• Verkenning e-healthmonitor: de digitale transitie in de zorg in beeld

      Schnoor, K; Wouters, MJM; Ossendorp, BC; Hoogerhuis, PM; Suijkerbuijk, AWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-19)
      Moderne technologie maakt zorg op afstand mogelijk. Digitale zorg, of e-health, kan de zorg mogelijk betaalbaarder, toegankelijker en beter maken. Het ministerie van VWS wil weten in hoeverre de zorg digitaler wordt en welke effecten dat heeft op patiënten en zorgverleners. Het RIVM heeft op verzoek van VWS verkend hoe deze ontwikkeling met een nieuwe e-health monitor in kaart kan worden gebracht. De bedoeling is om de omvang van de digitale zorg in cijfers weer te geven, en te duiden waarom digitale hulpmiddelen wel of niet worden gebruikt. De monitor kan aangeven hoe e-health wordt ingezet door onder andere huisartsen, in ziekenhuizen, bij de zorg voor ouderen en voor mensen met een verstandelijke beperking. Het RIVM heeft dit advies in samenwerking met relevante partijen opgesteld. Het advies reikt een aantal indicatoren aan om kenmerken van de digitale zorg te kunnen gaan meten. Bijvoorbeeld de mate waarin organisaties in staat zijn om gegevens digitaal uit te wisselen of het gebruiksgemak. Voor sommige indicatoren kunnen bestaande data over e-health worden gebruikt. Wel zijn aanvullende data nodig, onder andere over ervaringen van zorgverleners en patiënten. De monitor kan verschillen in de aard en omvang van de digitale zorg gaan aangeven, zoals tussen regio's en groepen patiënten. Bovendien kan de monitor laten zien hoe patiënten en zorgverleners de digitale zorg ervaren. Het advies bevat verder voorbeelden van best practices die anderen kunnen inspireren. Tot slot wordt aanbevolen om te onderzoeken welke factoren de digitale zorg bevorderen of belemmeren. Dit gaat dus verder dan het gebruik van specifieke digitale toepassingen monitoren. De overgang naar een digitaler zorgproces is niet vanzelfsprekend: e-health toepassingen komen niet altijd van de grond, verdwijnen soms weer, of worden maar door een kleine groep mensen gebruikt. Zorg op afstand met digitale ondersteuning is in deze coronacrisis essentieel. Het is nu nog niet in te schatten of en hoe deze zorg op afstand na deze crisis gebruikt blijft worden. De nieuwe monitor is een vervolg op de monitor die Nictiz en het NIVEL tussen 2013 en 2019 hebben uitgebracht.
    • Vitamine K-profylaxe bij pasgeborenen : Beleidvormingsanalyse

      Verkaik-Kloosterman, J; de Jong, MH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-19)
      Vitamine K zorgt voor een goede bloedstolling. Een tekort kan bij pasgeboren baby's bloedingen veroorzaken. Deze bloedingen kunnen ernstig zijn, vooral als ze in de hersenen ontstaan. Om een tekort te voorkomen, krijgen baby's direct na de geboorte vitamine K-druppels toegediend. Kinderen die flesvoeding krijgen, zijn hiermee genoeg beschermd. Voor borstgevoede zuigelingen is deze dosering genoeg voor een week. Hun ouders wordt daarom geadviseerd om hen daarna drie maanden lang elke dag vitamine K-druppels te geven. Een deel van de zuigelingen blijkt de vitamine K-druppels niet goed in het lichaam op te nemen. Ze zijn daardoor niet genoeg beschermd tegen bloedingen door een vitamine K-tekort. Bij welke zuigelingen dit zo is, is bij de geboorte niet te bepalen. Daarom heeft de Gezondheidsraad in 2017 geadviseerd om vitamine K voor zuigelingen die borstvoeding of hypoallergene flesvoeding krijgen in een andere vorm te geven. En wel via een eenmalige injectie in de spier vlak na de geboorte. Op deze manier wordt vitamine K beter in het lichaam opgenomen. In buitenlandse studies zijn hier goede resultaten mee gehaald. Het ministerie van VWS heeft om aanvullende informatie gevraagd om een afgewogen besluit te kunnen nemen. Het RIVM heeft deze informatie over bijvoorbeeld kosten, de uitvoerbaarheid en draagvlak onder professionals bij elkaar gezet. Het is aan het ministerie om te beslissen of het vitamine K-beleid voor zuigelingen wordt herzien en op welke manier.
    • Coping with substances of concern in a circular economy

      Beekman, M; Bakker, JC; Bodar, CWM; van Leeuwen, LC; Waaijers-van der Loop, SL; Zijp, MC; Verhoeven, JK (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-14)
      This report is a translation of the Dutch report: Omgaan met zeer zorgwekkende stoffen in een circulaire economie (2019-0186). By 2050 the Dutch Government hopes to have a completely circular economy. An economy in which resources are continuously reused and with as little waste as possible. In a safe circular economy, risks to humans and the environment from hazardous substances in (recycled) materials are negligible. Substances of high concern, like those causing cancer for example, will only be used in materials and products when there are no known alternatives and their use is considered essential for the functioning of society. Substances of concern must not be released during production, use or re-use. RIVM believes that this transition to a circular economy provides opportunities to deal with substances of high concern safely, and to monitor their use. It is just not easy. RIVM has investigated what is needed to achieve this transition safely and has identified three challenges. First it is essential to share information about the substances used, including substances of high concern, throughout the product chain. Second, all parties in the product chain must ensure that materials and products can be reused safely. Producers should think about this at the design stage of their products. Users, (waste) processors and governments should also contribute. Finally, it's important that everyone involved deals responsibly with the materials and products that contain substances of high concern for which there is no alternative. Based on these three challenges, RIVM recommends possible actions for the short and longer term. For the short term, RIVM highlights the need to develop a policy vision and interim goals and to prioritise those products, materials and substances for which there is an urgent need to realise safe and circular product chains. These recommendations need to be developed further over the coming years and adapted to the rapidly changing demand for substances created, for example by technical innovation. Additionally, RIVM provides suggestions for monitoring whether reuse/recycling of substances of high concern during the transition to a circular economy is taking place safely. It is hoped that this report will offer some guidance and help to set an agenda for further debate between governments, companies, NGOs and research centres. This is a debate on policy, science and the monitoring of substances of high concern during the transition to a circular economy. This report was commissioned by PBL Netherlands Environmental Assessment Agency.
    • Een eerste verkennende literatuurstudie over het effect van bodembeheer op het behalen van bodem-, water- en luchtdoelstellingen

      Blokhuis, C; Schepens, JAB; van der Wal, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-13)
      Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil de kwaliteit van de Nederlandse landbouwbodems verbeteren. Daarom wil het ministerie dat alle landbouwbodems in 2030 duurzaam worden beheerd. Dit is belangrijk om voldoende gewassen te blijven produceren en minder vervuilende stoffen, zoals CO2 en stikstof, naar lucht en water uit te stoten. Het RIVM heeft hiervoor op een rij gezet of maatregelen voor bodembeheer alleen positieve of ook negatieve effecten hebben. Maatregelen kunnen bijvoorbeeld de uitstoot van vervuilende stoffen verminderen of de bodemfuncties verbeteren. Onbedoeld kunnen maatregelen ook de uitstoot van andere stoffen vergroten of andere bodemfuncties slechter maken. Het RIVM beveelt aan om zowel de positieve als de negatieve effecten mee te laten wegen in de keuze voor beleidsmaatregelen (systeembenadering). Een voorbeeld van een maatregel die alleen positieve effecten heeft, is begroeide stroken land langs de akker aanleggen (akkerranden). Doordat de begroeiing stikstof en fosfor opneemt, stromen deze stoffen minder weg naar de omliggende sloten. Een voorbeeld van een maatregel met positieve en negatieve effecten is bekalken. Door deze maatregel verdwijnt er minder stikstof vanuit de bodem naar het grondwater, maar komt er wel meer CO2 vrij. Ook mest onder de grond inspuiten heeft goede en slechte gevolgen. Door deze maatregel komt minder ammoniak in de lucht terecht, maar lekt er meer stikstof in het grondwater. Deze studie is een verkenning van de wetenschappelijke literatuur. Sommige effecten zijn nog niet helemaal onderzocht. Vervolgonderzoek zou duidelijk moeten maken hoe goed een maatregel werkt vergeleken met een andere om de kwaliteit van de lucht, het water en de bodem te verbeteren. Ook moet duidelijk worden of een maatregel in de praktijk uit te voeren is.
    • Minimum Unit Pricing voor alcohol - Verkenning van effectiviteit, implementatieaspecten en scenario's voor prijsbeleid in Nederland

      de Wit, GA; Visscher, K; van Gelder, N; van Gils, PF; Voogt, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-12)
      In enkele landen is een prijsmaatregel ingevoerd om goedkopere alcoholproducten duurder te maken. Deze maatregel, 'Minimum Unit Pricing' (MUP), moet ervoor zorgen dat mensen die overmatig, zwaar en problematisch drinken, minder gaan drinken. Deze typen drinkers hebben meer last van schadelijke gezondheidseffecten dan matige drinkers. De Nederlandse overheid overweegt om de maatregel in te voeren en wil daarom weten wat er bekend is uit studies en wat de ervaringen zijn in het buitenland. Uit onderzoek van het RIVM en het Trimbos-instituut blijkt dat MUP voor deze groep effectief is. In Schotland en Canada zijn overmatige, zware en problematische drinkers door MUP minder alcohol gaan drinken. De verwachting is dat er in Schotland en Australië minder ziekenhuisopnames en sterfgevallen zijn, maar ook minder verkeersovertredingen, misdrijven, zorgkosten en productieverliezen die aan alcohol zijn gerelateerd. Verder blijkt dat MUP effectiever is om de alcoholconsumptie bij overmatige, zware en problematische drinkers te verlagen dan een algemene maatregel zoals accijnsverhoging. Dat komt omdat deze drinkers vaker goedkopere alcohol drinken. Ook blijkt dat MUP de grootste economische baten heeft voor de maatschappij ten opzichte van andere maatregelen. Bij de MUP geldt een minimumprijs voor één eenheid alcohol (10 gram). Verkopers, zoals supermarkten of detailhandel, mogen alcohol niet onder deze prijs aanbieden. Hoe meer alcohol een drankje bevat, des te hoger de prijs met MUP wordt. MUP is een andere prijsmaatregel dan een accijnsverhoging, waarbij alle alcoholhoudende drank duurder worden. Bij MUP houden verkopers de extra opbrengsten en niet de overheid, zoals bij accijnsverhoging. Het RIVM en het Trimbos-instituut hebben voor dit onderzoek gegevens over de effectiviteit, economische effecten en implementatie van MUP verkend. Hiervoor is de wetenschappelijke literatuur onderzocht en zijn experts geïnterviewd. Verder is het RIVM op werkbezoek geweest in Schotland en Engeland, waar het vertegenwoordigers van de overheid, onderzoekers en lobbyorganisaties heeft gesproken. Het heeft vier scenario's uitgewerkt voor prijsbeleid in Nederland. Elk scenario heeft voor- en nadelen voor de betrokken partijen, zoals alcoholconsumenten, overheid en alcoholproducenten en -verkopers.
    • Verkenning monitor MVI waterschappen : Op weg naar sturen op het MVI-effect

      de Valk, E; Dekker, E; van Bruggen, A; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-12)
      Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) is een werkwijze om producten en diensten in te kopen die het milieu zo min mogelijk belasten en zo veel mogelijk positief maatschappelijk effect hebben. Om inzicht te krijgen in het effect van MVI moet deze meerwaarde voor mens en milieu worden gemeten en bijgehouden. Dit maakt het voor aanbestedende diensten mogelijk om op duurzaamheidsdoelen te sturen en MVI beter te gebruiken. De waterschappen meten sinds 2009 in hun Klimaatmonitor de effecten van veel bedrijfsprocessen, maar nog niet van inkoop en aanbesteding. Daarom heeft het RIVM verkend hoe waterschappen MVI kunnen monitoren en meten. Zeven waterschappen hebben hier enthousiast en betrokken aan meegewerkt. Het RIVM heeft hun ervaringen gebruikt om de Unie van Waterschappen aanbevelingen te geven voor een monitor MVI die alle waterschappen kunnen gebruiken. Bekeken is of het gebruik van MVI effect heeft gehad bij aanbestedingen in de productgroepen waterbouwkundige werken, slibtransport en afvalinzameling en -verwerking. De deelnemers hebben hierdoor concreet ervaren hoe ze MVI kunnen meten en monitoren. Naar voren kwam dat afstemming met de juiste mensen binnen de aanbestedende dienst en met leveranciers over MVI een belangrijke voorwaarde is om het effectief te kunnen meten en te monitoren. Dit onderzoek is financieel ondersteund vanuit de Klimaatenveloppe: Impuls Klimaatneutraal en Circulair Inkopen. De Rijksoverheid stimuleert hiermee organisaties met een publieke inkooptaak om meer klimaatneutraal en circulair in te kopen.
    • Perception of Living Environment in the Netherlands : Disturbances Survey 2016

      van Poll, R; Breugelmans, O; Houthuijs, D; van Kamp, I (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-08)
      Inwoners van Nederland hebben in hun woonomgeving vooral hinder van geluid dat wordt veroorzaakt door wegverkeer, burenlawaai en vliegverkeer. Bij wegverkeer zorgt verkeer op wegen met een snelheidsbeperking tot 50 kilometer per uur, brommers en scooters voor de meeste geluidhinder. Burenlawaai wordt vooral veroorzaakt door 'contactgeluiden' in woningen (traplopen, slaan met deuren, lopen op harde vloeren) en geluid dat buren buiten maken. Geluidhinder door militair vliegverkeer is afgenomen; de hinder door de burgerluchtvaart op landelijk niveau blijft ongeveer gelijk. Treinverkeer valt landelijk gezien buiten de top 3 van wegverkeer, burenlawaai en vliegverkeer, maar kan lokaal voor veel hinder zorgen, vooral als er veel goederenvervoer is. Geurhinder wordt vooral veroorzaakt door activiteiten van de buren waarbij verbrandingsprocessen (bij barbecues, vuurkorven, openhaarden en allesbranders) een belangrijke rol spelen. Dit gaat vaak samen met geluidhinder. Wegverkeer is met afstand de belangrijkste bron van hinder door trillingen, gevolgd door bouw- en sloopactiviteiten en vliegtuigen en helikopters. Geluid kan tot slaapverstoring leiden. Vooral geluid van wegverkeer, van buren en van recreatieve activiteiten (zoals kermissen en sportvelden) zorgen daarvoor. Slaapverstoring door vliegverkeer komt voornamelijk voor in de omgeving van Schiphol. Dat is minder het geval rond de regionale burgerluchthavens omdat daar minder nachtvluchten zijn. Een opvallende toename van de slaapverstoring komt door overvliegende helikopters, vooral in het westen van het land. Bronnen die nu en in de toekomst voor hinder kunnen zorgen zijn bijvoorbeeld drones en bronnen van laagfrequent geluid (laag zoemend of brommend geluid zoals van een ventilator of airconditioning). Acht procent van de Nederlandse bevolking heeft last van laagfrequent geluid. Hierbij is vaak niet één bron als oorzaak aan te wijzen. De omvang van het probleem vormt een signaal voor de overheid om deze overlast in beleid mee te wegen. Bovenstaande blijkt uit de zevende landelijke Inventarisatie Verstoringen, die het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) ongeveer eens in de zes jaar laat uitvoeren over de beleving van de woonomgeving. Dit keer namen ruim 8000 inwoners van Nederland van 16 jaar en ouder eraan deel. Het onderzoek is uitgevoerd door het RIVM en het CBS.
    • Informative Inventory Report 2020 : Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2018

      Wever, D; Coenen, PWHG; Dröge, R; Geilenkirchen, GP; 't Hoen, M; Honig, E; Koch, WWR; Leekstra, AJ; Lagerwerf, LA; te Molder, RAB; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-07)
      De uitstoot van ammoniak in Nederland is in 2018 met 0,6 kiloton is afgenomen ten opzichte van 2017. Dit komt vooral door ontwikkelingen in de landbouw, waar minder runderen worden gehouden en er steeds meer varkensstallen komen die minder ammoniak uitstoten. Toch ligt de uitstoot van ammoniak in 2018 met 129,3 kiloton boven het maximum van 128 kiloton dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. De uitstoot van stikstofoxiden en zwaveldioxide is in 2018 licht gedaald, met respectievelijk 8,6 en 1,6 kiloton. Minder stikstofoxiden komt onder andere door de strengere eisen voor de uitstoot door personenauto's en vrachtverkeer, en doordat energiecentrales minder steenkool gebruiken. Minder zwaveloxiden komt vooral doordat raffinaderijen niet meer op olie maar op gas stoken, met een betere rookgasreiniging. De uitstoot van beide stoffen blijft onder de vastgestelde maxima. Ook de emissies van fijnstof zijn iets gedaald. Dat komt door aanpassingen in productie processen en toenemend gebruik van stoffilters in de industrie, en door strengere eisen voor de uitstoot door wegverkeer. De uitstoot van vluchtige organische stoffen is in 2018 met 13,1 kiloton afgenomen tot 241,6 kiloton, maar ligt wel boven het maximum van 185 kiloton. De afname wordt vooral veroorzaakt doordat in de landbouw minder kuilvoer nodig is. Een andere reden zijn extra milieumaatregelen bij de energieproductie en in de industrie. Voor Nederland verzorgen het RIVM en diverse partnerinstituten deze zogeheten Informative Inventory Report rapportage (IIR) waarin de uitstoot van in totaal 26 verontreinigende stoffen wordt gerapporteerd. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen en om te rapporteren in hoeverre de emissies onder de afgesproken maximale hoeveelheden (emissieplafonds) blijven.
    • Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-2018 National Inventory Report 2020

      Ruyssenaars, PG; Coenen, PWHG; Rienstra, JD; Zijlema, PJ; Arets, EJMM; Baas, K; Dröge, R; Geilenkirchen, G; 't Hoen, M; Honig, E; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-07)
      In 2018 is de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 2,7 procent gedaald ten opzichte van 2017. Deze daling komt vooral doordat er minder kolen zijn gebruikt om elektriciteit te produceren. De totale uitstoot van broeikasgassen naar de lucht wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2018 188,2 miljard kilogram. Het jaar 1990 geldt als referentiejaar (het zogeheten Kyoto-basisjaar) voor de te halen doelstellingen. De uitstoot in 1990 bedroeg 221,7 miljard kilogram CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met 15,1 procent. De uitstoot van CO2 alleen ligt 1,6 procent onder het niveau van het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met meer dan 50 procent gedaald. Dit blijkt uit de inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM jaarlijks op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2020 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De inventarisatie bevat verder analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2018, een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten ('sleutelbronnen'), evenals de onzekerheid in hun uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
    • Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste : as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register

      Honig, E; Montfoort, JA; Dröge, R; Guis, B; Baas, K; van Huet, B; van Berghe, ACWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-07)
      Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen door de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afverwerking (ENINA) worden uitgestoten naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en relevant zijn voor ENINA. Denk aan broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM heeft de methoden waarmee de uitstoot worden berekend, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
    • Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services

      Visschedijk, A; Meesters, JAJ; Nijkamp, MM; Koch, WWR; Jansen, BI; Dröge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-07)
      Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal welke verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. De Nederlandse Emissieregistratie berekent om welke stoffen het gaat en hoeveel ervan in de lucht vrijkomt. Het RIVM heeft nu de methoden die de Nederlandse Emissieregistratie gebruikt, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage vormt ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
    • Environmental quality standards for barium in surface water : Proposal for an update according to the methodology of the Water Framework Directive

      Verbruggen, EMJ; Smit, CE; van Vlaardingen, PLA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-30)
      Het RIVM stelt nieuwe waterkwaliteitsnormen voor de stof barium voor. Deze normen geven aan welke concentratie in het water veilig is voor planten en dieren die in het water leven, en voor mensen en dieren die vis uit dat water eten. De aanpassing is nodig omdat er nieuwe informatie is over de effecten van barium op mensen, dieren en planten. Zo is de gezondheidskundige risicogrens soepeler geworden. Deze risicogrens geeft aan hoeveel van een stof mensen mogen binnenkrijgen zonder schadelijke effecten voor hun gezondheid. Barium komt van nature voor in het milieu. Mensen kunnen daarom barium binnenkrijgen via hun voedsel en drinkwater. Het is bekend hoeveel barium mensen dagelijks mogen binnenkrijgen zonder schadelijke gevolgen voor hun gezondheid. Met die waarde is berekend wat er maximaal in vis mag zitten als mensen tijdens hun hele leven elke dag vis zouden eten. Gegevens uit de wetenschappelijke literatuur laten zien dat de concentraties van barium in vis en schaaldieren niet over die veilige waarde voor mensen heen gaan. Vogels en zoogdieren kunnen barium binnenkrijgen door waterplanten te eten, maar tot een concentratie van 93 microgram per liter water zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Dit geldt ook voor vissen, watervlooien en andere dieren die in het water leven. De concentraties in het Nederlandse water zijn over het algemeen lager dan deze waarde. Om de nieuwe norm te bepalen heeft het RIVM recente literatuur gebruikt over het gedrag en de effecten van barium in het milieu en over de hoeveelheid barium die planten en dieren opnemen. Bij de normafleiding is er rekening mee gehouden dat barium van nature in het milieu zit.
    • Afweging van voor- en nadelen van beschermende maatregelen bij kernongevallen : Een verkenning van mogelijkheden voor optimalisatie

      Kerckhoffs, TJ; van der Linden, M; Twenhöfel, CJW; Smetsers, RCGM; Dekkers, SAJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-23)
      Bij een kernongeval moet de overheid maatregelen nemen zodat mensen aan zo weinig mogelijk straling blootstaan. Mensen in de directe omgeving van het ongeval kunnen bijvoorbeeld schuilen, jodium slikken of uit het gebied vertrekken. Welke maatregelen passend zijn, is afhankelijk van de aard en ernst van het kernongeval. Naast het gewenste effect, een lagere blootstelling aan straling, kunnen maatregelen ook onbedoelde, vaak negatieve, effecten hebben. Dat bleek onder meer na het kernongeval in Fukushima (2011). Om een goede afweging te kunnen maken, heeft het RIVM op een rij gezet wat er bekend is over het afwegen van voor- en nadelen van crisismaatregelen. Dit is in opdracht van de ANVS gedaan. Inmiddels is veel kennis beschikbaar, maar onderzoek naar de afzonderlijke gevolgen van maatregelen gebeurt versnipperd. Ook bestaat er nog geen methode om alle effecten tegen elkaar af te kunnen wegen of om aan te geven welk effect het belangrijkst is. De gevolgen van evacuatie zijn het meest onderzocht, omdat dit de meest ingrijpende maatregel is. Het RIVM heeft gekeken naar de gevolgen van maatregelen voor de gezondheid, de economie en de samenleving. Maatregelen die bedoeld zijn om de gezondheid van de bevolking te beschermen, kunnen de gezondheid soms ook schaden. In Fukushima bijvoorbeeld zijn ouderen en ernstig zieke ziekenhuispatiënten met onvoldoende medische zorgvoorzieningen geëvacueerd. Het aantal mensen dat door de evacuatie overleed, was daardoor waarschijnlijk groter dan het aantal mensen dat erdoor werd gered. De voorbereiding en uitvoering van maatregelen kosten geld, bijvoorbeeld voor de tijdelijke opvang van mensen die een gebied moeten verlaten. Maar de maatregelen kunnen tot op grote afstand van het ongeval economische gevolgen hebben, bijvoorbeeld doordat producten tijdelijk niet kunnen worden gemaakt door een gebrek aan onderdelen. Crisismaatregelen kunnen grote gevolgen hebben voor de leefbaarheid van een gebied. Mensen durven soms bijvoorbeeld uit angst voor straling niet meer terug te keren. Als dat op grote schaal gebeurt, daalt de werkgelegenheid en kunnen voorzieningen als scholen en winkels wegvallen.
    • Risk assessment of Argyreia nervosa

      Chen, W; de Wit-Bos, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-23)
      In Nederland zijn de zaden van de plant Hawaiian baby woodrose (Argyreia nervosa) als roesmiddel te koop in smartshops en via webshops. Het gebruik van deze zaden is niet veilig. Ze kunnen onder andere hallucinaties, misselijkheid, overgeven, verhoogde hartslag, verhoogde bloeddruk, (ernstige) vermoeidheid, en (ernstige) onverschilligheid veroorzaken. Deze gezondheidseffecten kunnen al ontstaan bij de geadviseerde doseringen. Dit blijkt uit een risicobeoordeling van het RIVM. Hawaiian baby woodrose zaden worden los verkocht of in de vorm van capsules. Ze kunnen direct worden gegeten, of eerst worden vermalen en aangelengd met vloeistof (meestal heet water). In de zaden van deze plant zit de stof lyserginezuuramide (LSA), dat sterk lijkt op LSD. De zaden staan bekend om hun krachtige psychedelische effecten.
    • Gezondheid en arbeidsparticipatie rond de AOW-leeftijd : Verwachte ontwikkelingen tot 2040

      van der Noordt, M; van der Lucht, F; Polder, JJ; Hilderink, HBM; Plasmans, MHD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-21)
      De leeftijd waarop mensen in Nederland gebruik mogen maken van de Algemene Ouderdomswet (AOW) zal in 2040 gestegen zijn naar 68 jaar. De regering heeft dit besloten vanwege de stijgende levensverwachting. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat mensen de afgelopen twintig jaar langer gezond blijven. De komende jaren zal deze 'gezonde levensverwachting' blijven stijgen. Gezondheid is in die zin geen belemmering om de AOW-leeftijd te verhogen. De gezondheid van één leeftijdsgroep, de 60-65-jarigen, is echter niet verbeterd maar hetzelfde gebleven. Waarom hun gezondheid is achtergebleven bij de rest van de Nederlandse bevolking, is niet helemaal duidelijk. Het zou te maken kunnen hebben met de plotseling weggevallen mogelijkheden om vervroegd met pensioen te gaan. Hierdoor hebben mensen het misschien als belastend ervaren om langer door te werken. Als mensen zich daar de komende jaren beter op kunnen voorbereiden, blijft hun gezondheid mogelijk niet achter. Het zou ook kunnen komen doordat ze langer blijven werken. In dat geval zal de gezondheid van 60-65-jarigen ook in de toekomst achter kunnen blijven. Met 'gezondheid' wordt de manier waarop mensen zelf hun gezondheid en de mate van lichamelijke beperkingen ervaren bedoeld. Hoe de ontwikkelingen ook uitpakken, zeker is dat er de komende jaren meer zestigplussers zullen zijn met een minder goede gezondheid die in principe langer doorwerken. Dit komt doordat een grotere groep Nederlanders de leeftijd van zestig jaar en ouder zal bereiken en langer zal doorwerken. Deze mensen lopen het risico om eerder uit het arbeidsproces te vallen of arbeidsongeschikt te worden. Het is daarom belangrijk ervoor te zorgen dat mensen gezond zijn in de periode dat ze langer werken. Er is nog weinig bewijs welke maatregel daarvoor effectief is. De meeste kans lijkt een 'levensloopbenadering' te hebben: zorg ervoor dat mensen gedurende hun hele werkende leven gezond en inzetbaar blijven. Ook een 'integrale' aanpak lijkt effectief, met aandacht voor meerdere zaken, zoals een gezonde leefstijl en goede werkomstandigheden.
    • Toekomstverkenning zorguitgaven 2015-2060 : Kwantitatief vooronderzoek in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Deel 1: toekomstprojecties

      Vonk, RAA; Hilderink, HBM; Plasmans, MHD; Kommer, GJ; Polder, JJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-20)
      Naar verwachting blijven de zorguitgaven tot 2060 stijgen, ook na de 'piek' van de vergrijzing rond 2040. De vergrijzing blijft een belangrijke factor voor de stijgende zorguitgaven maar heeft er na 2035 steeds minder invloed op. De kosten zullen gemiddeld met ongeveer 2,8 procent per jaar toenemen. Ongeveer twee derde daarvan komt door andere factoren dan de vergrijzing. De komende jaren komen steeds meer mensen steeds eerder in aanraking met de zorg. Dat komt door nieuwe mogelijkheden om ziekten vroegtijdig op te sporen en door toenemende medische kennis. Ook worden mensen langer en intensiever behandeld dan vroeger. Bovendien worden voor die behandelingen steeds meer nieuwe, vaak dure, technologie of geneesmiddelen ingezet, zoals bij kanker. In 2060 gaat het meeste geld naar de zorg in ziekenhuizen (groeit 2,8 procent per jaar naar 96 miljard). Ook de uitgaven aan gehandicaptenen ouderenzorg nemen sterk toe. De uitgaven aan geestelijke gezondheidszorg zijn tegen die tijd vervijfvoudigd. Uitgesplitst naar zieken stijgen vooral de uitgaven voor dementie, kanker, hart- en vaatziekten. Dit blijkt uit de verkenning van de mogelijke ontwikkeling van de zorguitgaven tot 2060. Het RIVM heeft dit in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) gedaan. De WRR gebruikt de bevindingen voor een verkenning naar de houdbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg op de lange termijn. Deze toekomstverkenning is gebaseerd op de Kosten van Ziekten-studie en de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) van het RIVM. De voorspellingen gaan met onzekerheden gepaard. Dat komt doordat demografische ontwikkelingen vaak anders lopen dan verwacht, economische groei lastig te voorspellen is en de medische wetenschap, de zorgpraktijk en overheidsbeleid veranderen. De toekomstprojecties in deze studie zijn stand gekomen voordat Nederland getroffen werd door de Corona-pandemie. De gevolgen daarvan konden daardoor niet meer worden verwerkt in deze studie.
    • Gezondheidseffecten en maatschappelijke baten van de gezondheidszorg : Kwantitatief vooronderzoek in opdracht van de WetenschappelijkeRaad voor het Regeringsbeleid. Deel 2: maatschappelijke baten

      Polder, JJ; Hoekstra, J; Vonk, RAA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-20)
      De gezondheidszorg in Nederland kost veel geld. Het levert veel op, vooral gezondheid en welvaart. De kosten voor de zorg zullen in de toekomst stijgen. Dat vraag om keuzes, want ook andere onderdelen van onze welvaart kosten geld. Door niet alleen naar de zorguitgaven te kijken, kunnen beleidsmakers en politici beter afwegen hoeveel de zorg mag kosten. Het is daarom belangrijk te weten wat de maatschappelijke baten van de gezondheidszorg zijn en of zij de kosten waard zijn. Het RIVM heeft dat op verzoek van de Wetenschappelijk Raad voor de Regering (WRR) op een rij gezet. Het totale effect van de gezondheidszorg is niet zo gemakkelijk in cijfers uit te drukken. Dat komt omdat de gezondheidszorg verschillende soorten zorg omvat. Een nieuwe kankertherapie is iets heel anders dan de zorg voor demente bejaarden, maar ze zijn allebei belangrijk. Ook zijn er andere manieren om de gezondheid te verbeteren, vooral op het gebied van preventie en een gezondere leefomgeving. Deze keuzes moeten tegen elkaar worden afgewogen. Er is een wisselwerking tussen gezondheid en welvaart. Een gezonde bevolking is productiever en draagt zo bij aan economische groei. Omgekeerd betekent meer welvaart dat meer mensen en geld kunnen worden ingezet om de gezondheid te verbeteren. We merken nu hoe een pandemie, waarin een infectieziekte zich over de hele wereld verspreidt, het economisch leven tot stilstand brengt en samenlevingen ontwricht. Maar ook onder gewone omstandigheden zijn gezondheid en welvaart nauw verbonden. Voor een bloeiende economie zijn investeringen in technologie minstens even belangrijk als investeringen in de gezondheidszorg. Dat vraagt net zo goed om afwegingen. Dit onderzoek is uitgevoerd voordat Nederland getroffen werd door de Corona-pandemie. Alle mogelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid en de maatschappelijke baten van de zorg zijn daarom slechts summier meegenomen.
    • EURL-Salmonella Proficiency Test Typing 2018

      Jacobs-Reitsma, WF; Verbruggen, A; Bouw, E; Mooijman, KA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-20)
      De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 28 Europese lidstaten scoorden in 2018 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonellatypering. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 97 procent van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Twaalf laboratoria hebben, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, extra typeringen op DNA-niveau uitgevoerd met behulp van de zogeheten PFGE-typering (Pulsed Field Gel Electroforese). Deze preciezere typering kan soms nodig zijn om de bron van een besmetting op te sporen. Om de kwaliteit ervan te toetsen moeten de laboratoria elf extra stammen met deze methode typeren. Tien van de twaalf deelnemende laboratoria waren daartoe in staat. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL). Deze NRL is namens dat land verantwoordelijk om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere twintig Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen van buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2018 waren dat de EU-kandidaat-lidstaten Albanië, Republiek NoordMacedonië en Servië, de European Free Trade Association (EFTA)-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland, en Israël. De organisatie van het jaarlijkse ringonderzoek Salmonella-typering is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella). Dit laboratorium is ondergebracht bij het RIVM in Nederland.
    • An overview of mycotoxins relevant for the food and feed supply chain: using a novel literature screening method

      van den Brand, AD; Bulder, AS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-09)
      Schimmels kunnen stoffen maken die hen beschermen tegen bacteriën en andere schimmels. Als schimmels landbouwgewassen besmetten, kunnen deze stoffen, die mycotoxinen heten, in voedsel terechtkomen. Als mensen of dieren mycotoxinen binnenkrijgen, kan dat schadelijk voor hun gezondheid zijn. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) controleert daarom of mycotoxinen in voedsel en diervoer zitten. Er bestaan veel verschillende mycotoxinen. Van tientallen typen is eerder al beoordeeld of ze een risico vormen voor de gezondheid. Van een groter aantal is niet bekend in welk voedsel ze voorkomen en of ze schadelijk zijn en zo ja, bij welke hoeveelheid. Het RIVM heeft daarom een overzicht gemaakt met alle informatie die bekend is over de mogelijke mycotoxinen in de voedsel- en diervoederketen voor mens en dier. Het RIVM heeft een nieuwe methode ontwikkeld om deze informatie te verzamelen en deze in een database gezet. Met dit overzicht kan de NVWA per product snel inschatten op welke mycotoxinen ze moeten letten. Het overzicht bevat onder andere informatie over de maximaal toegestane hoeveelheden van mycotoxine op producten (maximale limieten). Ook staat erin in welke producten een mycotoxine voorkomt en welke schadelijke effecten ze kunnen hebben. Voor het overzicht is informatie gebruikt van de nieuwste evaluaties van internationale organisaties die risicobeoordelingen doen, zoals de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Daarnaast is in de wetenschappelijke literatuur nagegaan in welke producten de beoordeelde mycotoxinen in voedsel en diervoeder voorkomen. De mycotoxinen die in de hoogste concentraties voorkomen, zijn apart op een rij gezet. Van deze mycotoxinen zijn ook de effecten opgezocht en opgenomen in de database, voor zover die bekend zijn.
    • Rekenmethode risico's doorgaand vervoer gevaarlijke stoffen over spoor : Een actualisatie op basis van grote ongevallen in Europa

      Uijt de Haag, PAM; Bos, HG; Schulenberg, AJH; Timmers, PGJ; van de Ven, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-08)
      Dit rapport bevat een bijlage: RIVM-rapport 2019-0209 bijlage Sommige grondstoffen en producten in de chemische industrie zijn brandbaar of giftig. Vervoer over het spoor van en naar de chemische industrie brengt risico's met zich mee voor de omgeving. In het Nederlandse beleid voor veilig vervoer van gevaarlijke stoffen en omgevingsveiligheid wordt gebruikgemaakt van een rekenmethode om de risico's voor de omgeving in te schatten. De huidige methode is gemaakt in de jaren negentig van de vorige eeuw. Het RIVM heeft de rekenmethode geactualiseerd. Het RIVM heeft voor dit onderzoek grote ongevallen in de afgelopen dertig jaar in Europa verzameld, geanalyseerd en vertaald naar de Nederlandse situatie. Op basis daarvan zijn kansen op een groot ongeval en de effecten daarvan bijgewerkt. Met de aangepaste methode worden de risico's berekend op basis van recente ongevalsgegevens. Het RIVM adviseert het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat daarom om de aangepaste rekenmethode te gebruiken in het beleid voor veilig vervoer van gevaarlijke stoffen en omgevingsveiligheid. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in samenwerking met adviesbureau AVIV. Zij betrokken daarbij een aantal deskundigen van adviesbureaus, bedrijven, omgevingsdiensten en ProRail.