Now showing items 1-20 of 10056

    • Risicogrenzen voor gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater

      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-02-06
      Het RIVM heeft nieuwe risicogrenzen bepaald voor een aantal bestrijdingsmiddelen. Resten van deze middelen kunnen na gebruik namelijk in oppervlaktewater terechtkomen. De nieuwe waarden zijn bepaald omdat er voor sommige stoffen nog geen normen bestaan. Voor andere stoffen zijn de normen verouderd of zijn er aanwijzingen dat ze het ecosysteem niet genoeg beschermen. De risicogrenzen zijn advieswaarden. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) kan ze gebruiken om ‘indicatieve waterkwaliteitsnormen’ te bepalen. Deze normen geven waterbeheerders een eerste indruk of zij zich zorgen moeten maken over stoffen die zij in hun gebied vinden. De risicogrenzen zijn gebaseerd op effecten van de stoffen op planten en dieren die in water leven. Ook is gekeken naar de mate waarin mensen aan de stoffen worden blootgesteld als zij vis en visproducten eten. Bij een aantal stoffen is een extra veiligheidsfactor gebruikt om de risicogrens te bepalen. Dit is gedaan omdat er niet genoeg informatie is over de mate waarin ze schadelijk zijn voor het ecosysteem. Dit geldt vooral voor stoffen tegen schimmels (fungiciden) en mijten (acariciden). Voor meer dan de helft van de stoffen van dit onderzoek is het moeilijk om de concentraties in oppervlaktewater met de gangbare meetmethode precies te meten. Vaak kan dat wel met een extra inspanning worden verbeterd. Voor de stof milbemectine, die werkt tegen insecten en mijten, kan dat niet. Daardoor is het niet mogelijk om te controleren of de concentraties van deze stof in het oppervlaktewater onder de risicogrens blijven of niet. Voor vier stoffen adviseert het RIVM om na te gaan of het zinvol is ze te blijven meten zoals dat nu gebeurt (folpet, tefluthrin, fluroxypyr-MHE en topramezone). Topramezone is niet meer toegelaten in Nederland. Voor de andere stoffen is het de vraag of ze in het water zitten. Ze worden snel in andere stoffen omgezet of binden aan sediment, wat het lastig maakt om ze in het water op te sporen. De waterkwaliteitsnormen zijn indicatief omdat ze worden bepaald op basis van informatie uit een beperkt aantal gegevensbronnen. De kwaliteit van de informatie wordt niet uitgebreid gecontroleerd. Wanneer indicatieve normen worden overschreden, kan een uitgebreidere evaluatie van de wetenschappelijke literatuur helpen om een beter beeld van het probleem te geven.
    • De Toekomst van Gezond en Veilig Werken. Een brede horizonscan

      W van der Torre; M Lammers; K Oude Hengel; W ter Burg; L Bouwens; C Bekker; H van de Ven; M van der Noordt; L van Dam; P Eijsink; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-02-03)
      De wereld van werk verandert snel. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW(Sociale zaken en werkgelegenheid)) wil daarom weten welke ontwikkelingen de komende twintig jaar belangrijk zijn voor gezond en veilig werken. Het RIVM en TNO hebben daarom verkend welke ontwikkelingen op Nederland afkomen en wat die betekenen voor gezond en veilig werken. De verkenning laat zien dat verschillende ontwikkelingen invloed gaan hebben op gezond en veilig werken. Voorbeelden zijn een vergrijsde beroepsbevolking, globalisering, individualisering, robotisering, de energietransitie en de toename van regels (juridisering). Alle ontwikkelingen staan niet op zichzelf, maar hangen met elkaar samen. RIVM en TNO hebben de verwachte gevolgen van die ontwikkelingen op gezond en veilig werken in kaart gebracht. Daarnaast zijn er vijf strategische thema’s benoemd. Zo geven veel technologische ontwikkelingen zowel kansen als bedreigingen voor gezond en veilig werken. De invloed op gezond en veilig werken is nu nog onduidelijk, omdat het er van afhangt hoe technologieën worden ingezet. Een tweede thema is dat de mentale belasting van werkenden waarschijnlijk groter wordt. Dit komt onder meer door de combinatie van werk met zorgtaken en een hoge werkdruk door bijvoorbeeld personeelstekorten. Een derde thema is dat de autonomie van werkenden verandert. Deze kan afnemen door juridisering, of als technologie het werk eentoniger maakt. Maar de autonomie kan juist toenemen door hybride werken, of als technologie het werk uitdagender maakt. Een vierde thema is dat werkenden moeten blijven ‘leren’. Dat komt omdat werktaken snel kunnen veranderen door onder meer nieuwe technologieën en de energietransitie. Ten vijfde stapelt het aantal risico’s zich op bij kwetsbare groepen werkenden, zoals flexwerkers en werkenden met een lager inkomen. Nieuwe risico’s, zoals de blootstelling aan hogere temperaturen tijdens werk en langdurig werken op grote hoogte, treffen waarschijnlijk deze groepen werkenden. Deze horizonscan is een eerste stap. De komende jaren worden verdiepende studies uitgevoerd naar de toekomst van gezond en veilig werken.
    • An overview of the available data on reproduction toxicity of tin and inorganic tin compounds

      van Kesteren, PCE; Engelfriet, PM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-31)
      RIVM has carried out a scientific literature review for data on the toxic properties of tin and inorganic tin compounds, in particular the potential harmful effects on human fertility, foetal development and breastfeeding. Tin and inorganic tin compounds are used in a variety of applications including solder alloy production, lithium-ion batteries and other electrical applications, and as protective coatings for other metals such as in food containers. RIVM has summarised its findings. The Health Council of the Netherlands will use these summaries to assess reproductive toxicity and to provide a classification recommendation for the Minister of Social Affairs and Employment.
    • Rolverdeling, verbinding en cliëntvertegenwoordiging binnen Netwerken. Integrale Ouderenzorg Verdiepende casestudie in de regio's Drenthe, Zoetermeer en de Mijnstreek

      J Asmoredjo; L Lemmens; F Baâdoudi (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-30)
      Op veel plekken in Nederland zijn netwerken opgericht die de zorg voor thuiswonende ouderen willen verbeteren. Dit doen deze netwerken door voor meer samenwerking te zorgen tussen verschillende zorgorganisaties en zorgverleners, zoals het ziekenhuis, de huisarts, wijkverpleegkundige en casemanager. Hierdoor is de zorg voor ouderen efficiënter georganiseerd en is de kwaliteit beter. Deze netwerken integrale ouderenzorg bestaan vaak uit verschillende lagen: een overkoepelende laag met bestuurders van betrokken organisaties en een uitvoerende laag dat zich richt op bepaalde thema’s of knelpunten. Het RIVM heeft onderzocht wat een goede rolverdeling tussen de lagen is en gekeken hoe de lagen goed met elkaar in verbinding kunnen staan. Het RIVM verzamelde hiervoor ervaringen van enkele netwerken die goed werken. Een duidelijke rolverdeling tussen de verschillende lagen blijkt belangrijk. De bestuurders bepalen de overkoepelende doelen, projectgroepen op de uitvoerende laag werken deze doelen uit in concrete projecten. Daarnaast hebben de onderzochte netwerken een tussenlaag ingesteld, als schakel tussen de bestuurlijke en uitvoerende laag. Deze tussenlaag blijkt goed te werken. Van daaruit wordt belangrijke informatie van de bestuurlijk laag en de uitvoerders met elkaar gedeeld. De tussenlaag overziet alle projecten die aan een netwerk verbonden zijn en kan snel(ler) handelen. Ook kunnen mensen die op meer lagen tegelijk in het netwerk zitten (linking pins) ervoor zorgen dat belangrijke informatie bij de juiste laag terechtkomt. Het RIVM onderzocht ook hoe netwerken ervoor kunnen zorgen dat ouderen en mantelzorgers mee kunnen denken en praten binnen het netwerk. Dit kan bijvoorbeeld met cliëntvertegenwoordigers. Door hen standaard op zowel de bestuurlijke als uitvoerende laag te betrekken, blijven alle partijen zich bewust van het perspectief van ouderen en mantelzorgers. Tegelijkertijd is het belangrijk dat de cliëntvertegenwoordigers in contact staan met hun achterban. Dit alles kost tijd en geld, waarmee netwerken rekening moeten houden in planning en budget.
    • Actualisatie AERIUS Calculator en Monitor 2022

      WA Marra; SB Hazalhorst; S Jonkers; JM Schram; GJC Stolwijk; TNP Nguyen; KMF Brandt (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-26)
      Het RIVM berekent en volgt hoeveel stikstof er in de Nederlandse Natura 2000-gebieden neerkomt. Het rekeninstrument AERIUS maakt deze informatie toegankelijk. Met AERIUS Calculator berekenen overheden en initiatiefnemers van projecten hoeveel stikstof deze uitstoten en hoeveel ervan neerslaat in Nederlandse Natura 2000-gebieden. AERIUS Monitor geeft overheden inzicht in de actuele en verwachte stikstofneerslag in deze gebieden. Ook geeft het de mate waarin de natuur erdoor wordt belast aan. Calculator en Monitor ondersteunen de toestemmingverlening en de ontwikkeling van beleid. De berekeningen en inzichten moeten zo precies en actueel mogelijk zijn zodat deze informatie bruikbaar is om de juiste beslissingen op te baseren. Regelmatig komen nieuwe gegevens over de uitstoot en verspreiding van stikstof beschikbaar. Het RIVM verwerkt elk jaar deze nieuwste gegevens en inzichten in AERIUS. In dit rapport beschrijft het RIVM wat in AERIUS is geactualiseerd en wat dat betekent voor de uitkomsten in Calculator en Monitor. Dit keer zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren, achtergrondconcentraties en het landgebruik geactualiseerd. AERIUS Calculator gebruikt deze gegevens om te bepalen hoeveel stikstof door (bedrijfs)activiteiten wordt uitgestoten en in de natuurgebieden neerslaat (depositie). Daarnaast heeft het RIVM in Calculator de methode om de depositie door wegverkeer te bepalen verbeterd. Verder zijn de gegevens over de stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden geactualiseerd (de habitatkaart en doelstellingen). Door deze aanpassing veranderen de locaties waar AERIUS Calculator standaard rekent. Het RIVM maakt elk jaar depositiekaarten op basis van de laatste gegevens over de uitstoot van stikstof en metingen. Deze kaarten bepalen in AERIUS Calculator de plekken die al (bijna) zijn overbelast door stikstof. Dit heeft invloed op de vergunningverlening. In deze kaarten worden elk jaar onder andere de effecten van de ontwikkelingen in de sectoren, zoals veranderingen in het aantal dieren, en het beleid in binnen- en buitenland verwerkt. Daardoor verandert de berekende stikstofdepositie. Ook zijn de kaarten veranderd door aanpassingen in de achtergrondgegevens, bijvoorbeeld over het landgebruik. De nieuwe kaarten zijn beschikbaar in AERIUS Monitor.
    • Desinfectiemethoden in de zorg. Ontwikkelingen sinds de coronapandemie (maart 2020)

      EHW Huiberts; JM Wezenbeek (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-26)
      Sinds de uitbraak van het coronavirus zijn meer Nederlandse zorginstellingen desinfectiemiddelen voor handen gaan aanbieden aan bezoekers en bewoners of patiënten dan in de jaren ervoor. Regelmatig ontbreekt een gebruiksaanwijzing bij deze producten. Het is belangrijk dat desinfectiemiddelen goed worden gebruikt omdat het product bij verkeerd gebruik, bijvoorbeeld door een te korte inwerktijd, minder goed kan werken. Dat vergroot de kans dat infectieziekten zich verspreiden. Dit en meer blijkt uit de antwoorden op een vragenlijst onder zorginstellingen naar het gebruik van desinfectiemethoden in Nederland sinds maart 2020. Ook blijkt dat meer zorginstellingen oppervlakken zijn gaan desinfecteren, zoals tafels. Het gaat dan bijvoorbeeld om zorginstellingen voor ouderen of gehandicapten, huisartsenpraktijken en de thuiszorg. In ziekenhuizen gebeurde dit bijna altijd al. De pandemie heeft in zorginstellingen minder invloed gehad op de mate waarin en de manier waarop ruimtes, lucht en medische instrumenten worden gedesinfecteerd. Dat geldt ook voor het desinfecteren van personen, vervoersmiddelen of goederen met behulp van een ‘desinfectietunnel’. Uit de antwoorden komen ook enkele signalen naar voren. Zo blijkt dat zorginstellingen behoefte hebben aan nieuwe richtlijnen voor desinfectie. Daarbij willen zij aandacht voor desinfecteren met uv(ultraviolet )-straling, omdat de WIP(Werkgroep Infectiepreventie)-richtlijnen (Werkgroep Infectie Preventie) daar geen informatie over geven. Daarnaast hebben zorginstellingen behoefte aan meer toegelaten desinfectiemiddelen die tegen verschillende typen virussen werken. Verder zijn er zorgen dat het toegenomen gebruik van desinfectiemiddelen sinds de coronapandemie schadelijk kan zijn voor de gezondheid van zorgmedewerkers. Ook zijn sommige instellingen bezorgd dat micro-organismen door het toegenomen gebruik resistent zouden kunnen worden tegen de middelen. Aan een aantal van de genoemde signalen wordt gewerkt, zoals nieuwe richtlijnen. Het RIVM raadt het ministerie van VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ) aan deze ontwikkelingen te volgen en ook de andere signalen aandacht te geven. Het RIVM raadt zorginstellingen aan informatie te geven hoe desinfectiemiddelen juist en dus veilig kunnen worden gebruikt. Het RIVM beveelt de verantwoordelijke ministeries ook aan in kaart te brengen hoe desinfectiemiddelen worden gebruikt in andere situaties dan in de zorg. Zo komt mogelijk onveilig of onjuist gebruik van desinfectiemiddelen in beeld.
    • Inspiratiedocument Bouwstenen voor een toekomstbestendige visie op de bodem

      P Otte; M Rutgers (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-24)
      In Nederland wordt de bodem intensief gebruikt en dit zal de komende jaren verder toenemen. De bodem kan bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage leveren om klimaatverandering tegen te gaan, de effecten van klimaatverandering te verzachten, en de landbouw te verduurzamen. Dat is ook zo om de energietransitie te ondersteunen, de biodiversiteit te herstellen en grondwater schoon te houden. Dat betekent dat de bodem gezond moet zijn en al zijn functies goed moet kunnen uitvoeren. Daarom moet er bij het beheer van de bodem van Nederland meer rekening worden houden met de gezondheid van de bodem. Dit vraagt om verstandig beleid voor het gebruik van de bodem en voor duurzaam bodembeheer. Want niet alles kan tegelijk of op dezelfde plaats. Wanneer er te veel gevraagd wordt van de bodem, put deze uit en zullen veel belangrijke functies van de bodem verminderen. Het RIVM beschrijft bouwstenen die gebruikt kunnen worden voor een brede visie op het gebruik van de bodem en duurzaam bodembeheer. Een brede visie maakt het mogelijk om de opgaven voor klimaat, biodiversiteit en de energietransitie in samenhang te realiseren. Een brede visie is ook nodig om bedreigingen voor de bodemkwaliteit te beperken, zoals de bodem afdekken, vermesten, verontreinigen en uitputten. De bodem gaat iedereen aan. De betrokkenheid van burgers, boeren, industrie en overheid is daarom noodzakelijk om de voordelen van de gezonde bodem eerlijk te verdelen. Dat zorgt voor draagvlak en overeenstemming over maatregelen voor bodemgebruik en duurzaam bodembeheer. Ook is het belangrijk dat kennis wordt gedeeld zodat we samen de ruimtelijke ontwikkeling en het bodembeheer in Nederland duurzaam kunnen realiseren.
    • Monitor valpreventie - advies voor een plan van aanpak

      F Baâdoudi; J van der Heide; J Asmoredjo; P Reckman; L Lemmens (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-20)
      Het is belangrijk dat ouderen langer gezond blijven en daardoor ook langer thuis kunnen blijven wonen. Valongelukken zijn een risico. In 2021 zijn 105.000 ouderen van 65+ na een val opgenomen op de Spoedeisende Hulp. Als er geen maatregelen worden genomen, zullen dit er in 2035 naar verwachting meer dan 150.000 worden. De verwachting is dan ook dat de medische kosten door een valongeval de komende tien jaar zullen verdubbelen. Vanaf januari 2023 start het ministerie van VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ) met een Landelijk Programmaplan Valpreventie. Het doel is voorkomen dat ouderen vallen en hen leren op de goede manier te vallen. Een van de onderdelen van dit programma is een monitor. Het is de bedoeling dat de monitor de komende jaren inzicht gaat geven over de uitvoering van het Landelijk Programmaplan Valpreventie en wat dat oplevert. Het RIVM maakte daar, in opdracht van het ministerie van VWS, een plan van aanpak voor. In het plan van aanpak staat in welke onderwerpen de monitor precies inzicht moet gaan geven. Ook staat erin welke partijen de benodigde informatie kunnen geven, zoals het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS(Centraal Bureau voor de Statistiek)), VeiligheidNL, en GGD(Gemeentelijke Gezondheidsdienst)-GHOR(Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio). Verder staat beschreven welke data er al zijn, hoe ze kunnen worden verzameld, en welke gegevens nog ontbreken. Het RIVM sprak hiervoor met verschillende partijen en zette een werkgroep op. In 2023 wordt een eerste rapportage van de monitor verwacht op basis van de gegevens die dan beschikbaar zijn. Dat jaar zal ook de inhoud van de monitor verder worden bepaald. Vanaf 2024 krijgt de monitor een vastere opzet. Het streven is om de monitor in twee onderdelen op te bouwen. Een deel bevat actuele cijfers voor de gekozen maatstaven (indicatoren). Een tweede deel beschrijft de ervaringen van zowel ouderen als professionals die te maken hebben met valpreventie.
    • Literatuurstudie naar de detectie van Legionella in (drink)water

      HHJL van den Berg; R Niese; G Lynch; P Brandsema; AA Bartels; AM de Roda-Husman (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-20)
      Als mensen Legionellabacteriën inademen, kunnen ze een longontsteking krijgen. Er zijn meer dan 60 legionellasoorten bekend. In Nederland worden de meeste mensen, ongeveer 90 procent van alle legionellose-meldingen, ziek van Legionella pneumophila. Mensen kunnen via verschillende bronnen met deze bacteriën besmet raken. Legionellabacteriën kunnen bijvoorbeeld in drinkwater zitten, maar dat is meestal een andere legionellasoort dan Legionella pneumophila. De wetgeving schrijft een methode voor die alle legionellabacteriën in drinkwater kan aantonen. Hoewel bijna nooit mensen ziek worden van de meeste legionellasoorten in drinkwater, moeten ze volgens de wet wel allemaal worden verwijderd. Er is daarom al enkele jaren discussie om voor bepaalde instellingen, zoals hotels en zwembaden, niet alle legionellabacteriën in drinkwater aan te tonen maar alleen Legionella pneumophila. Het RIVM heeft in dit verband uitgezocht welke methoden bestaan om legionellabacteriën, en vooral Legionella pneumophila, in drinkwater op te sporen. Veel verschillende methoden in de wetenschappelijke literatuur zijn veelbelovend. Vijf van deze methoden hebben kunnen aantonen dat ze even goed of beter zijn dan methode die de wet nu voorschrijft. Van alle beschreven methoden kan het RIVM er niet één als de beste aanwijzen. Dat komt omdat ze op een andere manier de legionellabacteriën aantonen dan de wet voorschrijft. Ook moet onderzocht worden of de methoden in de praktijk goed en betaalbaar zijn uit te voeren. Het RIVM adviseert het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW(Infrastructuur en Waterstaat)) dat het onder de bestaande voorwaarden wettelijk mogelijk moet blijven om een andere methode te gebruiken. Verder wordt aanbevolen om te onderzoeken hoe de juridische omschrijving voor de wettelijke norm van legionellabacteriën in drinkwaterinstallaties kan worden aangepast zodat er ook ruimte is voor nieuwe methoden. Zo moet een methode volgens de wet onder andere aantonen of er een kolonie van legionellabacteriën kan ontstaan. Dat kan niet met alle gevonden methoden. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in opdracht van het ministerie van IenW. Het heeft de wetenschappelijke literatuur onderzocht en gesproken met de drinkwaterlaboratoria en het Nederlands Normalisatie Instituut.
    • Wat weten we over microplastics in het milieu? Kennisagenda Microplastics in het milieu

      Quik, JTK; Faber, M; Ridder, J; Waaijers-van der Loop, SL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-18)
      Microplastics zijn kleine kunststofdeeltjes, kleiner dan 5 millimeter. Ze zitten bijna overal in het milieu. Het is bekend dat ze in experimenten in het laboratorium schadelijke effecten kunnen hebben op planten en dieren. Maar het is nog niet bekend of deze effecten ook echt in het milieu optreden. Dat komt onder meer omdat de vorm, grootte en samenstelling van het materiaal sterk verschillen. Zeker is dat er steeds meer microplastics in het milieu bij komen. Oplossingen zijn nodig om dit te beperken en schadelijke effecten te voorkomen. Meer onderzoek naar microplastics is hiervoor cruciaal. Er is al veel onderzoek naar microplastics gedaan, maar daarvan is geen goed overzicht. Hierdoor is niet duidelijk welke kennis ontbreekt om tot goede oplossingen te komen. Het RIVM heeft daarom een overzicht gemaakt van de kennis die nog nodig is om te kunnen bepalen of microplastics in het milieu schadelijk zijn. Met dit overzicht kunnen onder andere beleidsmakers gericht kiezen welk onderzoek als eerste moet worden gedaan om bijvoorbeeld meer inzicht in schadelijke effecten te krijgen. Met de resultaten daarvan kan beter worden bepaald welke maatregelen het meest effectief zijn. Het RIVM heeft voor dit onderzoek gesproken met hoogleraren en experts. Zij gaven aan dat het moeilijk is om te bepalen welke kennis als eerste nodig is, omdat er nog zoveel onbekend is. Wel is duidelijk dat de kennis in samenhang moet worden beoordeeld om schadelijke milieu-effecten te kunnen bepalen en effectieve oplossingen te bedenken. Informatie die nu nog ontbreekt voor een goede risicobeoordeling voor het milieu is bijvoorbeeld hoe snel microplastics afbreken in kleinere plastic deeltjes en andere stoffen in bodem en water, en het verschil daarin per bron. Ook is niet voldoende bekend bij welke grootte en hoeveelheid microplastics schadelijk zijn. Naast maatregelen vanuit beleid, is aandacht nodig voor hoe gedragsverandering en innovatie kunnen zorgen dat er minder microplastics in het milieu terechtkomen. ZonMw (Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie)heeft in 2020 een kennisagenda opgesteld om beter zicht te krijgen op risico’s van microplastics voor de gezondheid van de mens. Samen met deze kennisagenda geeft dat de kennisbehoeften aan voor microplastics.
    • Ervaringen en behoeften van ouderen tijdens de corona-epidemie. Verder kijken dan virusbestrijding

      G Engels (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-16)
      De overheid stelde tijdens de corona-epidemie maatregelen in om kwetsbare groepen, zoals ouderen, te beschermen. Deze maatregelen hadden grote gevolgen voor het dagelijks leven van ouderen. Het RIVM onderzocht hoe zij de corona-epidemie hebben ervaren en welke behoeften ze hadden. De overheid, gemeentes en organisaties voor ouderen kunnen deze informatie gebruiken als er een nieuwe golf komt, of een nieuwe epidemie. Het RIVM sprak met 26 ouderen en met professionals die veel met ouderen werken. Volgens meerdere ouderen lag tijdens de coronaperiode de nadruk te veel op de lichamelijke gezondheid. Hierdoor is de menselijke maat in de knel gekomen. Er was bijvoorbeeld te weinig aandacht voor sociale contacten, mee kunnen doen met activiteiten en eigen keuzes kunnen maken over gezondheid. Een aantal zaken viel op. Ouderen gaven aan dat de communicatie over het virus en de maatregelen soms onduidelijk was. Zij begrepen bijvoorbeeld niet waarom sommige maatregelen waren ingevoerd. Ouderen noemden verder het gemis aan sociaal contact. Zij vonden ook dat de menselijke maat miste in de maatregelen. Tegelijkertijd viel op dat ze aangaven een gevoel van berusting te ervaren en de situatie konden accepteren zoals die was.
    • Footprint luchtvaart Schiphol op luchtkwaliteit

      S Visser; T Hofman (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-13)
      Elk jaar stelt de Inspectie Leefomgeving en Transport ( ILT (Inspectie Leefomgeving en Transport)) de Staat van Schiphol op. Dit overzicht geeft vanuit verschillende perspectieven inzicht in de veiligheid en duurzaamheid op en rond de luchthaven. Voorbeelden zijn het aantal aanrijdingen, botsingen met vogels en geluidniveaus. Een van de perspectieven waar inzicht in wordt gegeven is luchtkwaliteit. De ILT gebruikt cijfers van het RIVM om de bijdrage van Schiphol aan de luchtkwaliteit in de regio te bepalen. Het RIVM heeft deze gegevens digitaal aangeleverd en geen beschouwing gemaakt van de aangeleverde gegevens. Het RIVM heeft voor de ILT berekend in welke mate acht sectoren bijdragen aan de concentraties van zes luchtverontreinigende stoffen. De sectoren zijn: industrie, weg- en railverkeer, luchtvaart, scheepvaart, landbouw, diensten, consumenten en het buitenland. Op deze manier wordt de bijdrage van de luchtvaart aan de luchtkwaliteit rond Schiphol naast die van andere sectoren geplaatst. Het gaat om de stoffen: stikstofoxiden, stikstofdioxide, fijnstof ( PM10 (fijnstof)en PM2,5 (fijnstof)), zwaveldioxide en roet. De berekeningen zijn gedaan voor een gebied van 20 bij 20 vierkante kilometer rondom Schiphol. De concentraties zijn berekend voor de jaren 2015 tot en met 2020. Dit levert een beeld op van de mate waarin Schiphol door de jaren heen aan de luchtkwaliteit bijdraagt. Voor de berekeningen zijn de uitgangspunten gebruikt van de berekening van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland ( GCN (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland)) van 2021.
    • Do-It-Yourself Products Fact Sheet. Default parameters for estimating consumer exposure - Updated version 2022

      A Cieszynsky; C Jung; T Schendel; W ter Burg (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2023-01-10)
      Om mogelijke risico’s van chemische stoffen in consumentenproducten te kunnen beoordelen, is een goede schatting nodig van de mate waarin mensen eraan blootstaan als zij het product gebruiken. Voor deze schatting heeft het RIVM het computerprogramma ConsExpo ontwikkeld, waarvoor recentelijk een webapplicatie is gemaakt (ConsExpo Web). Hiermee kan bijvoorbeeld de blootstelling van een bepaalde chemische stof binnenshuis tijdens het gebruik van bijvoorbeeld verf, schoonmaakmiddelen of cosmetica worden berekend. Voor de gebruikers van ConsExpo Web zijn Factsheets geschreven waarin standaardmodellen en standaardwaarden (defaults) staan voorgeschreven. Door deze modellen en waarden te gebruiken, wordt de blootstellingsschatting op een transparante en gestandaardiseerde manier uitgevoerd. Er zijn meerdere Factsheets, waarvan nu de Factsheet over doe-het-zelfproducten is herzien. In de Factsheet over doe-het-zelfproducten staan standaardwaarden die bruikbaar zijn om de blootstelling aan een stof in een doe-het-zelfproduct te schatten. Voorbeelden van die waarden zijn de frequentie van het gebruik en hoeveelheden van het gebruikte product. In de herziene versie staan de nieuwste beschikbare databronnen beschreven, is de nieuwe informatie beoordeeld en waar nodig zijn de standaardwaarden aangepast. Parallel aan de publicatie van de herziene doe-het-zelfproducten Factsheet zullen ook de gepubliceerde standaardwaarden in de ConsExpo-database van onder meer lijmen, kitten, vullers, en coatings worden vernieuwd.
    • Inventarisatie Zeer Zorgwekkende Stoffen in bestrijdingsmiddelen

      Komen, CMD; Wezenbeek, JM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-12-22)
      In Nederland geldt regelgeving om de uitstoot naar lucht en lozingen in water van Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS (Zeer Zorgwekkende Stoffen )) door bedrijven te minimaliseren. Dit zijn stoffen waarover zorgen bestaan, bijvoorbeeld omdat ze kankerverwekkend zijn of zich opstapelen in de voedselketen. Er is een lijst van deze stoffen gemaakt. Voor bestrijdingsmiddelen gelden Europese regels. Deze middelen mogen alleen worden gebruikt als ze veilig zijn voor mens, dier en milieu. Ook het toelatingsbeleid voor bestrijdingsmiddelen bevat regels voor zorgwekkende stoffen. Sommige van deze stoffen zijn verboden in bestrijdingsmiddelen en andere moeten waar mogelijk worden vervangen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW (Infrastructuur en Waterstaat)) wil dat er zo min mogelijk ZZS in het milieu terechtkomen, dus is benieuwd naar de ZZS in het milieu die van bestrijdingsmiddelen kunnen afkomen. Het ministerie wil daarom weten welke ZZS in bestrijdingsmiddelen zitten, en in hoeveel verschillende middelen. Ook wil het ministerie weten waarin de regels voor zorgwekkende stoffen in bestrijdingsmiddelen verschillen van de regels voor de uitstoot en lozingen van ZZS door bedrijven. Het ministerie wil namelijk zo min mogelijk verschillen in regels voor zorgwekkende stoffen. Het RIVM heeft deze vragen beantwoord. In ongeveer 20 procent van de bestrijdingsmiddelen in Nederland zitten ZZS. In ongeveer 10 procent zitten stoffen die ervan worden verdacht ZZS te zijn, en in ongeveer 5 procent per- en polyfluoralkylstoffen ( PFAS (Per- en polyfluoralkylstoffen )). Het toelatingsbeleid voor bestrijdingsmiddelen accepteert alleen aanvaardbare risico’s voor mens, dier en milieu. Dat geldt ook voor de bestrijdingsmiddelen die deze stoffen bevatten. Het RIVM wijst er wel op dat het huidige Nederlandse ZZS-beleid bedoeld is om ZZS uit het milieu te weren. Het ZZS-beleid heeft voor een deel dezelfde zorgwekkende stoffen in beeld als het toelatingsbeleid voor bestrijdingsmiddelen. Maar er zijn ook verschillen. Zo is de definitie van een zorgwekkende stof in een bestrijdingsmiddel net iets anders dan de definitie van een ZZS. Hierdoor is een zorgwekkende stof in het ZZS-beleid soms geen zorgwekkende stof in een bestrijdingsmiddel, en andersom. Het RIVM geeft mogelijkheden om de verschillen tussen de twee soorten regels te verkleinen. Bijvoorbeeld door de verschillende definities van wat een zorgwekkende stof is op elkaar af te stemmen. Het RIVM beveelt aan ook te onderzoeken in welke hoeveelheden de verschillende bestrijdingsmiddelen met ZZS worden gebruikt.
    • Zitgedrag. Van vragenlijst tot cijfer

      Duijvestijn, M; den Hartog, S; van Deemter, S; Wendel-Vos, W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-12-19)
      Voor een goede gezondheid is het belangrijk om regelmatig te bewegen en niet te veel te zitten. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om op een standaard manier te berekenen hoeveel tijd mensen in Nederland gemiddeld per dag zitten (zitgedrag). De tijd wordt weergeven in uren en minuten. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen een doordeweekse dag en een dag in het weekend. Dit rapport is bedoeld voor onderzoekers. Met een standaardberekening kunnen zij de resultaten van verschillende onderzoeken met dezelfde werkwijze beter met elkaar vergelijken. Deze methode wordt in dit rapport uitgelegd. De daadwerkelijke stappen van de berekening zijn uitgewerkt in een statistiekprogramma. Een voorbeeld hiervan is te downloaden via www.sportenbewegenincijfers.nl/methode. Voor de berekening gebruikt het RIVM gegevens van de Leefstijlmonitor (die het RIVM en VeiligheidNL samen met het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek)uitvoeren). De vragen over zitgedrag zijn onderdeel van de Aanvullende Module Bewegen en Ongevallen van deze monitor. De vragenlijst is gebaseerd op de zogeheten Marshall-vragenlijst. Hierbij krijgen mensen vragen over hoe lang zij zitten. Er wordt onderscheid gemaakt in zes ‘domeinen’. Dat zijn: vervoer, werk, school/studie, thuis bij het gebruik van computer/tablet/smartphone, televisie kijken en overig. Ook wordt gevraagd hoeveel tijd mensen besteden aan slapen en een dutje doen. Deze informatie is nodig om het zitgedrag te kunnen berekenen. De aanleiding voor dit onderzoek zijn de nieuwe ‘Beweegrichtlijnen’ van de Gezondheidsraad in 2017. Hierin staat dat het belangrijk is om veel stilzitten te voorkomen. Het aantal uren dat Nederlanders zitten op een gemiddelde dag in de week is een van de twintig maten voor sport en bewegen (ook wel ‘kernindicatoren’ genoemd).
    • Monitoringsrapportage NSL 2022. Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

      de Smet, PAM; Geijer, MG; Hofman, T; Huitema, MS; Wesseling, JP; Groot Wassink, JK; Sanders, AS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-12-16)
      In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit ( NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit)) werken de overheden sinds 2009 samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De monitor van het NSL is onder andere bedoeld om te kijken of Nederland de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit haalt. En als dat niet zo is, of extra maatregelen nodig zijn om ze toch zo snel mogelijk te halen. Het RIVM rapporteert elk jaar over stikstofdioxiden en fijnstof in de lucht. Uit de rapportage 2022 blijkt dat de luchtkwaliteit in 2021 bijna hetzelfde is als in 2020. Ook in 2021 voldoet Nederland voor wegverkeer aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide. Voor fijnstof is dat ook het geval langs de wegen in Nederland, met uitzondering van een klein stuk weg van 200 meter bij Velsen. Op enkele woonlocaties in gebieden met intensieve veehouderijen zijn de grenswaarden van fijnstof in 2021 nog steeds overschreden; iets meer dan in 2020. De lage concentraties voor stikstofdioxide en fijnstof in 2020 en 2021 komen onder andere door de maatregelen die zijn genomen tegen de verspreiding van het coronavirus. Er was daardoor binnen en buiten Nederland minder verkeer en economische activiteit, en dus minder uitstoot. Dit effect is waarschijnlijk tijdelijk. In 2021 zijn de concentraties wel iets hoger dan in 2020, waardoor er iets meer overschrijdingen berekend zijn. Dit komt mogelijk doordat er in 2021 meer verkeer en meer economische activiteit waren dan in 2020. Het is niet duidelijk of het effect helemaal verdwijnt als de coronamaatregelen worden opgeheven. De verwachting is wel dat de luchtkwaliteit de komende jaren verder verbetert. Dat komt doordat verkeer, industrie en veehouderijen naar verwachting minder stikstofdioxide en fijnstof zullen uitstoten. Zo worden bijvoorbeeld elk jaar oudere auto’s vervangen door nieuwere die minder stikstofoxiden uitstoten. In 2030 worden de Europese grenswaarden die nu voor stikstofdioxiden en fijnstof gelden naar verwachting niet meer overschreden. Tegen die tijd zijn er, naar verwachting, nog meer maatregelen genomen voor een nog betere luchtkwaliteit en voor het klimaat. Een ander beeld ontstaat als wordt gerekend met de nieuwe, strengere advieswaarden van de WHO (World Health Organization) uit 2021. Dan zijn veel inwoners in 2021 blootgesteld geweest aan concentraties boven de advieswaarden. Deze waarden zijn nu niet in Nederlandse wetgeving opgenomen.
    • De gevaren van dumpingen en lozingen van drugsproductieafval voor de kwaliteit van drinkwaterbronnen

      RC van Leerdam; IH van Driezum; MH Broekman (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-12-15)
      In Nederland worden in illegale laboratoria veel synthetische drugs gemaakt, zoals amfetamine en XTC (Ecstacy (3,4-Methylenedioxy Methamphetamine)). Het afval wordt onder andere in vaten in de natuur en op straat gedumpt, of op het riool geloosd. Veel van deze stoffen zijn schadelijk voor de gezondheid. Elk jaar ontdekt de politie in Nederland ongeveer 200 dumpingen van dit soort afval. Dat gebeurt ook in de buurt van waterwinningen; de meeste in de zuidelijke provincies en in het oosten van het land. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht in hoeverre dit schadelijk kan zijn voor de kwaliteit van het drinkwater. Hieruit blijkt dat ongeveer 20 procent van de dumpingen plaatsvindt in de buurt van of in gebieden waar water uit de grond wordt gehaald voor de bereiding van drinkwater (grondwaterbeschermingsgebieden). Daarnaast zijn in gezuiverd rioolwater van enkele rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) in het zuiden van Nederland regelmatig sporen of zelfs hoge concentraties van synthetisch drugs gevonden. Deze stoffen zijn ook in enkele oppervlaktewateren gevonden. Deze verontreinigingen kunnen invloed hebben op de kwaliteit van het water dat wordt gewonnen voor de drinkwaterbereiding. Het afval van de drugsproductie is vaak een mengsel van stoffen waarmee de synthetische drugs worden gemaakt. Voorbeelden zijn oplosmiddelen, zuren en basen, en de stoffen om de drugs van te maken. Deze schadelijke stoffen worden niet standaard gemeten in het Nederlandse watersysteem. Het RIVM beveelt aan om dat op meerdere plekken in de waterketen te doen. Dat wil zeggen: in gezuiverd rioolwater, grondwater, oppervlaktewater en op de plekken waar water wordt gewonnen voor de bereiding van drinkwater. Met meer meetgegevens kan beter worden beoordeeld hoe de stoffen zich verspreiden, of mensen eraan blootstaan via drinkwater en welke schadelijke effecten dat kan hebben. Ook wordt aanbevolen om te bepalen tot welke concentraties in drinkwater deze stoffen gezondheidskundig zeker veilig zijn (drinkwaterrichtwaardes). Verder is het belangrijk dat de partijen die als eerste bij een dumping zijn (politie en brandweer) goed communiceren met drinkwaterbedrijven en waterschappen. Het RIVM beveelt aan om een protocol te ontwikkelen zodat duidelijk is wie op zo’n moment welke maatregelen kan nemen. Als de betrokken partijen elkaar beter en sneller kunnen vinden, kan de schade van de dumpingen worden verminderd.
    • Staat van Infectieziekten in Nederland, 2021

      Klous, G; McDonald, S; de Boer, P; van Hoek, AJ; Franz, E; van Rooijen, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-12-14)
      Each year, RIVM provides an overview of the most important developments in infectious diseases in the Netherlands and, if relevant for the Netherlands, abroad. This State of Infectious Diseases provides policy makers among which, those working at the Ministry of Health, Welfare and Sport and the Municipal Health Services, with insight into these developments. In 2021, the coronavirus pandemic entered its second year. The Dutch government continued taking measures to prevent the spread of the coronavirus. These coronavirus measures also appear to have had an effect on the incidence of infectious diseases other than COVID-19. For instance, the seasonal flu epidemic occurred far later in the winter of 2021–2022 than before the pandemic. There was also an epidemic of the RS virus, which started much earlier than normal and lasted very long. Notably, almost no cases of pertussis (whooping cough) have been reported in the Netherlands since the coronavirus measures were introduced. Also noteworthy is the sharp rise in scabies infections in care-facilities the Netherlands in 2021. The State of Infectious Diseases also reports on the number of ‘healthy life years’ lost due to infectious diseases across the Dutch population. This number is expressed in disability-adjusted life years (DALYs), a measure that combines the duration and severity of a disease with the number of people who have it. In 2021, most healthy life years in the Netherlands were lost due to COVID-19 (218,900 DALYs), the flu (10,200 DALYs) and severe pneumococcal disease (8,300 DALYs). In 2020, this top three did not include flu and consisted out of: COVID-19 (169,400 DALYs), legionnaires’ disease (6,300 DALYs) and severe pneumococcal disease (6,200 DALYs). Every year, the report zooms in on a specific topic. This year’s thematic section gives an overview of the coronavirus measures taken from March 2020 to May 2022 and the numbers of infectious diseases occurrences in this period. These numbers were compared to those from the period 2015–2019. There were four discernible patterns in infectious disease incidence in the coronavirus pandemic years. Rates of many infectious diseases went down after restrictions were implemented and up again when they were lifted. However, these increases came at different times than in previous years, for some infectious disease rates just returned to pre-pandemic levels, whilst others remained very low. There are 10 infectious diseases on which coronavirus measures appear to have had no impact at all. A possible explanation for these diverging patterns is that different measures, such as social distancing, hand washing and reduced travel, had different effects on different infectious diseases. It is also likely that fewer people visited a doctor due to the high demand for care.
    • Critical emission limit values for building materials: technical background, interpretation and reconstruction. A contribution to the knowledge base for environmental standards of building material standards

      A Negash; A Verschoor (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-12-14)
      Nederland werkt aan een circulaire economie in 2050. Dat betekent dat er zo min mogelijk afvalstoffen zijn en zo veel mogelijk producten en materialen worden hergebruikt. Het hergebruik van bouwstoffen draagt bij aan de circulaire economie. Maar er kunnen verontreinigende stoffen, zoals metalen, in bouwstoffen zitten die er een lange tijd uit kunnen lekken. Als bouwstoffen op de bodem worden gebruikt, kan dat een negatief effect hebben op de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Om dit te voorkomen hebben het RIVM en ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland)in 2007 ‘kritische emissiewaarden’ berekend. Deze waarden geven aan hoeveel van een verontreinigend metaal uit een bouwstof mag lekken. De kritische emissiewaarden zijn de basis voor de maximale emissiewaarden uit het Besluit Bodemkwaliteit. Beleidsmakers hebben de kritische emissiewaarden gebruikt om deze normen te bepalen. Ze hebben daarbij ook andere belangen, zoals haalbaarheid, meegenomen. Bouwstoffen moeten aan deze normen voldoen als ze op en in de bodem worden gebruikt en hergebruikt. Er komen veel nieuwe chemische stoffen en bouwstoffen op de markt. Er is daardoor aandacht voor de emissiewaarden en hoe ze zijn bepaald. Om het ministerie goed over oude en nieuwe emissiewaarden te kunnen adviseren heeft het RIVM de technische achtergrond en modellering waarmee de emissiewaarden zijn afgeleid, gereconstrueerd. De werkwijze blijkt goed te zijn herleiden omdat de reconstrueerde waarden goed overeenkomen met uitkomsten van 2007. De kritische emissiewaarden zijn gebaseerd op een standaard scenario voor het gebruik van bouwstoffen. Als het gebruik in de praktijk anders is dan het scenario, dan kunnen effecten op het milieu worden over- of onderschat. Daarom onderzocht het RIVM de invloed van verschillende scenario’s op kritische emissiewaarden en geeft het enkele suggesties voor verder onderzoek. Bijvoorbeeld om de kritische emissiewaarden per metaal te laten afhangen van de manier waarop het bouwmateriaal wordt gebruikt. Een ander idee is om aparte emissiewaarden te bepalen voor de meest gebruikte bouwstoffen. Verder kan het zinvol zijn het effect van een stof te onderzoeken over een langere periode dan de honderd jaar die nu gebruikelijk is. Sommige stoffen komen dan pas vrij.
    • Hoe speelden organisaties, netwerken en gemeenschappen in op de coronamaatregelen? Verantwoording en verdieping van een kwalitatief onderzoek in het maatschappelijk middenveld tijdens de COVID-19-pandemie (2020-2022)

      Kolner, C; van der Borg, W; Vegt, K; Mensinga, X (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-12-13)
      Het RIVM raadt nationale en lokale overheden aan om zogeheten sleutelfiguren te betrekken bij beleid, om voorbereid te zijn op een toekomstige pandemie. Deze personen in organisaties en in wijken zijn de schakel tussen overheden en inwoners. Denk aan professionals en vrijwilligers die actief zijn binnen de sectoren onderwijs, zorg, sport, kunst en cultuur en welzijnswerk. Sleutelfiguren hebben er tijdens de coronapandemie voor gezorgd dat er, ondanks de beperkingen van de maatregelen, aandacht bleef bestaan voor het sociale en mentale welzijn van mensen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Door de coronamaatregelen kwam de kwaliteit van sociale contacten onder druk te staan. Mensen verloren verbinding met elkaar maar soms ook hun werk en zekerheid. Sleutelfiguren liepen tegen veel dilemma’s aan wanneer de coronamaatregelen botsten met de zogeheten sociale kwaliteit. Toch lukte het hen om het dagelijks leven in de openbare ruimte, in de zorg en op het werk, zo goed als mogelijk te laten doorgaan. Dit was vooral belangrijk voor mensen die het tijdens de pandemie extra moeilijk hadden. Denk aan jongeren, ouderen, daklozen, chronisch zieken, leden van de LHBTI+-gemeenschap en migranten. De betrokkenheid van sleutelfiguren droeg bij aan democratische waarden als sociale rechtvaardigheid en gelijke kansen voor gezondheid. Sleutelfiguren staan dicht bij mensen. Zij geven vaak het goede voorbeeld en handelen snel als mensen hulp nodig hebben. Zij legden de maatregelen duidelijk uit, stelden aangepaste protocollen op voor de werkvloer en pasten de werk- en leefomgeving aan. Dit versterkte het vertrouwen in het coronabeleid. Ze zorgden er vooral voor dat mensen met elkaar in verbinding bleven. Dit deden ze door digitaal overleg te stimuleren, samen aangepaste activiteiten te bedenken, zoals buitensport, en door zingeving en creativiteit te stimuleren. Daarnaast boden zij praktische, sociaalemotionele en soms financiele steun. Gaandeweg ontdekten zij welke aanpassingen op het coronabeleid in hun omgeving werkten. Voor dit onderzoek heeft het RIVM 95 sleutelfiguren geinterviewd, tussen oktober 2020 en augustus 2021. Hun dilemma’s en creatieve oplossingen zijn geanalyseerd. De verhalen staan op de RIVM-website.