Now showing items 1-20 of 9834

    • Analyseren van het effect van het hebben van diabetes op de sterftekans en levensverwachting

      Poos, R; Nielen, M; Hilderink, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-26)
      Mensen met diabetes leven gemiddeld korter dan mensen zonder diabetes. Dat komt niet alleen omdat ze diabetes hebben maar ook vaker andere ziekten. Dat veroorzaakt een grotere kans op overlijden. Het maakt daarbij uit welke soort diabetes iemand heeft. Bij diabetes type 1 werkt het natuurlijk afweersysteem niet goed. Bij type 2 speelt een ongezonde leefstijl een rol. Een ongezonde leefstijl vergroot de kans dat iemand diabetes type 2 krijgt én de kans dat die persoon aan een andere ziekte overlijdt, zoals hart- en vaatziekten. Mensen van 45 jaar met diabetes type 1 leven gemiddeld 13 jaar korter dan mensen zonder diabetes. Voor een 45-jarige met diabetes type 2 is dat gemiddeld 4 jaar korter. De kans om te sterven is voor mensen van 45 tot 60 jaar met diabetes type 1 ongeveer 5 keer groter dan voor mensen zonder diabetes van deze leeftijd. Dit verschil wordt kleiner naarmate ze ouder worden, omdat ook mensen zonder diabetes dan steeds vaker een of meer ziekten krijgen. Bij diabetes type 2 is de sterftekans voor mensen van 45 tot 60 jaar ongeveer 2 keer zo groot als voor mensen zonder diabetes. Ook hier neemt het verschil af naarmate ze ouder worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Hiervoor is een methode ontwikkeld om te berekenen welk effect het hebben van diabetes type 1 en type 2 in Nederland heeft op de kans op overlijden en de levensverwachting. Hiervoor heeft het RIVM cijfers van huisartsen die het Nivel heeft verzameld gekoppeld aan de sterftecijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Voor mensen onder de 45 jaar konden geen betrouwbare uitspraken worden gedaan omdat er weinig mensen met diabetes in deze leeftijdsgroep overlijden. Het onderzoek is in opdracht van het Diabetes Fonds gedaan. Dit fonds wil onder andere graag meer informatie over sterfte en levensverwachting om meer aandacht voor diabetes te vragen. Er zijn verschillende vormen van diabetes, waarvan diabetes type 1 en type 2 het meeste voorkomen. Deze twee typen hebben verschillende symptomen, worden anders behandeld en kunnen tot andere complicaties leiden. Diabetes type 2 komt veel vaker voor dan type 1.
    • COVID-19 vaccine booster dose. Background information for the Health Council

      Centrum Infectieziektebestrijding (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-25)
      Since January 2021, people in the Netherlands have been able to get vaccinated against COVID-19, the disease caused by the new coronavirus named SARS-CoV-2. The most important objective of this vaccination is to prevent severe disease and death. The question now is whether people who have been vaccinated would benefit from an extra vaccination. This so-called booster is intended to boost the effectiveness of the initial series of vaccinations. The Health Council of the Netherlands advises the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sport on whether this booster is necessary and, if so, for whom, when, and with which vaccine. RIVM has provided The Health Council of the Netherlands with a review of the scientific knowledge on the factors relevant for this advice. The use of a booster depends roughly on four factors: The current situation of the population (such as the number of sick persons and vaccinated persons), the vaccines (which vaccines are available, are they safe and effective, et cetera), the protection (such as the timing of the booster and the influence of natural infection), and the virus variants in circulation. A booster can be necessary if the protection provided by the initial series of vaccines diminishes too much after a certain period of time. A booster can also be necessary if it turns out that the vaccinations provide less protection against new variants of the coronavirus. Until now, the current initial series of vaccinations provide effective protection against severe disease and death, including all the variants circulating in the Netherlands. It is not yet clear if and when a booster can help reduce severe disease and death. Globally, there is still not much experience with a booster and there is still little scientific evidence for its use as of yet.
    • Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2020

      Friesema, IHM; Slegers-Fitz-James, IA; Wit, B; Boxman, ILA; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-21)
      Mensen kunnen ziek worden van voedsel. Als twee of meer mensen tegelijk ziek worden na het eten van hetzelfde voedsel, wordt dat een uitbraak door een voedselgerelateerde ziekteverwekker genoemd. In 2020 zijn 559 uitbraken met 1907 zieken gemeld. Dit zijn er duidelijk minder dan in 2018 (756 uitbraken met 2805 zieken) en 2019 (735 uitbraken met 3058 zieken). Dat komt vooral door de uitbraak van het coronavirus en de maatregelen om de verspreiding ervan te verminderen, zoals handen wassen. Het norovirus, Salmonella en Campylobacter veroorzaakten in 2020 nog steeds de meeste uitbraken en ziekte, maar in totaal dus wel veel minder dan in de jaren ervoor. De cijfers komen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de GGD’en. Zij registreren en onderzoeken voedselgerelateerde infecties en vergiftigingen om te voorkomen dat meer mensen ziek worden. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld te achterhalen waar mensen besmet zijn geraakt en door welke ziekteverwekker. De NVWA onderzoekt welke ziekteverwekkers in voedsel kunnen zitten, waar het voedsel vandaan komt, en de plaats waar het is bereid of verkocht. De GGD richt zich op de personen die hebben blootgestaan aan besmet voedsel en probeert via hen te achterhalen waar ze zijn besmet. Het RIVM voegt de meldingen van de twee instanties samen en analyseert ze als één geheel. Deze aanpak geeft inzichten in oorzaken van voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, de mate waarin ze voorkomen en mogelijke veranderingen hierin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en zieken. Dit komt onder andere doordat niet elke zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Ook is niet altijd duidelijk of besmet voedsel de oorzaak van een ziekte is.
    • Smaakbepalende additieven in vloeistoffen voor e-sigaretten: een voorstel voor een limitatieve lijst

      Pennings, JLA; Havermans, A; Krüsemann, EJZ; Schenk, E; Visser, WF; Bakker 't Hart, IME; Talhout, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-15)
      De overheid wil e-sigaretten minder aantrekkelijk maken, vooral voor jongeren. Smaakstoffen bepalen voor een groot deel de aantrekkelijkheid van dit product. Zowel volwassen als jongere niet-rokers houden vooral van zoete smaken en fruitsmaken. Daarom heeft de Nederlandse regering besloten alleen nog smaakstoffen toe te staan die vooral in tabaksmaken voorkomen. Om dit uit te kunnen voeren stelt het RIVM voor om 23 smaakstoffen met de smaak van tabak toe te staan. Waarschijnlijk zal het gebruik van e-sigaretten minder aantrekkelijk worden als alleen deze smaakstoffen erin mogen zitten. Het RIVM heeft het voorstel in opdracht van het ministerie van VWS gemaakt. Het ministerie beslist uiteindelijk welke stoffen worden toegestaan. Voor het onderzoek zijn de gegevens van fabrikanten over de samenstelling van hun producten gebruikt. Vloeistoffen met tabaksmaak bevatten smaakstoffen met tabaksmaak, maar vaak ook andere smaakstoffen, zoals ethylmaltol (zoet, fruit-karamel-achtig). Er worden in totaal 503 verschillende smaakstoffen gebruikt in vloeistoffen met tabaksmaak. Om ervoor te zorgen dat er alleen stoffen overblijven die naar tabak smaken of in tabak zitten, heeft het RIVM vier criteria opgesteld. De 23 smaakstoffen die het RIVM voorstelt voldoen hieraan. Als eerste moet de stof in minimaal 0,5 procent van alle vloeistoffen met tabaksmaak zitten. Als tweede moeten ze vaker in vloeistoffen met tabaksmaak voorkomen dan in andere vloeistoffen. Ten derde mogen het geen extracten van plantaardige grondstoffen zijn. De samenstelling daarvan is niet constant en is daarom moeilijk te controleren. Ten slotte moet de smaak van een stof sterk lijken op tabak(smaak) en mogen het geen zoete smaken zijn. Het RIVM merkt op dat volwassenen e-sigaretten als hulpmiddel gebruiken om te stoppen met roken. Dit hulpmiddel kan voor hen minder aantrekkelijk worden als de smaken worden ingeperkt. Verder zouden gebruikers van e-sigaretten zelf smaak kunnen gaan toevoegen, zoals los verkrijgbare aroma’s, bij een sterke beperking van het aantal smaken. Het RIVM adviseert om hier rekening mee te houden bij het opstellen van de regelgeving.
    • Onconventionele bronnen voor de Nederlandse drinkwatervoorziening. Aandachtspunten voor afwegingen

      Riemer, L; Rook, JH; van der Aa, NGFM; van Leerdam, RC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-14)
      Naar verwachting zal de vraag naar drinkwater de komende jaren in Nederland stijgen. Dat komt onder andere door de verwachte economische groei, de bevolkingsgroei en door klimaatverandering. Het is daardoor niet meer onder alle omstandigheden vanzelfsprekend, zoals tijdens warme zomers, dat er genoeg drinkwater is. Om die tekorten op te vangen, kunnen andere bronnen dan het gebruikelijke zoet grond- en oppervlaktewater de voorraad aanvullen. Een voorbeeld is brak grondwater, dat wat zouter is omdat het bij de overgang van zoet naar zout water ligt. Dit wordt nu in enkele regio’s getest, zodat er over een paar jaar drinkwater uit kan worden bereid. Ook andere mogelijkheden moeten nog worden onderzocht. Het RIVM heeft uitgezocht welke regionale initiatieven om andere bronnen te gebruiken er al zijn. Ook heeft het op een rij gezet wat nodig is om ongebruikelijke bronnen voor drinkwater in te zetten. Bijvoorbeeld of er genoeg van is, of die hoeveelheid er altijd is, of de kwaliteit goed genoeg is en of de winning technisch haalbaar is. Daarna wordt gekeken of de winning in de omgeving is in te passen en duurzaam is, en wat de maatschappelijke kosten versus de baten zijn. Deze kennis helpt overheden en drinkwaterbedrijven om af te wegen of een ongebruikelijke bron haalbaar is. De kansrijkste locaties kunnen daarna gedetailleerder worden uitgezocht en vergeleken, om tot de beste locaties te komen. Zo kan in een regio een maatschappelijk gedragen keuze worden gemaakt die rekening houdt met alle watergebruikers. Het RIVM beveelt aan regionaal uit te zoeken wat de vraag is naar drinkwater, naar watergebruik voor landbouw en natuur, en hoeveel daarvoor beschikbaar is. Zo wordt duidelijk of ongebruikelijke bronnen kunnen helpen om vraag en aanbod beter op elkaar aan te sluiten.
    • Verkenning DNA-testen voor persoonlijke preventie van veelvoorkomende aandoeningen

      Onstwedder, SM; Rigter, T; Jansen, ME (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-08)
      In Nederland komen sommige aandoeningen veel voor, zoals hart- en vaatziekten, kanker en obesitas. De oorzaak hiervan is een combinatie tussen genetische aanleg, gedrag en omgevingsfactoren. Het ministerie van VWS wilde weten of DNA-testen samen met leefstijladviezen kunnen helpen voorkomen dat mensen zo’n ziekte krijgen. Een DNA-test kan helpen inschatten of iemand een grotere kans heeft op een aandoening. Op basis van die DNA-test zou iemand een aangepast leefstijladvies kunnen krijgen dat erop gericht is om die aandoening te voorkomen. Dit noemen we persoonlijke preventie. Het RIVM verkende welke ontwikkelingen, kansen en uitdagingen er zijn voor persoonlijke preventie door een combinatie van een DNA-test en persoonlijk leefstijladvies. Uit de verkenning blijkt dat voor weinig van de veelvoorkomende aandoeningen een DNA-test bestaat die de kans op een aandoening goed kan voorspellen. Verder blijken leefstijladviezen voor veel van de veelvoorkomende aandoeningen hetzelfde te zijn, zoals niet roken en voldoende bewegen. Een DNA-test uitvoeren om leefstijladviezen te personaliseren lijkt daarom nog weinig nut te hebben. Voor enkele specifieke aandoeningen ziet het RIVM wel kansen om DNAtesten te gebruiken voor persoonlijke preventie. Bijvoorbeeld voor de oogziekte leeftijdsgebonden maculadegeneratie (LMD) en de hart- en vaatziekte familiaire hypercholesterolemie (FH). Hiervoor bestaan goede DNA-testen en preventieve leefstijladviezen. Door de snelle ontwikkelingen op het gebied van DNA-testen en leefstijladviezen kunnen in de toekomst ook kansen ontstaan voor andere aandoeningen. Het RIVM beveelt daarom aan om deze ontwikkelingen te monitoren. Daarnaast beveelt het RIVM onderzoek aan naar het effect van een testuitslag op gedrag (gedragsonderzoek) en de voorwaarden om een DNA-test succesvol in te zetten (implementatieonderzoek). Verder zal volgens het RIVM efficiënte uitwisseling van kennis tussen onderzoekers, zorgprofessionals, beleidsmakers en patiëntverenigingen bevorderd moeten worden. Op deze manier kan gezamenlijk worden gekeken wat het beste werkt om DNA-testen effectief in te zetten voor persoonlijke preventie.
    • Evaluatie Strategisch Programma RIVM 2015-2018

      Smit, E; ten Kroode, J; Schipper, L; van Beek, A; Bos, V; Breure, T; van Kalkhoven, I (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-07)
      Het RIVM voert vooral opdrachten uit van de overheid. Daarnaast heeft het zelf geld om wetenschappelijk innovatief onderzoek te doen, het Strategisch Programma RIVM (SPR). Dit programma heeft drie hoofddoelen: de positie van het RIVM in het wetenschappelijk veld behouden of versterken, ervoor zorgen dat we de kennis in huis hebben om in de toekomst opdrachten te kunnen uitvoeren, en onderzoek doen naar toekomstige maatschappelijke vragen die voor het instituut relevant zijn. SPR wordt telkens voor vier jaar opgezet en na afloop door het RIVM geëvalueerd. Dit rapport gaat over SPR 2015-2018. Uit de evaluatie blijkt dat de SPR-onderzoeken in deze ronde aan alle drie de hoofdoelen hebben bijgedragen. De mate waarin verschilde per thema en project. Elke vier jaar worden er een aantal thema’s gekozen die aansluiten bij de maatschappelijke opgaven waar het RIVM voor staat en de doelen van SPR. Twee voorbeelden van de thema’s in deze ronde zijn: beter kunnen communiceren over risico’s, en ervoor zorgen dat beleidsmakers de onderzoeksresultaten beter kunnen gebruiken. De resultaten hebben dit keer ook andere vormen gekregen dan wetenschappelijke publicaties, zoals databases, factsheets, innovaties, en nieuwe methoden. Hierdoor zijn er minder wetenschappelijke publicaties verschenen dan in eerdere rondes. De kwaliteit van de wetenschappelijke publicaties was goed. Uit de evaluatie komt het advies om de resultaten van de projecten en opgedane kennis beter over te dragen aan andere medewerkers binnen het RIVM. Dan kunnen ze ook op de lange termijn worden gebruikt.
    • Onderzoek naar radioactiviteit in gestorte staalslakken bij Spijk

      Cats, KH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-07)
      Staal wordt gemaakt uit ijzererts, waar van nature een klein beetje radioactief materiaal in zit. Deze natuurlijke radioactiviteit komt bij de productie van staal terecht in een bijproduct: de staalslakken. Staalslakken kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt als vulling van geluidswallen of als ondergrond van een weg. Op een terrein langs de snelweg A15 nabij Spijk is 600.000 tot 700.000 ton staalslakken gestort, verdeeld over vijf velden. Dit is gedaan voor de aanleg van een geluidswal langs een golfbaan die wordt uitgebreid. Een burger heeft vragen gesteld of de radioactiviteit in de staalslakken op het terrein bij Spijk een risico vormen voor mens en milieu. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft daarom hier een onderzoek naar gestart. Het RIVM heeft in opdracht van de ANVS voor dit onderzoek gemeten hoeveel radioactieve stoffen in de staalslakken bij Spijk zitten. Deze hoeveelheid is heel laag en ligt ver onder de norm. Hierdoor zijn er geen radiologische risico’s voor mens en milieu. Het RIVM heeft als vergelijking ook het niveau van de natuurlijke straling in het gebied naast de staalslakken gemeten; er zit namelijk van nature straling in de bodem. De straling in dit gebied kwam overeen met het normale stralingsniveau voor deze grondsoort. De hoeveelheid straling van de staalslakken is zelfs lager dan van de natuurlijke bodem. Dit komt doordat de staalslakken de radioactiviteit die van nature in de bodem zit grotendeels tegenhouden en zelf weinig radioactieve stoffen bevatten. Staalslakken bevatten naast radioactieve stoffen vaak chemische stoffen en zware metalen. In dit onderzoek is alleen gekeken naar risico’s van radioactiviteit, en niet van andere bestanddelen.
    • Verkenning haalbaarheid gezondheidsonderzoek werknemers Schiphol

      Reedijk, M; Zock, JP; Janssen, NAH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-30)
      Het RIVM onderzoekt sinds 2017 mogelijke effecten van langdurige blootstelling aan ultrafijnstof op de gezondheid van omwonenden van Schiphol. Het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (IenW) heeft het RIVM gevraagd om te verkennen of het haalbaar is dit onderzoek uit te breiden naar mogelijke gezondheidseffecten bij mensen die op Schiphol in de buurt van de vliegtuigen werken. De aanleiding hiervoor is een motie in de Tweede Kamer. Het blijkt praktisch niet mogelijk om gezondheidseffecten bij de platformmedewerkers binnen de opzet van het onderzoek naar omwonenden te bestuderen. Hiervoor zijn onder andere administratieve gegevens nodig over de aard en werkomstandigheden van oudmedewerkers. Maar de administratie van de vele organisaties waar platformmedewerkers voor werken, is onvolledig of gaat niet ver genoeg terug in de tijd. De weinige gegevens die er wel zijn mogen maar beperkt worden gebruikt vanwege de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Verder zijn er inhoudelijke verschillen met het onderzoek naar omwonenden. Naar verwachting staan platformmedewerkers tijdens hun werk aan hogere concentraties ultrafijnstof bloot dan omwonenden. Ook worden platformmedewerkers aan meer luchtvervuilende stoffen blootgesteld dan ultrafijnstof. Bijvoorbeeld via de dieselmotoremissies van bagagekarretjes en de uitstoot van vliegtuigmotoren. Dit vraagt om een bredere blik naar gezondheidseffecten bij platformmedewerkers dan alleen van ultrafijnstof. Een ander type gezondheidsonderzoek is wel mogelijk, namelijk onderzoek naar onder andere de long- en hartfunctie en bloed en urine bij medewerkers die er nu werken. De resultaten geven een indicatie maar geen zekerheid over ziekten die door een langdurige blootstelling aan ultrafijnstof kunnen ontstaan. Voorbeelden daarvan zijn beroerte, COPD, longkanker en aandoeningen van het zenuwstelsel. Het duurt jaren om met zekerheid te zeggen wat de effecten van een langdurige blootstelling aan ultrafijnstof op de gezondheid van huidige medewerkers zijn.
    • Occupational exposure to wood dust. A systematic review of the literature

      Rijs, K; van Triel, J; Bos, J; Zock, JP; Bogers, R; Palmen, N; Affourtit-van Driesten, F (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-30)
      Employees can be exposed to wood dust while performing woodworking processes such as sawing and sanding. Such exposure is known to be associated with health problems. RIVM has carried out a review of the scientific literature on wood dust and occupational exposure to wood dust. The data has not been compared or interpreted by RIVM. The data was collected at the request of the Health Council. The Health Council will use this data to provide a recommendation to the Minister of Social Affairs and Employment on whether or not the health-based occupational exposure limit for wood dust needs to be adjusted. The review focused on various aspects including characteristics of wood dust as a result of wood processing and the mechanism and degree of exposure, as well as what is known about what happens in the body after exposure and what diseases and conditions people can develop as a result. Long-term exposure to wood dust can cause nasal cancer. It can also impair lung function, leading to difficulty breathing, and cause irritation of the eyes, nose, lungs, and skin.
    • Evaluatie onverplichte financiële tegemoetkoming Q-koorts - de betekenis van een gebaar

      Gorter, AF; Busch, MCM; van der Lucht, F (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-29)
      Tussen 2007 en 2011 was er in Nederland een grote Q-koortsuitbraak. Vele duizenden mensen raakten besmet en werden ziek, een aantal overleed. Een deel bleef daarna klachten houden of kreeg ernstige complicaties, waaraan sommigen zijn gestorven. In 2018 trof de overheid een tegemoetkomingsregeling voor patiënten en nabestaanden. Deze ‘onverplichte financiële tegemoetkoming’, € 15.000, was geen compensatie of schadevergoeding, maar een gebaar. Een gebaar om het leed te erkennen, zodat patiënten en nabestaanden de uitbraak achter zich kunnen laten en verder kunnen met hun leven. Het RIVM heeft onderzocht of de tegemoetkoming dit effect heeft bereikt. Hiervoor zijn bijna vierhonderd patiënten en nabestaanden ondervraagd. Hoewel de meerderheid (ruim 80 procent) blij was met het geld, voelde slechts de helft zich door dit gebaar erkend. Eén op de drie voelde zich er niet of helemaal niet door erkend. Ze hadden zich meer erkend gevoeld als de overheid ook excuses had aangeboden. Een tegemoetkoming zonder excuses voor in hun ogen gemaakte fouten voelt voor veel getroffenen als een ‘lege huls’. Een excuus geeft de tegemoetkoming volgens hen meer betekenis. De tegemoetkoming helpt slechts een deel van de getroffenen om de uitbraak achter zich te kunnen laten en verder te kunnen met hun leven. Door een eenmalig geldbedrag verdwijnen de Q-koorts en de blijvende impact van de ziekte op het dagelijks leven niet. Dat geldt ook voor de impact van het verlies van een partner en voor gevoelens van boosheid en wantrouwen richting de overheid. Daarnaast vonden velen de tegemoetkoming te laat en te laag. Ze beleven de tegemoetkoming als compensatie of schadeloosstelling, hoewel hij zo niet was bedoeld. Hierdoor zien zij het bedrag van € 15.000 in relatie tot de geleden schade, en dus als niet genoeg. Veel getroffenen hebben behoefte aan een structureel financieel en zorgvangnet, onderzoek en monitoring. Ook is er behoefte aan aandacht en erkenning in de zorg en bij instanties, zoals het UWV. Fysieke en financiële problemen zijn immers niet verdwenen met een eenmalige tegemoetkoming. In dit onderzoek is ook gekeken of een niet verplichte financiële tegemoetkoming voor andere situaties kan worden ingezet. Dat is zeker het geval, maar niet in alle situaties en alleen onder een aantal voorwaarden. Zo is het belangrijk vooraf goed te overwegen of deze maatregel het meest past bij een situatie.
    • Onderzoek Q-koorts COVID-19

      van Gageldonk-Lafeber, AB; Bom, B; den Boogert, EM; Hogerwerf, L; Yzermans, CJ; de Lange, MMA; Rietveld, A; Triemstra, M; Weehuizen, JM; Wever, PC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-29)
      Begin 2020 begon de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 in Nederland. In het oosten van de provincie Noord-Brabant kwam toen veel COVID-19 voor; de ziekte die het virus veroorzaakt. In dit deel van Nederland kwam tussen 2007 en 2010 ook veel Q-koorts voor. Dit was aanleiding voor het RIVM om te onderzoeken of mensen die Q-koorts hebben gehad, vatbaarder zijn voor een infectie met het coronavirus en of de ziekte ernstiger verloopt. Gekeken is hoe vaak COVID-19 in het begin van de uitbraak van het coronavirus voorkwam bij mensen die eerder Q-koorts hadden en in het oosten van Noord-Brabant woonden. Dit aantal is vergeleken met het totaal aantal mensen met COVID-19 in dit gebied. Het blijkt dat COVID-19 tijdens de eerste golf van de epidemie vaker voorkwam bij mensen in het oosten van Noord-Brabant die eerder Q-koorts hadden. In de tweede golf van de epidemie zagen we dit verschil niet. Er zijn geen aanwijzingen dat COVID-19 bij voormalige Q-koorts-patiënten ernstiger verliep. Veel van de mensen die eerder Q-koorts hadden, hebben een of meer blijvende onderliggende aandoening. Soms is dat in combinatie met chronische Q-koorts of het Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS). Hierdoor zullen zij in het begin van de epidemie waarschijnlijk vaker getest zijn op COVID-19. De testcapaciteit was toen nog beperkt, waardoor er vooral mensen met onderliggende aandoeningen werden getest. Dit gebeurde omdat zij een grotere kans hebben om ernstig ziek te worden van COVID-19. Door vaker te testen is waarschijnlijk ook vaker COVID-19 aangetoond. Vanaf juni kon iedereen met (milde) klachten getest worden. Daarna zagen we niet meer dat COVID-19 vaker voorkwam bij mensen die eerder Q-koorts hadden. Het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in samenwerking met Nivel, huisartsen in Noord-Brabant, GGD Hart voor Brabant, en het Jeroen Bosch Ziekenhuis en het Bernhoven ziekenhuis. Het RIVM onderzoekt ook met partners of er een verband is tussen luchtkwaliteit en COVID-19 in heel Nederland. Er is hierbij aandacht voor verschillende oorzaken van luchtverontreiniging. De resultaten hiervan worden in 2023 verwacht.
    • Verkenning voor aanvullend onderzoek naar de toepassing van TGG te Perkpolder (Zeeland)

      Brand, E; Otte, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-22)
      Bij de aanleg van de Zeedijk in Perkpolder is Thermisch Gereinigde Grond (TGG) gebruikt. TGG is een mengsel van grond en andere materialen dat wordt verhit om organische verontreinigingen te verwijderen. Daarna kan de TGG opnieuw worden gebruikt. Het RIVM concludeerde in 2018 dat er nog verontreinigingen in het materiaal van de dijk zitten maar dat ze geen risico’s vormen voor de gezondheid. Wel constateerde het RIVM dat tijdens de aanleg van de dijk fijnstof kon verwaaien en tijdelijke klachten konden geven, zoals irritatie aan ogen en neus. In 2021 heeft Rijkswaterstaat (RWS) het RIVM gevraagd de situatie opnieuw te onderzoeken. Aanleiding is dat omwonenden in de buurt van de dijk nog steeds bezorgd zijn over hun gezondheid. Ook zijn er nieuwe meetgegevens over de kwaliteit van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewateren. Voordat het onderzoek van start gaat heeft het RIVM literatuuronderzoek gedaan en gesproken met omwonenden en lokale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen). Hierdoor heeft het inzicht gekregen in de vragen, argumenten en percepties van de betrokkenen in de omgeving van Perkpolder. Met deze kennis kan het onderzoek beter bij de vragen aansluiten. Ook wordt duidelijk welke vragen buiten de deskundigheid van het RIVM vallen, en dus buiten het onderzoek. Een voorbeeld daarvan is de toekomstige ontwikkeling van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. De meeste vragen van de betrokkenen gaan over de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving. Daarom gaat het RIVM onder meer uitzoeken of de kwaliteit van het zoete grondwater (de zoetwaterbel) dat vlak bij de dijk ligt risico’s veroorzaakt. Daarnaast wordt gekeken naar mogelijke risico’s doordat TGG door verwaaiing in de moestuinen is gekomen. Ook gaat het onderzoek in op vragen over mogelijke gezondheidseffecten van de verontreinigingen op de langere termijn. Tot slot stelt het RIVM voor om een belevingsonderzoek te doen onder omwonenden met als doel een bredere inventarisatie van de vragen, zorgen en behoeftes die er onder de omwonenden en gebruikers van de Perkpolder leven.
    • Blootstelling aan natuurlijke bronnen van ioniserende straling in Nederland

      Smetsers, RCGM; Bekhuis, PDBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-17)
      Iedereen staat de hele dag bloot aan straling. Het RIVM heeft uitgebreid beschreven wat er over natuurlijke straling bekend is. Een nieuw overzicht is nodig omdat de bijdrage van bronnen aan de totale stralingsdosis in de loop van de tijd verandert. Ook zijn soms de wetenschappelijke inzichten veranderd over het gezondheidsrisico dat een bron veroorzaakt. Natuurlijke straling komt vooral door radioactieve stoffen in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan worden gemaakt, en uit de ruimte. Uit bouwmaterialen, zoals beton, bakstenen en gips, komen ook de radioactieve gassen radon en thoron vrij. Radon en thoron zijn de grootste bron van straling in woningen: inademing van hun radioactieve vervalproducten vergroot de kans op longkanker, vooral bij mensen die roken. Aan veel bronnen van natuurlijke straling is niets te doen, maar wel aan straling in woningen. Het RIVM geeft aanbevelingen om de hoeveelheid straling in woningen laag te houden. Het RIVM wijst daarbij vooral op de risico’s van thoron, waarvoor nog geen regelgeving bestaat. Voor de stralingsdosis in woningen geeft het RIVM twee schattingen. Internationaal gebruiken wetenschappers namelijk twee getallen om de hoeveelheid radioactieve stoffen in de lucht om te rekenen naar een stralingsdosis in huis (UNSCEAR en ICRP). Het is nog niet duidelijk welke omrekengetallen het beste zijn. ICRP schat de risico’s van radon en thoron hoger in dan UNSCEAR. Volgens de ICRP is de totale dosis straling van natuurlijke bronnen dus groter en hebben radon en thoron een groter aandeel aan het geheel. Het RIVM heeft het overzicht gemaakt in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Het is onderdeel van een nieuwe studie naar de dosis die mensen door alle bronnen van straling oplopen. Hierna verschijnen nog onderzoeken over de bijdragen van straling door de industrie en door medisch onderzoek, de laatste in opdracht van het ministerie van VWS. De resultaten van alle drie de onderzoeken zullen op een publieksvriendelijke website van het RIVM worden toegelicht.
    • Annual report Surveillance of COVID-19, influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2020/2021

      Reukers, DFM; van Asten, L; Brandsema, PS; Dijkstra, F; Hendriksen, JMT; Hooiveld, M; de Lange, MMA; Lanooij, SJ; Niessen, FA; Teirlinck, AC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-15)
      Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel mensen in Nederland griep en andere luchtweginfecties hebben. Dit keer staat het overzicht in het teken van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2. Dit virus overheerste in 2020 en 2021. In combinatie met de maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, hadden hierdoor veel minder mensen andere luchtweginfecties. COVID-19 Tijdens de zomer van 2020, van mei tot en met september, hadden heel weinig mensen COVID-19, de ziekte die het coronavirus veroorzaakt. Na de zomer begon de tweede golf, die twee pieken had: in oktober en eind december. Deze golf begon onder de jongere leeftijdsgroepen (10 tot 29 jaar). Daarna kregen steeds meer mensen tussen 40 en 50 jaar COVID-19, gevolgd door mensen van 70 jaar of ouder. De derde golf begon in februari 2021. Het aantal besmettingen nam toen vooral toe door de opkomst van de Alfavariant (de Britse variant). Deze variant was tussen begin februari en eind mei 2021 de meest gemelde variant van het coronavirus. Tussen 18 mei 2020 en 23 mei 2021 zijn 1.584.237 mensen positief getest op corona. Van hen zijn 53.175 mensen opgenomen in het ziekenhuis, en 9.649 op de intensive care. Van 11.640 mensen is bekend dat ze zijn overleden. Tijdens de tweede en derde golf stierven er 14.739 mensen meer dan de afgelopen 5 jaren in dezelfde periode. Deze ‘oversterfte’ hangt naar verwachting samen met de uitbraak van dit virus. Griepepidemie Tijdens het griepseizoen zijn er nauwelijks mensen geregistreerd met de griep (2). Er was daarom deze winter geen griepepidemie. Dit komt waarschijnlijk door de coronamaatregelen, die ook helpen om de verspreiding van andere virussen te voorkomen, zoals de griep. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan besmettingen dan intensief volgen en zo nodig snel actie nemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van psittacose (papegaaienziekte) is in 2020 licht gestegen naar 94, het hoogste aantal sinds 2010. Het aantal meldingen in 2020 van legionella (461), tuberculose (623) en Q-koorts (7) nam juist sterk af. Legionella kwam waarschijnlijk minder vaak voor, omdat er minder internationale reizen zijn gemaakt in 2020. Q-koorts, psittacose en legionella uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen, maar de oorzaak daarvan wordt vaak niet onderzocht. De werkelijke aantallen liggen daardoor hoger dan de gemelde aantallen.
    • Risicogrenzen voor bromaat in oppervlaktewater. Afleiding volgens de methodiek van de Kaderrichtlijn Water

      Smit, CE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-15)
      Het RIVM heeft risicogrenzen bepaald voor de stof bromaat in zoet oppervlaktewater. Risicogrenzen geven aan welke concentratie in het water veilig is voor planten en dieren die in het water leven. Er zijn ook risicogrenzen bepaald voor oppervlaktewater waarvan drinkwater wordt gemaakt. Met behulp van de risicogrenzen kan het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) een besluit nemen over waterkwaliteitsnormen voor bromaat. Waterbeheerders hebben deze normen nodig om lozingen te kunnen beoordelen. Bromaat kan ontstaan als water waar bromide in zit, wordt gezuiverd met behulp van ozon. Ozon zorgt ervoor dat resten van geneesmiddelen en andere chemische stoffen worden afgebroken, maar reageert ook met bromide. Bromide komt van nature voor in oppervlaktewater en grondwater. Het zit vooral in brak en zout water. Voor planten en dieren die in het water leven, heeft het RIVM een veilige concentratie bromaat berekend van 50 microgram per liter. Op innamepunten van drinkwater stelt het RIVM een strengere waarde voor van 1 microgram per liter om aan de kwaliteitseisen voor drinkwater te voldoen. Zo’n waarde is nodig omdat bromaat kanker kan veroorzaken wanneer mensen er te veel van binnenkrijgen. Om die reden is er ook een risicogrens nodig voor oppervlaktewater om vis uit dat water te kunnen eten. Het RIVM kan alleen niet berekenen hoeveel bromaat er dan in het oppervlaktewater mag zitten. Het is namelijk niet bekend hoeveel bromaat vissen binnenkrijgen via het oppervlaktewater waar ze in leven. Het is wel aannemelijk dat mensen via vis niet meer bromaat binnenkrijgen dan via drinkwater. Als het oppervlaktewater veilig is om drinkwater van te maken, dan zijn er dus ook geen risico’s voor mensen die vis uit dat water eten. Voor dit onderzoek heeft het RIVM bestaande evaluaties van bromaat gebruikt en aangevuld met recente gegevens uit de wetenschappelijke literatuur.
    • Herhaalmeting Wonen langs het Spoor

      van Kamp, I; van Kempen, EEMM; Simon, SN; Mabaja, N; Verheijen, E; van Wijnen, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-14)
      Het RIVM heeft in 2019 onderzocht hoe mensen die tot 300 meter van het spoor wonen, trillingen door treinen ervaren. De resultaten daarvan zijn vergeleken met die van 2013, om te kijken hoe gezondheidseffecten zich in deze periode ontwikkelden. Net als in 2013 ervaart ruim 40 procent van de omwonenden ernstige hinder en 32 procent ernstige slaapverstoring door goederentreinen. Dit percentage is hoog maar stabiel gebleven. Het percentage ernstige hinder door reizigerstreinen is laag, maar in de onderzochte periode wel verdubbeld (van 8 naar 20 procent). Dat geldt ook voor het percentage ernstige slaapverstoring (van 6 naar 11 procent). De oorzaak hiervan is niet duidelijk. Landelijk gezien zijn de trillingsniveaus van reizigerstreinen hetzelfde gebleven. De verwachtingen van omwonenden over de trillingsniveaus in de toekomst zijn in 2019 zelfs iets positiever dan in 2013. Duiding van deze bevindingen moet gezocht worden in lokale omstandigheden en bieden op dat schaalniveau mogelijk aanknopingspunten voor het beleid. In het onderzoek is ook gevraagd naar andere factoren die van invloed zijn op het woonplezier in de buurt van het spoor. Omwonenden zijn over het algemeen in 2019 even tevreden over hun woonomgeving als in 2013. Over sommige zaken, zoals de buurt, het geluid van buren en wegverkeer en het beschikbare groen, en trillingen van andere bronnen dan treinen, zijn ze iets negatiever geworden. Verder bleven de slaapkwaliteit, medicijngebruik en lichamelijke klachten die niet door een ziekte kunnen worden verklaard, bij de onderzochte groep hetzelfde. Het aantal mensen dat hun gezondheid als goed tot zeer goed beoordeelt, is wel iets gedaald. Dit komt doordat de deelnemers tussen 2013 en 2019 zes jaar ouder zijn geworden. Naarmate mensen ouder worden, ervaren zij hun gezondheid doorgaans als iets minder goed. Dit onderzoek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gedaan. De resultaten vormen een eerste aanzet voor verdere ontwikkeling van beleid en eventuele regelgeving over trillingen van het spoor. Een volgende meting staat gepland voor eind 2021, met als belangrijkste doel om relaties te bepalen tussen trillingen van treinen en hinder en slaapverstoring.
    • Radiologische gevolgen van mogelijke ongevalsscenario’s voor Kerncentrale Borssele

      Tomas, JM; Kloosterman, A; Twenhöfel, CJW; van Dillen, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-10)
      Ongevallen met kernenergiecentrales waarbij radioactieve stoffen vrijkomen, vormen een gevaar voor de gezondheid. De gevolgen van zo’n ongeval hangen af van de hoeveelheid radioactiviteit die vrijkomt, de hoeveelheid waar iemand aan blootstaat en de effecten van deze blootstelling op de gezondheid. Volgens Europese richtlijnen moeten landen in Europa zich voorbereiden op een mogelijk stralingsongeval. In een noodsituatie kunnen ze dan maatregelen nemen die de gezondheidseffecten zoveel mogelijk beperken. Naar aanleiding van de nieuwste Europese richtlijnen werkt ook Nederland aan een nieuwe ‘stralingsbeschermingsstrategie’ voor verschillende noodsituaties waarbij radioactiviteit kan vrijkomen. Naar aanleiding daarvan heeft het RIVM berekend tot welke afstand van de kerncentrale in Borssele beschermende maatregelen voor de bevolking nodig kunnen zijn bij een stralingsongeval. De afstanden zijn berekend voor vijf emissiescenario’s (van klein tot ernstig) bij verschillende weersomstandigheden. Het weer heeft namelijk veel invloed op de afstand tot waar de radioactieve stoffen zich kunnen verspreiden. Het RIVM heeft dit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gedaan. De resultaten uit dit onderzoek geven een indicatie tot welke afstand deze maatregelen nodig kunnen zijn bij een stralingsongeval met Kerncentrale Borssele. De resultaten kunnen worden gebruikt om de nieuwe stralingsbeschermingsstrategie te ontwikkelen. Bij een kernongeval zijn, afhankelijk van de ernst ervan, verschillende maatregelen mogelijk. Voorbeelden zijn evacueren, schuilen (binnenblijven met de deuren en ramen dicht) en jodiumtabletten innemen (jodiumprofylaxe). Ook kunnen maatregelen worden genomen om te voorkomen dat voedsel besmet raakt. Denk aan koeien niet laten grazen en kassen sluiten.
    • Potentieel ziekteverwekkende micro-organismen in lucht afkomstig uit mestverwerkingsinstallaties

      Dollmann, SK; Vermeulen, LC; Schmitt, H; van der Wal, A; de Roda Husman, AM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-10)
      Mestbewerkingsinstallaties bewerken het overschot aan mest. In dierlijke mest kunnen bacteriën of virussen zitten. Het is niet bekend in hoe ver de installaties deeltjes uitstoten die schadelijk zijn voor de gezondheid. Omwonenden maken zich daar zorgen om. Het RIVM werkt daarom aan een monitoringsprogramma om ziekteverwekkende organismen te kunnen meten in de buitenlucht rondom deze installaties. De eerste stap is daar nu in gemaakt. Het RIVM doet dit in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Het is veel werk om alle mogelijke ziekteverwekkers te meten in lucht rondom mestverwerkingsinstallaties. Bepaalde groepen ziekteverwekkers gedragen zich hetzelfde in mest en in lucht. Het RIVM heeft daarom uitgezocht welke organismen verschillende groepen ziekteverwekkende bacteriën en virussen kunnen vertegenwoordigen. Als deze ‘indicatoren’ in de lucht zitten, kan gericht in kaart worden gebracht welke ziekteverwekkers uit de installaties komen. De voorgestelde indicatoren zijn de bacteriën Campylobacter, Clostridium, E. coli, enterokokken en endotoxine. Somatische colifagen zijn een indicator voor virussen. Het RIVM adviseert ook met welke methoden het beste de uitstoot van de gekozen indicatoren kunnen worden gemeten. Het RIVM adviseert om luchtmetingen op meerdere afstanden van de installaties te doen. Veel ziekteverwekkers sterven namelijk snel af in de buitenlucht. Als er ziekteverwekkers in de lucht zitten, zullen die aantallen op grotere afstand van een installatie kleiner zijn.
    • Recycling van matrassen : analyse van risico’s van verwerking en nieuwe toepassingen

      Faber, M; Heens, F; Spanbroek, N; Lijzen, JPA; van Drongelen, AW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-09)
      De Nederlandse overheid wil dat de economie in 2050 helemaal circulair is. Daarin worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt zodat er zo min mogelijk afval is. Matrassen zijn een groot deel van het huishoudelijk afval. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) wil daarom gebruikte matrassen zoveel mogelijk recyclen. Ze worden nu gebruikt voor bijvoorbeeld judomatten, poetslappen en een zachte ondergrond in speeltuinen. Het RIVM heeft uitgezocht of de recycling van gebruikte matrassen risico’s kan hebben. Daar kunnen namelijk schadelijke stoffen in zitten. Het RIVM keek naar risico’s voor werknemers en voor de gebruikers van producten die ervan zijn gemaakt. Hierbij is ook aandacht voor stoffen die in het verleden waren toegestaan, maar waar nu strengere regels voor zijn. Verder kunnen er tijdens het gebruik van het matras micro-organismen, zoals schimmels en bacteriën, in terechtkomen. Het RIVM richt zich op de vier belangrijkste materialen in matrassen: polyurethaanschuim, latexschuim, textiel en metaal. Er blijken weinig metingen te zijn gedaan naar gevaarlijke stoffen en vervuilingen met micro-organismen in deze (gerecyclede) materialen. Bij de metingen die er zijn, zijn de wettelijke grenswaarden voor producten, zover deze bestaan, niet overschreden. Micro-organismen kunnen in de matrastijk of het schuim zitten maar gaan dood wanneer de tijken tijdens de recycling worden gewassen en het schuim met stoom wordt behandeld. Daardoor kunnen de micro-organismen niet in gerecyclede producten terechtkomen. Meer onderzoek is nodig naar de recycling en de gerecyclede producten van het schuim en textiel uit matrassen. Er is weinig bekend of er in gerecyclede producten gevaarlijke stoffen zitten en, als dat zo is, in hoeverre mensen daar aan blootstaan. Ook is het belangrijk om te onderzoeken of werknemers aan schadelijke stoffen blootstaan als zij de matrassen uit elkaar halen. In het algemeen adviseert het RIVM alle bedrijven die te maken hebben met de productie, het gebruik en recycling van matrassen meer en beter samen te werken. Bijvoorbeeld door er bij het ontwerp van een matras al rekening te houden dat ze makkelijk en veilig kunnen worden gerecycled. Ook is het belangrijk om met elkaar te delen welke stoffen en materialen worden gebruikt; dit geldt voor alle te recyclen producten.