants that are released into the air due to the use of products. These pollutants include solvents from cosmetics, air fresheners, aerosols, paints and the substances released when wood is burned and fireworks set off. For the Emission Inventory, emissions from product use are estimated based on the international guidelines. RIVM has now updated and described the methods used by the Netherlands Pollutant Emission Register. These methods are adjusted every year according to the most recent scientific insights. The emission data is available to the public via the website emissieregistratie.nl. It is used for reports that are mandatory under international treaties such as the Kyoto Protocol, the EU Emission ceilings (NEC Directive) and the Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). These reports also form the basis for the international reviewers who validate the Dutch reports to the EU and UN.
  • Meningococcal disease serogroup B. Updated information for the Dutch Health Council

    Steens, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-11)
    Meningococcal disease is a very serious infectious disease that can be caused by several types of meningococcal bacteria (serogroups). These types are indicated by letters. In the Netherlands, children are vaccinated against meningococcal disease caused by types A, C, W and Y. There is also a vaccine against meningococcal disease caused by type B. In 2018, the Health Council of the Netherlands advised against including vaccination against meningococcal B disease in the National Immunisation Programme. The Health Council found the effectiveness and safety of the vaccine still too uncertain and the costs to prevent one sick child were high. Meanwhile, more has become known about how well the vaccine works and about its safety. The Health Council will therefore make a new recommendation on meningococcal B vaccination. To this end, RIVM has collected background information and recent data on meningococcal B disease in the Netherlands. Experiences from abroad confirm that the meningococcal B vaccine can prevent serious meningococcal disease. There are several meningococcal B bacteria and the vaccine does not protect against all of these. Which bacteria and how many children fall ill differ between countries and per year. In at least 70% of the children that receive one of the two current meningococcal B vaccines, the vaccine works well. In these children, the vaccine protects against 75 per cent of the various meningococcal B bacteria that can make them ill in the Netherlands. The meningococcal B vaccination can cause a high fever in babies, especially if they receive it at the same time as other vaccinations. If a baby is given paracetamol on the day of the meningococcal B vaccination, this is 50 per cent less common. The experience also shows that three vaccinations per child are enough, instead of the four that were previously thought to be needed. In recent years, fewer people have become ill with meningococcal B disease. That was also the case in the year before the coronavirus pandemic. The cause of this is not clear. Because of this decrease, the costs per child to prevent them from getting meningococcal B disease are likely not much lower than in 2018.
  • Aggregate exposure to isothiazolinones used as preservatives in consumer products. Is the simultaneous presence of CMI, MI and BIT in personal care products, household cleaning products, toys, paints and glues of concern?

    Affourtit, F; Minnema, J; Brand, W; Bokkers, BGH; Wijnhoven, SWP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-08)
    Isothiazolinones are preservatives. They are frequently used in, for example, personal care products like sunscreen and shampoo, as well as cleaning products, paint and aqueous toys like clay and toy slime. They ensure that a product does not spoil and that its shelf life is prolonged. If people come into contact with isothiazolinones, this could lead to allergic reactions of the skin. Currently, consumers are advised to be cautious with these substances (see http://www.waarzitwatin.nl). In order to assess the risk of allergic reactions, the extent to which people are exposed to these substances should be determined. RIVM has investigated this by calculating the exposure to isothiazolinones. This investigation was carried out by estimating to which extent various product groups contributed to the total exposure, as people can be exposed to isothiazolines via various different products every day. The total exposure in both adults and children has been investigated for three widely-used substances: methylisothiazolinone, chloromethylisothiazolinone and benzisothiazolinone. The results of this investigation indicated that, in some cases, the total exposure is higher than the safe amount. More research is needed to know whether this is really the case. For example, for many products the exact amount of isothiazolinones they contain is unknown. In addition, it is not always determined how many people use such products and how often. It should also be investigated whether other types of isothiazolines, such as dichlorooctylisothiazolinone and octylisothiazolinone, contribute to the total exposure to isothiazolinones. The NVWA has measured the amount of isothiazolinones in hundreds of different products. RIVM used these measurements to calculate the exposure using the PACEM and ConsExpo computer models. ConsExpo can provide a first estimation of the exposure that occurs when a person uses a single product. With PACEM, exposure to multiple products can be calculated. Furthermore, PACEM gives a more realistic estimation of the exposure, because it uses concrete data about the frequency of use.
  • Circulaire economie en consumentenproductveiligheid. Startnotitie voor visievorming bij VWS

    Heens, F; Eliesen, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-06)
    De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Hierin worden producten, materialen en grondstoffen steeds opnieuw gebruikt, in dezelfde of in nieuwe toepassingen. Dit geldt ook voor producten voor consumenten, zoals kleding, verpakkingen en speelgoed. Om de circulaire economie te stimuleren heeft de overheid voor beleid, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties beschreven wat ze wil bereiken. Daar staat ook bij welke acties hiervoor nodig zijn. Het uitgangspunt is dat gerecyclede producten veilig zijn voor consumenten. Dit betekent dat bekend moet zijn of er gevaarlijke stoffen in de producten zitten die opnieuw worden gebruikt of in de materialen die worden gerecycled. En als dat zo is, of dat gevolgen heeft voor de gezondheid van de gebruiker. Er zijn aanwijzingen dat er risico’s kunnen ontstaan maar daarover is door gebrek aan data nog veel onduidelijk. De risico’s zijn nu naar schatting beperkt omdat nog maar weinig producten voor consumenten uit gerecycled materiaal bestaan. Beleidsmakers en producenten gaan de komende jaren producten voor consumenten ontwikkelen volgens de uitgangspunten van een circulaire economie. Daar wordt bijvoorbeeld bij het ontwerp van producten al over nagedacht. Ook wordt gezocht naar manieren om producten als speelgoed, verpakkingen en textiel opnieuw te gebruiken, te repareren of te recyclen. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM. Hierin zijn de verwachte ontwikkelingen van het hergebruik en recyclen van producten en de mogelijke risico’s daarvan voor de gebruiker op een rij gezet. Het RIVM raadt beleidsmakers aan om ervoor te zorgen dat producenten transparant zijn over de samenstelling van hun producten. Ook zijn er meer metingen nodig van de samenstelling van gerecyclede grondstoffen. Beleidsmakers, kennisinstellingen en bedrijven kunnen dit onderzoek het beste samen oppakken om dit goed te kunnen opzetten. Deze inventarisatie is bedoeld voor het ministerie van VWS om een visie te ontwikkelen op zijn rol in de overgang naar een circulaire economie.
  • Advies aandachtsgebieden. Beschouwing van voorstel alternatieve benadering voor de berekening van aandachtsgebieden

    Boxman, AMC; Stam, G; Uijt de Haag, PAM; van Vliet, AAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-04-06)
    Bij bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken, kunnen ongelukken gebeuren die gevaarlijk zijn voor omwonenden. Deze bedrijven zijn daarom verplicht om de risico’s en gevolgen van ongelukken in kaart te brengen. Hiervoor worden onder andere aandachtsgebieden bepaald. Dit zijn gebieden waar mensen in huizen of gebouwen, zonder extra maatregelen, niet genoeg beschermd kunnen zijn tegen de gevaren in de omgeving. Bijvoorbeeld tegen warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en een concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Het RIVM beheert de rekenmethode waarmee de grootte van de aandachtsgebieden wordt bepaald. Verschillende partijen, zoals omgevingsdiensten en bedrijven, hebben bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) voorstellen ingediend om deze gebieden op een andere manier te berekenen. Tot nu toe wordt het aandachtsgebied bepaald op basis van de concentratie giftige stoffen of de warmtestraling. In de voorstellen wordt ook rekening gehouden met de mate waarin mensen hieraan blootstaan. Het RIVM onderzocht of deze voorstellen verbeteringen zijn. Daaruit blijkt dat de methode met de voorstellen een beter beeld kan geven van de gevolgen die ongelukken op mensen kunnen hebben. Maar om de voorstellen uit te kunnen voeren, zijn er nog keuzes en onderbouwingen nodig. Voor sommige keuzes ontbreekt informatie of is de bestaande informatie verouderd. Dan is meer onderzoek nodig voordat de voorstellen in de rekenmethode kunnen worden verwerkt. Hierdoor is nog niet duidelijk welk effect de aanpassingen hebben op de aandachtsgebieden. Het RIVM verwacht dat sommige kleiner en andere groter kunnen worden door de voorstellen.

View more