The RIVM's legal task is to investigate and report on questions addressed by the Dutch government. The findings from these investigations are published in the series RIVM reports.

Collections in this community

Recent Submissions

  • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2018 met het MONET-meetnet

    Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-08)
    Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2018 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens aan maximaal 40 microsievert per jaar worden blootgesteld. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgesteld. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt vervolgens de hoeveelheid die van nature voorkomt afgetrokken (natuurlijke achtergrondwaarde). De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na het gebruik van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2018 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
  • Stralingsniveaumetingen aan de terreingrens van de EPZ kerncentrale Borssele in 2018

    Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-08)
    Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2018 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 0,8 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na de toepassing van deze ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis 0,8 microsievert per jaar. In 2018 is met acht monitoren op de terreingrens het gammastralingsniveau continu gemeten. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2018 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
  • Loodinname via kraanwater : Blootstellings- en risicobeoordeling voor diverse risicogroepen

    Boon, PE; van der AA, M; Dusseldorp, A; Janssen, P; Zeilmaker, MJ; Schulpen, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-06)
    Mensen kunnen via kraanwater lood binnenkrijgen. Dit is vooral het geval bij oude huizen die nog loden waterleidingen hebben. Ook kan in huizen met nieuwe leidingen en kranen die nog niet goed zijn doorgespoeld, tijdelijk meer lood in het kraanwater zitten. Het RIVM heeft berekend dat kraanwater in deze situaties een grote bijdrage kan leveren aan de totale dagelijkse blootstelling aan lood via voedsel en water. Voor baby's die flesvoeding krijgen met kraanwater uit deze leidingen kan die bijdrage oplopen tot 80 procent. Bewoners krijgen in deze situaties meer lood binnen dan wat als veilig wordt beschouwd. Bewoners van oude huizen met loden waterleidingen kunnen hun blootstelling aan lood verlagen door oude loden leidingen te laten vervangen. Bewoners van huizen met nieuwe leidingen en/of kranen wordt aangeraden het doorspoeladvies op te volgen. Blootstelling aan lood kan een negatief effect hebben op het IQ van kinderen. Bij volwassenen kan het een grotere kans op nierziekten of een hogere bloeddruk geven. Het RIVM heeft berekend wat vier risicogroepen (het ongeboren kind, flesgevoede baby's, kinderen tot 7 jaar, en volwassenen) aan lood kunnen binnenkrijgen. Omdat mensen ook via voedsel worden blootgesteld aan lood, is deze bron ook meegenomen in de berekeningen. De berekende totale inname is ten slotte vergeleken met de grenswaarde, waarboven schadelijke effecten kunnen optreden. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) als ondersteuning van de GGD'en. GGD'en zullen de onderzoekresultaten en conclusies gebruiken om met relevante partners één duidelijke voorlichtingsboodschap te maken.
  • Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2019

    Kommer, GJ; Mulder, M; Mohnen, SM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-05)
    Op basis van ritgegevens over het jaar 2018 heeft het RIVM berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Op werkdagen overdag zijn er 626 ambulances nodig, twaalf meer dan uit de doorrekening over 2017 bleek. De berekeningen wijzen uit dat er op zaterdagen overdag twaalf en op zondagen overdag elf ambulances meer nodig zijn dan in het referentiekader-2018 was bepaald. De stijging op landelijk niveau van twaalf ambulances is groter dan in het referentiekader-2018. Toen waren er nog vijf ambulances meer nodig ten opzichte van het voorgaande jaar. De toename komt doordat er 2 procent meer spoedeisende inzetten waren dan in 2017. Ook steeg de gemiddelde ritduur in 2018: met 3,2 procent voor inzetten voor levensbedreigende situaties (A1-urgentie), met 2,4 procent voor inzetten voor niet levensbedreigende situaties (A2-urgentie), en met 5,8 procent voor planbare inzetten. Het aantal inzetten in de planbare ambulancezorg daalde met 3,0 procent. De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd. Dit gebeurt op basis van een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen over het land. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2019 geactualiseerd met cijfers over het gebruik van ambulancezorg in Nederland in 2018.
  • Environmental radioactivity in the Netherlands : Results in 2017

    Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-05)
    In 2017 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu en in voeding zit. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om dat te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen op uit 2000 om de metingen op een bepaalde manier te doen. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens Nederland verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu. Radioactiviteit in lucht, voedsel, melk, gras en veevoer De radioactiviteitsniveaus in lucht laten een normaal beeld zien, net als in eerdere jaren. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk liggen net als in vorige jaren onder de Europese limieten voor consumptie en export. Eén van de bijna 2.600 monsters is hierop een uitzondering. Dit was een wild zwijn-monster waarvan het radioactiviteitsniveau ongeveer 10 procent hoger was dan de limiet. Als iemand één keer van dit dier eet, is het risico voor de gezondheid gering. Ook de radioactiviteitsniveaus in gras en veevoer laten een normaal beeld zien, net als de jaren ervoor. Radioactiviteit in oppervlaktewater, zeewater en drinkwater De radioactiviteitsniveaus in oppervlaktewater en zeewater zijn vergelijkbaar met die van eerdere jaren. De niveaus van het merendeel van de monsters (95 procent) van ongezuiverd water voor de drinkwaterproductie liggen onder de zogeheten referentiewaarde: boven deze waarde moet verder onderzoek worden uitgevoerd. De niveaus van een klein aantal monsters ongezuiverd water (20) zaten daar licht boven. Deze verhogingen zijn zo klein dat ze niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Het vervolgonderzoek liet ziet dat de niveaus in het gezuiverde drinkwater ruim onder de referentiewaarden lagen.
  • GGD-richtlijn medische milieukunde: omgevingsgeluid en gezondheid

    Slob, MJA; van Ballegooij, MC; Breugelmans, O; Esser, P; Groenewold, AW; Janssen, IE; Poelman, B; Schmidt, D; van de Weerdt, R; Woudenberg, F; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-04)
    De GGD'en hebben de richtlijn 'Omgevingsgeluid en gezondheid' ontwikkeld. De richtlijn behandelt geluid door wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer, bedrijven en industrie. De richtlijn helpt GGD'en om geluid te beoordelen en burgers en beleidsmakers te adviseren bij vragen over geluid. Het doel is de lokale geluidsituatie en de gezondheid zo veel mogelijk te verbeteren. Ook bevat de richtlijn een overzicht van de nieuwste wetenschappelijke inzichten over geluid en gezondheid. Gezondheidseffecten van geluid Geluid in de leefomgeving heeft invloed op de gezondheid. Mensen kunnen er last van hebben als ze geluid horen (hinder). Ook kan het ervoor zorgen dat ze minder goed slapen of de dagelijkse activiteiten verstoren. Verder kunnen mensen er stress van krijgen. Als mensen lange tijd aan te veel geluid blootstaan, kan dat aanleiding geven tot chronische effecten, zoals verhoogde bloeddruk en verhoogde niveaus van het stresshormoon cortisol. Dit verhoogt het risico op hart- en vaatziekten. Ook kan geluid een negatieve invloed hebben op de leerprestaties van kinderen. Wetenschappers denken dat een rustige omgeving helpt om te herstellen van de negatieve effecten van geluid. Groeiend probleem Naar verwachting zal geluid in de toekomst voor meer gezondheids-problemen zorgen. Er komt steeds meer geluid en woningen liggen bijvoorbeeld dichter bij bronnen van geluid. Gezondheidskundige effecten van geluid verdienen daarom aandacht van beleidsmakers en overheden. De Omgevingswet geeft gemeenten meer ruimte om zelf afwegingen te maken in de ruimtelijke ordening. Het is belangrijk om gezondheid bij die afwegingen te betrekken. De GGD-richtlijnen medische milieukunde (MMK) zijn gemaakt zodat GGD'en op dezelfde manier en zo goed mogelijk te werk gaan. De richtlijnen worden gemaakt door professionals van de GGD'en. De coördinatie ervan ligt bij het RIVM.
  • Template for safety assessment of plant food supplements

    de Wit-Bos, L; Jeurissen, SMF; Mennes, WC; Rorije, E; Wolterink, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-04)
    Consumenten gebruiken voedingssupplementen met kruiden vanwege hun natuurlijke imago en (veronderstelde) gezondheidsvoordelen. Deze kruidenpreparaten moeten veilig zijn volgens de Algemene Levensmiddelen Verordening en het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten. Vaak is het lastig om de veiligheid te beoordelen. Er is namelijk weinig informatie beschikbaar over de samenstelling van het voedingssupplement en de mogelijk schadelijke eigenschappen van de ingrediënten. Het RIVM heeft nu een sjabloon ontwikkeld waarmee de veiligheid van voedingssupplementen, en in het bijzonder kruidenpreparaten, op eenzelfde manier beoordeeld kan worden. Het sjabloon geeft eerst aan welke gegevens beschreven moeten worden. Afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare gegevens geeft het RIVM aan hoe hiermee de veiligheid beoordeeld kan worden. Er zijn veel verschillende voedingssupplementen te koop, onder meer via internet. De veiligheid en samenstelling van voedingssupplementen worden niet beoordeeld, bijvoorbeeld in een toelatingsprocedure, vóórdat ze op de markt worden gebracht. Dit wordt alleen gedaan als er aanwijzingen zijn dat een supplement misschien een risico voor de gezondheid vormt. Een eventuele beoordeling door de overheid gebeurt pas nadat de producten al op de markt beschikbaar zijn.
  • Evaluatie distributie jodiumtabletten

    Claassen, L; Dusseldorp, A; Hagens, W (2019-10-30)
    Bij een kernongeval kunnen stoffen vrijkomen die zich via de lucht verspreiden, zoals radioactief jodium. Dit kan schildklierkanker veroorzaken bij kinderen en jongvolwassenen. Jodiumtabletten beschermen tegen dit effect. In het najaar van 2017 heeft de rijksoverheid in Nederland jodiumtabletten verspreid onder inwoners die binnen een afstand van 100 kilometer tot een kerncentrale wonen. Het gaat om mensen tot en met 40 jaar, en ouders van kinderen tot 18 jaar. Zij hebben zo de tabletten in huis voor het geval zich een ernstig stralingsongeval voordoet waarbij radioactief jodium vrijkomt. Bijna 80 procent van de doelgroep zegt de tabletten te hebben ontvangen. Meer dan 70 procent weet na een jaar nog waar ze de tabletten hebben opgeborgen. De begeleidende informatiebrief was volgens de meeste ontvangers duidelijk (89 procent). Zestig procent van de deelnemers zegt instructies van de overheid af te wachten als er een kernongeval plaatsvindt. Maar ze zullen dat niet altijd doen: ongeveer 30 procent zegt bij een kernongeval het gebied direct te verlaten. De helft zou zijn kind meteen een tablet laten innemen, dus zonder een bericht van de overheid af te wachten. Niet veel mensen waren op de hoogte van de begeleidende informatiecampagne van de overheid (zoals tv-spotjes) waarom zij de jodiumtabletten ontvingen. Dit blijkt uit een onderzoek onder ruim 4900 personen (binnen en buiten het gebied waarin de jodiumtabletten zijn verspreid) van het RIVM. Zij vulden in december 2017 een lijst in met vragen of de tabletten zijn ontvangen, en of de begeleidende informatie duidelijk was. Ook is gevraagd of mensen vertrouwen hebben in de overheid en de veiligheidsmaatregelen. In december 2018 vulde 60 procent van hen nog een keer een vragenlijst in.
  • Zeer Zorgwekkende Stoffen in de circulaire maakindustrie

    van Kuppevelt, MA; Klingenberg, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-10-30)
    De Nederlandse overheid wil ervoor zorgen dat in 2050 zo veel mogelijk producten en materialen opnieuw worden gebruikt. Hiervoor is een overgang nodig naar een circulaire economie. Een onderdeel van de economie is de zogeheten maakindustrie. Hierin worden producten gemaakt van onder andere metalen en kunststoffen. Dit zijn allerlei producten, van elektrische fietsen tot graafmachines. Om de maakindustrie circulair te krijgen moet duidelijk zijn welke materialen en producten hierin worden gebruikt. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en TNO hebben daarom een overzicht gemaakt van de belangrijkste grondstoffen, materialen en producten van de maakindustrie. In veel van deze grondstoffen, materialen en producten blijken Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) te zitten. Die stoffen zijn uiterst schadelijk voor mens en milieu, waardoor de materialen en dergelijke waar ze in zitten mogelijk niet kunnen worden hergebruikt. Ook blijkt vaak informatie te ontbreken over welke stof waar precies in zit. Dit blijkt uit aanvullend onderzoek van het RIVM. Het overzicht van ZZS in de producten en materialen van de maakindustrie is niet compleet vanwege de korte doorlooptijd van het RIVM-onderzoek. Het RIVM beveelt aan dat de overheid en de maakindustrie vervolgonderzoek (laten) uitvoeren. Het RIVM adviseert ook een betere informatievoorziening over ZZS op te zetten. ZZS kunnen in de grondstoffen zitten of om functionele redenen aan producten worden toegevoegd. De Nederlandse overheid wil het gebruik van ZZS minimaliseren zodat materialen veilig kunnen worden hergebruikt in een circulaire economie.
  • Meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten bij GGD'en : Periode 2017 - 2018

    Dusseldorp, A; Schaap, M; Gram, J; Schoevaars-Lops, S; Jonker, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-10-30)
    Als het om milieu en gezondheid gaat nemen mensen vooral contact op met de GGD vanwege klachten over het binnenmilieu (60 procent). De meeste meldingen komen van bewoners van huurwoningen. Volgens hen zijn vooral schimmels, plaagdieren en vocht de oorzaak van hun klachten over het binnenmilieu. Dit blijkt uit een analyse door het RIVM van de ruim zeven duizend meldingen die de GGD'en in Nederland in 2017 en 2018 hebben geregistreerd. De meeste meldingen (een derde) gaan over bezorgdheid: mensen maken zich zorgen over zaken die schadelijk kunnen zijn voor hun gezondheid. Dat kan zowel in huis zijn als in de omgeving. Ze zijn vooral bezorgd over de gevolgen van asbest en schimmels. Op de tweede en derde plaats van de meldingen staan klachten aan de luchtwegen (20 procent) en hinder (16 procent), zoals geur- en geluidhinder. De meldingen in 2017 en 2018 komen overeen met de meldingen in de afgelopen tien jaar. Wel is het aantal meldingen over (laagfrequent) geluid en houtrook bij de GGD gestegen.
  • Geluidmonitor 2018 : Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen

    Welkers, D; Bergmans, D; Joosten, E; den Hollander, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-10-15)
    Gemeten en berekende geluidniveaus over 2017 zijn met elkaar vergeleken. De gemeten geluidniveaus langs rijkswegen lagen gemiddeld 2 decibel hoger dan de berekende waarden. Langs het spoor waren de gemeten en berekende geluidniveaus gemiddeld hetzelfde. Dit beeld komt overeen met de resultaten van de jaren 2013-2016. Zowel bij rijks- als spoorwegen varieert op sommige trajecten de mate waarin de berekende en gemeten geluidniveaus verschillen. Eind 2019 presenteert het RIVM een rapport waarbij de achtergrond van de bevindingen uit de Geluidmonitor 2018 is onderzocht. De weg- en spoorbeheerder, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst elk jaar met metingen de resultaten van de berekeningen. Zowel deze validatie als de berekeningen zijn een verplichting vanwege de Wet milieubeheer. Deze monitor bevat de door het RIVM gemeten geluidniveaus in 2018. De weg- en spoorbeheerder maken de berekeningen over 2018 in de tweede helft van 2019 openbaar. Deze berekeningen worden in de Geluidmonitor 2019 vergeleken met de gemeten geluidniveaus in 2018. Deze monitor verschijnt in 2020.
  • Standaardtijd, zomertijd en gezondheid : Literatuuronderzoek naar gezondheidseffecten van verschillende tijdinstellingen

    Zantinge, EM; van Kerkhof, LWM; de Bruijn, ACP; Oostlander, AE; Dollé, MET (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-10-15)
    Dit rapport bevat een erratum d.d. 31-10-2019 op pagina 65 De Europese Commissie heeft in 2018 voorgesteld dat alle lidstaten een vaste tijdinstelling kiezen voor het hele jaar, en dus niet meer wisselen tussen standaardtijd (wintertijd) en zomertijd. Het RIVM heeft een internationaal literatuuronderzoek uitgevoerd naar de effecten op de gezondheid van deze twee tijdinstellingen, inclusief de effecten van de wisselingen. Het blijkt beter te zijn voor de volksgezondheid wanneer Nederland het hele jaar door de standaardtijd zou aanhouden. In Nederland wisselen we nu twee keer per jaar tussen de standaardtijd en zomertijd. Direct na de wisselingen slapen mensen slechter; vooral direct na de wisseling naar de zomertijd slapen mensen korter. Ook zijn er gezondheidseffecten te zien na de wisselingen. Zo komen er meer hartinfarcten voor direct na de wisseling naar de zomertijd. Zulke directe effecten treden niet meer op bij een vaste tijdinstelling voor het hele jaar. Vooral zonlicht heeft invloed op het bioritme van de mens - het moment waarop we 's ochtends wakker worden en 's avonds slaperig. Het is voor de volksgezondheid dan ook het beste om een tijd in te stellen die aansluit op het natuurlijke dag- en nachtritme op aarde. Dat betekent een instelling waarbij de zon vroeg opkomt, wat het geval is bij de standaardtijd. Wanneer we het hele jaar door zomertijd instellen, is dat voor de gezondheid minder gunstig dan het hele jaar door standaardtijd. Dit blijkt uit studies naar slaap- en gezondheidsaspecten, zoals slaapduur en -kwaliteit, overgewicht, het aantal mensen met kanker, en de levensverwachting in het algemeen. Voor de volksgezondheid zou het zelfs nog beter zijn als Nederland de tijd rond de nulmeridiaan in Greenwich (Engeland) het hele jaar door instelt; dat is 1 uur vroeger dan onze standaardtijd. De huidige standaardtijd voor Nederland is sinds de Tweede Wereldoorlog wettelijk ingesteld, hoewel het geografisch gezien in de zone van de nulmeridiaan ligt. Dit literatuuronderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. De studies waarop deze conclusies zijn gebaseerd, gaan over andere landen dan Nederland.
  • Toepassing van antibiotica en alternatieven; Kansen en belemmeringen

    Leonardo Alves, TM; de Vries, CGJCA; David, S; Weda, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-10-10)
    Om te voorkomen dat bacteriën ongevoelig worden voor antibiotica, is het belangrijk dat zorgprofessionals ze alleen voorschrijven als ze echt nodig zijn. En het liefst alleen voor de bacterie die de infectie veroorzaakt. Maar het gewenste antibioticum is niet altijd op voorraad. Patiënten krijgen dan een ander antibioticum, dat soms tegen meer soorten bacteriën werkt dan nodig is. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Onderzocht is of er belemmeringen zijn voor goed gebruik van antibiotica in de eerstelijnszorg; zorg waar mensen zelf zonder verwijzing naartoe kunnen gaan. Om te bepalen of een antibioticum zin heeft, is het belangrijk om te testen of een infectie wordt veroorzaakt door een bacterie of virus. Bij een virusinfectie werken antibiotica niet. Uit gesprekken met zorgprofessionals blijkt dat de kosten van een test geen reden zijn om van de test af te zien. Als een patiënt ernstig ziek is, kan niet altijd op de uitslag van een test worden gewacht en wordt gelijk een antibioticum voorgeschreven. Sommige antibiotica worden niet volledig vergoed; de patiënt moet dan zelf een bedrag bijbetalen. Dit kan oplopen tot enkele tientallen euro's. Toch zien de geïnterviewde experts niet dat dit een belemmering is voor patiënten. Het gemak van een éénmaal daagse, korte kuur weegt vaak zwaarder dan de bijbetaling. In de wetenschappelijke literatuur zijn enkele alternatieve middelen beschreven die niet geregistreerd zijn als medicijn, maar wel worden gebruikt tegen infecties. Zoals Cranberry-capsules om urineweginfecties te voorkomen. Er zijn nog weinig goede wetenschappelijke studies uitgevoerd om te kijken of deze middelen echt goed werken. Er zijn ook kansen om het ontstaan van ongevoeligheid voor antibiotica verder tegen te gaan, zoals het ontwikkelen van nieuwe diagnostische tests, het slimmer inzetten van bestaande antibiotica en de ontwikkeling van geneesmiddelen met een ander type werking dan antibiotica. Daarnaast is het belangrijk dat zorgprofessionals kritisch blijven kijken naar het voorschrijven van antibiotica.
  • Epidemiologische data van Ziekten van het botspierstelsel en bindweefsel: Achtergrondrapport voor Programma Zinnige Zorg

    Eysink, PED; Poos, MJJC; Gijsen, R; Kommer, GJ; van Gool, CH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-10-03)
    Many people in the Netherlands suffer from disorders of the bones, joints and muscles. The causes of these musculoskeletal disorders are diverse and they are often unknown. However, those who suffer from these disorders may have problems at work and in their daily lives. At request of Zorginstituut Nederland, RIVM has compiled an overview of the incidence of ten musculoskeletal disorders in the Netherlands. In addition, RIVM has described how frequently people with these disorders use care services and what the cost of this care is - both now (2017) and in the future (2030). Zorginstituut Nederland specified which ten disorders were included. Due to the ageing of the population, the number of people with diseases associated with old age, such as osteoarthritis and gout, will increase between 2017 and 2030. In 2017, almost 480,000 people in the Netherlands suffered from gout. This number will increase by 20 percent by 2030 to 580,000. Furthermore, due to our ageing population, more people will make use of care as a result of musculoskeletal disorders. The number of people who visited a medical specialist and a hospital due to rheumatoid arthritis in 2017 was almost 90,000 greater than any other musculoskeletal disorder. Due to demographic changes, this number will increase further to 102,000 people (13.9 percent increase). The use of care for other disorders is rising much less quickly. For example, the number of visitors to hospitals and medical specialists for a common shoulder disorder (shoulder syndrome) will increase by 4.1 percent from 83,800 in 2017 to 87,300 in 2030. This modest increase is because shoulder syndrome mainly affects middle-aged people rather than the elderly. The total population of middle-aged people will remain about the same in the coming years. Our ageing population means that the costs of caring for musculoskeletal disorders will increase. For example, the cost of hospital care and medical specialists for gout will increase by 24.2 percent, from 14.2 million in 2017 to 17.6 million in 2030. This overview is a background report for the 'Zinnige Zorg' Programme of Zorginsituut Nederland. The programme systematically examines whether the basic health insurance package contains unnecessary or ineffective forms of care. In this way, Zorginstituut Nederland is promoting accessible and affordable healthcare.
  • Marktontwikkeling en leveringszekerheid voor medische radionucliden : Aanvulling op RIVM rapport 2019-0101

    Roobol, LP; de Waard, IR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-30)
    Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland en naar de effecten van het niet bouwen van de Pallas reactor, de beoogde opvolger van de HFR. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden bij terminale patiënten, zogenoemde therapeutische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op één reactor na zijn deze installaties op gevorderde leeftijd en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. De markt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kunnen op wereldschaal leveringsproblemen ontstaan. Bij een onverwachte uitval kunnen de overige reactoren de vraag lang niet altijd opvangen, wat de leveringszekerheid voor de wereld (en dus ook voor Nederland) vrij onzeker maakt. Dat geldt zowel voor diagnostische als therapeutische radionucliden. De vraag naar molybdeen-99/technetium-99m in de wereld zal op de lange termijn stijgen. Geschatte percentages variëren van 5% tot 8% jaarlijkse stijging van de vraag in de opkomende economieën. De groei in de omzet van de therapeutische isotopen zal veel hoger zijn. Bij een vraaggroei voor lutetium-177 van 7% per jaar bijvoorbeeld zijn er al binnen vijf jaar tekorten te verwachten. Om de productieketen van medische radionucliden toekomstbestendig te maken, is een overgang nodig naar een prijsstelling nodig die alle kosten in de keten dekt. In het afgelopen jaar is er meer duidelijkheid gekomen over de aanbodkant van de productie van medische radionucliden. Er zijn initiatieven gaande in Duitsland, Frankrijk en België om de bestaande productiecapaciteit voor medische radionucliden te vergroten en nieuwe capaciteit te bouwen. Zelfs wanneer al deze initiatieven slagen, zullen zij echter niet de productiecapaciteit kunnen vervangen van de reactoren in België (BR2) en Nederland (HFR) die op termijn gaan sluiten. De Europese Commissie heeft onlangs de voorzieningszekerheid van medische radio-isotopen laten onderzoeken. Die studie concludeert dat het, ondanks de genoemde initiatieven, nodig is in de EU nóg een reactor te bouwen om de EU zelfvoorzienend te laten blijven en tekorten op wereldschaal te voorkomen. De studie wijst Pallas hiervoor aan als de gerede kandidaat om de benodigde productiecapaciteit in de komende decennia te garanderen. Nederland is in de unieke positie dat een groot deel van de leveringsketen binnen eigen land aanwezig is: van onderzoek en ontwikkeling, via productie van radionucliden tot de verwerking daarvan tot radiofarmaceutische producten. Hierdoor heeft Nederland ook een goede positie om het land te blijven waar nieuwe radiofarmaceutische producten ontwikkeld worden. De nabijheid van academische ziekenhuizen, een reactor, gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Mocht de HFR sluiten zonder dat de Pallas-reactor wordt gerealiseerd, dan verliest Nederland haar positie binnen die leveringsketen. De kans is dan groot dat de radiofarmacie haar werk van Petten naar het buitenland zal verplaatsen. Daarnaast zal dit grote en negatieve gevolgen hebben voor de (lokale) werkgelegenheid in de nucleaire sector: een derde van de mensen die in Nederland in de nucleaire sector werken en ongeveer 1000 bij toeleveranciers zullen hun baan verliezen. De nucleaire kennisinfrastructuur zal hieronder lijden. Ook vervallen dan de diensten die vanuit Petten worden geleverd aan de nucleaire industrie, andere industrietakken en overheden. Aanvulling In Amerika wordt gebouwd aan het SHINE-project. Deze installatie is een gevorderd nieuwbouwproject voor het maken van onder meer molybdeen-99. SHINE heeft besloten om ook een vestiging in Europa te openen. Waar deze vestiging zal komen staat nog niet vast, dat zou in Nederland kunnen zijn. De Europese fabriek wordt een kopie van de Amerikaanse. SHINE geeft zelf aan dat deze tweede fabriek in Europa in 2025 al grote hoeveelheden molybdeen-99 op de markt zal kunnen brengen. Dit is mogelijk wat optimistisch. Naast molybdeen-99 beoogt het SHINE-concept ook het radionuclide jodium-131 te leveren, dat is een therapeutisch radionuclide voor de behandeling van schildklierkanker. SHINE geeft zelf aan binnenkort lutetium(-177)chloride te kunnen leveren, waarbij het lutetium in reactoren wordt bestraald. Op de langere duur verwacht SHINE deze bestraling ook met hun eigen apparatuur te kunnen doen. We verwachten niet dat met het SHINE-concept binnen tientallen jaren mogelijk zal zijn het hele palet aan reactor-geproduceerde medische radionucliden te maken. Het SHINE-concept is daarmee geen complete vervanging van een reactor die medische radionucliden maakt.
  • Chemische samenstelling van vijftig stookoliemonsters 2017-2018

    Broekman, MH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-30)
    In 2017 en 2018 zijn in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) brandstofmonsters van 50 zeeschepen in de Rotterdamse haven onderzocht. Het ging om schepen die van buiten Europa kwamen. De ILT wil duidelijkheid over de chemische samenstelling van stookolie om te kunnen beoordelen of de uitstoot van zeeschepen een risico vormt voor het milieu. Nadat laboratoria de chemische samenstelling hebben bepaald, heeft het RIVM deze meetresultaten geanalyseerd en geïnterpreteerd. De chemische samenstelling van de stookolie laat voor een aantal stoffen een normaal beeld zien. Zo voldoet de concentratie zwavel in alle monsters aan de norm. Wel blijkt de stookolie schadelijke stoffen te bevatten en stoffen die als zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn aangemerkt. In Europa is afgesproken om deze stoffen geleidelijk aan niet meer te gebruiken. De aangetroffen zeer zorgwekkende stoffen zijn onder andere lood(verbindingen), trichlooretheen en cyclododecatrieen en mogen niet in stookolie zitten. De schadelijke polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), zoals naftaleen en benzo(a)pyreen, zitten in stookolie omdat ze van nature in ruwe aardolie voorkomen. Deze stoffen zijn echter in zeer hoge gehalten in de stookolie van enkele zeeschepen aangetroffen, waardoor de samenstelling van deze olie anders is dan verwacht. De samenstelling van stookolie kan doorgaans sterk variëren, wat vooral door het productieproces komt. Ruwe aardolie wordt in een raffinaderij verhit en afgekoeld om verschillende soorten aardolieproducten te maken. Aan de restantolie die na dit proces 'overblijft', worden organische vloeistoffen toegevoegd om deze ook als stookolie te kunnen gebruiken. Hoewel dit bijmengen nodig is, is het vaak niet duidelijk welke stoffen hiervoor worden gebruikt en of ze daarvoor zijn toegestaan. De gemeten afwijkingen in de brandstofmonsters kunnen er op duiden dat de olie met ongewenste vloeistoffen is bijgemengd.
  • Verspreiding van GenX stoffen in het milieu : Metingen in Nederland 2013-2018

    de Kort, MJ; de Jong, CJ; Ng-A-Tham, JEE; Verhoeven, JK; Boon, PE; Verschoor, AJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-25)
    De GenX-technologie wordt gebruikt om stoffen te maken, fluorpolymeren. Deze stoffen worden onder andere gebruikt om coatings voor antiaanbaklagen te maken. Bij het GenX-proces kunnen stoffen vrijkomen die moeilijk afbreken en makkelijk in water oplossen (FRD-903, FRD-902). Daardoor verspreiden deze stoffen zich snel in het milieu en zijn ze er niet meer makkelijk uit te verwijderen. Via het milieu kunnen de stoffen ook in de voedselketen terechtkomen. Er bestaan zorgen over de mogelijke effecten van GenX-stoffen op mens en milieu. Om de verspreiding van GenX-stoffen zo veel mogelijk te beperken is het belangrijk om te weten waar deze stoffen in Nederland in het milieu zitten. Daarom heeft het RIVM de beschikbare metingen naar GenX-stoffen over de periode 2013-2018 verzameld. Uit de metingen blijkt dat de stoffen voorkomen op de plekken waar de GenX-technologie wordt gebruikt (in Dordrecht). Daarnaast zijn ze gevonden op plekken waar de halffabricaten en afval van het GenX-proces worden verwerkt (in de provincies Noord-Brabant en Zeeland). Een landsdekkend beeld ontbreekt. Mogelijk zijn er nog andere bronnen waardoor GenX-stoffen in het milieu terechtkomen. De gevonden gehalten zijn soms hoger dan de (voorlopige) risicogrenzen voor deze stoffen. Dit geldt zowel voor metingen in oppervlaktewater en grond als in grondwater. Dit betekent niet dat er meteen risico's zijn. Wel kan een overschrijding een reden zijn om er verder onderzoek naar te doen. Metingen van GenX-stoffen beperken zich nu tot die delen van Nederland waar de GenX-stoffen naar verwachting voorkomen. Er lopen initiatieven om stoffen uit de PFAS-groep, waar de GenX-stoffen onder vallen, op verschillende plekken verspreid over Nederland te meten. Hiermee wordt mogelijk duidelijk waar deze stoffen nog meer voorkomen en uit welke (andere) bronnen ze komen. Dit kan helpen om eventuele risico's beter te kunnen beheersen. De effectiefste manier om risico's te beheersen van stoffen die slecht te verwijderen zijn uit het milieu, is de uitstoot bij de bron aan te pakken.
  • Indicatieve waterkwaliteitsnormen voor gewasbeschermings-middelen : Normvoorstellen voor 28 stoffen

    Smit, CE; Keijzers, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-24)
    Het RIVM doet voorstellen voor zogeheten indicatieve waterkwaliteitsnormen voor een aantal bestrijdingsmiddelen. Waterbeheerders meten de meeste van deze stoffen, maar er bestaan nog geen normen voor. Dit maakt het moeilijk het beleid voor de waterkwaliteit te evalueren en probleemstoffen aan te pakken. De nieuwe indicatieve normen geven waterbeheerders een eerste indruk of zij zich zorgen moeten maken over stoffen die zij in hun gebied vinden. Het RIVM heeft de voorgestelde normen vergeleken met meetgegevens uit 2017. Op basis hiervan zal bijna de helft van de stoffen naar verwachting de norm niet overschrijden. Voor de overige stoffen is dat niet zeker, omdat precieze gegevens ontbreken. Voor acequinocyl, azadirachtine-A, bifenazaat, pyrethrine, pyridalyl en tribenuron-methyl is een betere analysemethode nodig. Dit om de lage concentraties van de stoffen die bij de voorgestelde norm horen, te kunnen meten. Bij de indicatieve normen is rekening gehouden met de mate waarin mensen aan de stoffen worden blootgesteld als zij vis en visproducten eten. Dit is van belang voor stoffen die zich ophopen in vis of schadelijk kunnen zijn voor mensen. Toch bepalen in bijna alle gevallen de directe effecten op waterorganismen de hoogte van de indicatieve norm. Voor het insecticide spirotetramat is de afgeleide waarde onzeker, omdat voor deze stof de goede testen ontbreken. Indicatieve normen zijn gebaseerd op informatie uit een klein aantal databases. De bronnen van deze gegevens worden niet uitgebreid gecontroleerd. Daardoor heeft een indicatieve norm meer onzekerheden dan een gedegen norm, waarbij wel alle informatie wordt bekeken. Bij een overschrijding van een indicatieve norm kan zo'n uitgebreidere normbepaling nauwkeuriger aangeven of er een risico is.
  • Verkenning Economische Evaluaties Implantaten

    Suijkerbuijk, A; van Gils, PF; Alves, TI; Polder, JJ; de Wit, GA; Hoebert, JM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-19)
    Het kost vaak veel geld om nieuwe medische hulpmiddelen, zoals implantaten, te ontwikkelen. Ook zijn ze niet altijd kostenbesparend in het gebruik. Informatie over hoe de kosten zich verhouden tot de mate waarin ze de gezondheid en/of de kwaliteit van leven van patiënten verbeteren is daarom van belang. Deze informatie kan worden verkregen door middel van zogeheten kosteneffectiviteitstudies. Verzekeraars, artsen en instanties die beoordelen of een implantaat wordt vergoed, besteden echter weinig aandacht aan de kosteneffectiviteit van implantaten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM adviseert om bij de zorginkoop van implantaten informatie over kosteneffectiviteit mee te laten wegen. Ook bij andere afwegingen zou kosteneffectiviteit meer betrokken kunnen worden. Bijvoorbeeld bij de afweging of de zorgverzekering een product vergoedt. Verder kan transparanter worden welke factoren nu meewegen bij het besluit om implantaten te vergoeden. Om medicijnen vergoed te krijgen, moeten fabrikanten uitgebreide studies doen naar de kosteneffectiviteit. Bij implantaten is geen informatie over kosteneffectiviteit vereist. Daarnaast is vaak onduidelijk wat een (nieuw) implantaat precies kost. Voor dit onderzoek bekeek het RIVM in de wetenschappelijke literatuur de kosteneffectiviteit van drie implantaten: heupprothesen, de sterilisatiemethode Essure en bekkenbodemmatjes. De economische evaluaties in de wetenschappelijke literatuur zijn niet altijd compleet en kwalitatief niet goed. Bijwerkingen worden erin onderschat of komen niet aan bod. Als daar wel aandacht voor is, is dat vaak alleen voor de bijwerkingen op korte termijn. Hierdoor kan een te rooskleurig beeld ontstaan van de kosteneffectiviteit van het desbetreffende implantaat.
  • Beoordeling hergebruik van luier- en incontinentiemateriaal : Stappenplan en risicobeoordelingskader voor de mogelijke risico's van stoffen en pathogenen in producten

    Lijzen, JPA; van der Grinten, E; van Drongelen, AW; Moermond, CTA; Venhuis, B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-12)
    Elk jaar komen in Nederland meer dan 160 miljoen kilo gebruikte luiers voor baby's en incontinentiemateriaal voor volwassenen bij het afval terecht. Om de hoeveelheid luierafval te verminderen, kunnen materialen opnieuw worden gebruikt. Ook kunnen er nieuwe producten van worden gemaakt, zoals plastic flessen voor schoonmaakmiddelen. Het is belangrijk dat deze nieuwe producten en materialen veilig zijn voor mens en milieu. Om dat te beoordelen heeft het RIVM een stappenplan ontwikkeld. Hiermee kunnen degenen die deze materialen verwerken, de benodigde gegevens verzamelen om een risicobeoordeling te doen. In luiers en in incontinentiemateriaal komen ziekteverwekkers en medicijnresten terecht die mensen via hun urine en ontlasting uitscheiden. In het luiermateriaal zelf zitten plastics, cellulose en korrels die het vocht opnemen. Ook geeft het stappenplan vergunningverleners voor nieuwe producten en materialen handvatten om een risicobeoordeling uit te voeren. Naast de risicobeoordeling kunnen vergunningverleners en beleidsmakers naar andere voor- en nadelen kijken, zoals duurzaamheid. De producent blijft eindverantwoordelijk voor de veiligheid van zijn product. Twee afvalverwerkers hebben het stappenplan getest om het praktisch uitvoerbaar te maken. De eerste stap in de risicobeoordeling bestaat uit een algemene en relatief strenge inschatting van mogelijke risico's. Hoe veiliger het materiaal of afval is, hoe meer keuze er is om nieuwe materialen van de luiers te maken. Als het mogelijk niet veilig is, wordt in de volgende stap getoetst of de risico's van ziekteverwekkers of medicijnresten klein genoeg worden tijdens het verwerkingsproces. Ziekteverwekkers kunnen bijvoorbeeld door verhitting worden gedood. Als er daarna nog risico's zijn, wordt gekeken of ongewenste stoffen uit de gemaakte materialen vrijkomen. Als dat nog het geval is, is het misschien mogelijk om er specifieke producten van te maken waaruit de schadelijke stoffen niet kunnen vrijkomen.

View more