Now showing items 1-20 of 9569

    • Standaardtijd, zomertijd en gezondheid : Literatuuronderzoek naar gezondheidseffecten van verschillende tijdinstellingen

      Zantinge, EM; van Kerkhof, LWM; de Bruijn, ACP; Oostlander, AE; Dollé, MET (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-10-15)
      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM Samenvatting De Europese Commissie heeft in 2018 voorgesteld dat alle lidstaten een vaste tijdinstelling kiezen voor het hele jaar, en dus niet meer wisselen tussen standaardtijd (wintertijd) en zomertijd. Het RIVM heeft een internationaal literatuuronderzoek uitgevoerd naar de effecten op de gezondheid van deze twee tijdinstellingen, inclusief de effecten van de wisselingen. Het blijkt beter te zijn voor de volksgezondheid wanneer Nederland het hele jaar door de standaardtijd zou aanhouden. In Nederland wisselen we nu twee keer per jaar tussen de standaardtijd en zomertijd. Direct na de wisselingen slapen mensen slechter; vooral direct na de wisseling naar de zomertijd slapen mensen korter. Ook zijn er gezondheidseffecten te zien na de wisselingen. Zo komen er meer hartinfarcten voor direct na de wisseling naar de zomertijd. Zulke directe effecten treden niet meer op bij een vaste tijdinstelling voor het hele jaar. Vooral zonlicht heeft invloed op het bioritme van de mens - het moment waarop we 's ochtends wakker worden en 's avonds slaperig. Het is voor de volksgezondheid dan ook het beste om een tijd in te stellen die aansluit op het natuurlijke dag- en nachtritme op aarde. Dat betekent een instelling waarbij de zon vroeg opkomt, wat het geval is bij de standaardtijd. Wanneer we het hele jaar door zomertijd instellen, is dat voor de gezondheid minder gunstig dan het hele jaar door standaardtijd. Dit blijkt uit studies naar slaap- en gezondheidsaspecten, zoals slaapduur en -kwaliteit, overgewicht, het aantal mensen met kanker, en de levensverwachting in het algemeen. Voor de volksgezondheid zou het zelfs nog beter zijn als Nederland de tijd rond de nulmeridiaan in Greenwich (Engeland) het hele jaar door instelt; dat is 1 uur vroeger dan onze standaardtijd. De huidige standaardtijd voor Nederland is sinds de Tweede Wereldoorlog wettelijk ingesteld, hoewel het geografisch gezien in de zone van de nulmeridiaan ligt. Dit literatuuronderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. De studies waarop deze conclusies zijn gebaseerd, gaan over andere landen dan Nederland.
    • Geluidmonitor 2018 : Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen

      Welkers, D; Bergmans, D; Joosten, E; den Hollander, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-10-15)
      Gemeten en berekende geluidniveaus over 2017 zijn met elkaar vergeleken. De gemeten geluidniveaus langs rijkswegen lagen gemiddeld 2 decibel hoger dan de berekende waarden. Langs het spoor waren de gemeten en berekende geluidniveaus gemiddeld hetzelfde. Dit beeld komt overeen met de resultaten van de jaren 2013-2016. Zowel bij rijks- als spoorwegen varieert op sommige trajecten de mate waarin de berekende en gemeten geluidniveaus verschillen. Eind 2019 presenteert het RIVM een rapport waarbij de achtergrond van de bevindingen uit de Geluidmonitor 2018 is onderzocht. De weg- en spoorbeheerder, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst elk jaar met metingen de resultaten van de berekeningen. Zowel deze validatie als de berekeningen zijn een verplichting vanwege de Wet milieubeheer. Deze monitor bevat de door het RIVM gemeten geluidniveaus in 2018. De weg- en spoorbeheerder maken de berekeningen over 2018 in de tweede helft van 2019 openbaar. Deze berekeningen worden in de Geluidmonitor 2019 vergeleken met de gemeten geluidniveaus in 2018. Deze monitor verschijnt in 2020.
    • Toepassing van antibiotica en alternatieven; Kansen en belemmeringen

      Leonardo Alves, TM; de Vries, CGJCA; David, S; Weda, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-10-10)
      Om te voorkomen dat bacteriën ongevoelig worden voor antibiotica, is het belangrijk dat zorgprofessionals ze alleen voorschrijven als ze echt nodig zijn. En het liefst alleen voor de bacterie die de infectie veroorzaakt. Maar het gewenste antibioticum is niet altijd op voorraad. Patiënten krijgen dan een ander antibioticum, dat soms tegen meer soorten bacteriën werkt dan nodig is. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Onderzocht is of er belemmeringen zijn voor goed gebruik van antibiotica in de eerstelijnszorg; zorg waar mensen zelf zonder verwijzing naartoe kunnen gaan. Om te bepalen of een antibioticum zin heeft, is het belangrijk om te testen of een infectie wordt veroorzaakt door een bacterie of virus. Bij een virusinfectie werken antibiotica niet. Uit gesprekken met zorgprofessionals blijkt dat de kosten van een test geen reden zijn om van de test af te zien. Als een patiënt ernstig ziek is, kan niet altijd op de uitslag van een test worden gewacht en wordt gelijk een antibioticum voorgeschreven. Sommige antibiotica worden niet volledig vergoed; de patiënt moet dan zelf een bedrag bijbetalen. Dit kan oplopen tot enkele tientallen euro's. Toch zien de geïnterviewde experts niet dat dit een belemmering is voor patiënten. Het gemak van een éénmaal daagse, korte kuur weegt vaak zwaarder dan de bijbetaling. In de wetenschappelijke literatuur zijn enkele alternatieve middelen beschreven die niet geregistreerd zijn als medicijn, maar wel worden gebruikt tegen infecties. Zoals Cranberry-capsules om urineweginfecties te voorkomen. Er zijn nog weinig goede wetenschappelijke studies uitgevoerd om te kijken of deze middelen echt goed werken. Er zijn ook kansen om het ontstaan van ongevoeligheid voor antibiotica verder tegen te gaan, zoals het ontwikkelen van nieuwe diagnostische tests, het slimmer inzetten van bestaande antibiotica en de ontwikkeling van geneesmiddelen met een ander type werking dan antibiotica. Daarnaast is het belangrijk dat zorgprofessionals kritisch blijven kijken naar het voorschrijven van antibiotica.
    • Epidemiologische data van Ziekten van het botspierstelsel en bindweefsel: Achtergrondrapport voor Programma Zinnige Zorg

      Eysink, PED; Poos, MJJC; Gijsen, R; Kommer, GJ; van Gool, CH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-10-03)
      Many people in the Netherlands suffer from disorders of the bones, joints and muscles. The causes of these musculoskeletal disorders are diverse and they are often unknown. However, those who suffer from these disorders may have problems at work and in their daily lives. At request of Zorginstituut Nederland, RIVM has compiled an overview of the incidence of ten musculoskeletal disorders in the Netherlands. In addition, RIVM has described how frequently people with these disorders use care services and what the cost of this care is - both now (2017) and in the future (2030). Zorginstituut Nederland specified which ten disorders were included. Due to the ageing of the population, the number of people with diseases associated with old age, such as osteoarthritis and gout, will increase between 2017 and 2030. In 2017, almost 480,000 people in the Netherlands suffered from gout. This number will increase by 20 percent by 2030 to 580,000. Furthermore, due to our ageing population, more people will make use of care as a result of musculoskeletal disorders. The number of people who visited a medical specialist and a hospital due to rheumatoid arthritis in 2017 was almost 90,000 greater than any other musculoskeletal disorder. Due to demographic changes, this number will increase further to 102,000 people (13.9 percent increase). The use of care for other disorders is rising much less quickly. For example, the number of visitors to hospitals and medical specialists for a common shoulder disorder (shoulder syndrome) will increase by 4.1 percent from 83,800 in 2017 to 87,300 in 2030. This modest increase is because shoulder syndrome mainly affects middle-aged people rather than the elderly. The total population of middle-aged people will remain about the same in the coming years. Our ageing population means that the costs of caring for musculoskeletal disorders will increase. For example, the cost of hospital care and medical specialists for gout will increase by 24.2 percent, from 14.2 million in 2017 to 17.6 million in 2030. This overview is a background report for the 'Zinnige Zorg' Programme of Zorginsituut Nederland. The programme systematically examines whether the basic health insurance package contains unnecessary or ineffective forms of care. In this way, Zorginstituut Nederland is promoting accessible and affordable healthcare.
    • Marktontwikkeling en leveringszekerheid voor medische radionucliden : Aanvulling op RIVM rapport 2019-0101

      Roobol, LP; de Waard, IR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-30)
      Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland en naar de effecten van het niet bouwen van de Pallas reactor, de beoogde opvolger van de HFR. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden bij terminale patiënten, zogenoemde therapeutische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op één reactor na zijn deze installaties op gevorderde leeftijd en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. De markt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kunnen op wereldschaal leveringsproblemen ontstaan. Bij een onverwachte uitval kunnen de overige reactoren de vraag lang niet altijd opvangen, wat de leveringszekerheid voor de wereld (en dus ook voor Nederland) vrij onzeker maakt. Dat geldt zowel voor diagnostische als therapeutische radionucliden. De vraag naar molybdeen-99/technetium-99m in de wereld zal op de lange termijn stijgen. Geschatte percentages variëren van 5% tot 8% jaarlijkse stijging van de vraag in de opkomende economieën. De groei in de omzet van de therapeutische isotopen zal veel hoger zijn. Bij een vraaggroei voor lutetium-177 van 7% per jaar bijvoorbeeld zijn er al binnen vijf jaar tekorten te verwachten. Om de productieketen van medische radionucliden toekomstbestendig te maken, is een overgang nodig naar een prijsstelling nodig die alle kosten in de keten dekt. In het afgelopen jaar is er meer duidelijkheid gekomen over de aanbodkant van de productie van medische radionucliden. Er zijn initiatieven gaande in Duitsland, Frankrijk en België om de bestaande productiecapaciteit voor medische radionucliden te vergroten en nieuwe capaciteit te bouwen. Zelfs wanneer al deze initiatieven slagen, zullen zij echter niet de productiecapaciteit kunnen vervangen van de reactoren in België (BR2) en Nederland (HFR) die op termijn gaan sluiten. De Europese Commissie heeft onlangs de voorzieningszekerheid van medische radio-isotopen laten onderzoeken. Die studie concludeert dat het, ondanks de genoemde initiatieven, nodig is in de EU nóg een reactor te bouwen om de EU zelfvoorzienend te laten blijven en tekorten op wereldschaal te voorkomen. De studie wijst Pallas hiervoor aan als de gerede kandidaat om de benodigde productiecapaciteit in de komende decennia te garanderen. Nederland is in de unieke positie dat een groot deel van de leveringsketen binnen eigen land aanwezig is: van onderzoek en ontwikkeling, via productie van radionucliden tot de verwerking daarvan tot radiofarmaceutische producten. Hierdoor heeft Nederland ook een goede positie om het land te blijven waar nieuwe radiofarmaceutische producten ontwikkeld worden. De nabijheid van academische ziekenhuizen, een reactor, gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Mocht de HFR sluiten zonder dat de Pallas-reactor wordt gerealiseerd, dan verliest Nederland haar positie binnen die leveringsketen. De kans is dan groot dat de radiofarmacie haar werk van Petten naar het buitenland zal verplaatsen. Daarnaast zal dit grote en negatieve gevolgen hebben voor de (lokale) werkgelegenheid in de nucleaire sector: een derde van de mensen die in Nederland in de nucleaire sector werken en ongeveer 1000 bij toeleveranciers zullen hun baan verliezen. De nucleaire kennisinfrastructuur zal hieronder lijden. Ook vervallen dan de diensten die vanuit Petten worden geleverd aan de nucleaire industrie, andere industrietakken en overheden. Aanvulling In Amerika wordt gebouwd aan het SHINE-project. Deze installatie is een gevorderd nieuwbouwproject voor het maken van onder meer molybdeen-99. SHINE heeft besloten om ook een vestiging in Europa te openen. Waar deze vestiging zal komen staat nog niet vast, dat zou in Nederland kunnen zijn. De Europese fabriek wordt een kopie van de Amerikaanse. SHINE geeft zelf aan dat deze tweede fabriek in Europa in 2025 al grote hoeveelheden molybdeen-99 op de markt zal kunnen brengen. Dit is mogelijk wat optimistisch. Naast molybdeen-99 beoogt het SHINE-concept ook het radionuclide jodium-131 te leveren, dat is een therapeutisch radionuclide voor de behandeling van schildklierkanker. SHINE geeft zelf aan binnenkort lutetium(-177)chloride te kunnen leveren, waarbij het lutetium in reactoren wordt bestraald. Op de langere duur verwacht SHINE deze bestraling ook met hun eigen apparatuur te kunnen doen. We verwachten niet dat met het SHINE-concept binnen tientallen jaren mogelijk zal zijn het hele palet aan reactor-geproduceerde medische radionucliden te maken. Het SHINE-concept is daarmee geen complete vervanging van een reactor die medische radionucliden maakt.
    • Chemische samenstelling van vijftig stookoliemonsters 2017-2018

      Broekman, MH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-30)
      In 2017 en 2018 zijn in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) brandstofmonsters van 50 zeeschepen in de Rotterdamse haven onderzocht. Het ging om schepen die van buiten Europa kwamen. De ILT wil duidelijkheid over de chemische samenstelling van stookolie om te kunnen beoordelen of de uitstoot van zeeschepen een risico vormt voor het milieu. Nadat laboratoria de chemische samenstelling hebben bepaald, heeft het RIVM deze meetresultaten geanalyseerd en geïnterpreteerd. De chemische samenstelling van de stookolie laat voor een aantal stoffen een normaal beeld zien. Zo voldoet de concentratie zwavel in alle monsters aan de norm. Wel blijkt de stookolie schadelijke stoffen te bevatten en stoffen die als zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn aangemerkt. In Europa is afgesproken om deze stoffen geleidelijk aan niet meer te gebruiken. De aangetroffen zeer zorgwekkende stoffen zijn onder andere lood(verbindingen), trichlooretheen en cyclododecatrieen en mogen niet in stookolie zitten. De schadelijke polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), zoals naftaleen en benzo(a)pyreen, zitten in stookolie omdat ze van nature in ruwe aardolie voorkomen. Deze stoffen zijn echter in zeer hoge gehalten in de stookolie van enkele zeeschepen aangetroffen, waardoor de samenstelling van deze olie anders is dan verwacht. De samenstelling van stookolie kan doorgaans sterk variëren, wat vooral door het productieproces komt. Ruwe aardolie wordt in een raffinaderij verhit en afgekoeld om verschillende soorten aardolieproducten te maken. Aan de restantolie die na dit proces 'overblijft', worden organische vloeistoffen toegevoegd om deze ook als stookolie te kunnen gebruiken. Hoewel dit bijmengen nodig is, is het vaak niet duidelijk welke stoffen hiervoor worden gebruikt en of ze daarvoor zijn toegestaan. De gemeten afwijkingen in de brandstofmonsters kunnen er op duiden dat de olie met ongewenste vloeistoffen is bijgemengd.
    • Verspreiding van GenX stoffen in het milieu : Metingen in Nederland 2013-2018

      de Kort, MJ; de Jong, CJ; Ng-A-Tham, JEE; Verhoeven, JK; Boon, PE; Verschoor, AJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-25)
      De GenX-technologie wordt gebruikt om stoffen te maken, fluorpolymeren. Deze stoffen worden onder andere gebruikt om coatings voor antiaanbaklagen te maken. Bij het GenX-proces kunnen stoffen vrijkomen die moeilijk afbreken en makkelijk in water oplossen (FRD-903, FRD-902). Daardoor verspreiden deze stoffen zich snel in het milieu en zijn ze er niet meer makkelijk uit te verwijderen. Via het milieu kunnen de stoffen ook in de voedselketen terechtkomen. Er bestaan zorgen over de mogelijke effecten van GenX-stoffen op mens en milieu. Om de verspreiding van GenX-stoffen zo veel mogelijk te beperken is het belangrijk om te weten waar deze stoffen in Nederland in het milieu zitten. Daarom heeft het RIVM de beschikbare metingen naar GenX-stoffen over de periode 2013-2018 verzameld. Uit de metingen blijkt dat de stoffen voorkomen op de plekken waar de GenX-technologie wordt gebruikt (in Dordrecht). Daarnaast zijn ze gevonden op plekken waar de halffabricaten en afval van het GenX-proces worden verwerkt (in de provincies Noord-Brabant en Zeeland). Een landsdekkend beeld ontbreekt. Mogelijk zijn er nog andere bronnen waardoor GenX-stoffen in het milieu terechtkomen. De gevonden gehalten zijn soms hoger dan de (voorlopige) risicogrenzen voor deze stoffen. Dit geldt zowel voor metingen in oppervlaktewater en grond als in grondwater. Dit betekent niet dat er meteen risico's zijn. Wel kan een overschrijding een reden zijn om er verder onderzoek naar te doen. Metingen van GenX-stoffen beperken zich nu tot die delen van Nederland waar de GenX-stoffen naar verwachting voorkomen. Er lopen initiatieven om stoffen uit de PFAS-groep, waar de GenX-stoffen onder vallen, op verschillende plekken verspreid over Nederland te meten. Hiermee wordt mogelijk duidelijk waar deze stoffen nog meer voorkomen en uit welke (andere) bronnen ze komen. Dit kan helpen om eventuele risico's beter te kunnen beheersen. De effectiefste manier om risico's te beheersen van stoffen die slecht te verwijderen zijn uit het milieu, is de uitstoot bij de bron aan te pakken.
    • Indicatieve waterkwaliteitsnormen voor gewasbeschermings-middelen : Normvoorstellen voor 28 stoffen

      Smit, CE; Keijzers, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-24)
      Het RIVM doet voorstellen voor zogeheten indicatieve waterkwaliteitsnormen voor een aantal bestrijdingsmiddelen. Waterbeheerders meten de meeste van deze stoffen, maar er bestaan nog geen normen voor. Dit maakt het moeilijk het beleid voor de waterkwaliteit te evalueren en probleemstoffen aan te pakken. De nieuwe indicatieve normen geven waterbeheerders een eerste indruk of zij zich zorgen moeten maken over stoffen die zij in hun gebied vinden. Het RIVM heeft de voorgestelde normen vergeleken met meetgegevens uit 2017. Op basis hiervan zal bijna de helft van de stoffen naar verwachting de norm niet overschrijden. Voor de overige stoffen is dat niet zeker, omdat precieze gegevens ontbreken. Voor acequinocyl, azadirachtine-A, bifenazaat, pyrethrine, pyridalyl en tribenuron-methyl is een betere analysemethode nodig. Dit om de lage concentraties van de stoffen die bij de voorgestelde norm horen, te kunnen meten. Bij de indicatieve normen is rekening gehouden met de mate waarin mensen aan de stoffen worden blootgesteld als zij vis en visproducten eten. Dit is van belang voor stoffen die zich ophopen in vis of schadelijk kunnen zijn voor mensen. Toch bepalen in bijna alle gevallen de directe effecten op waterorganismen de hoogte van de indicatieve norm. Voor het insecticide spirotetramat is de afgeleide waarde onzeker, omdat voor deze stof de goede testen ontbreken. Indicatieve normen zijn gebaseerd op informatie uit een klein aantal databases. De bronnen van deze gegevens worden niet uitgebreid gecontroleerd. Daardoor heeft een indicatieve norm meer onzekerheden dan een gedegen norm, waarbij wel alle informatie wordt bekeken. Bij een overschrijding van een indicatieve norm kan zo'n uitgebreidere normbepaling nauwkeuriger aangeven of er een risico is.
    • Verkenning Economische Evaluaties Implantaten

      Suijkerbuijk, A; van Gils, PF; Alves, TI; Polder, JJ; de Wit, GA; Hoebert, JM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-19)
      Het kost vaak veel geld om nieuwe medische hulpmiddelen, zoals implantaten, te ontwikkelen. Ook zijn ze niet altijd kostenbesparend in het gebruik. Informatie over hoe de kosten zich verhouden tot de mate waarin ze de gezondheid en/of de kwaliteit van leven van patiënten verbeteren is daarom van belang. Deze informatie kan worden verkregen door middel van zogeheten kosteneffectiviteitstudies. Verzekeraars, artsen en instanties die beoordelen of een implantaat wordt vergoed, besteden echter weinig aandacht aan de kosteneffectiviteit van implantaten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM adviseert om bij de zorginkoop van implantaten informatie over kosteneffectiviteit mee te laten wegen. Ook bij andere afwegingen zou kosteneffectiviteit meer betrokken kunnen worden. Bijvoorbeeld bij de afweging of de zorgverzekering een product vergoedt. Verder kan transparanter worden welke factoren nu meewegen bij het besluit om implantaten te vergoeden. Om medicijnen vergoed te krijgen, moeten fabrikanten uitgebreide studies doen naar de kosteneffectiviteit. Bij implantaten is geen informatie over kosteneffectiviteit vereist. Daarnaast is vaak onduidelijk wat een (nieuw) implantaat precies kost. Voor dit onderzoek bekeek het RIVM in de wetenschappelijke literatuur de kosteneffectiviteit van drie implantaten: heupprothesen, de sterilisatiemethode Essure en bekkenbodemmatjes. De economische evaluaties in de wetenschappelijke literatuur zijn niet altijd compleet en kwalitatief niet goed. Bijwerkingen worden erin onderschat of komen niet aan bod. Als daar wel aandacht voor is, is dat vaak alleen voor de bijwerkingen op korte termijn. Hierdoor kan een te rooskleurig beeld ontstaan van de kosteneffectiviteit van het desbetreffende implantaat.
    • Beoordeling hergebruik van luier- en incontinentiemateriaal : Stappenplan en risicobeoordelingskader voor de mogelijke risico's van stoffen en pathogenen in producten

      Lijzen, JPA; van der Grinten, E; van Drongelen, AW; Moermond, CTA; Venhuis, B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-12)
      Elk jaar komen in Nederland meer dan 160 miljoen kilo gebruikte luiers voor baby's en incontinentiemateriaal voor volwassenen bij het afval terecht. Om de hoeveelheid luierafval te verminderen, kunnen materialen opnieuw worden gebruikt. Ook kunnen er nieuwe producten van worden gemaakt, zoals plastic flessen voor schoonmaakmiddelen. Het is belangrijk dat deze nieuwe producten en materialen veilig zijn voor mens en milieu. Om dat te beoordelen heeft het RIVM een stappenplan ontwikkeld. Hiermee kunnen degenen die deze materialen verwerken, de benodigde gegevens verzamelen om een risicobeoordeling te doen. In luiers en in incontinentiemateriaal komen ziekteverwekkers en medicijnresten terecht die mensen via hun urine en ontlasting uitscheiden. In het luiermateriaal zelf zitten plastics, cellulose en korrels die het vocht opnemen. Ook geeft het stappenplan vergunningverleners voor nieuwe producten en materialen handvatten om een risicobeoordeling uit te voeren. Naast de risicobeoordeling kunnen vergunningverleners en beleidsmakers naar andere voor- en nadelen kijken, zoals duurzaamheid. De producent blijft eindverantwoordelijk voor de veiligheid van zijn product. Twee afvalverwerkers hebben het stappenplan getest om het praktisch uitvoerbaar te maken. De eerste stap in de risicobeoordeling bestaat uit een algemene en relatief strenge inschatting van mogelijke risico's. Hoe veiliger het materiaal of afval is, hoe meer keuze er is om nieuwe materialen van de luiers te maken. Als het mogelijk niet veilig is, wordt in de volgende stap getoetst of de risico's van ziekteverwekkers of medicijnresten klein genoeg worden tijdens het verwerkingsproces. Ziekteverwekkers kunnen bijvoorbeeld door verhitting worden gedood. Als er daarna nog risico's zijn, wordt gekeken of ongewenste stoffen uit de gemaakte materialen vrijkomen. Als dat nog het geval is, is het misschien mogelijk om er specifieke producten van te maken waaruit de schadelijke stoffen niet kunnen vrijkomen.
    • Informative Inventory Report 2019 : Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2017

      Wever, D; Coenen, PWHG; Dröge, R; Geilenkirchen, GP; 't Hoen, M; Honig, E; Koch WWR; Leekstra, AJ; Lagerwerf, LA; te Molder, RAB; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      De uitstoot van ammoniak is in 2017 gestegen ten opzichte van 2016 en ligt met 132,4 kiloton boven het maximum van 128 kiloton dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. De toename wordt veroorzaakt doordat nieuwe bronnen die ammoniak uitstoten zijn toegevoegd aan de emissie-inventarisatie: sfeerverwarming (open haarden en allesbranders), vreugdevuren, woningbranden en mestverwerking. Ook komt het door ontwikkelingen in de landbouw, zoals een hogere mestproductie per melkkoe en een hoger gehalte aan stikstof in het gevoerde gras. De emissie van vluchtige organische stoffen is in 2017 gestegen tot 254 kiloton en ligt daarmee boven het maximum van 185 kiloton dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. Ook hier komt dat vooral doordat nieuwe bronnen zijn toegevoegd, met als belangrijkste het gebruik van kuilvoer. Daarnaast blijkt door nieuwe inzichten dat consumenten er meer van uitstoten via het gebruik van schoonmaakmiddelen. De door Europa vastgestelde maxima zijn gebaseerd op de situatie in 2000. Bronnen die daarna zijn toegevoegd, hoeven voor de toetsing aan de vastgestelde maxima niet mee te tellen. Nederland heeft daartoe een verzoek opgenomen in dit rapport. Voor ammoniak zijn dat de bronnen afrijping van gewassen, gewasresten in de bodem en mestverwerking. Voor vluchtige organische stoffen zijn dat de uitstoot uit landbouwbodems en het gebruik van kuilvoer. Dit blijkt uit het Informative Inventory Report (IIR) 2019. Het RIVM analyseert en rapporteert hierin jaarlijks met diverse partnerinstituten de uitstoot van stoffen. Lidstaten van de Europese Unie zijn hiertoe verplicht. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen.
    • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2019

      Hoogerbrugge, R; Geilenkirchen, GP; den Hollander, HA; van der Swaluw, E; Visser, S; de Vries, WJ; Wichink Kruit, RJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      Het RIVM geeft elk jaar de concentraties in de lucht in Nederland op kaarten weer, onder andere van stikstofdioxide en fijnstof. Ook wordt op kaarten aangegeven in welke mate stikstof op de bodem neerslaat. In dit rapport gaat het om de situatie in 2018. Daarnaast zijn berekeningen voor de verwachte concentraties en deposities van deze stoffen gemaakt voor 2020, 2025 en 2030. Deze GCN-kaarten worden onder andere gebruikt voor een programma om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit; NSL). De kaarten worden ook gebruikt bij de berekening van de effecten van ruimtelijke plannen op de concentraties vervuilende stoffen in de lucht. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties in de lucht De gemeten concentraties stikstofdioxide (NO2) in de lucht zijn in 2018 gemiddeld iets lager dan in 2017. Voor 2020 worden de concentraties enkele microgrammen hoger ingeschat dan vorig jaar. Dat komt vooral door tegenvallers in de verkeersemissies. De gemeten concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) waren in 2018 iets hoger dan in 2017. De inschattingen voor 2020 en 2030 zijn iets lager dan de inschattingen van vorig jaar. Hogere ammoniak De gemeten concentraties ammoniak (NH3) in de lucht zijn in 2018 veel hoger dan in 2017. Vooral het extreem warme, zonnige en zeer droge weer is hiervan de oorzaak. Ammoniak is een component van stikstof. Als te veel ammoniak op de bodem neerslaat, is dat schadelijk voor de natuur (biodiversiteit). Door de hogere concentraties in de lucht was er meer ammoniak beschikbaar om op de bodem neer te slaan. Naast ammoniak zijn de stikstofoxiden een ander onderdeel van de stikstofdepositie. De depositie van stikstofoxiden daalde. De uitstoot van ammoniak is licht gestegen ten opzichte van de voorgaande jaren (2012-2016). Het RIVM maakt de GCN-kaarten in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
    • Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services

      Jansen, BI; Meesters, JAJ; Nijkamp, MM; Koch, WWR; Dröge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      Het RIVM beschrijft de geactualiseerde methoden waarmee de Nederlandse Emissieregistratie berekent welke en hoeveel verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat hier bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. Met deze beschrijving wordt de gerapporteerde uitstoot onderbouwd. Nederland rapporteert jaarlijks volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. Dat is verplicht vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage is bedoeld voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
    • Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste : as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register

      Peek, CJ; Montfoort, JA; Dröge, R; Guis, B; Baas, K; van Huet, B; van Hunnik, OR; van den Berghe, ACWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      Het RIVM beschrijft de geactualiseerde methoden waarmee de Nederlandse Emissieregistratie de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht berekent vanuit de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA). Met deze beschrijving wordt de gerapporteerde uitstoot onderbouwd. Nederland rapporteert jaarlijks volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. Dit is verplicht vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Doelgroep voor deze rapportage zijn de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
    • Risicogestuurd toezicht en handhaving: Ranking ongewenste gebeurtenissen in de bodemketen

      Swartjes, FA; Kok, L; Vercruijsse, W; Dekker, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-06)
      Bij werkzaamheden met grond, bijvoorbeeld om wegen en dijken aan te leggen, wordt de grond onder andere gekeurd, gesaneerd of verplaatst. Deze werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op de gezondheid, het milieu, de economie en het welbevinden van mensen, zoals stress door geluidoverlast. Het RIVM heeft 258 van deze werkzaamheden met negatieve effecten vastgesteld. Een voorbeeld van deze 'ongewenste gebeurtenissen' is dat niet is gecontroleerd of een sanering goed is uitgevoerd. Of dat een partij vervuilde grond illegaal is vermengd met schone grond, zodat hij toch te gebruiken is. De grond kan ook door weersomstandigheden verwaaien. Experts uit tal van overheidsorganisaties en het bedrijfsleven hebben de ongewenste gebeurtenissen gerangschikt op de impact die ze hebben. Van de twintig meest ongewenste gebeurtenissen is bij ten minste een derde bewust de regels niet opgevolgd (fraude). Het merendeel van de ongewenste gebeurtenissen heeft te maken met de opslag van partijen grond, vermenging van grond en de beoordeling van de kwaliteit van partijen grond, om te bepalen waarvoor het mag worden gebruikt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Met deze kennis kan Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het toezicht en de handhaving gericht op werkzaamheden met grond zo efficiënt mogelijk samen met haar ketenpartners uitvoeren.
    • Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2018/2019

      Reukers, DFM; van Asten, L; Brandsema, PS; Dijkstra, F; Donker, GA; van Gageldonk-Lafeber, AB; Hooiveld, M; de Lange, MMA; Marbus, S; Teirlinck, AC; et al. (Rijksinstituut voor Volkgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-05)
      Griepepidemie De griepepidemie in de winter van 2018/2019 was mild en duurde 14 weken. Dat is langer dan het gemiddelde van negen weken in de afgelopen 20 jaar, maar korter dan de lange griepepidemie van 2017/2018 (18 weken). In totaal zijn tussen oktober 2018 en mei 2019 ongeveer 400.000 mensen ziek geworden door het griepvirus. Ongeveer 165.000 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Minder mensen moesten vanwege complicaties van griep (meestal longontsteking) in het ziekenhuis worden opgenomen. Naar schatting waren dit er ruim 11.000, tegenover 16.000 in het griepseizoen 2017/2018. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A griepvirus. Tijdens de griepepidemie zijn er 2900 mensen meer overleden dan normaal is in deze periode. Effectiviteit griepvaccin In het griepseizoen 2018/2019 hadden gevaccineerden in Nederland 57 procent minder kans op griep. Dat is ongeveer hetzelfde als in vorige griepseizoenen. In Europa werkte het vaccin minder goed tegen een van de meest voorkomende griepvirussen. Internationaal wordt uitgezocht wat de reden daarvan is. De effectiviteit van het griepvaccin kan per seizoen sterk verschillen. Dat komt omdat een half jaar van tevoren wordt bepaald welke virussen in het griepvaccin komen. Dat gebeurt op basis van de virussen die het griepseizoen ervoor in de wereld het meest voorkwamen. Maar griepvirussen kunnen veranderen, of andere griepvirussen kunnen overheersen tegen de tijd dat het griepseizoen in Nederland begint. Daardoor kan van tevoren nooit precies worden voorspeld welke griepvirussen hierin omloop zullen zijn. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan ze dan intensief volgen en als het nodig is op tijd actie ondernemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van legionella is in 2018 nog verder gestegen naar 584, het hoogste aantal ooit gerapporteerd. Het aantal gemelde gevallen van tuberculose (806), Q-koorts (18) en psittacose (64) bleef stabiel. Q-koorts, psittacose en legionella uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. Het aantal gemelde gevallen is lager dan het werkelijke aantal. Dat komt doordat vaak niet op deze ziekten wordt getest als mensen een longontsteking hebben.
    • Recente ontwikkelingen in medische stralingstoepassingen : Update ioniserende straling 2018/2019

      Boudewijns, LHA; de Waard, IR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-05)
      Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van welke nieuwe ontwikkelingen gaande zijn bij medische technieken die ioniserende straling gebruiken. Deze technieken worden gebruikt om diagnoses te stellen of ziekten te behandelen. De meeste ontwikkelingen richten zich erop om de hoeveelheid röntgenstraling te verminderen, of om preciezer te kunnen behandelen. Voorbeelden van deze medische technieken zijn röntgenfoto's en CT-scans die beelden van de binnenkant van de mens maken om een diagnose te kunnen stellen. Radiotherapie en nucleaire therapie maken de behandeling van ziektes mogelijk. Ziekten als kanker zijn met de nieuwe beeldvormende technieken beter te zien. Ook kunnen de nieuwe technieken de kwaliteit van de beelden verbeteren, waardoor minder röntgenstraling nodig is. Door nieuwe technieken in de radiotherapie kan bijvoorbeeld kanker nog preciezer worden behandeld. Het gezonde weefsel dat rond de tumor ligt, blijft daardoor zo veel mogelijk gespaard. In 2018 en 2019 zijn in Groningen, Delft en Maastricht centra geopend waarin tumoren met een ander soort straling (protonen) worden behandeld. Deze behandeling heeft voordelen bij bijvoorbeeld sommige hersentumoren en oogtumoren. Ook hier blijft het gezonde weefsel zo veel mogelijk gespaard. Bij nucleaire therapie wordt een radioactief medicijn in de bloedbaan gebracht dat kankercellen opspoort en ze gericht bestraalt. Voor de behandeling van prostaatkanker zijn grote ontwikkelingen gaande met de radioactieve stof Lutetium. Experts verwachten hier veel van. Dit overzicht is een vervolg op een rapport uit 2014. Voorbeelden van deze medische technieken zijn röntgenfoto's en CT-scans die beelden van de binnenkant van de mens maken om een diagnose te kunnen stellen. Radiotherapie en nucleaire therapie maken de behandeling van ziektes mogelijk. Ziekten als kanker zijn met de nieuwe beeldvormende technieken beter te zien. Ook kunnen de nieuwe technieken de kwaliteit van de beelden verbeteren, waardoor minder röntgenstraling nodig is. Door nieuwe technieken in de radiotherapie kan bijvoorbeeld kanker nog preciezer worden behandeld. Het gezonde weefsel dat rond de tumor ligt, blijft daardoor zo veel mogelijk gespaard. In 2018 en 2019 zijn in Groningen, Delft en Maastricht centra geopend waarin tumoren met een ander soort straling (protonen) worden behandeld. Deze behandeling heeft voordelen bij bijvoorbeeld sommige hersentumoren en oogtumoren. Ook hier blijft het gezonde weefsel zo veel mogelijk gespaard. Bij nucleaire therapie wordt een radioactief medicijn in de bloedbaan gebracht dat kankercellen opspoort en ze gericht bestraalt. Voor de behandeling van prostaatkanker zijn grote ontwikkelingen gaande met de radioactieve stof Lutetium. Experts verwachten hier veel van. Dit overzicht is een vervolg op een rapport uit 2014.
    • TEEB Stadtool : Actualisatie en Doorontwikkeling

      Does, B; Remme, R; de Nijs, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-04)
      Groen en water vergroten de gezondheid en het woonplezier in de steden. Bij stedelijke ontwikkeling is er vaak onvoldoende aandacht voor dit soort baten en krijgen economische baten voorrang. Met de TEEB Stadtool kan de maatschappelijke waarde van groen en water in steden worden berekend. De tool is nu geactualiseerd en er zijn enkele baten aan toegevoegd. De vorige versie van de TEEB Stadtool komt uit oktober 2015. De nieuwe versie bevat nieuwe of geactualiseerde 'kengetallen'. Deze getallen worden gebruikt om het effect van een maatregel in te schatten in natuurlijke en vervolgens monetaire eenheden. Beschreven is welke kengetallen uit de wetenschappelijke literatuur zijn geselecteerd en waarom. Verder is de tool uitgebreid met een groot aantal nieuwe berekeningen, zoals voor het effect van groen op luchtkwaliteit, de berging van regenwater in de bodem en de opslag van koolstofdioxide door bomen. Om de tool relevant te houden wordt geadviseerd om de berekeningen van de baten elk jaar te actualiseren. Bovendien worden suggesties gedaan over de ontwikkeling van de tool in de toekomst. TEEB, The Economics of Ecosystems and Biodiversity, is een wereldwijd initiatief uit 2007 dat wordt gefaciliteerd door de Verenigde Naties. Het is erop gericht de waarde van ecosysteemdiensten en biodiversiteit te erkennen en vast te leggen. De TEEB Stadstool is in 2013 ontwikkeld in wordt sinds 2016 beheerd door het RIVM, als onderdeel van de Atlas Natuurlijk Kapitaal.
    • Assurance system regarding the influence of medicinal products on results of IVD tests

      Moltó-Puigmartí, C; de Bruijn, A; van Drongelen, A; Meneses Leonardo Alves, T; Weda, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-03)
      Om een diagnose te kunnen stellen, worden soms tests uitgevoerd in een laboratorium, bijvoorbeeld op basis van bloed. Sommige medicijnen kunnen invloed hebben op de diagnostische test, waardoor de uitslag niet goed is. Het is daarom belangrijk dat kennis en informatie over de invloed van medicijnen op de uitslag wordt uitgewisseld tussen bedrijven en laboratoria. Doordat deze kennis niet systematisch wordt gedeeld, is de informatie niet altijd bij hen bekend. Er is nog geen centraal punt waar laboratoria, fabrikanten van tests en farmaceutische bedrijven deze informatie kunnen vinden. Daarnaast zijn laboratoria vaak niet op de hoogte van de medicijnen die een patiënt gebruikt. Daardoor is het niet altijd meteen duidelijk dat een medicijn de oorzaak is van een afwijkende testuitslag. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Diagnostische tests in laboratoria worden in vitro diagnostica (IVDs) genoemd. De invloed van medicijnen, zogenoemde interferenties, is niet altijd bekend op het moment dat het IVD wordt ontwikkeld. Ze komen vaak pas aan het licht nadat het in de handel is gebracht en wordt gebruikt in laboratoria. Als wordt ontdekt dat een medicijn interfereert met een diagnostische test, past de fabrikant van het IVD de gebruiksinstructies aan. Dan weten laboratoria dat ze rekening moeten houden met deze interferentie. Het is onbekend hoe vaak interferenties tussen medicijnen en IVD's voorkomen. Bij de IGJ komen per jaar één tot twee meldingen van nieuw ontdekte interferenties binnen. Het is mogelijk dat interferenties niet altijd worden ontdekt. Hierbij moet worden opgemerkt dat een arts zijn oordeel vaak niet alleen baseert op een IVD-test. Een arts voert vaak ook nog andere tests uit om een diagnose te stellen en weegt de symptomen en klachten van de patiënt mee.
    • Agricultural practices and water quality on farms registered for derogation in 2017

      Lukacs, S; Blokland, PW; Prins, H; Vrijhoef, A; Fraters, D; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-02)
      In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruiming wordt derogatie genoemd. Het RIVM en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2017 en de trend vanaf 2006. Op basis van deze resultaten concluderen we dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Bedrijfsvoering In 2017 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 245 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren wordt meer stikstof uit mest gebruikt voor de aanwas, en dus productie, van gewassen: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor sinds 2006 met 20 procent gedaald. Een dalend stikstofbodemoverschot houdt in dat stikstof efficiënter wordt gebruikt. Hierdoor kan er minder nitraat met regenwater wegzakken naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terechtkomen. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is daardoor sinds 2006 minder of evenveel nitraat in het grondwater terechtgekomen. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor gemiddelden per regio. Op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden, maar gemiddeld genomen voldoen steeds meer derogatiebedrijven de laatste jaren aan deze norm. De hoogste nitraatconcentraties zijn in 2017 aangetroffen in de Lössregio (38 milligram per liter) en in het zuidelijk en oostelijk deel van de Zandregio (31 milligram per liter). In deze regio's komen drogere gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan wegzakken naar het grondwater.