• Zout-, suiker- en verzadigd vetgehalten in voedingsmiddelen : RIVM Herformuleringsmonitor 2018

      ter Borg, S; Brants, H; de Klein, RJ; Toxopeus, I; Westenbrink, S; Milder, I (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-11)
      Het Nederlandse voedingsbeleid is erop gericht om het voor consumenten gemakkelijk te maken voor gezonde producten te kiezen. Dat gebeurt onder andere door producenten te stimuleren om de hoeveelheid zout, suiker en verzadigd vet in voedingsmiddelen te verlagen. Het RIVM brengt daarom elke twee jaar in kaart hoeveel zout, suiker en verzadigd vet in het aanbod van voedingsmiddelen in supermarkten zit. Voor een aantal productgroepen hebben producenten afspraken gemaakt over maximale gehalten. Het RIVM inventariseert ook hoeveel producten aan deze afspraken voldoen. Het percentage producten dat in 2018 op of onder de afgesproken maximum gehalten uitkwam, varieert. Voor zout is dat bij 85 procent van de vleeswaren het geval, bij 58 procent van de vleesconserven, bij 68 procent van de soepen en bouillons en bij 71 procent van de sauzen. Voor verzadigd vet zit 94 procent van de vleeswaren en 72 procent van de cakes die bereid zijn met margarine op of onder het gestelde maximum. De afspraken over de maximale gehalten vloeien voort uit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling dat het ministerie van VWS in 2014 heeft gesloten met de brancheorganisaties van voedingsmiddelenindustrie, supermarkten, horeca en catering om de samenstelling van voedingsmiddelen te verbeteren. De afspraken gelden voor een klein deel van het productaanbod. Door voor meer producten afspraken te maken en/of bestaande afspraken aan te scherpen, kan meer resultaat worden behaald. Om de productsamenstelling te volgen is in 2018 een nieuwe werkwijze ontwikkeld. Daardoor kan op basis van deze monitor niet worden gezegd of de gehalten door de jaren heen zijn gedaald en in welke mate. De nieuwe werkwijze maakt gebruik van productgegevens in de Levensmiddelendatabank. Dit is een database met productgegevens die door supermarkten en fabrikanten worden aangeleverd. Door de nieuwe werkwijze zijn gegevens over veel meer producten beschikbaar (ruim 50.000 producten) dan voorheen. Bij eerdere 'monitors' zijn onder andere metingen van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) gebruikt. Voor sommige productgroepen kan met gegevens van de Levensmiddelendatabank niet worden bepaald of producten aan het afgesproken maximum voldoen. Bijvoorbeeld omdat de afspraak gaat over toegevoegde suikers terwijl alleen informatie over het totale suikergehalte aanwezig is.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2017

      Lukács, S; Blokland, PW; Prins, H; Vrijhoef, A; Fraters, D; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-01)
      In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruiming wordt derogatie genoemd. Het RIVM en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2017 en de trend vanaf 2006. Op basis van deze resultaten concluderen we dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Bedrijfsvoering In 2017 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 245 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren wordt meer stikstof uit mest gebruikt voor de aanwas, en dus productie, van gewassen: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor sinds 2006 met 20 procent gedaald. Een dalend stikstofbodemoverschot houdt in dat stikstof efficiënter wordt gebruikt. Hierdoor kan er minder nitraat met regenwater wegzakken naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terechtkomen. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is daardoor sinds 2006 minder of evenveel nitraat in het grondwater terechtgekomen. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor gemiddelden per regio. Op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden, maar gemiddeld genomen voldoen steeds meer derogatiebedrijven de laatste jaren aan deze norm. De hoogste regio gemiddelde nitraatconcentraties zijn in 2017 aangetroffen in de Lössregio (38 milligram per liter) en in het zuidelijk en oostelijk deel van de Zand regio (31 milligram per liter). In deze regio's komen drogere gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan wegzakken naar het grondwater. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV).
    • Evaluation of health risks of playing sports on synthetic turf pitches with rubber granulate : Scientific background document

      de Groot GM; Oomen AG; Mennen MG; CPV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-23)
      Uit nieuw onderzoek van het RIVM blijkt dat het risico voor de gezondheid van sporten op kunstgrasvelden die zijn ingestrooid met rubbergranulaat, praktisch verwaarloosbaar is. Dat betekent dat het verantwoord is om op deze velden te sporten. Aanleiding voor het onderzoek is de maatschappelijke bezorgdheid die ontstond na de televisie-uitzending van Zembla 'Gevaarlijk spel' in oktober 2016. Het RIVM hoopt met de resultaten bij te dragen aan de beantwoording van de vragen van ministeries, gemeenten, sportclubs en ouders. Om te kunnen beoordelen in hoeverre sporten op granulaat een risico voor de gezondheid vormt, is het belangrijk om eerst te bepalen welke schadelijke stoffen in het granulaat zitten en in welke mate ze eruit kunnen vrijkomen. Vervolgens moet worden gekeken op welke manieren sporters in contact komen met deze stoffen en of dat gevolgen voor de gezondheid heeft. In rubbergranulaat zitten heel veel verschillende stoffen, zoals polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), metalen, weekmakers (ftalaten) en bisfenol A (BPA). De stoffen blijken in zeer lage hoeveelheden uit de korrels vrij te komen. Dat komt doordat de stoffen min of meer in het granulaat zijn 'opgesloten'. Hierdoor is het schadelijke effect op de gezondheid praktisch verwaarloosbaar. Wat heeft het RIVM onderzocht? Het RIVM heeft de stoffen onderzocht in rubbergranulaat van 100 sportvelden die representatief zijn voor de kunstgrasvelden in Nederland. Daarnaast zijn drie soorten laboratoriumproeven uitgevoerd om te onderzoeken welke stoffen uit de korrels vrijkomen als de sporter ermee in aanraking komt. Met deze zogeheten migratiestudies is uitgezocht in welke mate stoffen via de huid in het lichaam kunnen terechtkomen, via het spijsverteringskanaal of via de longen. Vervolgens is berekend in hoeverre mensen aan de vrijgekomen stoffen blootstaan en wat dat betekent voor de gezondheid. Verder is de beschikbare informatie in de wetenschappelijke literatuur bestudeerd over de stoffen in rubbergranulaat, de eigenschappen en de gezondheidseffecten ervan. Is er een verband met leukemie? In de beschikbare informatie zijn geen signalen aangetroffen die duiden op een verband tussen sporten op kunstgras met rubbergranulaat en het ontstaan van leukemie en lymfeklierkanker. Dit verband is in geen enkel internationaal onderzoek aangetoond. Bovendien blijkt uit de samenstelling van de rubberkorrels dat de chemische stoffen die leukemie of lymfeklierkanker kunnen veroorzaken er niet (benzeen, styreen en 1,3-butadieen) of in heel lage hoeveelheid (2- mercaptobenzothiazol) in zitten. Sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw is er in het algemeen een lichte stijging te zien in het aantal mensen tussen 10 en 29 jaar dat leukemie krijgt. Deze ontwikkeling is niet veranderd sinds de kunstgrasvelden in 2001 in Nederland in gebruik zijn genomen. Onderzoek in Amerika laat ook geen verhoging zien in het aantal nieuwe gevallen van lymfeklierkanker in gebieden waar relatief veel kunstgrasvelden liggen die zijn ingestrooid met rubbergranulaat. Begin 2017 komt informatie uit nieuw Amerikaans onderzoek beschikbaar. Omdat rubbergranulaat in de Verenigde Staten langer (sinds 1997) op voetbalvelden wordt gebruikt, kan over een langere periode worden geanalyseerd of er een verband is tussen sporten op kunstgras en het krijgen van leukemie. Het RIVM heeft contact met de onderzoekers en volgt dit onderzoek op de voet. Rubbergranulaat in het milieu De focus in dit onderzoek ligt op mogelijke gezondheidsrisico's voor mensen die sporten op velden met ingestrooid rubbergranulaat. Het onderzoek bevestigt eerdere inzichten dat het rubbergranulaat metalen bevat die in de omgeving terecht kunnen komen. Er blijkt vooral zink uit het rubbergranulaat vrij te komen. Dit metaal is niet schadelijk voor de mens, maar kan wel gevolgen hebben voor organismen in de bodem en het oppervlaktewater. Voldoet het rubbergranulaat aan de norm? Rubbergranulaat moet voldoen aan de norm voor zogenoemde mengsels. Deze norm schrijft voor hoeveel er maximaal van bepaalde stoffen in mag zitten (er bestaat geen norm voor wat eruit mag komen). Het gaat daarbij om stoffen die kankerverwekkend zijn (zoals PAK's), schadelijk zijn voor het nageslacht of het DNA beschadigen. De hoeveelheid PAK's in het rubbergranulaat voldoet ruim aan deze norm. De norm voor consumentenproducten is aanzienlijk strenger: deze staat veel lagere (100 tot 1000 maal minder) gehalten aan PAK's toe dan de mengselnorm. Het gehalte PAK's ligt iets boven de norm voor consumentenproducten. Momenteel doet het Europese Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA) onderzoek om te bezien welke norm voor rubbergranulaat wenselijk is. Het RIVM adviseert om de norm voor rubbergranulaat bij te stellen naar een norm die dichter in de buurt ligt van de norm voor consumentenproducten. Waarom wordt rubbergranulaat gebruikt voor voetbalvelden? Rubbergranulaat is fijngemalen rubber en wordt meestal gemaakt van oude autobanden. Als instrooimateriaal op kunstgrasvelden zorgt het ervoor dat het veld vergelijkbare eigenschappen krijgt als een gewoon grasveld. Dat betekent dat de bal niet te snel rolt, niet te hoog stuitert en het kunstgras beter geschikt is om slidings te maken dan zonder granulaat. Kunstgrasvelden kunnen het hele jaar door intensief gebruikt worden en vergen minder onderhoud. Tegenwoordig wordt veel geïnvesteerd om oude producten te hergebruiken als grondstof voor nieuwe producten. Dat geldt ook voor autobanden. De vragen over de veiligheid van rubbergranulaat maken duidelijk dat er een spanningsveld kan bestaan tussen het hergebruik van materialen en de zorgen om de gezondheidsrisico's van nieuwe producten.
    • Health aspects of the Dutch diet : Background report to 'What is on our plate? Safe, healthy and sustainable diets in the Netherlands

      Boer JMA; Buurma-Rethans EJM; Broek I van den; van Kranen HJ; Milder IEJ; Ocke MC; Verkaik-Kloosterman J; van Raaij J; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      De gezondheid van de Nederlandse bevolking kan aanzienlijk verbeteren als mensen gezonder eten. Als iedereen voldoende groente, fruit, vis, en niet te veel verzadigde vetzuren eet, kan de gemiddelde levensverwachting met ongeveer een half jaar toenemen. Als iedereen een gezond gewicht zou hebben, zou eenzelfde gezondheidswinst te behalen zijn. Nederlanders eten echter niet optimaal en slechts een klein deel van de bevolking eet volgens de Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad uit 2015. Zo haalt ongeveer 10 procent van de 19-50 jarigen de richtlijn om 200 gram groente per dag te eten en ongeveer 8 procent de richtlijn van 200 gram fruit. Ook heeft 54 procent van de mannen en 46 procent van de vrouwen overgewicht. Dit percentage was 10 jaar geleden lager. Een gezond voedingspatroon vermindert het risico op overgewicht en chronische ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en sommige soorten kanker. Met verschillende initiatieven worden Nederlanders gestimuleerd om gezonder te eten. De focus daarvan is dat het consumenten gemakkelijker wordt gemaakt om voor gezonde producten te kiezen. Zo heeft de levensmiddelenindustrie diverse programma's uitgevoerd om de samenstelling van hun producten te verbeteren. Ook hebben programma's en richtlijnen ervoor gezorgd dat het aanbod van voedsel in school, sport- en bedrijfskantines is verbeterd, alleen is dat nog niet overal het geval. Een ander voorbeeld is de ruim honderd zogeheten JOGG-gemeenten (Jongeren Op Gezond Gewicht). Hierin werken gemeenten samen met verschillende partners (scholen, winkels, enzovoort) om kinderen te laten opgroeien in een omgeving waarin 'de gezonde keuze' de normaalste zaak van de wereld is. Daarnaast geeft het Voedingscentrum consumenten wetenschappelijk onderbouwde en onafhankelijke informatie over gezonde voeding, bijvoorbeeld via de Schijf van Vijf. Ook bieden zij hulpmiddelen voor persoonlijk voedingsadvies, zoals de eetmeter. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt er op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven
    • Milieuafwegingen in de geneesmiddelvoorziening

      Broek I van den; Maaden T van der; Vlaardingen PLA van; Venhuis BJ; Moermond CTA; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-14)
      Het RIVM zoekt naar mogelijkheden om het milieu minder te belasten met resten van geneesmiddelen. Daarom zijn gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van professionals uit de medicijnketen, zowel beleidsmakers, fabrikanten, beoordelaars, zorgverleners, apothekers als waterzuiveraars. De focus lag hierbij op mogelijkheden om geneesmiddelen te vervangen door behandelingen die het milieu minder belasten. In de praktijk zijn er nog geen combinaties gevonden die hiervoor in aanmerking komen. Alle geïnterviewden tonen zich bereid na te denken over het vervangen van behandelingen maar benadrukken dat het belang van de patiënt bovenaan staat. De behandeling van de patiënt mag er niet op achteruit gaan, wat betekent dat het vervangende middel minstens even effectief en veilig moet zijn. In de praktijk blijkt dat voor veel geneesmiddelen nog niet mogelijk. Bovendien moet de milieuwinst van het vervangende middel zijn onderbouwd. Voor veel geneesmiddelen ontbreken echter goede gegevens over de effecten op het milieu. Er is behoefte aan een afwegingskader om effectiviteit, veiligheid en milieueffecten van geneesmiddelen met elkaar te kunnen vergelijken. Het belang dat de geïnterviewden aan milieu in relatie tot de gezondheidszorg hechten, varieert tussen de professionals. Om dit belang op de kaart te zetten is het cruciaal dat professionals uit de gehele medicijnketen zich er bewust van worden. Kennisuitwisseling kan een belangrijk middel zijn om de bewustwording te vergroten, binnen de medicijnketen maar ook in de samenleving. Restanten van geneesmiddelen komen na gebruik in oppervlaktewater terecht via de riolering, onder andere omdat rioolwaterzuiveringsinstallaties niet alles kunnen verwijderen. Deze restanten kunnen schadelijke effecten hebben op organismen in het watermilieu, zoals gedragsverandering, weefselschade en effecten op de voortplanting. De kwaliteit van het drinkwater is niet in het geding maar kan in de toekomst wel onder druk komen te staan. Dit onderzoek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) uitgevoerd en is onderdeel van de ketenaanpak 'Medicijnresten uit Water'.
    • Effecten van het landelijk mestbeleid op de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden

      Claessens J; van der Aa NGFM; Groenendijk P; Renaud L; LGW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-31)
      Het 5de Nitraatactieprogramma (2014-2017) is er onder andere op gericht om de kwaliteit van het grondwater wat nitraat betreft te verbeteren. De bestaande norm voor deze stof (50 milligram per liter) wordt niet gehaald in sommige gebieden waar grondwater voor de drinkwaterbereiding wordt gewonnen, de zogeheten grondwaterbeschermingsgebieden. Dat komt doordat nitraat sneller wegspoelt naar het grondwater als deze gebieden droge zandgronden hebben en gewassen die na de oogst in verhouding veel stikstof achterlaten in de bodem. Het RIVM en Alterra hebben daarom berekend hoe groot het effect is van het landelijke mestbeleid op de kwaliteit van het bovenste grondwater in deze gebieden, voor de periode 2010-2014 en in de toekomst (2026-2030). Deze informatie wordt gebruikt bij de voorbereidingen op het 6de Nitraatactieprogramma. Uit de berekeningen blijkt dat de norm (50 mg/l) tussen 2010-2014 in een kwart van de onderzochte grondwaterbeschermingsgebieden wordt overschreden. Door het huidige mestbeleid wordt de situatie in de toekomst beter en daalt dit aantal tussen 2026 en 2030 naar 7 procent. In een kwart van de andere grondwaterbeschermingsgebieden voldoet de nitraatconcentratie net aan de norm in de periode tussen 2010 en 2014. Naar de toekomst blijft deze situatie hetzelfde. Het aantal winningen met een nitraatconcentratie lager dan 25 mg/l is 18 %. Dit is de streefwaarde voor nitraat, die de drinkwaterbedrijven in hun interne bedrijfsvoering hanteren. Naar de toekomst toe stijgt dit aantal naar 24 %. Daarnaast geeft het onderzoek specifiek inzicht in de situatie bij grondwaterbeschermingsgebieden waarvan problemen in de ondergrond op de diepte van de winputten bekend zijn. Vanwege onzekerheden in de berekeningen zijn deze resultaten slechts een indicatie van de omvang van de problematiek in de grondwaterbeschermingsgebieden. De informatie in het huidige onderzoek helpt bij het onderbouwen en nemen van maatregelen, hetzij landelijk hetzij lokaal, om te komen tot een duurzame drinkwaterwinning. Vanwege de lokale verschillen is het van belang een toekomstverwachting altijd specifiek per winning te onderzoeken. Ook is het zaak hierbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij lopende trajecten, zoals de Europese Kaderrichtlijn Water en de nationale Delta-aanpak Waterkwaliteit.
    • Actualisering van de trendmodellering van gemeten nitraatconcentraties bij landbouwbedrijven : Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid

      Boumans L; Fraters D; LGW; MIL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-12-15)
      Voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is het van belang om te weten welke effecten veranderingen in de bedrijfsvoering van landbouwbedrijven hebben op de hoeveelheid nitraat in de bovenste grondwaterlaag onder het bedrijf. Het RIVM heeft het model dat wordt gebruikt om effecten van deze veranderingen op de nitraatconcentratie te kunnen bepalen geactualiseerd. Daardoor zijn de uitkomsten betrouwbaarder. De concentraties nitraat in het bovenste grondwater worden niet alleen door de bedrijfsvoering beïnvloed, maar ook door de hoeveelheid neerslag en wijzigingen in de groep landbouwbedrijven die aan het LMM deelneemt. Hierdoor is de invloed van de bedrijfsvoering op de gemeten concentraties lastig te herleiden. Met het vernieuwde model is het mogelijk om deze twee invloeden eruit te filteren. De daarmee verkregen waarden worden de gestandaardiseerde nitraatconcentraties genoemd, die beter de gevolgen van veranderingen in de bedrijfsvoering weergeven. De belangrijkste vernieuwing in het model is dat beter rekening wordt gehouden met het effect van de hoeveelheid neerslag op de concentratie nitraat in het bovenste grondwater. Bij hoge concentraties nitraat heeft neerslag veel invloed op de uiteindelijke concentratie nitraat in het grondwater. Bij lagere concentraties is die invloed veel minder groot. Met de modelwijziging zijn vooral de gestandaardiseerde nitraatconcentraties in de eerste tien jaar van het LMM (1992-2002) verbeterd. Daardoor zijn in die periode minder sterke schommelingen in de gestandaardiseerde nitraatconcentraties te zien.
    • Intake assessment of the food additives nitrite (E 249 and E 250) and nitrate (E 251 and E 252)

      Sprong RC; Niekerk EM; Beukers MH; VVH; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-05-15)
      Nitrate and nitrite are authorised as preservatives in certain food products, such as salami, ham (nitrite) and cheese (nitrate). They prevent food spoilage and protect the consumer against food-borne pathogens. Next to that, nitrate and nitrite play a role in food colour retention and contribute to flavour formation of the food. RIVM estimated that the nitrate intake of the population aged 2 to 79 years does not exceed the acceptable daily intake (ADI). The intake of nitrite, however, exceeded the ADI. Because of the conservative assumptions, the real intake will probably much lower. Refinement is needed to obtain a more realistic intake assessment. RIVM calculated the intake of nitrite and nitrate using the maximum permitted levels as laid down in the European Regulation on food additives. These levels are mostly expressed as maximum ingoing amounts. The actual concentration in food as consumed differs from the ingoing amounts because of chemical processes during processing and storage of foods. The nitrite concentration decreases, but derivatives, such as nitrosamines, may be generated. Analytical values of nitrite in meat products are desired to refine the intake assessment of nitrite. Some other European countries used analytical values of nitrite for their intake assessments. These studies showed lower nitrite intake estimates that remained below the ADI. Chronic intake of high levels of nitrate, nitrite or their derivatives (such as nitrosamines) may have negative effects on health. Nitrate may hamper growth of young children and nitrite may have a negative effect on heart and lung functioning. Some nitrosamines (but not all) may induce cancer. RIVM did not perform an intake assessment of nitrosamines, because recent analytical data of these substances in food were not available. Analytical values of nitrosamines in food products are also desired to assess whether problems could be expected by current food additive use of nitrate and nitrite. The study was performed on the initiative of the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sport (VWS). The research described in this report is part of the programme on the development of an efficient system for monitoring intake of food additives (conform article 27 of EU Regulation 1333/2008).
    • Dietary exposure to lead in the Netherlands

      Boon PE; te Biesebeek JD; van Donkersgoed G; VVH; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-05-15)
      Uptake from the soil is the main route by which lead ends up in food. Lead in soil has its origin in both natural and anthropogenic sources. The lead concentration in food has decreased over the last decennia by the use of unleaded petrol and paint, and the replacement of lead water pipes. RIVM has assessed the intake of lead via food in the Netherlands. The calculated intakes showed that detrimental health effects cannot be excluded in a part of children up to age seven, pregnant women and adults. The number of persons actually at risk cannot be quantified. The food groups cereals, milk, fruit, non-alcoholic beverages (including tea and fruit juices) and vegetables contributed most to the total lead intake (about 70 percent). The intake of too much lead may have a negative effect on brain development (quantified as the loss of one IQ point) in children up to age seven, as well as in the developing foetus via lead ingestion of the mother. In adults, the negative effects of a high lead intake are on the kidney. Too much lead can also result in negative effects on blood pressure, but that risk is very low at all calculated intakes via food. The intake calculations were performed with the most recent information on lead concentrations in food combined with food consumption data from Dutch food consumption surveys, and calculated with a calculation model with which currently the best intake estimations can be obtained. Data on lead concentrations in some food products were limited. Therefore, concentration data from other European countries were also used. Additionally, lead concentrations in certain food products, including milk (products) and bread, were so low that they were difficult to quantify. The European Food Safety Authority (EFSA) has evaluated at which intake level of lead no detrimental health effects occur. This evaluation was used to determine if the lead intake results in possible health risks.
    • Advisering over generieke gegevens-verzameling : Ten behoeve van het Digitaal Stelsel Omgevingswet

      Baumann B; Spijker J; Loeff P; LGW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-05)
      De overheid wil met de Omgevingswet de regels voor activiteiten in de leefomgeving vereenvoudigen en samenvoegen. Het RIVM ondersteunt overheden bij de invoering van deze nieuwe wet en het bijbehorende centrale informatiesysteem, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Binnen het DSO brengen overheden informatie die nodig is voor vergunningverlening en ruimtelijke planvorming samen in zogenoemde informatiehuizen (lucht, water, geluid, natuur, externe veiligheid, ruimte, bouw, cultureel erfgoed, bodem en afval). In opdracht van I&M heeft het RIVM verkend in welke mate data voor meerdere huizen kunnen worden gebruikt. Er is gekeken naar verkeersgegevens, populatiegegevens, ruimtelijke gegevens en scenario's. Het blijkt dat met name de data over verkeer voor de informatiehuizen Lucht en Geluid kunnen worden gebruikt. In beide informatiehuizen worden bijvoorbeeld gegevens over aantallen auto's gebruikt om inzicht te krijgen in effecten. De meeste winst valt te behalen als er voor Verkeer een algemeen systeem wordt opgezet waar ook de andere informatiehuizen gebruik van kunnen maken. Zo'n generiek systeem is ook wenselijk om meer samenhang en eenheid te brengen in de veelheid aan gegevens die gebruikt worden voor verkeer. Voor ruimtelijke gegevens en voor populatiegegevens concludeert het RIVM dat met de introductie van onder andere basisregistraties al voldoende gezamenlijkheid is gerealiseerd. Ten aanzien van scenario's wordt geconcludeerd dat verbetering van de samenhang niet zozeer een kwestie van stroomlijning van data is, maar meer van beleidsmatige keuzes. Aanbevolen wordt om een regisseur te benoemen die ervoor zorgt dat verkeersgegevens en modellen worden geharmoniseerd en geschikt worden gemaakt voor het DSO.
    • How safe is our food? : Background report to 'What is on our plate? Safe, healthy and sustainable diets in the Netherlands'

      Mengelers M; de Wit L; Boon PE; Franz E; Bouwknegt M; de Jonge R; Bulder A; Havelaar A; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      Over het algemeen is voedsel in Nederland veilig. De veiligheid kan echter worden bedreigd door microbiologische besmetting en schadelijke chemische stoffen. Het RIVM heeft de huidige stand van zaken beschreven over de voedselveiligheid in Nederland en de maatregelen die nodig zijn om het hoge niveau te handhaven. Voedselinfecties zijn niet volledig te vermijden. Dat komt doordat levensmiddelen op diverse momenten in de productieketen, van grondstof tot en met bereiding, besmet kunnen raken met ziekteverwekkers. Voedselinfecties worden meestal veroorzaakt door bacteriën (zoals Salmonella en Campylobacter), virussen (zoals het norovirus) en parasieten (zoals Toxoplasma). Deze ziekteverwekkers kunnen worden gevonden in rauwe (of niet goed verhitte) dierlijke en plantaardige producten. Maar ook mensen die betrokken zijn bij de productie van ons voedsel kunnen door onvoldoende hygiëne een besmetting veroorzaken. Jaarlijks worden ongeveer 700.000 mensen ziek door een voedselinfectie; dit is gelijk aan 1 op de 24 personen. De belangrijkste veroorzakers zijn het norovirus (dat vooral op vis en schelpdieren wordt gevonden), Campylobacter (op kip) en Salmonella (in ei). De meeste infecties beperken zich tot relatief milde, kortdurende maag- darmklachten. Ze kunnen soms ook chronische gezondheidsklachten veroorzaken, zoals gewrichtsontsteking en het prikkelbare darm syndroom. De blootstelling van de consument aan chemische stoffen die de overheid voor het voedselproductieproces toestaat, zoals additieven ('E- nummers') en gewasbeschermingsmiddelen, is zo laag dat er geen risico voor de volksgezondheid is. Voor sommige stoffen die als verontreiniging in ons voedsel voorkomen (vanuit het milieu, door verwerking of bereiding) geldt dat de inname van een deel van de consumenten hoger is dan wat als veilig wordt geadviseerd. Het gaat hier voor kinderen en volwassenen om drie schimmelgifstoffen (mycotoxinen) en acrylamide, en voor 2-6 jarigen ook om de zware metalen cadmium en lood. Het gaat hierbij niet om de gemiddelde inname, maar om volwassenen en kinderen met een hoge inname. Als de blootstelling aan deze stoffen langdurig te hoog is kunnen ze schadelijk zijn voor de gezondheid. Producenten van voedingsmiddelen zijn via diverse nationale en Europese wetten verplicht preventieve maatregelen te nemen om te voorkomen of te beperken dat ziekteverwekkers of chemische stoffen in hun producten zitten. Voor ziekteverwekkers in grondstoffen en eindproducten zijn criteria opgesteld. Voor chemische stoffen gelden productnormen. Op de naleving van deze criteria en productnormen wordt in Nederland door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) toegezien. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
    • Environmental radioactivity in the Netherlands : Results in 2015

      Broek I van den; M&M; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-10-27)
      In 2015 the Netherlands fulfilled the European obligation to annually measure radioactivity in the environment and in food. All Member States of the European Union are required to perform these measurements each year under the terms of the Euratom Treaty of 1957. The Netherlands complied with the recommendations, as established in 2000, to perform these measurements in a uniform manner. On behalf of the competent authorities in the Netherlands, the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) reports to the European Commission on radioactivity in the environment. The measurements represent the background values for radioactivity that are present under normal circumstances. They can be used as reference values, for instance, during a nuclear emergency. Radioactivity in air, food, milk, grass and feed Radioactivity levels in the air were normal, i.e. within the range of previous years. Radioactivity levels in food and milk were well below the export and consumption limits set by European legislation. Radioactivity levels in grass and feed were normal. Radioactivity in surface water, seawater and drinking water Radioactivity levels in surface water and seawater were within the range of previous years. Radioactivity levels in untreated water for drinking water production were well below the screening levels above which further investigation should be carried out, with the exception of 19 samples of untreated water (5% of the total number), which were slightly elevated. These measured radioactivity levels do not pose a threat to public health. Additional investigation into these slightly elevated levels revealed that the radioactivity levels in associated finished drinking water were well below the screening levels. In 2015, a survey was carried out to determine radon levels in Dutch drinking water. The radon levels in Dutch drinking water are at a constant and low level.
    • Drijvende krachten van de voedselconsumptie en het voedselaanbod : Achtergrondrapport bij 'Wat ligt er op ons bord? Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland.'

      Zantinge EM; van Bakel AM; van Loon AJM; Ocke MC; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      Dit rapport is het resultaat van een literatuuronderzoek naar drijvende krachten, ofwel maatschappelijke ontwikkelingen en trends, die invloed hebben op de voedselconsumptie en het voedselaanbod. De meeste krachten spelen zowel in Nederland als mondiaal een rol. De drijvende krachten kunnen ingedeeld worden over demografische, economische, sociaal-culturele, technologische, ecologische en politieke factoren (DESTEP). De drijvende krachten vormen belangrijke input voor het interpreteren van de veranderingen in de Nederlandse voedselconsumptie en het verkennen van de toekomstige voedselconsumptie. De belangrijkste drijvende krachten zijn de groei van de wereldbevolking, klimaatverandering, globalisering, stijgende welvaart, stijgende voedselprijzen en technologische innovaties. - De groei van de wereldbevolking leidt wereldwijd tot een grotere vraag naar voedsel. Dit kan leiden tot de uitputting van de hulpbronnen, vooral in ontwikkelingslanden, waardoor de voedselproductie in gevaar komt. - De verandering van het klimaat bepaalt waar en wanneer ons voedsel verbouwd kan worden. De gevolgen van de klimaatverandering zijn ook merkbaar in Nederland, maar in overige delen van de wereld zal het nog meer effect hebben. Klimaatverandering heeft ook effect op migratie. Door migratie zal de competitie voor voedsel en water toenemen. - Door globalisering is het aanbod sterk uitgebreid. Door fusies en machtsconcentraties wordt het aanbod steeds meer bepaald door een steeds kleinere groep internationale bedrijven. - Door de stijgende welvaart mondiaal neemt de vraag naar vlees en zuivel in hoog tempo toe. De consumptie van dierlijk eiwit (vooral vlees) leidt tot meer uitputting van de aarde dan de consumptie van plantaardig eiwit. - De verwachting is dat de voedselprijzen in de toekomst zullen stijgen. De welvaart in een land bepaalt hoeveel mensen bereid zijn te betalen voor voedsel. Binnen Nederland zullen er groepen zijn die moeite hebben om deze hogere prijzen te kunnen blijven betalen. Dit is bepalend voor hun voedingspatroon.- Bij technologische innovaties gaat het bijvoorbeeld om nieuwe voedingsbronnen (zoals algen of insecten), bestrijdingsmiddelen, wijzen van transport, toevoegingen en bereidingswijzen. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt er op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
    • Food consumption in the Netherlands and its determinants : Background report to 'What is on our plate? Safe, healthy and sustainable diets in the Netherlands.'

      Geurts M; van Bakel AM; van Rossum CTM; de Boer E; Ocke MC; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      Het Nederlandse voedingspatroon en de determinanten daarvan Dagelijks eet een gemiddelde Nederlander 1 kilo en drinkt hij of zij 2 liter, verdeeld over ontbijt, lunch en diner, en 4 tussendoormomenten. Per persoon consumeren we gemiddeld zo'n 350 gram zuivel, 100 gram vlees(producten), 125 gram groente en 125 gram fruit en noten per dag. Vanaf de jaren 50 tot de jaren negentig is de vleesconsumptie toegenomen. Sinds de jaren negentig is de vleesconsumptie licht gedaald, maar nog steeds hoger dan in de jaren vijftig. Nu is ruim een kwart van het eten en 10% van het drinken van dierlijke oorsprong. Het RIVM heeft de voedselconsumptie, en factoren die de voedselconsumptie beïnvloeden in kaart gebracht. In de laatste decennia, is het aantal verschillende voedingsmiddelen toegenomen, komen voedingsmiddelen uit de hele wereld, eten we meer bewerkt voedsel en minder basisvoedingsmiddelen. We kopen voedingsmiddelen vaker in supermarkten en besteden minder tijd aan voedselbereiding. Er zijn kleine maar groeiende groepen consumenten die bewust kiezen om gezond of duurzaam te eten. Consumenten maken de meeste voedselkeuzes gebaseerd op routine en gewoonte. Kennis en motivatie spelen een relatief kleine rol bij voedselkeuze. Bij de motivatie om veilig, gezond en duurzaam te eten, gaat de consument bovendien uit van de eigen perceptie, die niet altijd overeen komt met de wetenschappelijke consensus. Naast gewoonten, kennis en motivatie, spelen de sociale en fysieke omgeving een rol. Het alom en altijd aanwezige voedselaanbod in de directe omgeving is sterk bepalend voor de voedselkeuze. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
    • REACHing out to the bio-based economy : Perspectives and challenges of EU chemicals legislation

      Luit RJ; Waaijers-van der Loop SL; Heugens EHW; ICH; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-08-22)
      The Dutch National Institute for Public Health and the Environment (hereafter: RIVM) recently investigated how the bio-based economy, more specifically the bio-based chemistry sector, relates to the EU REACH Regulation on chemicals. From this investigation, RIVM learnt that REACH may actually be an opportunity rather than the administrative hurdle that it is often perceived to be. To conduct their analysis, RIVM provided an overview of the daily practice issues encountered by bio-based companies with respect to their roles and obligations under REACH. The analysis was performed on the bio-based economy-related queries received by the Dutch REACH helpdesk between 2013 and 2015. The issues were grouped and discussed under the REACH process categories that they pertain to, namely: registration, authorisation and restriction. The majority of questions submitted focussed on registration and exemption opportunities. It is well known that smaller companies, in particular, perceive REACH as a hurdle and often do not have enough knowledge about the consequences that this legislation can have on their own business situation. For aspects like the scope and applicability of REACH exemptions, what is most important is that better clarifications are provided which give companies insight into their duties and show what possibilities there are for them to use exemption clauses. The more complex issues, such as those concerning substance identity and resource recovery from waste, require attention from policy makers. Details about the borderlines between waste, which is covered by specific legislation, and the substances and products which fall under the remit of REACH, need to be more clearly elaborated. From a legal and safety perspective it is useful, and understandable, that 'a chemical is a chemical' under the REACH regulation, irrespective of the source feedstock. However, from a practical point of view, it is noted that some registration exemptions may be specifically applicable to bio-based manufacturers. This means that if certain conditions are met, the REACH registration obligations will be less of a burden to some of the bio-based manufacturers. REACH also offers all bio-based manufacturers the opportunity to develop safe bio-based alternatives to substances which are currently of very high concern.
    • Waste handling and REACH : Recycling of materials containing SVHCs: daily practice challenges

      Janssen MPM; van Broekhuizen FA; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-09-14)
      To achieve a circular economy it is essential to recycle substances, materials and products created by that economy. Recycling, however, becomes more difficult when said materials and products contain substances that are so hazardous that their use is restricted. This is the case with any substance that is identified under the REACH Regulation as a 'substance of very high concern' (SVHC). Products containing SVHCs can only be used when their use is specifically authorised. Producers are concerned that their recycling practices and the use of recycled waste will become more difficult if the waste contains SVHCs. This was the conclusion drawn from a series of interviews with producers and sector organisations about bottlenecks, and possible solutions, conducted by RIVM. One challenge facing parties involved in the responsible reuse of waste is the current uncertainty surrounding the boundaries of the Waste Framework Directive and those of REACH: when does waste become a substance, a mixture or an article? Under REACH, permission for the safe use must be obtained; this requires significant information to be provided on the composition of the material, information that is often not available in great detail. There is still a lot of uncertainty about the SVHCs present in waste streams, potential future SVHCs and exactly when permission for safe use should be applied for. The companies interviewed also stressed how essential it was to separate waste which contains SVHCs from SVHC-free waste streams in an early phase of the waste recycling process, a practice which also requires detailed knowledge of the SVHCs present in waste. The companies indicate that regulatory or financial incentives may be needed to stimulate the implementation of separation processes that are less economically feasible. Finally, it's very important to develop applications in which recycled material containing SVHCs can be used safely. One example hereof is the three-layered sandwich PVC tube which has a middle layer containing SVHCs but two outer layers made from SVHC-free material which protects humans and the environment from any risk of exposure.
    • Gezonde leefomgeving, gezonde mensen

      Staatsen BAM; van Alphen Th; Houweling DA; Broek I van den; Kruize H; IRV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-13)
      In opdracht van de minister van Infrastructuur en Milieu (IenM) worden de Nationale Omgevingsagenda (NOA) en Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ontwikkeld. Deze instrumenten zijn nodig om de Omgevingswet te kunnen invoeren en beschrijven de kaders en gewenste ontwikkelingen voor een gezonde en duurzame leefomgeving. Het RIVM heeft hieraan bijgedragen door de relatie tussen de leefomgeving en gezondheid uiteen te zetten. Het is bekend dat de wijze waarop de leefomgeving is ingericht mensen kan aansporen tot gezond gedrag. Om daadwerkelijk een gezonde leefomgeving te realiseren is het van belang dat de betrokken stakeholders met elkaar samenwerken. Behalve een integrale aanpak is het van belang dat plannen aansluiten bij de wensen van gebruikers. Daarvoor is het nodig om burgers actief bij plannen en de totstandkoming te betrekken. Er liggen nog veel mogelijkheden om een gezonde leefomgeving te bevorderen. Belangrijk is dat de overheid blijft investeren in het verbeteren van de milieukwaliteit (gezondheidspreventie). Daarnaast moet beleid gericht zijn op een fysieke en sociale omgeving die gezond gedrag bevordert. Bijvoorbeeld een omgeving die ouderen stimuleert om naar buiten te gaan, te bewegen en anderen te ontmoeten.
    • Actualisatie kaarten afwegingskader leefomgevingskwaliteit in de Schipholregio

      Kruize H; Leidelmeijer K; Houthuijs DJM; Swart WJR; IRV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-05-31)
      In 2011 hebben het RIVM en adviesbureau RIGO Research en Advies een zogeheten afwegingskader voor de leefomgevingskwaliteit ontwikkeld voor de regio nabij Schiphol. Daarin zijn gegevens over de leefbaarheid en gezondheidsrisico's van het milieu (luchtkwaliteit en geluid) opgenomen. De leefbaarheidsgegevens zijn gebaseerd op de Leefbaarometer, die ontwikkeld is door RIGO. Het RIVM heeft voor het afwegingskader gegevens aangeleverd over de gezondheidsrisico's van het milieu rond Schiphol. De Stichting Leefomgeving Schiphol gebruikt de gegevens om zo objectief mogelijk te kiezen welke gemeentelijke projecten voor financiering in aanmerking komen om de leefbaarheid in de regio Schiphol te verbeteren. De gegevens zijn nu geactualiseerd in verband met de tweede ronde in die keuze (Tweede Tranche Leefbaarheid).
    • Samenhang tussen therapietrouw en kosteneffectiviteit voor geneesmiddelen in Nederland. Een casestudie naar statines en bloeddrukverlagers

      Over EAB; van Gils PF; de Wit GA; Feenstra TL; Hoebert JM; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-03)
      Als patiënten geneesmiddelen volgens voorschrift innemen, levert dat veel gezondheidswinst op tegen relatief lage kosten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de samenhang tussen therapietrouw en kosteneffectiviteit van twee groepen geneesmiddelen. De studie onderstreept daarmee het belang om de effecten van therapietrouw mee te nemen in kosteneffectiviteitsberekeningen van geneesmiddelen. Overigens kan dat alleen worden gedaan als gegevens over therapietrouw beschikbaar zijn. Voor dit onderzoek zijn casestudies uitgevoerd naar cholesterol- en bloeddrukverlagers. Van deze geneesmiddelen is bekend dat patiënten er vaak voortijdig mee stoppen of ze niet volgens voorschrift innemen (bijvoorbeeld een verkeerde dosering gebruiken). Voor het basispakket van de ziektekostenverzekering wordt bepaald welke middelen wel of niet worden vergoed. Een van de criteria hiervoor is kosteneffectiviteit: de verschillen tussen (ten minste) twee geneesmiddelen (of situaties) wat betreft de kosten en de effecten. Bij goede berekeningen van de kosteneffectiviteit wordt de gebruiker betrokken. Zo wordt geschat hoeveel mensen voortijdig zullen stoppen met de behandeling en het effect van onjuist gebruik en de invloed hiervan op de kosten.
    • Fate of plant protection products in soilless cultivations after drip irrigation: measured vs. modelled concentrations : Interpretation of the 2014 experiment with the Substance Emission Model

      Broek I van den; Hoogsteen MJJ; Boesten JJTA; Broek I van den; Wipfler EL; MIL; LGW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-08-10)
      The Greenhouse Emission Model has recently been adopted as a model package for assessing emissions to and concentrations in groundwater and surface water after use of plant protection products in greenhouse crops. Stakeholders advised that the model be tested against experimental data. In October 2014, facilities of WUR Plant Research were used to perform a pilot experiment in which cucumber plants on stone wool substrate were treated with three plant protection products, using a drip irrigation method. Concentrations of the active substances were measured in both the water flowing to and draining from the substrate. GEM was tailored to the experimental conditions and used to predict concentrations in parts of the experimental system. Measured and simulated concentrations of imidacloprid and fluopyram were comparable from approximately 36 hours after the start of the experiment onwards. Prior to this, concentrations in the inflowing water were underestimated and concentrations in the drain water were overestimated, probably because of incomplete mixing. For dimethomorph, agreement between the measured and calculated concentrations was reached after approximately 80 hours. This more lengthy period may be due to exceeding the solubility of the substance, causing precipitation or settling on the tube walls, and redissolving later on; the model does not account for these processes. Degradation of all three substances was found to be negligible over the duration of the experiment. Plant uptake was the major dissipation process. Experimental results show that uptake of substances was lower than uptake of water, thereby supporting the transpiration stream concentration approach proposed by Briggs et al. (1982); this approach is often applied however experimental evidence is scarce. Transpiration stream concentration factors far below one were found to fit experimental results best.