Now showing items 41-60 of 9677

    • NethMap 2020: Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlandsin 2019 / MARAN 2020: Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2019

      de Greeff, SC; Schoffelen, AF; Verduin, CM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-25)
      The number of bacteria that are resistant to antibiotics is increasing worldwide. In the Netherlands, that number is generally stable, and it is not at such a high level as in many other countries. There were hardly any increases in resistance found in 2019, and the resistance of some species of bacteria actually decreased in comparison to the previous years. The number of bacteria that are resistant to several different antibiotics and are therefore more difficult to treat is also not increasing. However, there is still reason to be vigilant in order to ensure that potential changes can be noticed in time. To prevent resistance from developing, it is important to use antibiotics properly and only when necessary. General practitioners prescribed somewhat fewer courses of antibiotics in the past year compared to previous years. The overall use of antibiotics in hospitals increased somewhat. Fewer antibiotics were prescribed for domestic farm animals in 2019 compared to 2018. In comparison to 2009, the reference year, the sale of antibiotics decreased by almost 70%. Almost no antibiotics that are important for treating infections in humans have been used for domestic farm animals in recent years. The level of antibiotic resistance in the various animal sectors remained the same or decreased somewhat in comparison to 2018. The percentage of ESBL-positive animals decreased further in all animal sectors. The biggest decrease in the percentage of ESBL-positive animals over the last 5 years was seen in broilers and on chicken meat. ESBLs are enzymes that can break down commonly used antibiotics such as penicillins. In recent years, extra measures have been taken in the Netherlands to combat antibiotic resistance. These measures extend beyond the healthcare system because resistant bacteria also occur in animals, in foodstuffs and in the environment. That is why a 'One Health' approach is used in the Netherlands. In the annual NethMap/MARAN 2020 report, various organisations collectively present their data on ntibiotic use and resistance in the Netherlands, for humans as well as animals.
    • Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2019

      van Giessen, A; Boer, J; van Gestel, I; Douma, E; du Pon, E; Blokstra, A; Koopman, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-23)
      De meer dan 70 partijen die eind 2018 het Nationaal Preventieakkoord (NPA) hebben afgesloten, zijn in 2019 met het overgrote deel van de afspraken aan de slag gegaan. Binnen alle drie de deelakkoorden is het grootste gedeelte van de afspraken in 2019 in uitvoering (62% voor roken, 80% voor overgewicht en 65% voor problematisch alcoholgebruik). Veel andere afspraken zijn in voorbereiding (14% voor roken, 17% voor overgewicht en 20% voor problematisch alcoholgebruik). Een klein deel van de afspraken (2%-5%) was eind 2019 al afgerond. Het deel van de afspraken dat eind 2019 nog niet was gestart, is ook klein: 8% voor roken, 0% voor overgewicht en 10% voor problematisch alcoholgebruik. Met het NPA willen het ministerie van VWS en meer dan 70 partijen bijdragen aan een gezonder Nederland. Zij willen dat in 2040 minder mensen roken, minder mensen overgewicht hebben en minder mensen problematisch alcohol gebruiken. Vanaf 2010 is een daling te zien in het aantal volwassen Nederlanders die roken naar 22% in 2019. De ambities is dat in 2040 maximaal 5% van de volwassen Nederlanders nog rookt. Voor overgewicht is het doel om het aantal mensen met overgewicht terug te brengen tot minder dan 40% in 2040. In 2019 was het percentage volwassenen met overgewicht met 50% ongeveer gelijk aan dat van 2018. In 2019 dronk 9% van de volwassen Nederlanders overmatig en 9% zwaar. Het streven is dat zowel voor overmatig als voor zwaar drinken in 2040 is gedaald naar maximaal 5%. In het NPA is afgesproken dat het RIVM ieder jaar verslag zal uitbrengen over de uitvoering van de gemaakte afspraken van het NPA. Door middel van een gericht en herhaalde uitvraag bij alle deelnemende partijen is zo veel mogelijk concrete en cijfermatige voortgangsinformatie verzameld. De rapportage richt zich vooral op doelen die in 2020 bereikt moeten worden. In alle deelakkoorden is het voor een deel van de doelstellingen en afspraken onduidelijk wanneer de activiteiten plaatsvinden, door welke partij het uitgevoerd wordt of wat de concrete uitkomst is. Met name voor dit soort afspraken was de aangeleverde informatie over de voortgang van de afspraken niet altijd cijfermatig of concreet. Hierdoor, maar ook omdat de uitvoering van de afspraken binnen het NPA pas een jaar onderweg is, zegt de voortgang over 2019 nog niets over het al dan niet behalen van de ambities in 2040.
    • Doorontwikkeling referentiekader ambulancezorg 2020

      Kommer, GJ; Over, EAB; Engelfriet, P; Mohnen, SM; Mulder, M; van den Berg, PL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-23)
      Het 'referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg' (referentiekader) berekent hoeveel ambulances nodig zijn voor de 25 Regionale Ambulance Voorzieningen (RAV's) in Nederland. Het referentiekader is gebaseerd op een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden. Er zijn een aantal knelpunten in de Nederlandse ambulancezorg. Dat heeft onder andere te maken met de spreiding van standplaatsen in de regio's en het aantal beschikbare ambulances. Het RIVM heeft daarom onderzocht hoe het referentiekader beter kan aansluiten bij de vraag naar ambulancezorg in de praktijk. Het heeft hiervoor een aantal varianten uitgewerkt met verschillen in het aantal standplaatsen en hun locaties. Dit onderzoek wordt de 'doorontwikkeling' van het referentiekader genoemd. Hierbij is nagegaan hoeveel inwoners bij deze varianten binnen 12 minuten rijtijd vanaf een standplaats kunnen worden bereikt, de 'dekking'. Ook is gekeken naar het aantal inwoners dat vanuit twee of meer standplaatsen kan worden bereikt, de 'dubbele dekking'. Verder is gekeken naar de werkdruk per RAV, oftewel het aantal spoedeisende inzetten per ambulance. Er zijn signalen dat de werkdruk in sommige RAV's hoog is. Berekend is hoeveel extra ambulances nodig zijn om de werkdruk te beperken. Tot slot is ingeschat hoeveel ambulances over twee jaar nodig zijn. Deze 'indexering' is gebaseerd op een analyse van het aantal ambulanceritten over de afgelopen vier jaar. Dit onderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. In het bestuurlijk overleg tussen dit ministerie, zorgverzekeraars en de ambulancesector wordt besloten welke variant uit het onderzoek in het referentiekader-2020 zal worden gebruikt.
    • Effectiviteit van een verbod op prijsaanbiedingen op suikerhoudende dranken : Een literatuuronderzoek naar de effectiviteit van een verbod op prijsaanbiedingen en marketing- en reclame-uitingen in de supermarkt

      Steenbergen, E; Nawijn, E; Hendriksen, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-23)
      Een aantal gezondheidsorganisaties heeft de overheid voorgesteld om een verbod in te stellen van kortingsacties op suikerhoudende dranken. Door deze maatregel zou de verkoop van suikerhoudende dranken afnemen. Nederlanders krijgen teveel suiker binnen, vooral via suikerhoudende dranken. De overheid heeft het RIVM de opdracht gegeven om literatuuronderzoek te doen naar het effect van een verbod op verkoopkortingen, marketing en reclame op de verkoop van suikerhoudende dranken en producten. De effectiviteit van een verbod op prijsaanbiedingen en/of een verbod op marketing en reclame in de supermarkt op de verkoop van suikerhoudende dranken zijn nog niet direct onderzocht. Wel zijn er indirecte aanwijzingen dat deze maatregelen kunnen bijdragen aan het verlagen van de aankoop van suikerhoudende dranken. Prijsaanbiedingen komen vooral voor op ongezonde producten en verhogen, in ieder geval op korte termijn, de verkoop. Het verbieden van reclame-uitingen voor ongezonde voedingsmiddelen op televisie, radio of internet gericht op jonge kinderen lijkt effectief om de verkoop hiervan te verlagen. In hoeverre een verbod op prijsaanbiedingen en/of een marketing- en reclameverbod, specifiek in de supermarkt, op langere termijn een direct effect heeft op de consumptie van suikerhoudende dranken, moet nog onderzocht worden. Het RIVM heeft de wetenschappelijk literatuur naar de effecten van (een verbod op) prijsaanbiedingen en reclame en marketing op de verkoop en consumptie van suikerhoudende dranken en voedingsmiddelen verkend. De resultaten hiervan staan beschreven in dit briefrapport.
    • An overview of the available data on the mutagenicity and carcinogenicity of 1-tert-butoxypropan-2-ol.

      Geraets, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-23)
      Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht wat er bekend is over twee mogelijke schadelijke eigenschappen van 1-tertbutoxypropan-2-ol. De stof wordt onder andere gebruikt als oplosmiddel, in coatings en schoonmaakmiddelen, in inkten en lijmen, nagellak, lak en latexverf. De vraag is of de stof kankerverwekkend is en erfelijke veranderingen kan veroorzaken door schade aan het DNA (mutageen). De gevonden informatie is samengevat. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen om de mutagene en kankerverwekkende eigenschappen te beoordelen en om een advies op te stellen voor classificatie van de stof op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Die beoordeling zal uitgevoerd worden door de Subcommissie Classificatie van carcinogene stoffen van de Gezondheidsraad. Deze subcommissie valt onder de Commissie Gezondheid en Beroepsmatige Blootstelling aan Stoffen (GBBS) die zich richt op gezondheidsrisico's door blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek.
    • Metingen van het gamma- en neutronendosistempo aan de terreingrens van de Hoge Flux Reactor en bij de Stekhal van NRG te Petten in 2018. : Revisie van rapport 2018-0182

      Kwakman, PJM; Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-19)
      Op het terrein van de Onderzoekslocatie Petten heeft het RIVM in 2018 gemeten hoeveel de Hoge Flux Reactor (HFR) bijdroeg aan de dosis gamma en neutronen in de omgeving. De hoogst gemeten dosis bedraagt 33 microsievert per jaar. De bijdrage van neutronen, mogelijk afkomstig van de Hoge Flux reactor, is verwaarloosbaar. In dezelfde periode is ook naast de ingang van de Stekhal, eveneens op de Onderzoekslocatie Petten, de omgevingsdosis gemeten. De hoogste dosis is daar 7 microsievert per jaar. Transporten van radioisotopen door Curium ter hoogte van het hek nabij de HFR leveren een jaardosis van 4,4 microsievert. In de dosis is de blootstellingscorrectiefactor verwerkt. Deze factor brengt in rekening hoe lang iemand daadwerkelijk per jaar aan de terreingrens verblijft. Het RIVM heeft de metingen eenmalig in de eerste helft van 2018 uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Effecten van de impuls klimaatneutraal en circulair inkopen in 2019

      Zijp, MC; Quik, JTK; Hollander, A; van der Vliet, N; van Bruggen, AR; Dekker, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-17)
      Met Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) kan de overheid eraan bijdragen dat Nederland in 2050 overgaat op een klimaatneutrale en circulaire economie. Om dit te stimuleren kregen inkopers bij het rijk en decentrale overheden in 2019 de kans om in 98 pilots meer te leren over deze vormen van inkopen. Dat varieerde van concrete eisen en criteria opstellen tot intern draagvlak creëren. Deze 'impuls' werkte onder andere met subsidies om overheden te helpen bij MVI-aanbestedingen. Daarnaast zijn leernetwerken georganiseerd waarin deelnemers informatie ontvingen en uitwisselden over inkoopthema's en specifieke productgroepen. Het RIVM heeft de effecten van de pilots en de leernetwerken in 2019 in kaart gebracht. De impuls heeft eraan bijgedragen dat MVI in overheidsorganisaties is ingebed. Dat komt onder andere doordat veel deelnemers de opgedane kennis hebben verspreid binnen de organisaties. Deelnemers van de leernetwerken gaven aan veel te hebben aan de contacten die ze er hebben opgedaan. Van een kwart van de pilots zijn gegevens beschikbaar om in te schatten hoeveel broeikasgassen er in theorie minder wordt uitgestoten dankzij de pilots (5,7 kiloton CO2- equivalenten). Effecten meten is in de praktijk nog niet vanzelfsprekend. Daarnaast is er meer aandacht voor MVI nodig in de contractfase van het inkoopproces.Deze 'impuls' werkte onder andere met subsidies om overheden te helpen bij MVI-aanbestedingen. Daarnaast zijn leernetwerken georganiseerd waarin deelnemers informatie ontvingen en uitwisselden over inkoopthema's en specifieke productgroepen. Het RIVM heeft de effecten van de pilots en de leernetwerken in 2019 in kaart gebracht. Bij de impuls is ook geëxperimenteerd met mogelijkheden om bij aanbestedingen te werken met 'interne CO2-beprijzing'. Dit betekent dat de klimaatimpact wordt uitgedrukt in geld. Dit fictieve bedrag wordt bij de prijs van een product of dienst opgeteld en daarna pas vergeleken met alternatieven. Zo kan een inkoper een product of dienst kiezen op basis van de combinatie kosten én impact op klimaat. Voor deze 'schaduwprijs' is bepaald wat een ton CO2 minimaal zou moeten kosten om de werkelijke milieukosten mee te kunnen laten wegen bij inkopen (700 euro/ton). Een voorzichtige conclusie is dat schaduwbeprijzing een krachtig middel kan zijn om de uitstoot van CO2 te verminderen via aanbestedingen. Voorwaarde is wel dat met de minimale prijs voor CO2 wordt gewerkt. Aanbestedende diensten bij decentrale overheden hebben 83 keer gebruik van gemaakt van de subsidie. De rijksoverheid deed dat 15 keer. De pilots richtten zich op diverse productgroepen 'grond-, weg- en waterbouw', 'gebouwen', 'vervoer', 'energie', 'catering', 'bedrijfskleding', 'kantoorinrichting', 'ICT' en 'zorg'.
    • Inventarisatie van het gebruik van Diagnostische Referentieniveaus voor röntgenonderzoeken in Nederland : Update van RIVM briefrapport 080129001/2013KRW

      Velsma, M; de Waard, IR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-16)
      Om ziekten op te sporen en te behandelen kan straling worden gebruikt. Om de nadelen daarvan kleiner te maken is het belangrijk de dosis zo laag mogelijk te houden. Daarom zijn voor elf medische onderzoeken bepaald welke dosis voor ziekenhuizen haalbaar moeten zijn per onderzoek. Dit noemen we diagnostische referentieniveaus. Ziekenhuizen in Nederland moeten de gebruikte dosis vergelijken met deze referentieniveaus. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de meeste ziekenhuizen deze meting uitvoeren. En daar ook de extra waarde van zien. Zij vergelijken de dosis meestal zorgvuldig, al gebruiken ze daar niet altijd de geadviseerde aanpak voor. De referentieniveaus zijn afgesproken in 2012. Door nieuwe techniek verbetert de beeldkwaliteit. Hierdoor kan met een lagere dosis een beeld van goede kwaliteit worden gemaakt. Daarom is het nuttig om nieuwe, lagere, referentieniveaus af te spreken. Dit zou ziekenhuizen kunnen aanmoedigen om de gebruikte dosis nog lager te krijgen. Uit het overzicht blijkt ook dat ziekenhuizen voor meer typen onderzoeken referentieniveaus willen hebben. In andere landen binnen Europa is dat (vaak) al zo. De ziekenhuizen wensen een nieuwe aanpak om de dosis voor onderzoeken bij kinderen te vergelijken met de afgesproken referentieniveaus. De richtlijn adviseert nu om het referentieniveau te vergelijken met een gemiddelde dosis van 20 patiëntjes uit dezelfde leeftijdsgroep. Maar in de meeste ziekenhuizen zijn niet genoeg gegevens om de dosis zorgvuldig te vergelijken met het referentieniveau. Dit komt door het kleine aantal kinderen dat deze ziekenhuizen onderzoeken. Voor dit onderzoek hebben 22 van de 30 aangeschreven ziekenhuizen meegewerkt. Het RIVM vroeg hen hoe ze de diagnostisch referentieniveaus gebruiken. Ook vroegen we wat hun wensen zijn voor het gebruik van de diagnostische referentieniveaus.
    • EURL-Salmonella Proficiency Test Primary Production, 2019 : Detection of Salmonella in chicken faeces samples

      Pol-Hofstad, IE; Mooijman, KA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-15)
      De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de Europese lidstaten waren in 2019 in staat om Salmonella aan te tonen in kippenmest. Alle deelnemers konden hoge en lage concentraties van Salmonella aantonen. Op één na hebben alle laboratoria een goede score behaald. Dat ene laboratorium had de controlemonsters verwisseld en haalde daarom een matige score. Dit blijkt uit het ringonderzoek dat het overkoepelende EURL-Salmonella in oktober 2019 organiseerde. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst voor de kwaliteitstoets een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium. Deze laboratoria zijn er namens dat land voor verantwoordelijk Salmonella aan te tonen in de leefomgeving van dieren die voor de voedselproductie worden gehouden. In totaal hebben 35 NRL's aan dit ringonderzoek deelgenomen: 29 NRL's afkomstig uit alle 28 EU-lidstaten, vijf NRL's uit andere Europese landen en een NRL uit een niet-Europees land. Het Europese Referentielaboratorium (EURL) Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
    • Geluidmonitor 2018 - Nader Onderzoek : Individuele bronemissies van weg- en spoorverkeer

      Joosten, E; Mabjaia, N; Haaima, M; den Hollander, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-12)
      Rijkswaterstaat en ProRail berekenen, als beheerders van de rijkswegen en spoorwegen, elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst de resultaten met metingen in de Geluidmonitor. Belangrijk aandachtspunt hierbij is hoe aannames in de rekenmethode over de gemiddelde hoeveelheid geluid van voertuigen en treinen zich verhouden tot de praktijk. De afgelopen jaren bedroegen de verschillen tussen meten en rekenen gemiddeld 2 decibel bij het wegverkeer en 0 decibel bij het spoorverkeer. Om de oorzaken van de verschillen te vinden, heeft het RIVM de belangrijkste factoren onder de loep genomen die invloed hebben op geluid. Hierbij is gekeken naar de effecten van banden en naar de kwaliteit van het wegdek. Daarnaast is onderzocht hoeveel geluid afzonderlijke voertuig- en treintypen produceren. Voertuigtypen In de rekenmethode wordt een correctie gemaakt voor stille banden. Sinds 2016 mogen geen banden meer worden verkocht die niet voldoen aan de Europese bandenrichtlijn. Dit geldt zowel voor personenauto's als voor vrachtauto's. Het rekenmodel loopt vooruit op de situatie van 2022, waarin naar verwachting alle (vracht)auto's door deze maatregel 1 tot 2 decibel stiller zijn. De metingen laten zien dat vrachtauto's de afgelopen drie jaar 1,5 decibel minder geluid zijn gaan maken. Voor personenauto's is het geluid echter hetzelfde gebleven. Invloed wegdek Een andere correctie in de rekenmethode is het type wegdek. Deze correctie gaat uit van een gemiddelde levensduur van het wegdek, ongeacht de conditie van het wegdek. Verschillen tussen de gemeten en berekende hoeveelheid geluid in de Geluidmonitor blijken echter voor een groot deel te verklaren door de staat van het wegdek. Het RIVM gaat daarom met Rijkswaterstaat het verband tussen de geluidproductie en de conditie van het wegdek nog verder onderzoeken. Treintypen Voor het treinverkeer is het type trein van invloed op de geluidproductie. In het rekenmodel zijn de verschillende treintypen, zoals de sprinter, opgenomen in afzonderlijke categorieën. De moderne sprinter blijkt echter, volgens de metingen, 3 tot 4 decibel minder geluid te maken dan de waarden die in de rekenmethode aan deze categorie wordt gegeven.
    • Twee methoden om blootstelling op de werkplek te toetsen aan een grenswaarde: BOHS-NVvA (2011) en de NEN-EN-689 (2019) : Een vergelijking voor het gebruik in veilige werkwijzen

      ter Burg, W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-12)
      Bedrijven die met chemische stoffen werken kunnen een veilige werkwijze opstellen. Deze werkwijze beschrijft nauwkeurig hoe werknemers op hun werkplek bij een bedrijf veilig kunnen werken. Als een bedrijf meerdere locaties heeft, geldt de werkwijze voor alle locaties. De Inspectie SZW vraagt bedrijven wel om aan te tonen dat de blootstelling aan de chemische stof voldoende onder controle is. Hiervoor wordt in Nederland sinds 2011 de BOHS-NVvA-methode gebruikt. Sinds 2018/2019 is ook de Europese NEN-EN-689-methode van kracht, nadat deze enkele jaren geleden was ingetrokken. Het RIVM heeft in opdracht van de Inspectie SZW gekeken hoe deze methoden zich tot elkaar verhouden. De methoden blijken op grotendeels dezelfde manier voor te schrijven hoe de blootstelling moet worden gemeten en geanalyseerd. Beide methoden zijn geschikt als ondersteuning van een veilige werkwijze. Wel heeft de BOHS-NVvA-methode de voorkeur boven NEN-EN-689. Dat komt omdat deze methode meer minimale eisen stelt aan de metingen: meer en vaker meten. Een hoger aantal metingen geeft met meer zekerheid aan dat de blootstelling voldoende onder controle is. Ook kan de BOHS-NVvA eenvoudiger voor meerdere locaties worden gebruikt. Deze kan namelijk aantonen of verschillende locaties van bedrijven op dezelfde manier werken of niet.
    • Inventarisatie van gewasbescherming toepasbaar in de teelt van cannabis binnen het "Experiment met een gesloten coffeeshopketen"

      Mahieu, CM; te Biesebeek, JD; Graven, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-09)
      In het regeerakkoord is een experiment opgenomen om cannabis vier jaar lang volgens regels te telen en verhandelen. Tijdens dit experiment mogen maximaal 10 telers cannabis voor recreatief gebruik telen. Het RIVM heeft uitgezocht welke ziekten en plagen bij deze teelt kunnen ontstaan. Ook is geïnventariseerd hoe deze ziekten en plagen kunnen worden voorkomen of bestreden met natuurlijke vijanden of met gewasbeschermingsmiddelen die 'passen binnen een biologische teelt'. Voor ziekten en plagen waar geen of te weinig biologische mogelijkheden voor bestaan, zoals schimmels, zijn enkele reguliere gewasbeschermingsmiddelen geselecteerd. De meeste plagen zijn met natuurlijke vijanden te bestrijden, zoals bepaalde kevers en wespen. Dat geldt niet voor de ziekten toprot en echte meeldauw. Deze ziekten kunnen een sterke daling van de oogst veroorzaken. Hiervoor heeft het RIVM een klein aantal gewasbeschermingsmiddelen geselecteerd die passen binnen de biologische teelt. Om deze ziekten goed te kunnen bestrijden zijn mogelijk ook gewasbeschermingsmiddelen nodig die niet passen binnen de biologische teelt. Het kan zijn dat restanten van gewasbeschermingsmiddelen op de cannabis achterblijven. Als het middel volgens voorschriften wordt gebruikt, ligt bij vier van tien geselecteerde middelen de geschatte hoeveelheid die een cannabisgebruiker maximaal kan binnenkrijgen, ruim onder de grenzen die voor de gezondheid zijn bepaald. Voor de zes andere middelen hoeft niet te worden bepaald hoeveel er maximaal op de plant achterblijft, omdat deze stoffen geen risico vormen voor de cannabisgebruiker. De blootstelling aan de onderzochte gewasbeschermingsmiddelen via het gebruik van cannabis is daarom niet schadelijk voor de cannabisgebruiker. De WUR (University of Wageningen), BMC (Bureau Medicinale Cannabis), NVWA (Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, expertiseteam Natuur & Gewasbescherming), Ctgb (College ter beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) en twee producenten hebben informatie geleverd voor dit rapport. Het rapport en de conclusies zijn opgesteld door het RIVM.
    • Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid (2018) : Het doel heiligt de middelen

      Welkers, D; van Kempen, E; Helder, R; Verheijen, E; van Poll, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-05)
      De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft in oktober 2018 de richtlijnen omgevingsgeluid uitgebracht. Deze WHO-richtlijnen zijn een advies en zijn bedoeld om de schadelijke gezondheidseffecten door geluid, zoals een verstoorde slaap en hinder, te verminderen. Nieuw in deze richtlijnen is dat er rekening wordt gehouden met nieuwe inzichten dat de ernstigere gezondheidseffecten van geluid, zoals coronaire hartziekten, al bij lagere geluidniveaus optreden dan in het verleden werd aangenomen. Ook gaan deze richtlijnen ervan uit dat geluid van het spoor bij meer mensen hinder veroorzaakt dan eerder werd berekend. Volgens het RIVM zou het Nederlandse beleid kunnen worden verbeterd door het aan te passen aan de nieuwe inzichten van de WHO. Dit betekent dat er vanuit beleid nadrukkelijker aan wordt gewerkt om de gezondheidseffecten van geluid te verminderen. Beleidsmakers en andere (lokale) professionals kunnen gezondheid dan een belangrijker onderdeel laten zijn van beslissingen over geluid bij woningen. Mogelijkheden hiervoor zijn de wettelijke maximaal toegestane geluidniveaus te verlagen om het extra risico op coronaire hartziekten te verminderen. Ook kunnen mensen met ernstige hinder of slaapverstoring beter in beeld komen door een groter gebied rond geluidbronnen in het beleid te betrekken. Hierbij worden dan de nieuwste inzichten over de relatie tussen gezondheid en de hoogte van geluidniveaus gebruikt. Verder kunnen gerichte maatregelen ervoor zorgen dat mensen minder last hebben van geluid. Het RIVM schrijft dit in reactie op de motie-Schonis en de nieuwe richtlijnen van de WHO voor geluid in de leefomgeving. Het RIVM beschrijft zoals in de motie is gevraagd eerst de achtergronden van de WHO-richtlijnen en het Nederlandse beleid. Vervolgens is onderzocht welke mogelijkheden er zijn om het beleid te verbeteren. Het Nederlandse geluidbeleid heeft als doel schadelijke gezondheidseffecten te voorkomen door preventie en sanering. Toch hebben mensen ernstige hinder van geluid van wegverkeer (ruim 970.000 personen, waaronder circa 800.000 vanwege verkeer in steden), treinen (bijna 100.000 personen), vliegtuigen (circa 260.000 personen) en van geluid van windturbines (ruim 7.000 personen).
    • Trendanalyse grondwaterkwaliteit van drinkwaterwinningen (2000 - 2018)

      Wit, M; Claessens, J; Dik, H; van der Aa, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-02)
      Voor de Europese kaderrichtlijn Water (KRW) heeft het RIVM de kwaliteit van het grondwater van drinkwaterwinningen in Nederland geïnventariseerd. Per winning is onderzocht of de gemiddelde grondwaterkwaliteit aan de normen voldoet, welke stoffen er worden aangetroffen en welke ontwikkelingen er door de jaren heen te zien zijn. Dit is gedaan voor de kwaliteit van het grondwater tussen 2000 en 2018. Deze informatie wordt gebruikt om elke zes jaar de concentraties van stoffen in de desbetreffende grondwaterlichamen te duiden. In de onderzochte periode blijkt bij 92 van de 156 winningen het ongezuiverde grondwater (ruwwater) enige mate van verontreiniging te bevatten. De belangrijkste probleemstoffen zijn gewasbeschermingsmiddelen, oplosmiddelen en andere industriële stoffen. Ten opzichte van de vorige inventarisatie (2000-2012) waren de ontwikkelingen zowel positief als negatief: sommige concentraties nemen af, andere nemen toe. Op 21 locaties is de concentratie van 13 verschillende stoffen gestegen. Het gaat in totaal om 36 combinaties van stoffen en locaties ('stijgende trends'). Op 23 locaties is de concentratie van 16 verschillende stoffen afgenomen. Het gaat in totaal om 41 combinaties van stoffen en locaties ('dalende trends'). Bij een aantal winningen zijn de concentraties van stoffen voor het eerst gestegen. Veel van de stoffen met normoverschrijdende concentraties zijn ook in andere studies gezien. Voor de beoordeling van de grondwaterwinningen voor de drinkwatervoorziening zijn de data van REWAB (Registratie Waterkwaliteit Bedrijven) onder andere vergeleken met normen uit het Drinkwaterbesluit. In de REWAB-database rapporteren drinkwaterbedrijven over de drinkwaterkwaliteit in Nederland.
    • Risicobeoordeling van het gebruik van thermisch gereinigde grond bij de Plas van Heenvliet (Zwartewaal)

      Brand, E; Schouten, AJ; Rutgers, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-02)
      Bij de Plas van Heenvliet in de provincie Zuid-Holland zijn de zuidoostelijke oevers opgehoogd met zogeheten thermisch gereinigde grond (TGG). TGG ontstaat uit een mengsel van grond en asfaltdeeltjes dat wordt verhit om verontreinigende stoffen zoals minerale olie te verwijderen. Daarna kan het materiaal worden hergebruikt. Na de reiniging blijven metalen en zouten (sulfaat, chloride, bromide) in de grond achter. In de toekomst krijgt de Plas van Heenvliet een recreatieve functie waardoor mensen erin mogen zwemmen en vissen. Daarom heeft het RIVM onderzocht of er stoffen uit de TGG vrijkomen. Dat blijkt inderdaad zo te zijn. Deze stoffen hebben daardoor invloed op het grondwater, wat lokaal en in kleine mate effect heeft op planten en dieren in de bodem. Uit het onderzoek blijkt dat er geen gezondheidsrisico's zijn voor recreanten. Het RIVM vindt het belangrijk om de kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater in de komende jaren te blijven controleren. Het is namelijk niet uit te sluiten dat vervuilende stoffen uit TGG in de toekomst via de bodem en het grondwater in het oppervlaktewater terechtkomen. De TGG heeft vooralsnog geen aantoonbare invloed op het oppervlaktewater. De huidige kwaliteit van het oppervlaktewater heeft wel effecten op planten en dieren die daarin leven. In de bodem van de plas worden PCB's gemeten, maar deze zijn niet afkomstig uit de TGG. Het is onduidelijk in hoeverre de concentraties PCB's afwijken van die in vergelijkbare plassen in Nederland. Het onderzoek is in opdracht van de DCMR uitgevoerd.
    • Verkenning e-healthmonitor: de digitale transitie in de zorg in beeld

      Schnoor, K; Wouters, MJM; Ossendorp, BC; Hoogerhuis, PM; Suijkerbuijk, AWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-19)
      Moderne technologie maakt zorg op afstand mogelijk. Digitale zorg, of e-health, kan de zorg mogelijk betaalbaarder, toegankelijker en beter maken. Het ministerie van VWS wil weten in hoeverre de zorg digitaler wordt en welke effecten dat heeft op patiënten en zorgverleners. Het RIVM heeft op verzoek van VWS verkend hoe deze ontwikkeling met een nieuwe e-health monitor in kaart kan worden gebracht. De bedoeling is om de omvang van de digitale zorg in cijfers weer te geven, en te duiden waarom digitale hulpmiddelen wel of niet worden gebruikt. De monitor kan aangeven hoe e-health wordt ingezet door onder andere huisartsen, in ziekenhuizen, bij de zorg voor ouderen en voor mensen met een verstandelijke beperking. Het RIVM heeft dit advies in samenwerking met relevante partijen opgesteld. Het advies reikt een aantal indicatoren aan om kenmerken van de digitale zorg te kunnen gaan meten. Bijvoorbeeld de mate waarin organisaties in staat zijn om gegevens digitaal uit te wisselen of het gebruiksgemak. Voor sommige indicatoren kunnen bestaande data over e-health worden gebruikt. Wel zijn aanvullende data nodig, onder andere over ervaringen van zorgverleners en patiënten. De monitor kan verschillen in de aard en omvang van de digitale zorg gaan aangeven, zoals tussen regio's en groepen patiënten. Bovendien kan de monitor laten zien hoe patiënten en zorgverleners de digitale zorg ervaren. Het advies bevat verder voorbeelden van best practices die anderen kunnen inspireren. Tot slot wordt aanbevolen om te onderzoeken welke factoren de digitale zorg bevorderen of belemmeren. Dit gaat dus verder dan het gebruik van specifieke digitale toepassingen monitoren. De overgang naar een digitaler zorgproces is niet vanzelfsprekend: e-health toepassingen komen niet altijd van de grond, verdwijnen soms weer, of worden maar door een kleine groep mensen gebruikt. Zorg op afstand met digitale ondersteuning is in deze coronacrisis essentieel. Het is nu nog niet in te schatten of en hoe deze zorg op afstand na deze crisis gebruikt blijft worden. De nieuwe monitor is een vervolg op de monitor die Nictiz en het NIVEL tussen 2013 en 2019 hebben uitgebracht.
    • Vitamine K-profylaxe bij pasgeborenen : Beleidvormingsanalyse

      Verkaik-Kloosterman, J; de Jong, MH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-19)
      Vitamine K zorgt voor een goede bloedstolling. Een tekort kan bij pasgeboren baby's bloedingen veroorzaken. Deze bloedingen kunnen ernstig zijn, vooral als ze in de hersenen ontstaan. Om een tekort te voorkomen, krijgen baby's direct na de geboorte vitamine K-druppels toegediend. Kinderen die flesvoeding krijgen, zijn hiermee genoeg beschermd. Voor borstgevoede zuigelingen is deze dosering genoeg voor een week. Hun ouders wordt daarom geadviseerd om hen daarna drie maanden lang elke dag vitamine K-druppels te geven. Een deel van de zuigelingen blijkt de vitamine K-druppels niet goed in het lichaam op te nemen. Ze zijn daardoor niet genoeg beschermd tegen bloedingen door een vitamine K-tekort. Bij welke zuigelingen dit zo is, is bij de geboorte niet te bepalen. Daarom heeft de Gezondheidsraad in 2017 geadviseerd om vitamine K voor zuigelingen die borstvoeding of hypoallergene flesvoeding krijgen in een andere vorm te geven. En wel via een eenmalige injectie in de spier vlak na de geboorte. Op deze manier wordt vitamine K beter in het lichaam opgenomen. In buitenlandse studies zijn hier goede resultaten mee gehaald. Het ministerie van VWS heeft om aanvullende informatie gevraagd om een afgewogen besluit te kunnen nemen. Het RIVM heeft deze informatie over bijvoorbeeld kosten, de uitvoerbaarheid en draagvlak onder professionals bij elkaar gezet. Het is aan het ministerie om te beslissen of het vitamine K-beleid voor zuigelingen wordt herzien en op welke manier.
    • Coping with substances of concern in a circular economy

      Beekman, M; Bakker, JC; Bodar, CWM; van Leeuwen, LC; Waaijers-van der Loop, SL; Zijp, MC; Verhoeven, JK (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-14)
      This report is a translation of the Dutch report: Omgaan met zeer zorgwekkende stoffen in een circulaire economie (2019-0186). By 2050 the Dutch Government hopes to have a completely circular economy. An economy in which resources are continuously reused and with as little waste as possible. In a safe circular economy, risks to humans and the environment from hazardous substances in (recycled) materials are negligible. Substances of high concern, like those causing cancer for example, will only be used in materials and products when there are no known alternatives and their use is considered essential for the functioning of society. Substances of concern must not be released during production, use or re-use. RIVM believes that this transition to a circular economy provides opportunities to deal with substances of high concern safely, and to monitor their use. It is just not easy. RIVM has investigated what is needed to achieve this transition safely and has identified three challenges. First it is essential to share information about the substances used, including substances of high concern, throughout the product chain. Second, all parties in the product chain must ensure that materials and products can be reused safely. Producers should think about this at the design stage of their products. Users, (waste) processors and governments should also contribute. Finally, it's important that everyone involved deals responsibly with the materials and products that contain substances of high concern for which there is no alternative. Based on these three challenges, RIVM recommends possible actions for the short and longer term. For the short term, RIVM highlights the need to develop a policy vision and interim goals and to prioritise those products, materials and substances for which there is an urgent need to realise safe and circular product chains. These recommendations need to be developed further over the coming years and adapted to the rapidly changing demand for substances created, for example by technical innovation. Additionally, RIVM provides suggestions for monitoring whether reuse/recycling of substances of high concern during the transition to a circular economy is taking place safely. It is hoped that this report will offer some guidance and help to set an agenda for further debate between governments, companies, NGOs and research centres. This is a debate on policy, science and the monitoring of substances of high concern during the transition to a circular economy. This report was commissioned by PBL Netherlands Environmental Assessment Agency.
    • Een eerste verkennende literatuurstudie over het effect van bodembeheer op het behalen van bodem-, water- en luchtdoelstellingen

      Blokhuis, C; Schepens, JAB; van der Wal, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-13)
      Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil de kwaliteit van de Nederlandse landbouwbodems verbeteren. Daarom wil het ministerie dat alle landbouwbodems in 2030 duurzaam worden beheerd. Dit is belangrijk om voldoende gewassen te blijven produceren en minder vervuilende stoffen, zoals CO2 en stikstof, naar lucht en water uit te stoten. Het RIVM heeft hiervoor op een rij gezet of maatregelen voor bodembeheer alleen positieve of ook negatieve effecten hebben. Maatregelen kunnen bijvoorbeeld de uitstoot van vervuilende stoffen verminderen of de bodemfuncties verbeteren. Onbedoeld kunnen maatregelen ook de uitstoot van andere stoffen vergroten of andere bodemfuncties slechter maken. Het RIVM beveelt aan om zowel de positieve als de negatieve effecten mee te laten wegen in de keuze voor beleidsmaatregelen (systeembenadering). Een voorbeeld van een maatregel die alleen positieve effecten heeft, is begroeide stroken land langs de akker aanleggen (akkerranden). Doordat de begroeiing stikstof en fosfor opneemt, stromen deze stoffen minder weg naar de omliggende sloten. Een voorbeeld van een maatregel met positieve en negatieve effecten is bekalken. Door deze maatregel verdwijnt er minder stikstof vanuit de bodem naar het grondwater, maar komt er wel meer CO2 vrij. Ook mest onder de grond inspuiten heeft goede en slechte gevolgen. Door deze maatregel komt minder ammoniak in de lucht terecht, maar lekt er meer stikstof in het grondwater. Deze studie is een verkenning van de wetenschappelijke literatuur. Sommige effecten zijn nog niet helemaal onderzocht. Vervolgonderzoek zou duidelijk moeten maken hoe goed een maatregel werkt vergeleken met een andere om de kwaliteit van de lucht, het water en de bodem te verbeteren. Ook moet duidelijk worden of een maatregel in de praktijk uit te voeren is.
    • Minimum Unit Pricing voor alcohol - Verkenning van effectiviteit, implementatieaspecten en scenario's voor prijsbeleid in Nederland

      de Wit, GA; Visscher, K; van Gelder, N; van Gils, PF; Voogt, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-05-12)
      In enkele landen is een prijsmaatregel ingevoerd om goedkopere alcoholproducten duurder te maken. Deze maatregel, 'Minimum Unit Pricing' (MUP), moet ervoor zorgen dat mensen die overmatig, zwaar en problematisch drinken, minder gaan drinken. Deze typen drinkers hebben meer last van schadelijke gezondheidseffecten dan matige drinkers. De Nederlandse overheid overweegt om de maatregel in te voeren en wil daarom weten wat er bekend is uit studies en wat de ervaringen zijn in het buitenland. Uit onderzoek van het RIVM en het Trimbos-instituut blijkt dat MUP voor deze groep effectief is. In Schotland en Canada zijn overmatige, zware en problematische drinkers door MUP minder alcohol gaan drinken. De verwachting is dat er in Schotland en Australië minder ziekenhuisopnames en sterfgevallen zijn, maar ook minder verkeersovertredingen, misdrijven, zorgkosten en productieverliezen die aan alcohol zijn gerelateerd. Verder blijkt dat MUP effectiever is om de alcoholconsumptie bij overmatige, zware en problematische drinkers te verlagen dan een algemene maatregel zoals accijnsverhoging. Dat komt omdat deze drinkers vaker goedkopere alcohol drinken. Ook blijkt dat MUP de grootste economische baten heeft voor de maatschappij ten opzichte van andere maatregelen. Bij de MUP geldt een minimumprijs voor één eenheid alcohol (10 gram). Verkopers, zoals supermarkten of detailhandel, mogen alcohol niet onder deze prijs aanbieden. Hoe meer alcohol een drankje bevat, des te hoger de prijs met MUP wordt. MUP is een andere prijsmaatregel dan een accijnsverhoging, waarbij alle alcoholhoudende drank duurder worden. Bij MUP houden verkopers de extra opbrengsten en niet de overheid, zoals bij accijnsverhoging. Het RIVM en het Trimbos-instituut hebben voor dit onderzoek gegevens over de effectiviteit, economische effecten en implementatie van MUP verkend. Hiervoor is de wetenschappelijke literatuur onderzocht en zijn experts geïnterviewd. Verder is het RIVM op werkbezoek geweest in Schotland en Engeland, waar het vertegenwoordigers van de overheid, onderzoekers en lobbyorganisaties heeft gesproken. Het heeft vier scenario's uitgewerkt voor prijsbeleid in Nederland. Elk scenario heeft voor- en nadelen voor de betrokken partijen, zoals alcoholconsumenten, overheid en alcoholproducenten en -verkopers.