Now showing items 1-20 of 9653

    • Nucleair-geneeskundige therapieën: potentiële blootstelling voor derden : Dosisberekeningen als basisinformatie voor de herziening van maatregelen en leefregels

      Kloosterman, A; van Dijk, A; Boudewijns-Schoonderbeek, L; van Dillen, T; Kok-Palma, Y; van der Reijden, A; Siegersma, D; Velsma, M; de Waard-Schalkx, I; Dekkers, F (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-15)
      In Nederland krijgen patiënten bij de behandeling van bepaalde ziekten in totaal ongeveer 4500 keer per jaar radioactieve stoffen toegediend. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij schildklierkanker en uitgezaaide prostaatkanker. Door deze behandeling kunnen patiënten zelf een bron van straling worden. Als zij naar huis mogen, kunnen zij mensen in hun omgeving blootstellen. Dit geldt voor directe familieleden, maar ook voor verzorgers, chauffeurs, medepassagiers in een vliegtuig, enzovoort. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de blootstelling aan straling flink lager kan worden met 'leefregels' na ontslag uit het ziekenhuis. Voorbeelden zijn afspreken om de duur van het contact met de patiënt te beperken, of de afstand tot die persoon te vergroten. Leefregels hebben het meeste effect voor handelingen die lang duren, zoals slapen, naar school gaan of studeren, uitgaan en zorgen voor kinderen. Het RIVM heeft een methode opgezet om te berekenen aan hoeveel straling mensen in de omgeving van een patiënt blootstaan en wat het effect van leefregels is. Hierin zijn scenario's verwerkt voor alledaagse situaties met bijvoorbeeld de partner, kinderen en verzorgers van de patiënt. Deze scenario's kunnen worden aangepast of uitgebreid. De resultaten van dit onderzoek worden gebruikt om de leefregels die die patiënten nu mee naar huis krijgen te actualiseren. De huidige leefregels zijn namelijk opgesteld in 2004 en zijn nog niet toegespitst op nieuwere therapieën.
    • Verkennende metingen aan ultrafijn stof in het IJmondgebied

      Weijers, EP; Vonk, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2020-07-08)
      Het RIVM heeft in december 2019 en januari 2020 gemeten hoeveel ultrafijn stof (UFP) in het IJmondgebied in de lucht zit. Ultrafijn stof is het aantal zeer kleine deeltjes in de lucht (kleiner dan 0,1 µm). Ultrafijn stof komt in het algemeen van industrie, weg- en vliegverkeer en scheepvaart. Het onderzoek richtte zich op de hoeveelheid ultrafijn stof in IJmuiden, Wijk aan Zee en Beverwijk. Daarbij keken de onderzoekers of er verschillen zijn tussen plekken, tijdstippen en weersomstandigheden. Omdat dit verkennende metingen zijn geweest, worden er in dit rapport geen uitspraken gedaan over gezondheidseffecten. Tijdens de meetperiode kwam de wind vooral uit het zuiden en zuidwesten. Dit heeft invloed op de meetresultaten. Gemiddeld zijn in Wijk aan Zee de meeste ultrafijne stofdeeltjes gemeten. De aantallen ultrafijne stofdeeltjes zijn dan bijna vergelijkbaar met een drukke straat in de stad. In IJmuiden is het minste ultrafijn stof gemeten. In Wijk aan Zee en Beverwijk is ten tijde van de metingen meer ultrafijn stof gemeten dan in Ookmeer. Ookmeer is een achtergrondstation in Amsterdam-West. Voor elk meetpunt is berekend welke windrichtingen meer of minder bijdragen. Daardoor weten we dat het ultrafijn stof komt uit het gebied tussen IJmuiden en Wijk aan Zee. Hier zijn meerdere activiteiten waarbij ultrafijn stof kan vrijkomen: industrie, scheepvaart en zwaar transport. Welke bronnen precies de oorzaak zijn, is niet vast te stellen met de informatie uit dit onderzoek. Het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht van de provincie Noord-Holland.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2018

      Lukács, S; Blokland, PW; van Duijnen, R; Fraters, D; Doornewaard, GJ; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-03)
      In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest waar stikstof in zit, op hun land gebruiken dan de algemene norm van de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan specifieke voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Hieruit blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. De aanhoudende droogte in 2018 heeft wel negatieve effecten gehad op de waterkwaliteit in 2019. Doordat de gewassen minder goed groeiden, namen zij minder stikstof op. Hierdoor bleef er meer stikstof in de bodem achter en kwam er meer in het grondwater terecht. Dit blijkt uit de resultaten van 2018 en een analyse van de ontwikkeling sinds 2006. Bedrijfsvoering In 2018 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 244 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt (dit wordt in kilogrammen stikstof aangegeven omdat het per diersoort verschilt hoeveel stikstof er in mest zit). Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te produceren: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er in deze jaren minder nitraat met regenwater is weggezakt naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terecht is gekomen. Door de droogte in 2018 is het stikstofoverschot in de bodem met 12 procent gestegen in vergelijking met de voorgaande jaren. Grondwaterkwaliteit Vanaf 2015 lag de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatie bedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Wel zijn door de droogte de concentraties in 2019 in alle regio's gestegen. In de Lössregio kwam de gemiddelde concentratie boven de norm uit (65 milligram per liter). Toch zijn zowel in de Zandregio als in de Lössregio de concentraties gedaald als we naar de hele meetperiode kijken. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
    • Chroom-6 in kunstschilderverf onder REACH

      Brand, W; Luit, R; Wijnhoven, SWP; Herremans, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-02)
      In 2019 concludeerde het RIVM dat de blootstelling van consumenten aan chroom-6 via alledaagse producten laag is en geen risico voor de gezondheid vormt. Wel bleef er nog onduidelijkheid bestaan over chroom-6 in een bepaalde soort verf, namelijk kunstschilderverf. Verschillende chroom-verbindingen worden al eeuwen als pigment in verf gebruikt. Het RIVM heeft nu uitgezocht wat er wettelijk is geregeld voor chroom-6 in kunstschilderverf. Kunstschilderverf blijkt in de Europese wetgeving voor chemische stoffen (REACH) een 'uitzondering' te zijn, wat betekent dat er schadelijke stoffen in mogen zitten. Hierdoor is het niet verboden om bepaalde chroom-6-verbindingen als pigment in kunstschilderverf te gebruiken. Het lijkt er echter op dat deze verbindingen niet in kunstschilderverf worden gebruikt. Voor een deel van de chroom-6-verbindingen moet de Europese Commissie sowieso een zogenoemde autorisatie verlenen. Zonder zo'n specifieke toestemming mogen deze chroom-6-verbindingen niet worden gebruikt. De Commissie heeft echter geen autorisaties gegeven voor het gebruik van deze chroom-6-verbindingen in kunstschilderverf, en dus is het niet toegestaan om ze in kunstschilderverf te gebruiken. Maar voor een aantal andere chroom-6-verbindingen is geen specifieke toestemming nodig (bariumchromaat, calciumchromaat, zinkchromaten, cadmiumchromaat en ijzertrichromaat). De consument zou dus met deze chroom-6 verbindingen in aanraking kunnen komen als zij kunstschilderverf gebruiken. Uit de registratiedossiers van REACH, waarin fabrikanten moeten aangeven welke stoffen ze gebruiken, blijkt dat deze verbindingen niet als pigment in kunstschilderverf worden gebruikt of als zodanig in Nederland of de EU worden geïmporteerd. Formeel beschermt REACH de consument nu niet tegen alle chroom-6-verbindingen in kunstschilderverf. Het RIVM reikt beleidsmakers mogelijkheden aan om het gebruik van chroom-6-pigmenten voor het grote publiek wettelijk verder te beperken. Dit kan door bijvoorbeeld alle chroom-6-verbindingen op de autorisatielijst te zetten. Of door de status van uitzondering op te heffen.
    • Postmortem radiologie : Een verkennend onderzoek naar het gebruik van radiologische technieken bij overledenen

      Velsma, M; de Waard, IR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-02)
      Ziekenhuizen gebruiken radiologische technieken om diagnoses te stellen en patiënten te behandelen. Radiologische technieken kunnen ook worden gebruikt om na het overlijden van een patiënt de doodsoorzaak te onderzoeken. Dit gebeurt al bij forensisch onderzoek om meer informatie te krijgen bij een mogelijk misdrijf. Het is ook een goede manier om nieuwe ziekten, erfelijke ziekten en bijwerkingen van medicijnen beter te begrijpen. De meeste ziekenhuizen gebruiken de technieken nog niet structureel voor wetenschappelijke of diagnostische doeleinden. De politie kan met toestemming van het openbaar ministerie gebruik maken van radiologische technieken voor forensisch onderzoek. Het voordeel van deze technieken bij forensisch onderzoek is dat het snel informatie oplevert. Ziekenhuizen in Nederland die juridische, forensische en radiologische deskundigheid tot hun beschikking hebben voeren de radiologische onderzoeken uit. Dit zijn het Maastricht Universitair Medisch Centrum, Reinier de Graaf ziekenhuis te Delft, Meander Medisch centrum te Amersfoort en het Groene Hart Ziekenhuis te Gouda. De technieken bieden ook voordelen om nieuwe ziekten, erfelijke ziekten en bijwerkingen van medicijnen beter te begrijpen. Het lichaam van de overledene blijft intact, waardoor het onderzoek minder heftig is voor familie of vrienden van de overledene dan een sectie. Toch gebruiken maar weinig ziekenhuizen in Nederland deze technieken structureel bij overledenen. Dat komt omdat daar niet standaard geld voor is. Een uitzondering hierop zijn kinderen die bij de geboorte of kort daarna sterven. Dit blijkt uit een verkennend onderzoek van RIVM in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingshygiëne (ANVS). Wij hebben onderzocht hoe vaak ziekenhuizen in Nederland radiologische technieken gebruiken bij overledenen. En wat de aanleiding is voor ziekenhuizen om deze technieken te gebruiken.
    • Inventarisatie van toepassingen van chroom-6 op de werkplek

      Geraets, L; van Triel, J; Groothuis, F; Beetstra, R; ter Burg, W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-02)
      Afgelopen jaren was er veel aandacht voor mogelijke blootstelling aan chroom-6 en de schadelijke effecten daarvan op de gezondheid van werknemers. Chroom-6 verbindingen zijn in verschillende materialen en producten terug te vinden. De stof beschermt namelijk tegen roestvorming en andere vormen van verwering van de ondergrond waarop hij is aangebracht. In Nederland kunnen mensen op de werkplek nog steeds aan chroom-6 worden blootgesteld. Het RIVM heeft daarom de toepassingen van en blootstelling aan chroom-6 voor werknemers in Nederland geïnventariseerd. Dat is in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) gedaan. Chroom-6 wordt veel gebruikt om de oppervlakten van metalen en plastics te behandelen, zoals hardverchromen en decoratief verchromen. Op beperkte schaal komt chroom-6 ook voor in primers en coatings, bijvoorbeeld voor specifieke toepassingen in de luchtvaart industrie. Voor bepaalde producten, zoals cement en leer, geldt een wettelijk maximum voor de hoeveelheid chroom-6 dat ze mogen bevatten. Toch is het niet uitgesloten dat werknemers tijdens het productieproces of het gebruik van deze producten, aan chroom-6 blootgesteld kunnen worden. Verder kan het gebruik van chroom-6 vanuit het verleden op dit moment nog blootstelling aan chroom-6 veroorzaken. Bijvoorbeeld bij het schuren of stralen van oude verflagen of het verzagen van met chroom-6 verduurzaamd hout. Dat kan ook bij hoogenergetische bewerkingen van chroomhoudende materialen, zoals lassen. Uit de inventarisatie blijkt ook dat er de laatste jaren meer aandacht is voor de gezondheidseffecten en de risico's die blootstelling aan deze stof met zich meebrengt. Hierdoor zijn onder andere werkgevers zich bewuster van risico's en bevorderen zij maatregelen om veilig met chroom-6 te werken.
    • Risk assessment of caffeine in food supplements

      Buijtenhuijs, DW; Beukers, MH; van Donkersgoed, G; de Wit, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-02)
      Voedingssupplementen met cafeïne worden bijvoorbeeld gebruikt om intensiever te kunnen sporten, sneller af te vallen of zich beter te kunnen concentreren. Deze voedingssupplementen bevatten vaak hoge gehaltes cafeïne. Mensen kunnen hierdoor meer cafeïne binnenkrijgen dan veilig is voor de gezondheid. Ze kunnen dan een te hoge bloeddruk krijgen, hoofdpijn, of rusteloos worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) heeft maximale hoeveelheden cafeïne vastgesteld die veilig zijn om binnen te krijgen. Voor volwassenen bijvoorbeeld komt de veilige dagelijkse hoeveelheid overeen met vier tot zes koppen koffie. Door het gebruik van sommige voedingssupplementen met cafeïne kunnen de veilige hoeveelheden worden overschreden. Dit kan zeker gebeuren wanneer mensen deze voedingssupplementen combineren met andere producten die cafeïne bevatten, zoals koffie, thee en chocolade. In de Europese Unie is er geen wettelijke limiet voor de maximale hoeveelheid cafeïne in voedingssupplementen. VWS kan de uitkomsten van dit onderzoek gebruiken om een aanvraag te doen bij de Europese Commissie om cafeïne in voedingssupplementen op Europees niveau te reguleren.
    • Achtergrondwaarden perfluoralkylstoffen (PFAS) in de Nederlandse landbodem

      Wintersen, A; Spijker, J; van Breemen, P; van Wijnen, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-01)
      Het RIVM heeft onderzocht wat de concentraties van de stoffen PFAS zijn in de bodem op landbouw- en natuurlocaties verspreid over Nederland. PFAS staat voor poly- en perfluoralkylstoffen. Dit zijn door de mens gemaakte stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Bekende PFAS zijn PFOS, PFOA en GenX. PFAS worden in veel producten gebruikt. Daardoor zijn deze stoffen in het milieu terechtgekomen. Dat is ook gebeurd doordat fabrieken PFAS hebben uitgestoten en door incidenten waarbij de stoffen vrijkwamen. De stoffen zitten nu onder andere in de bodem, in bagger en in het grond- en oppervlaktewater. Op basis van de concentraties zijn voor twee veelvoorkomende PFAS (PFOS en PFOA) zogenoemde achtergrondwaarden bepaald. Een achtergrondwaarde geeft aan hoeveel PFAS er al in de bodem zit. Als grond een lagere concentratie PFAS heeft dan de achtergrondwaarde, dan kan deze grond verplaatst worden binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit. De achtergrondwaarden gelden voor heel Nederland. In 2019 heeft het RIVM al tijdelijke achtergrondwaarden bepaald. Die waarden waren gebaseerd op beschikbare metingen van derden van PFAS-concentraties in relatief schone gebieden. Om een compleet landelijk beeld te krijgen van de concentraties PFAS in de bodem heeft het RIVM nieuw onderzoek gedaan op meer dan 100 locaties in Nederland. De nieuwe, landelijke achtergrondwaarden zijn hoger dan de tijdelijke achtergrondwaarden uit 2019. Dit komt omdat toen een extra marge is gebruikt. Door de manier waarop dit onderzoek is uitgevoerd, is dat niet meer nodig. In het huidige onderzoek zijn niet alleen bodemmonsters van landbouwen natuurlocaties onderzocht, maar ook van bebouwd gebied. Hieruit blijkt dat de concentraties PFAS op deze plekken doorgaans hoger zijn dan op locaties met landbouw- en natuur.
    • Medicatie-incidenten als gevolg van gebruiksonvriendelijke IT-systemen

      Weda, M; Brummelhuis, W; Wattel, A; Cornet, R; Peute, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-01)
      De laatste jaren gebruiken zorgprofessionals steeds vaker computersystemen om informatie over een patiënt bij te houden en uit te wisselen. Deze systemen bieden veel voordelen, maar veroorzaken soms fouten, bijvoorbeeld bij het voorschrijven van medicijnen. Dat komt omdat ze niet altijd gebruiksvriendelijk zijn. Zo zijn waarschuwingen over wisselwerkingen met andere medicijnen of verkeerd gekozen doseringen in het beeldscherm niet altijd goed leesbaar. Ook is het voor de zorgprofessional soms lastig om het juiste medicijn uit de lijst met medicijnnamen te selecteren. Het is alleen niet duidelijk hoe vaak zorgprofessionals door een gebruiksonvriendelijk systeem medicijnfouten veroorzaken. Dat blijkt uit een verkennend onderzoek van het RIVM. Dit is in samenwerking met Amsterdam UMC ziekenhuis, in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, uitgevoerd. Artsen of apothekers moeten de fouten beschrijven en vastleggen via een (elektronisch) meldformulier. Maar deze meldingen bevatten niet altijd voldoende informatie om de invloed van het computersysteem bij de fout te bepalen. Verder blijkt dat gebruiksonvriendelijkheid vaak samenhangt met andere factoren. Zo kunnen hoge werkdruk en onervarenheid met het computersysteem fouten in de hand werken. De onderzoekers hebben een overzicht gemaakt van alle factoren die kunnen bijdragen aan medicijnfouten door gebruiksonvriendelijke computersystemen. Ook is voor het hele medicatieproces, van voorschrijven tot gebruik, een overzicht gemaakt van onhandig ontworpen onderdelen van computersystemen. Beide overzichten kunnen worden gebruikt om beter zicht te krijgen op de invloed van gebruiksonvriendelijke computersystemen bij het ontstaan van fouten met medicijnen. Door de systemen beter te ontwerpen, kunnen fouten mogelijk worden voorkomen.
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. : Periode 2018

      Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-01)
      De fabriek Urenco Nederland, die uranium verrijkt, meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die Urenco zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door Urenco genomen. Dit jaar komen de totaal-alfa resultaten en de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2018 goed overeen. De overeenstemming in de totaal-beta resultaten is redelijk. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater in de acht monsters laag zijn: 0,4 - 5,7 kBq.m-3 voor totaal-alfa en 0,4 - 8,1 kBq.m-3 voor totaal-bèta. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. Voor totaal alfa is een activiteitsconcentratie van 0,006 - 0,07 mBq.m-3 gevonden en voor totaal bèta 0,02 - 0,42 mBq.m-3. De resultaten van de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht kwamen matig tot redelijk overeen met de RIVM-analyses. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, net als de verhouding tussen de totaal alfa- en totaal bèta-activiteit. De verhouding zou heel anders zijn wanneer uranium vrijkomt. Daarom is het aannemelijk dat er in 2018 geen uranium in ventilatielucht is vrijgekomen. RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG. : Periode 2018

      Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-01)
      Het nucleair bedrijf NRG te Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door NRG genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2018 goed overeen. De totaal-alfa resultaten stemmen redelijk overeen. De verdeling van de alfa-activiteit in het afvalwatermonster is hoogstwaarschijnlijk niet altijd homogeen. De overeenstemming in de totaal-bèta resultaten is deels redelijk en deels matig, en kan aanzienlijk worden verbeterd. Dit resultaat wordt verklaard door de verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De overeenstemming in de 3H resultaten in afvalwater is redelijk. De ventilatieluchtresultaten geven geen reden voor discussie. Er is in een aantal monsters door RIVM een zeer lage activiteitsconcentratie aan 131I, 133Xe en 191Os aangetroffen. Deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG. RIVM en NRG hebben beiden geen totaal-alfa activiteit in ventilatielucht aangetroffen. De meetwaarden voor totaal-bèta in ventilatielucht liggen in de range van wat er in buitenlucht aangetroffen wordt en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele : Periode 2018

      Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-01)
      De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit de centrale loost via het nucleair afvalwatersysteem en het nucleair ventilatiesysteem. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die de kerncentrale zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door KCB genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2018 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de kerncentrale. De overeenkomst in de 3H-data in afvalwater was redelijk, maar kan nog worden verbeterd. Zowel de kerncentrale als het RIVM heeft geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater aangetroffen. In ventilatielucht heeft het RIVM in de monsters van periode 2, 3 en 7 een geringe hoeveelheid 131I aangetroffen. KCB heeft geen gammaactiviteit aangetroffen. De resultaten van de bepaling van 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met een zeolietpatroon, kwamen redelijk overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA NV : Periode 2018

      Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-01)
      De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA) meet hoeveel radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contraexpertise' controleert het RIVM of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door COVRA genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2018 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de COVRA. De analyses van het RIVM en COVRA in de gammaspectrometrische resultaten, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, tritiumbepaling en de 14C-bepaling in afvalwater kwamen goed overeen. Hoewel het RIVM en COVRA verschillende meetprincipes gebruiken, komen de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bètameetwaarden van COVRA in 2018 redelijk tot goed overeen. Ook kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Verschil in uitloging van PFAS uit grond en bagger

      Wintersen, A; Osté, L; van der Meiracker, R; van Breemen, P; Roskam, G; Spijker, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-07-01)
      De uitloging van PFAS uit landbodem, uiterwaardebodem en waterbodem (bagger) is vergelijkbaar voor deze drie categorieën bodems. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en Deltares. Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) is een verzamel naam voor duizenden stoffen. PFOS en PFOA zijn twee veelvoorkomende PFASverbindingen die in heel Nederland verspreid kunnen worden aangetroffen in concentraties van enkele microgrammen per kilogram grond of bagger. Om te voorkomen dat deze stoffen zich verder door het milieu verspreiden, zijn er eisen gesteld aan het gebruik van grond en bagger waar PFAS in zit. Grond en bagger kunnen onder andere worden gebruikt bij het ondieper maken van plassen waaruit ooit zand en klei is gewonnen. Bij dit soort toepassingen onder oppervlaktewater zullen PFOS en PFOA in ongeveer dezelfde mate vrijkomen uit de drie soorten bodems die zijn onderzocht.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2019

      van Lier, EA; Kamp, L; Oomen, PJ; Giesbers, H; van Vliet, JA; Drijfhout, IH; Zonnenberg-Hoff, IF; de Melker, HE (2020-06-30)
      In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar hoeveel kinderen zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad) en de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Ontwikkelingen In 2019 kregen meer mensen baarmoederhalskanker, de bof, kinkhoest en mazelen dan in 2018. Minder mensen kregen meningokokkenziekte W. Sinds 2018 krijgen baby's van 14 maanden en jongeren een vaccinatie aangeboden waaraan meningokokken W is toegevoegd (ACWY-vaccinatie). Eind 2019 is de vaccinatie tegen kinkhoest voor zwangere vrouwen opgenomen in het RVP. Per 1 januari 2020 is het vaccinatieschema aangepast: baby's worden nu gevaccineerd als ze 3, 5 en 11 maanden oud zijn, in plaats van bij 2, 3, 4 en 11 maanden. Als de moeder tijdens de zwangerschap niet tegen kinkhoest is gevaccineerd, krijgt het kind een extra vaccinatie op de leeftijd van 2 maanden. Deze extra vaccinatie wordt ook gegeven in bijzondere situaties, bijvoorbeeld aan kinderen die te vroeg worden geboren. Verder heeft de staatssecretaris van VWS in 2019, op advies van de Gezondheidsraad, besloten om de HPV-vaccinatie aan te gaan passen: deze zal ook aan jongens worden gegeven en op een jongere leeftijd (rond 9 jaar). Ook wordt het voor mensen die de vaccinatie nog niet hebben gehad, mogelijk om deze tot en met 26 jaar alsnog te halen. Deze veranderingen staan voor 2021 gepland. Vaccinatiegraad De landelijke vaccinatiegraad is voor het eerst sinds vijf jaar licht gestegen. Bij zuigelingen, geboren in 2017, geldt dit in het bijzonder voor de vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond (BMR). Deze is met 0,7 procent gestegen tot 93,6 procent. De landelijke vaccinatiegraad voor de HPV-vaccinatie (baarmoederhalskanker) voor meisjes, geboren in 2005, is met 7,5 procent toegenomen tot 53 procent.
    • Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2019

      Staritsky, LE; van Aar, F; Visser, M; op de Coul, ELM; Heijne, JCM; Götz, HM; Nielen, M; van Sighem, AI; van Benthem, BHB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-26)
      In 2019 hebben vrijwel evenveel mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) als in 2018. Het percentage dat daadwerkelijk een soa had, is licht gestegen. Chlamydia bleef de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen. Bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) kwam gonorroe het meest voor. Bij huisartspraktijken nam het aantal soaconsulten toe onder alle leeftijden. Bij CSG's kunnen mensen die een grotere kans hebben op een soa, bijvoorbeeld jongeren onder de 25, zich gratis laten testen. In 2019 zijn er in totaal 150.782 consulten geregistreerd bij de CSG's. Het aantal consulten nam af onder vrouwen en heteroseksuele mannen, maar nam toe bij MSM. Bij 19 procent van de consulten is een soa gevonden. Infecties zijn het vaakst gevonden bij mensen die zijn gewaarschuwd voor een soa. Naast de CSG-cijfers worden schattingen gemaakt van het aantal soa-consulten en -diagnoses die de huisartsen uitvoeren. Hiervoor zijn gegevens gebruikt van 323 huisartspraktijken in 2018. Huisartsen voeren het merendeel van de soa-consulten uit. Chlamydia In 2019 waren er 21.134 chlamydia-diagnoses bij de CSG's, vergelijkbaar met 2018. Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met chlamydia bleef in de afgelopen 3 jaar stabiel (respectievelijk 15 en 18 procent). Voor MSM ligt dit percentage al jaren rond de 10 procent. Het aantal geschatte diagnoses door huisartsen nam in 2018 toe ten opzichte van 2017 (42.500 versus 39.800). Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses bij de CSG's is het afgelopen jaar met 11 procent toegenomen tot 8.186 infecties. Ook het percentage met gonorroe steeg ten opzichte van afgelopen twee jaar; onder heteroseksuele mannen naar 2,3 procent (1,9 in 2017), en onder vrouwen naar 1,9 procent (1,6 in 2017). Het percentage onder MSM is de afgelopen jaren stabiel gebleven rond de 11 procent (11,5 in 2019). Het geschatte aantal infecties bij de huisartsen nam toe van 9.550 in 2017 naar 11.300 in 2018. Deze toename was vooral onder vrouwen jonger dan 25 jaar. Bij de CSG's is geen antibioticaresistentie tegen het huidige 'eerste keus' antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Wel is er resistentie tegen andere antibiotica. De resistentie tegen ciprofloxacine steeg fors van 34 procent in 2018 naar 55 procent in 2019. Syfilis In 2019 is het aantal syfilis-diagnoses bij de CSG's met 16,8 procent gestegen ten opzichte van 2018 (1.430 versus 1.224). Daarvan is 96 procent bij MSM vastgesteld. Het percentage met syfilis onder MSM daalde van 2,9 procent in 2016 naar 2,4 procent in 2018 en 2,5 procent in 2019. Voornamelijk onder MSM met hiv was het percentage hoger (7,5 procent in 2019 ten opzichte van 6,7 procent in 2018). Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met de infectie bleef in 2019 laag, respectievelijk 0,1 en 0,3 procent. Hiv Het aantal nieuwe hiv-diagnoses dat de CSG's stelde, is in 2019 (164) met 34 procent afgenomen ten opzichte van 2018. Hiervan waren 152 diagnoses bij MSM. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef laag. Het aantal mensen met hiv dat in 2019 voor het eerst voor behandeling bij een van de Nederlandse hiv-behandelcentra kwam ('in zorg') was 972. Dat was meer dan in 2018 (911). In totaal zijn in 2019 20.724 mensen met hiv geregistreerd als in zorg.
    • NethMap 2020: Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlandsin 2019 / MARAN 2020: Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2019

      de Greeff, SC; Schoffelen, AF; Verduin, CM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-25)
      The number of bacteria that are resistant to antibiotics is increasing worldwide. In the Netherlands, that number is generally stable, and it is not at such a high level as in many other countries. There were hardly any increases in resistance found in 2019, and the resistance of some species of bacteria actually decreased in comparison to the previous years. The number of bacteria that are resistant to several different antibiotics and are therefore more difficult to treat is also not increasing. However, there is still reason to be vigilant in order to ensure that potential changes can be noticed in time. To prevent resistance from developing, it is important to use antibiotics properly and only when necessary. General practitioners prescribed somewhat fewer courses of antibiotics in the past year compared to previous years. The overall use of antibiotics in hospitals increased somewhat. Fewer antibiotics were prescribed for domestic farm animals in 2019 compared to 2018. In comparison to 2009, the reference year, the sale of antibiotics decreased by almost 70%. Almost no antibiotics that are important for treating infections in humans have been used for domestic farm animals in recent years. The level of antibiotic resistance in the various animal sectors remained the same or decreased somewhat in comparison to 2018. The percentage of ESBL-positive animals decreased further in all animal sectors. The biggest decrease in the percentage of ESBL-positive animals over the last 5 years was seen in broilers and on chicken meat. ESBLs are enzymes that can break down commonly used antibiotics such as penicillins. In recent years, extra measures have been taken in the Netherlands to combat antibiotic resistance. These measures extend beyond the healthcare system because resistant bacteria also occur in animals, in foodstuffs and in the environment. That is why a 'One Health' approach is used in the Netherlands. In the annual NethMap/MARAN 2020 report, various organisations collectively present their data on ntibiotic use and resistance in the Netherlands, for humans as well as animals.
    • Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2019

      van Giessen, A; Boer, J; van Gestel, I; Douma, E; du Pon, E; Blokstra, A; Koopman, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-23)
      De meer dan 70 partijen die eind 2018 het Nationaal Preventieakkoord (NPA) hebben afgesloten, zijn in 2019 met het overgrote deel van de afspraken aan de slag gegaan. Binnen alle drie de deelakkoorden is het grootste gedeelte van de afspraken in 2019 in uitvoering (62% voor roken, 80% voor overgewicht en 65% voor problematisch alcoholgebruik). Veel andere afspraken zijn in voorbereiding (14% voor roken, 17% voor overgewicht en 20% voor problematisch alcoholgebruik). Een klein deel van de afspraken (2%-5%) was eind 2019 al afgerond. Het deel van de afspraken dat eind 2019 nog niet was gestart, is ook klein: 8% voor roken, 0% voor overgewicht en 10% voor problematisch alcoholgebruik. Met het NPA willen het ministerie van VWS en meer dan 70 partijen bijdragen aan een gezonder Nederland. Zij willen dat in 2040 minder mensen roken, minder mensen overgewicht hebben en minder mensen problematisch alcohol gebruiken. Vanaf 2010 is een daling te zien in het aantal volwassen Nederlanders die roken naar 22% in 2019. De ambities is dat in 2040 maximaal 5% van de volwassen Nederlanders nog rookt. Voor overgewicht is het doel om het aantal mensen met overgewicht terug te brengen tot minder dan 40% in 2040. In 2019 was het percentage volwassenen met overgewicht met 50% ongeveer gelijk aan dat van 2018. In 2019 dronk 9% van de volwassen Nederlanders overmatig en 9% zwaar. Het streven is dat zowel voor overmatig als voor zwaar drinken in 2040 is gedaald naar maximaal 5%. In het NPA is afgesproken dat het RIVM ieder jaar verslag zal uitbrengen over de uitvoering van de gemaakte afspraken van het NPA. Door middel van een gericht en herhaalde uitvraag bij alle deelnemende partijen is zo veel mogelijk concrete en cijfermatige voortgangsinformatie verzameld. De rapportage richt zich vooral op doelen die in 2020 bereikt moeten worden. In alle deelakkoorden is het voor een deel van de doelstellingen en afspraken onduidelijk wanneer de activiteiten plaatsvinden, door welke partij het uitgevoerd wordt of wat de concrete uitkomst is. Met name voor dit soort afspraken was de aangeleverde informatie over de voortgang van de afspraken niet altijd cijfermatig of concreet. Hierdoor, maar ook omdat de uitvoering van de afspraken binnen het NPA pas een jaar onderweg is, zegt de voortgang over 2019 nog niets over het al dan niet behalen van de ambities in 2040.
    • Doorontwikkeling referentiekader ambulancezorg 2020

      Kommer, GJ; Over, EAB; Engelfriet, P; Mohnen, SM; Mulder, M; van den Berg, PL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-23)
      Het 'referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg' (referentiekader) berekent hoeveel ambulances nodig zijn voor de 25 Regionale Ambulance Voorzieningen (RAV's) in Nederland. Het referentiekader is gebaseerd op een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden. Er zijn een aantal knelpunten in de Nederlandse ambulancezorg. Dat heeft onder andere te maken met de spreiding van standplaatsen in de regio's en het aantal beschikbare ambulances. Het RIVM heeft daarom onderzocht hoe het referentiekader beter kan aansluiten bij de vraag naar ambulancezorg in de praktijk. Het heeft hiervoor een aantal varianten uitgewerkt met verschillen in het aantal standplaatsen en hun locaties. Dit onderzoek wordt de 'doorontwikkeling' van het referentiekader genoemd. Hierbij is nagegaan hoeveel inwoners bij deze varianten binnen 12 minuten rijtijd vanaf een standplaats kunnen worden bereikt, de 'dekking'. Ook is gekeken naar het aantal inwoners dat vanuit twee of meer standplaatsen kan worden bereikt, de 'dubbele dekking'. Verder is gekeken naar de werkdruk per RAV, oftewel het aantal spoedeisende inzetten per ambulance. Er zijn signalen dat de werkdruk in sommige RAV's hoog is. Berekend is hoeveel extra ambulances nodig zijn om de werkdruk te beperken. Tot slot is ingeschat hoeveel ambulances over twee jaar nodig zijn. Deze 'indexering' is gebaseerd op een analyse van het aantal ambulanceritten over de afgelopen vier jaar. Dit onderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. In het bestuurlijk overleg tussen dit ministerie, zorgverzekeraars en de ambulancesector wordt besloten welke variant uit het onderzoek in het referentiekader-2020 zal worden gebruikt.
    • Effectiviteit van een verbod op prijsaanbiedingen op suikerhoudende dranken : Een literatuuronderzoek naar de effectiviteit van een verbod op prijsaanbiedingen en marketing- en reclame-uitingen in de supermarkt

      Steenbergen, E; Nawijn, E; Hendriksen, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-23)
      Een aantal gezondheidsorganisaties heeft de overheid voorgesteld om een verbod in te stellen van kortingsacties op suikerhoudende dranken. Door deze maatregel zou de verkoop van suikerhoudende dranken afnemen. Nederlanders krijgen teveel suiker binnen, vooral via suikerhoudende dranken. De overheid heeft het RIVM de opdracht gegeven om literatuuronderzoek te doen naar het effect van een verbod op verkoopkortingen, marketing en reclame op de verkoop van suikerhoudende dranken en producten. De effectiviteit van een verbod op prijsaanbiedingen en/of een verbod op marketing en reclame in de supermarkt op de verkoop van suikerhoudende dranken zijn nog niet direct onderzocht. Wel zijn er indirecte aanwijzingen dat deze maatregelen kunnen bijdragen aan het verlagen van de aankoop van suikerhoudende dranken. Prijsaanbiedingen komen vooral voor op ongezonde producten en verhogen, in ieder geval op korte termijn, de verkoop. Het verbieden van reclame-uitingen voor ongezonde voedingsmiddelen op televisie, radio of internet gericht op jonge kinderen lijkt effectief om de verkoop hiervan te verlagen. In hoeverre een verbod op prijsaanbiedingen en/of een marketing- en reclameverbod, specifiek in de supermarkt, op langere termijn een direct effect heeft op de consumptie van suikerhoudende dranken, moet nog onderzocht worden. Het RIVM heeft de wetenschappelijk literatuur naar de effecten van (een verbod op) prijsaanbiedingen en reclame en marketing op de verkoop en consumptie van suikerhoudende dranken en voedingsmiddelen verkend. De resultaten hiervan staan beschreven in dit briefrapport.