Now showing items 41-60 of 9579

    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2017

      Lukács, S; Blokland, PW; Prins, H; Vrijhoef, A; Fraters, D; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-01)
      In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruiming wordt derogatie genoemd. Het RIVM en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2017 en de trend vanaf 2006. Op basis van deze resultaten concluderen we dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Bedrijfsvoering In 2017 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 245 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren wordt meer stikstof uit mest gebruikt voor de aanwas, en dus productie, van gewassen: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor sinds 2006 met 20 procent gedaald. Een dalend stikstofbodemoverschot houdt in dat stikstof efficiënter wordt gebruikt. Hierdoor kan er minder nitraat met regenwater wegzakken naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terechtkomen. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is daardoor sinds 2006 minder of evenveel nitraat in het grondwater terechtgekomen. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor gemiddelden per regio. Op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden, maar gemiddeld genomen voldoen steeds meer derogatiebedrijven de laatste jaren aan deze norm. De hoogste regio gemiddelde nitraatconcentraties zijn in 2017 aangetroffen in de Lössregio (38 milligram per liter) en in het zuidelijk en oostelijk deel van de Zand regio (31 milligram per liter). In deze regio's komen drogere gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan wegzakken naar het grondwater. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV).
    • PAS Monitoringsrapportage stikstof 2018

      Marra, W; van Pul, A; Wichink Kruit, R; Lagerwerf, L; Berkhout, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-01)
      Het RIVM rapporteert over de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan in Nederlandse Natura 2000-gebieden. Dit is onderdeel van de monitoring van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De doelen van het PAS zijn: minder stikstof, sterkere natuur en economische ontwikkeling. De uitstoot van stikstof is de basis om te berekenen hoeveel ervan neerslaat op de bodem en de planten (stikstofdepositie). Uit deze monitoringsrapportage blijkt dat van 2014 tot en met 2017 de jaarlijkse uitstoot van stikstofoxiden met 13 kiloton is gedaald (4 procent). Stikstofoxide is de vorm van stikstof die vooral van verkeer en industrie afkomt. De jaarlijkse uitstoot van ammoniak, waarvan landbouw de belangrijkste bron is, is met 4 kiloton gestegen (3 procent). Het RIVM maakt voor het PAS ook prognoses van de hoeveelheid stikstof die in 2020 en 2030 op de bodem van Natura 2000-gebieden neerslaat. In de huidige prognose daalt de depositie. Hierbij is ervan uitgegaan dat de uitstoot van stikstofoxiden stijgt, en van ammoniak daalt. Als de ontwikkelingen in de gerapporteerde uitstoot tot 2017 echter doorzetten, is de hoeveelheid stikstofoxiden in de prognoses te hoog ingeschat en die van ammoniak te laag. Vanwege deze ontwikkelingen is het onzeker of de verwachte depositiedaling overal gaat worden gehaald. De afgelopen jaren is een verschil te zien tussen de uitstoot en de gemeten concentratie van ammoniak in de lucht. Dit komt grotendeels doordat er minder vervuilende stoffen in de lucht zitten. Ammoniak verbindt zich daardoor minder met deze stoffen en blijft langer in de lucht achter. Door dit inzicht is het verschil beter te begrijpen, maar het is geen reden om depositiecijfers aan te passen. Verder wordt de feitelijke uitstoot uit de landbouw nader onderzocht. Dit kan nauwkeurigere gegevens over de uitstoot en prognoses opleveren. Het aantal nieuwe aanvragen voor economische activiteiten die binnen het PAS kunnen plaatsvinden, neemt af. Dat komt doordat op diverse plekken de beschikbare ruimte voor economische ontwikkeling al is benut. Deze rapportage is opgesteld voordat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak heeft gedaan over het PAS.
    • Metingen en berekeningen van ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol

      Voogt, M; Zandveld, P; Wesseling, J; Janssen, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-27)
      Het RIVM heeft het rekenmodel verbeterd waarmee de jaargemiddelde concentratie ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol wordt bepaald. Ultrafijn stof is het aantal zeer kleine deeltjes in de lucht (kleiner dan 0,1 micrometer). De nieuwe berekeningen zijn vergeleken met metingen gedurende een half jaar op tien locaties rond Schiphol. Het is voor het eerst dat dit in Nederland op deze schaal is gedaan. Het rekenmodel is op twee punten aangepast. Taxiënde vliegtuigen zijn als bron toegevoegd. Daarnaast zijn extra gegevens over de uitstoot van ultrafijn stof van vliegverkeer uit de wetenschappelijke literatuur gebruikt. Vervolgens zijn de rekenresultaten afgestemd op de meetwaarden. Het aangepaste rekenmodel blijkt op deze manier goed in staat te zijn om gemiddelde concentraties over een langere tijd te bepalen. Locaties met lagere en hogere concentraties worden goed van elkaar onderscheiden. Daarmee zijn we erin geslaagd om het rekenmodel geschikt te maken voor onderzoek naar effecten op de gezondheid als mensen langdurig aan ultrafijn stof van vliegverkeer van Schiphol blootstaan. Volgens de berekeningen is de jaargemiddelde blootstelling van omwonenden aan ultrafijn stof van vliegverkeer op Schiphol in 2017 en 2018 het hoogst op woonlocaties vlak bij de luchthaven en neemt deze af naarmate ze verder weg wonen. Wel zijn er van jaar tot jaar kleine verschillen die onder andere veroorzaakt worden door variatie in weersomstandigheden en baangebruik. Een volgend onderdeel van het onderzoeksprogramma is onderzoek naar de gezondheidseffecten van langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer. Hiervoor is informatie nodig over de mate waarin mensen die in de omgeving van Schiphol wonen aan ultrafijn stof worden blootgesteld. Om de blootstelling te kunnen bepalen, is inzicht in de concentratie ultrafijn stof in de lucht nodig. Het rekenmodel maakt het mogelijk om die informatie te verkrijgen. Metingen kennen beperkingen: het is onmogelijk om op alle locaties waar mensen wonen de concentratie van ultrafijn stof te meten. Ook zijn de metingen erg afhankelijk van de weersomstandigheden en het baangebruik. Het rekenmodel vertaalt metingen naar alle overige locaties en andere (langere) perioden.
    • NethMap 2019: Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands / MARAN 2019: Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2018

      de Greeff, SC; Mouton, JW; Schoffelen, AF; Verduin, CM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-27)
      Wereldwijd neemt het aantal bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica toe. In Nederland blijft dat aantal over het algemeen stabiel en is het minder hoog dan in veel andere landen. Toch blijft er reden voor zorg en alertheid. Bij sommige bacteriesoorten neemt de resistentie tegen sommige antibiotica wel langzaam toe. Vooral bij Klebsiella pneumoniae, een veel voorkomende darmbacterie, werken de laatste 5 jaar meerdere antibiotica steeds vaker minder goed. Deze bacteriën kunnen onschuldige infecties zoals een blaasontsteking veroorzaken en zijn door de resistentie moeilijker te behandelen. Ook moeten dan vaker soorten antibiotica worden gebruikt die alleen als laatste redmiddel worden gebruikt. Om resistentie te voorkomen is het belangrijk om antibiotica op de juiste manier te gebruiken en alleen als het nodig is. Huisartsen schreven in het afgelopen jaar even veel antibioticakuren voor als de jaren daarvoor. In ziekenhuizen blijft het totale antibioticagebruik wel stijgen. Voor dieren is in 2018 is ongeveer evenveel antibiotica voorgeschreven als in 2017. Ten opzichte van 2009, het referentiejaar, is het gebruik met ruim 63 procent verminderd. Voor dieren zijn de afgelopen jaren bijna geen antibiotica gebruikt die belangrijk zijn om infecties bij de mens te behandelen. Het aantal resistente bacteriën bij dieren is ongeveer gelijk gebleven. Wel is het aantal ESBL-producerende darmbacteriën verder afgenomen bij bijna alle diersoorten die voor de voedselproductie worden gebruikt. Alleen bij vleeskalveren blijft het aantal stijgen. ESBL zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica kunnen afbreken, zoals penicillines. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2019. Hierin presenteren diverse organisaties gezamenlijk de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, zowel voor mensen als voor dieren. In Nederland zijn de afgelopen jaren extra maatregelen genomen om antibioticaresistentie te bestrijden. Deze maatregelen reiken verder dan de gezondheidszorg omdat resistente bacteriën ook bij dieren, in voeding en in het milieu voorkomen (One Health). Onder andere zijn 'regionale zorgnetwerken' opgezet om de samenwerking tussen verschillende zorgprofessionals te stimuleren en de kans dat resistente bacteriën worden overgedragen zo klein mogelijk te houden. Part 1: NethMap 2019 pg 1 - 166 Part 2: MARAN 2019 pg 1 - 82
    • Onderzoek naar de gezondheidseffecten van kortdurende blootstelling aan ultrafijn stof rond Schiphol

      Janssen, NAH; Lammer, M; Maitland-van de Zee, AH; van de Zee, S; Keuken, R; Blom, M; van den Bulk, P; van Dinther, D; Hoek, G; Kamstra, K; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-27)
      Mensen die in de buurt van Schiphol wonen staan regelmatig bloot aan verhoogde concentraties ultrafijn stof. Ultrafijn stof is het aantal zeer kleine deeltjes in de lucht (kleiner dan 0,1 micrometer). De blootstelling aan ultrafijn stof rond Schiphol kan kortdurend effect hebben op de gezondheid, blijkt uit onderzoek van het RIVM. Op zulke dagen hebben kinderen meer last van luchtwegklachten, zoals kortademigheid en piepende ademhaling. Ook gebruiken kinderen dan meer medicijnen. De effecten treden vooral op bij kinderen die al klachten aan de luchtwegen hebben en hiervoor al medicijnen gebruiken. Bij kinderen en gezonde volwassenen zijn kortdurende verminderingen in de longfunctie gemeten en bij de gezonde volwassen is ook kortdurende vermindering van de hartfunctie gemeten bij tijdelijk hogere blootstelling. Gemiddeld genomen zijn deze veranderingen klein en hoeven ze niet tot directe gezondheidsklachten te leiden. Voor individuen die hiervoor gevoelig zijn, bijvoorbeeld omdat ze astma of hartaandoeningen hebben, kunnen deze veranderingen groter zijn. De effecten treden zowel op bij ultrafijn stof afkomstig van vliegverkeer als bij ultrafijn stof van andere bronnen, zoals wegverkeer. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de gezondheidseffecten van het vliegverkeer anders zijn dan die van het wegverkeer. De conclusies zijn gebaseerd op drie deelstudies: een studie met 191 basisschoolkinderen in woonkernen vlakbij Schiphol, een studie met 21 gezonde volwassenen direct naast Schiphol en een laboratoriumstudie met longcellen. De resultaten van dit onderzoek geven nog geen inzicht in mogelijke lange termijn gezondheidseffecten van ultrafijnstof. Dit komt aan bod in het deelonderzoek naar de effecten van langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer. De resultaten hiervan worden in 2021 verwacht.
    • Milieuverkenning Overijssel: Luchtkwaliteit, geluidbelasting en gezondheid

      de Ruiter, HR; van Wijnen, HJ; de Vries, WJ; Swart, WJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-27)
      Het gezondheidsrisico van luchtvervuiling en het geluidniveau waar inwoners van de provincie Overijssel aan worden blootgesteld, is gemiddeld genomen lager dan het gemiddelde in Nederland. Dat komt omdat de luchtkwaliteit in de provincie beter is en de geluidbelasting lager dan het Nederlandse gemiddelde. Fijn stof zorgt voor het grootste gezondheidsrisico in de provincie. Als het voorgenomen beleid voor luchtkwaliteit wordt uitgevoerd, zal de luchtkwaliteit in de provincie naar verwachting in de toekomst verbeteren. Dit is in lijn met de ontwikkelingen in de rest van Nederland. Het is niet bekend hoe de geluidbelasting zich ontwikkelt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de milieukwaliteit in relatie tot gezondheid in de provincie Overijssel. Door de milieukwaliteit in de provincie en het bijbehorende gezondheidsrisico inzichtelijk te maken, wordt duidelijk in welke gebieden mensen wonen met een hoger gezondheidsrisico als gevolg van luchtverontreiniging en geluidbelasting. Dit is belangrijk omdat milieugerelateerde gezondheidsrisico's ook onder de huidige wettelijke grenswaarden voor luchtverontreiniging en geluid optreden. Verder is het van belang om ook naar andere milieufactoren te blijven kijken die gezondheidswinst opleveren, zoals een gezonde leefomgeving. Bronnen in de provincie, zoals provinciaal verkeer en lokale industrie, dragen ongeveer 10 procent bij aan de fijnstofconcentratie. Aan de concentraties roet- en stikstofdioxide, onder andere afkomstig van houtstook en verkeer, dragen de bronnen in de provincie ongeveer een kwart bij. Buitenlandse bronnen, waaronder landbouw en industrie, leveren de grootste bijdrage aan de luchtverontreiniging in Overijssel. De belangrijkste bron van geluidbelasting is het gemeentelijk wegverkeer. Voor de verkenning is berekend wat de concentraties van fijnstof (PM10 en PM2.5), stikstofdioxide en roet in 2016 en 2030 zijn. Ook is de huidige geluidbelasting in de provincie in kaart gebracht. Op basis van de concentratie van PM10 en stikstofdioxide, en de geluidbelasting is het milieugezondheidsrisico berekend.
    • Influenza vaccination in the Netherlands : Background information for the Health Council of the Netherlands

      Schurink-van 't Klooster, TM; van Gageldonk-Lafeber, AB; Wallinga, J; Meijer, A; van Boven, M; Sanders, EAM; van Vliet, JA; de Melker, HE; van der Hoek, W; Backer, JA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-27)
      Van alle infectieziekten veroorzaakt griep de meeste ziekenhuisopnames en sterfgevallen. De belangrijkste manier om dit te voorkomen, is door mensen tegen dit virus te vaccineren. Ook zorgt vaccinatie ervoor dat infecties milder verlopen. De Gezondheidsraad bereidt momenteel een nieuw advies voor over de doelgroepen van de vaccinatie en de veiligheid en effectiviteit van nieuwe vaccins. Hierbij wordt ook gekeken of griepvaccinatie voor zwangere vrouwen en kinderen een goed idee is. Als ondersteuning van dit advies geeft het RIVM een overzicht van beschikbare wetenschappelijke informatie over griepvaccinatie. Onderwerpen zijn onder andere de effectiviteit, acceptatie, impact, veiligheid en kosteneffectiviteit ervan. Op dit moment wordt in Nederland twee groepen mensen geadviseerd zich tegen de griep te laten vaccineren: alle mensen van 60 jaar en ouder, en mensen die (chronische) aandoeningen hebben en daardoor een hoger risico om complicaties te krijgen of te overlijden door de griep. Vaccinatie tijdens de zwangerschap kan zowel de moeder beschermen als het kind tot zes maanden na de geboorte. Bij kinderen kan de vaccinatie een dubbel effect hebben: zij zijn zelf beschermd tegen de griep en de vaccinatie kan de kans verkleinen dat mensen in hun omgeving de griep krijgen. Er bestaan veel verschillende vaccins tegen de griep. De vaccins die nu in Nederland worden gebruikt, beschermen matig. Ze voorkomen een derde tot de helft van de infecties. Ook geldt: hoe ouder mensen zijn op het moment dat ze zich laten vaccineren, hoe minder het vaccin hen beschermt. Recente onderzoeken laten zien dat nieuwe vaccins oudere proefpersonen beter beschermen. Deze vaccins worden nog niet gebruikt in Nederland. Vanaf 2019-2020 zal een vaccin tegen vier typen griepvirus worden gebruikt in plaats van het huidige vaccin tegen drie typen.
    • Strategisch Programma RIVM Jaaroverzicht 2016 : Speerpuntnotities - publicaties

      Kretzschmar, MEE; Lebret, E; van Oers, JAM; Polder, JJ; Sanders, EAM; Timmermans, DRM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-26)
      Het RIVM brengt jaarlijks verslag uit van het Strategisch Programma RIVM (SPR). Het verslag is bedoeld om de eigenaar van het RIVM (VWS), de Commissie van Toezicht en geïnteresseerden binnen en buiten het instituut te informeren over het eigen onderzoek. Het SPR is bedoeld om het RIVM te voorzien van de expertise en kwaliteit om nu en in de toekomst de taken van de opdrachtgevers adequaat uit te kunnen voeren. Daarvoor worden drie typen projecten uitgevoerd: onderzoek, innovatie en expertise-ontwikkeling. Het SPR is van start gegaan met 83 projecten, die zijn ondergebracht in zes speerpunten en vier zogeheten crosscutting themes. De projecten worden in een cyclus van vier jaar uitgevoerd. In dit overzichtsrapport zijn een paar voorbeelden van projecten uitgelicht. In 2016 zijn voor alle projecten de eerste producten opgeleverd, zoals data verwerven, analyses uitvoeren en manuscripten schrijven. Ook is deelgenomen aan relevante nationale en internationale symposia en congressen. Enkele aansprekende voorbeelden van innovatie zijn: de Fruitbuit, een app waarmee gebruikers makkelijker hun dagelijkse hoeveelheid fruit kunnen bestellen; de Tekentrektrainer, een apparaat van kunsthuid waarmee zorgverleners kunnen oefenen om teken te verwijderen; en het project 2GetThere dat erop gericht is om een eerder binnen SPR ontwikkelde methode voor ammoniakmetingen op de markt te brengen. In 2016 is ruim aandacht besteed aan internationale projecten. De deelname van het RIVM aan dit soort projecten draagt bij aan de kwaliteit van het onderzoek en zorgt ervoor dat de SPR-projecten aangesloten zijn bij Europese (onderzoeks)prioriteiten. In 2016 zijn 12 projecten die in internationaal verband worden uitgevoerd, gedeeltelijk gefinancierd uit het SPR.
    • Puntprevalentieonderzoek naar antibioticaresistentie in verpleeghuizen

      van Kleef, E; Wielders, L; Bijkerk, P; Beishuizen, B; Schouls, L; van der Lubben, M; de Greeff, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-26)
      In 2018 is in Nederland een landelijk onderzoek gestart naar dragerschap van antibioticaresistente bacteriën onder verpleeghuisbewoners. Als geheel staat de verpleeghuissector er goed voor. Door dit onderzoek is er een completer beeld van antibioticaresistentie in Nederland. Voor dit onderzoek zijn 4420 bewoners in 159 verpleeghuizen onderzocht. Er is naar twee soorten resistente darmbacteriën onderzoek gedaan (ESBL en CPE). Er werd geen CPE aangetroffen. Dat is gunstig, want er zijn nauwelijks antibiotica die infecties met deze bacterie kunnen behandelen. Het aandeel bewoners van verpleeghuizen dat een ESBL-bacterie bij zich droeg komt gemiddeld genomen overeen met het percentage in de Nederlandse bevolking. ESBL's zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica zoals penicillines kunnen afbreken waardoor de antibiotica niet meer werken. Bij een derde van de deelnemende verpleeghuizen, kwamen meer ESBL-bacteriën onder bewoners voor dan gemiddeld in Nederland. Bij hen is extra onderzoek gedaan om te bepalen of er sprake was van verspreiding onder de bewoners. Ook kregen ze advies over maatregelen om ervoor te zorgen dat de bacteriën zich niet verder verspreiden. Het onderzoek is onderdeel van de landelijke aanpak van antibioticaresistentie door de Nederlandse overheid. Het doel is om verdere resistentie te voorkomen en de gevolgen ervan zo veel mogelijk te beperken. Tot dit onderzoek werd uitgevoerd was er nog weinig zicht op de situatie in verpleeghuizen. De landelijke aanpak is opgezet omdat bacteriën wereldwijd steeds vaker ongevoelig worden voor antibiotica. Het RIVM coördineerde de studie, die is uitgevoerd door Regionale Zorgnetwerken Antibioticaresistentie (RZN), medisch microbiologische laboratoria, en verpleeghuizen. De RZN zijn opgezet om antibioticaresistentie regionaal te voorkomen en te bestrijden.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2018

      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-06-24
      In het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) krijgen kinderen vaccinaties tegen besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar de belangrijkste gebeurtenissen op het gebied van het RVP en de ontwikkeling van de vaccinatiegraad. Belangrijke gebeurtenissen In 2018 hadden niet meer mensen dan normaal gesproken een ziekte waartegen via het RVP wordt ingeënt. Wel zette de stijging van het aantal mensen met meningokokkenziekte W door (103 patiënten in 2018 ten opzichte van 80 in 2017). Vanwege deze stijging is de vaccinatie tegen meningokokken C voor baby's in 2018 uitgebreid met meerdere typen. Deze meningokokken ACWY-vaccinatie wordt in 2019 ook aangeboden aan jongeren die tussen 2001 en 2005 zijn geboren (inhaalcampagne). Uit voorzorg is in 2018 een deel van de jongeren die in 2004 zijn geboren hier al voor uitgenodigd. In 2018 is besloten om de vaccinatie tegen kinkhoest voor zwangere vrouwen op te nemen in het RVP. Deze vaccinatie wordt waarschijnlijk eind 2019 ingevoerd. Hiermee kunnen zwangere vrouwen hun baby tegen kinkhoest beschermen. Voor baby's van gevaccineerde moeders wordt het vaccinatieschema aangepast (later beginnen en één inenting minder). Vaccinatiegraad Er is een einde gekomen aan de daling in het aandeel kinderen dat de vaccinaties uit het RVP krijgt. De landelijke vaccinatiegraad is hiermee nog niet terug op het oude niveau, maar is voor de meeste vaccinaties ongeveer gelijk gebleven aan het jaar ervoor. Voorlopige cijfers voor jongere kinderen laten zelfs een lichte stijging zien. De landelijke vaccinatiegraad van HPV (baarmoederhalskanker) is met 45,5 procent gelijk gebleven aan het jaar ervoor, en lijkt voor jongere meisjes ook toe te nemen. De voorlopige landelijke vaccinatiegraad van de nieuwe meningokokken ACWY-vaccinatie is hoog (87 procent). De staatssecretaris van VWS wil 16- of 17-jarigen de kans geven om gemiste RVP-vaccinaties alsnog te halen. Hiervoor komt ongeveer een tiende van de jongens in aanmerking. Dit geldt voor ongeveer de helft van de meisjes, vooral vanwege de HPV-vaccinatie.
    • Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst' : Deelproject Milieu

      Verschoor, A; Zwartkruis, J; Hoogsteen, M; Scheepmaker, J; de Jong, F; van der Knaap, Y; Leendertse, P; Boeke, S; Vijftigschild, R; Kruijne, R; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-06-21)
      De normen voor gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater worden nog te vaak overschreden. Het tussentijdse doel dat de normen in 2018 vijftig procent minder vaak worden overschreden dan in 2013, is daardoor niet gehaald. Dit doel is een onderdeel van het kabinetsbeleid om de landbouw duurzamer te maken. Het is echter onduidelijk hoe vaak en voor hoeveel stoffen de normen precies worden overschreden. De schadelijkste gewasbeschermingsmiddelen kunnen namelijk niet nauwkeurig genoeg worden gemeten. De waterschappen hebben gemeten of ruim 200 verschillende gewasbeschermingsmiddelen voorkomen in oppervlaktewateren bij landbouwpercelen. Ten minste tweederde van de meetpunten voldoet niet aan de waterkwaliteitsnormen. Volgens berekeningen veroorzaken slechts 4 stoffen 90 procent van de effecten in het oppervlaktewater. Juist deze stoffen zijn moeilijk meetbaar. Daarom beveelt het RIVM aan de monitoring van de waterkwaliteit te verbeteren. Ook blijken de normen voor de beoordeling of stoffen op de markt mogen worden toegelaten, soms minder streng te zijn dan de normen voor de waterkwaliteit, die gelden als de stof eenmaal op de markt is. Aanbevolen wordt deze normen beter op elkaar af te stemmen. Voor 5 gewassen is berekend dat de waterkwaliteit tot ruim 50 procent kan verbeteren door zogeheten geïntegreerde gewasbescherming. Bij deze werkwijze is chemische bestrijding een laatste stap, als andere manieren van plaagbestrijding niet werken. Eerst moeten preventieve maatregelen worden genomen die de landbouw minder kwetsbaar maken voor grote plagen, zoals de aanleg van bloemrijke akkerranden en meer variëren in de teelt van in landbouwgewassen. Het beleid heeft ook doelen voor grondwater en biodiversiteit opgesteld, al zijn die minder concreet. Volgens berekeningen zijn de concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in het grondwater gemiddeld 6 procent lager geworden. Om te kunnen aangeven hoe de concentraties zich ontwikkelen, wordt de provincies aanbevolen het grondwater langere tijd te meten en de metingen beter op elkaar af te stemmen. Om te zien of de ingezette beleidsmaatregelen helpen om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen, zou de biodiversiteit in Nederland langere tijd moeten worden gevolgd.
    • Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst' : Deelproject Voedselveiligheid

      Boon, PE; van Donkersgoed, G; van der Vossen, W; Sam, M; Noordam, MY; van der Schee, H (r, 2019-06-21)
      De Nederlandse overheid wil dat het aantal groente- en fruitproducten op de Nederlandse markt waar te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen op zitten, laag blijft. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat dit tussen 2013 en 2017 is gebeurd. Meer dan 95 procent van de producten bevatten concentraties die lager zijn dan wat wettelijk is toegestaan. Producten uit landen buiten Europa, zoals gojibessen, overschrijden steeds minder vaak de norm, maar deze ontwikkeling is nog niet stabiel. Aandacht voor lagere concentraties in deze producten blijft nodig. Het lage percentage producten waarop te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen zitten, laat zien dat tuinders zorgvuldig met deze middelen omgaan. Bovendien worden producten die van buiten de EU komen extra gecontroleerd. Ook stellen supermarkten sinds het begin van deze eeuw strengere eisen aan de aanwezigheid van resten van gewasbeschermingsmiddelen op groente en fruit dan de norm. In welke mate deze maatregel invloed heeft gehad, viel buiten het bestek van dit onderzoek. Verder is de berichtgeving over resten van gewasbeschermingsmiddelen richting het publiek sinds 2010 aangepast. Het Voedingscentrum en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verspreiden sindsdien actief informatie over resten van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel en zijn een aanspreekpunt voor vragen. Wel blijven mensen zich zorgen maken over de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen waar deze zorg vandaan komt en hoe deze zorg zou kunnen worden verminderd.
    • Investigation of the air quality around the landfill Sint Maarten 2019 : Measurements and results of the MOD field visit in January 2019

      Morgenstern, P; van Putten, E; Stolk, A; van Leeuwen, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-06-20)
      At the beginning of 2019, the RIVM measured the air quality around the landfill at Philipsburg, Sint Maarten for two weeks. No or hardly any harmful substances were measured. During the measurement period there were no open fires at the landfill. As a result, the RIVM is unable to assess the potential health risks of substances released in the event of an open fire at the landfill. In order to do so, it is necessary to take measurements during an open fire. The local fire department could perform this task. RIVM can support the fire brigade with specialized equipment and knowledge. The measurements were taken by the Environmental Incident Service (MOD) of the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) between 24th January and 6th February 2019. The measurements were taken at a distance of 500 to 2500 metres from the landfill. The RIVM did not perform any measurements at the landfill itself. The locations were chosen to provide a good insight into the possible exposure of the local population. Measurements were taken to identify the following substances: particulate matter (PM10), inorganic gases, Volatile Organic Components (VOC), aldehydes, Polycyclic Aromatic Hydrocarbons (PAHs), dioxins and Polychlorinated Biphenyls (PCB). This is a broad "package" of substances that might be relevant in case of a fire. From the 206 samples taken, a representative selection of 90 samples was analyzed in special laboratories. In some cases, the concentrations of aluminum and possibly of chromium measured were found to exceed the standards that apply if people were to breathe these substances continuously throughout their lives. However, the health effects of these exceedances are negligible. For PAHs, some samples exceeded the standards that would apply if these substances were ingested daily during a lifetime. This results in an almost negligible health risk. The odour nuisance that people experience can cause health problems such as nausea and headache.
    • Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2018

      Slurink, IAL; van Aar, F; Op de Coul, ELM; Heijne, JCM; van Wees, DA; Hoenderboom, BM; Visser, M; den Daas, C; Woestenberg, PJ; Gotz, HM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-06-20)
      In 2018 hebben vrijwel evenveel mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) als in 2017. Het percentage dat daadwerkelijk een soa had bleef gelijk. Chlamydia bleef de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen. Bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) was gonorroe de meest voorkomende soa. Bij huisartspraktijken nam het aantal soa-consulten toe, voornamelijk onder personen ouder dan 25 jaar. Bij CSG's kunnen mensen die een grotere kans hebben een soa op te lopen, bijvoorbeeld jongeren onder de 25, zich gratis laten testen. In totaal zijn er in 2018 152.217 consulten geregistreerd bij de CSG's. Het aantal consulten nam af onder vrouwen en heteroseksuele mannen, maar nam toe bij MSM. Bij 18,2 procent van de consulten werd een soa gevonden. Infecties werden het vaakst gevonden bij mensen die waren gewaarschuwd voor een soa, gevolgd door mensen met hiv. Naast de CSG-cijfers worden schattingen voor de hele bevolking gemaakt op basis van gegevens over soa van 367 huisartspraktijken in 2017. Huisartsen voeren het merendeel van de soa-consulten en diagnoses uit. Chlamydia In 2018 had 13,9 procent van de CSG-bezoekers een chlamydia-infectie (2 procent minder dan in 2017; 21.021 diagnoses). Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met chlamydia bleef in de afgelopen 3 jaar stabiel (respectievelijk 15 procent en 18 procent), na een aanhoudende stijging in de voorgaande jaren. Voor MSM ligt dit percentage al jaren rond de 10 procent. Het aantal geschatte diagnoses door huisartsen was in 2017 stabiel ten opzichte van 2016. Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses bij de CSG is het afgelopen jaar met 9 procent toegenomen tot 7.362 infecties. De percentages mensen die het bleken te hebben, bleven stabiel ten opzichte van vorige jaren; laag onder vrouwen (1,7 procent) en heteroseksuele mannen (2,0 procent), en hoger onder MSM (11,2 procent). Het geschatte aantal diagnoses door huisartsen nam toe van 9.000 in 2016 naar 9.550 in 2017. Deze toename was vooral onder vrouwen ouder dan 25 jaar. Bij de CSG is geen antibioticaresistentie tegen het huidige 'eerste keus' antibioticum ceftriaxon gemeld. Wel is er resistentie tegen andere antibiotica. De resistentie tegen azitromycine steeg in de afgelopen jaren van 2 procent in 2012 tot 11 procent in 2018. Syfilis In 2018 was het aantal syfilis-diagnoses bij de CSG bijna gelijk aan dat in 2017 (1.224 versus 1.228). Daarvan is 96 procent bij MSM vastgesteld. Dit percentage daalde na een jarenlange stijging licht, van 2,9 procent in 2016 naar 2,6 procent in 2017 en 2,4 procent in 2018. Voornamelijk onder MSM met hiv was het percentage lager. Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met de infectie bleef in 2018 zeer laag, respectievelijk 0,1 en 0,2 procent. Hiv Het aantal nieuwe diagnoses van hiv gesteld bij de CSG's is afgenomen in 2018 (249) ten opzichte van 2017 en 2016 (respectievelijk 286 en 285). Negentig procent van deze diagnoses was bij MSM. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef zeer laag. Het aantal mensen met hiv dat in 2018 voor het eerst voor behandeling bij een van de Nederlandse hiv-behandelcentra kwam ('in zorg') was 909, wat minder was dan in 2017 (1.037). In totaal waren in 2018 20.181 mensen met hiv geregistreerd als in zorg.
    • Klimaatakkoord: effecten op veiligheid, gezondheid en natuur

      van der Ree, J; Honig, E; Uijt de Haag, PAM; Kelfkens, G; van de Ven, MF (Climate Accord: effects on health, safety and nature, 2019-06-19)
      Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat wil de positieve en negatieve effecten van het Klimaatakkoord voor veiligheid, gezondheid en natuur in beeld brengen. Het RIVM heeft daarom onderzocht wat het afbouwen van de huidige fossiele energie bronnen, en de systemen en technieken die daardoor verdwijnen, betekent voor veiligheid, gezondheid en natuur. De maatregelen in het Klimaatakkoord kunnen, door het verdwijnen van de fossiele bronnen, winst opleveren voor gezondheid, veiligheid en natuur. Deze winst is relevant maar ook beperkt omdat CO2-reductie zich niet één-op-één vertaalt in vermindering van luchtverontreiniging of in veilligere leef- en werkomstandigheden. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een eerste verkenning die een ruwe schatting op nationaal niveau oplevert. Internationale maatregelen kunnen de winst vergroten. Deze verkenning houdt geen rekening met de mogelijke gevolgen van de vervangende energiesystemen en technieken. Voor veiligheid gaat het vooral om het wegvallen van koolmonoxide-vergiftiging door gebruik van aardgasinstallaties in huis. Als in 2050 alle woningen gasloos zijn, worden 10-50 dodelijke slachtoffers per jaar voorkomen. Daarnaast verdwijnen risicobronnen, waardoor de kans op een ramp met tien of meer doden door deze bronnen verdwijnt. Vooral het vervallen van het transport van brandstoffen levert een belangrijke verbetering op. Voor gezondheid ligt de winst vooral in het vervangen van verbrandingsmotoren (benzine, diesel, gas) door elektromotoren. Hierdoor komen minder stikstofoxiden en fijnstof in de lucht. Geschat wordt dat deze emissies in 2030 met 10% kunnen dalen ten opzichte van 2016. De ziektelast door luchtverontreiniging zal hierdoor met één tot enkele procenten afnemen. Voor 2050 wordt een verdere daling verwacht voor stikstofoxiden en fijnstof door de klimaatmaatregelen, waardoor de afname van de ziektelast nog eens kan verdubbelen. Blootstelling aan dieselrook op de werkplek kan leiden tot longkanker en andere aandoeningen. Door het verdwijnen van dieselrook kan de werkgerelateerde ziektelast met één tot enkele procenten afnemen. Elektrische auto's maken bij lage snelheden minder geluid waardoor de geluidsoverlast binnen de bebouwde kom afneemt. Dat kan leiden tot een geluidsreductie met 1 decibel in 2030 en met 3-4 decibel in 2050. Als het lukt een vermindering met 3-4 decibel te realiseren zal de ziektelast als gevolg van geluid met 15-25% afnemen. Voor natuur is met het Klimaatakkoord winst te halen door een verdere vermindering van de stikstofdepositie. Ongeveer 10% extra vermindering in 2050 is mogelijk. Als die daling wordt gerealiseerd zal het natuuroppervlak waarvoor de stikstofbelasting onder de kritische waarde ligt toenemen. Dit heeft gunstige gevolgen voor natuur en biodiversiteit. Realiseren van de klimaatdoelen van Parijs (2015) is nodig om verdere opwarming van de aarde en de gevolgen daarvan zo veel mogelijk te voorkomen. Om aan de afspraken van Parijs te voldoen moet Nederland overstappen van fossiele brandstoffen op duurzame energiebronnen zoals zon en wind. Het (ontwerp-)Klimaatakkoord legt de maatregelen en afspraken voor deze energietransitie vast. Doel van het Klimaatakkoord is een vermindering van broeikasgassen met 49% in 2030 en met 95-100% in 2050.
    • Meten, modellering en beleving fase 3 : Verbeterprogramma modellen

      de Gruijter, DG; Beezemer, A; Peeters, B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-18)
      Nederland heeft uitgebreide wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit en geluid. Met behulp van rekenmodellen wordt dit beleid uitgevoerd en wordt getoetst of situaties aan de normen voldoen. Het is moeilijk om dit met behulp van metingen te doen; voor toekomstige situaties is het onmogelijk. Het ministerie heeft beleid opgesteld om metingen en berekeningen zich goed tot elkaar te laten verhouden. Om dit beleid te realiseren geeft het RIVM aanbevelingen op welke punten de rekenmodellen beter moeten worden beheerd en geactualiseerd, en welke acties nodig zijn om dit te bereiken. Veel onderdelen van dit onderzoek gelden voor geluid van weg- en railverkeer. Voor luchtkwaliteit is een aantal zaken al beter geregeld. Het is vooral belangrijk dat de voorschriften van de rekenmodellen transparant worden beheerd en onderhouden. Daarnaast moeten de getallen waarmee wordt gerekend regelmatig worden geactualiseerd. Verder is een duidelijke afbakening nodig waar de rekenmethoden voor geschikt zijn, en moet er een procedure zijn voor alternatieve methoden in situaties die buiten deze afbakening vallen. Wat de metingen betreft moet de manier waarop de jaargemiddelde geluidbelasting wordt bepaald beter worden vastgelegd. Daarnaast moet duidelijk worden beschreven wanneer verschillen tussen meet- en rekenresultaten significant zijn. Tot slot is het van belang dat de verantwoordelijke instanties correct, eenduidig en snel antwoord kunnen geven op vragen uit de omgeving. De voorgestelde verbeteringen zijn van belang omdat er een zeker wantrouwen over het gebruik van rekenmodellen heerst, vooral in situaties waar de normen en de berekende uitkomsten niet goed aansluiten bij de hinderbeleving. Dan worden vaak metingen ingezet, die dan niet altijd een bevredigend antwoord geven.
    • Handreiking voor de afleiding van interventiewaarden voor incidentbestrijding

      Geraets, L; Ruijten, M; Mahieu, K; Bos, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-17)
      Met interventiewaarden voor gevaarlijke stoffen wordt het niveau van gevaar ingeschat wanneer mensen eenmalig en kortdurend een gevaarlijke stof inademen als gevolg van een incident. Deze interventiewaarden ondersteunen de bestrijding van incidenten in Nederland. Op basis van de waarden worden beslissingen genomen om eventueel meer hulpverlenende organisaties in te zetten die betrokken zijn bij de incidentbestrijding. Ook maken ze beslissingen mogelijk over maatregelen om de bevolking te beschermen en over de communicatie met de bevolking. Vooral de Gezondheidskundig Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (GAGS) van de GHOR/GGD en de Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (AGS) van de brandweer maken van deze interventiewaarden gebruik. De wijze waarop interventiewaarden voor incidentbestrijding tot stand komen, is recentelijk volledig herzien. Het RIVM beschrijft de huidige methodiek, welke overwegingen hierbij worden gemaakt en hoe de kwaliteit wordt gewaarborgd. Interventiewaarden voor incidentbestrijding bestaan in Nederland sinds 1993. In opdracht van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is het RIVM hiervoor sinds 2001 verantwoordelijk. Voor de interventiewaarden worden onderzoeksgegevens over gezondheidseffecten van een eenmalige blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij proefdieren en mensen vertaald naar de algemene bevolking. Hierbij wordt rekening gehouden met groepen die extra gevoelig kunnen zijn voor de blootstelling aan deze stoffen, zoals ouderen en kinderen.
    • New insights in the development of azole-resistance in Aspergillus fumigatus

      Schoustra, SE; Zhang, J; Zwaan, BJ; Debets, AJF; Verweij, P; Buijtenhuijs, D; Rietveld, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-17)
      In dit onderzoek is gekeken naar factoren die de ontwikkeling van resistentie van de schimmel Aspergillus fumigatus beïnvloeden in plantenafval uit de bollenteelt. Anti-schimmelmiddelen, de zogenaamde azolen, worden gebruikt in de bollenteelt en in vele andere toepassingen. Resistentie van A. fumigatus ontstaat al bij zeer kleine hoeveelheden van deze azolen. Ook blijkt dat alle gebruikelijke typen azolen deze resistentie kunnen veroorzaken. Resistente A. fumigatus komt het hele jaar voor in het onderzochte plantenafval. Aspergillus fumigatus is een schimmel die groeit op dood plantenmateriaal. Deze schimmel maakt grote hoveelheden sporen die in de lucht komen die wij vervolgens kunnen inademen. Voor gezonde mensen vormt dit geen gevaar, maar voor patiënten met een verzwakt immuunsysteem kan dit zorgen voor ernstige longinfecties. De azolen waarmee we A. fumigatus bestrijden (medicinale azolen) lijken erg op de azolen die in de landbouw en voor andere toepassingen gebruikt worden. Deze medicinale azolen werken echter steeds minder goed, omdat in patienten steeds vaker resistente A. fumigatus wordt aangetroffen. Deze resistentie ontstaat door aanpassingen van de schimmel als die wordt blootgesteld aan azolen. Het resistentiemechanisme dat gevonden wordt in A. fumigatus in plantenafval in de bollenteelt is gelijk aan het resistentiemechanisme van A. fumigatus dat werd gevonden bij patiënten met Aspergillus-infecties. Het is daarom plausibel dat patiënten een infectie kunnen oplopen door het inademen van resistente sporen uit de omgeving. Beheersing van resistente A. fumigatus in plantenafval in de bollenteelt kan mogelijk infectie van patiënten met de resistente schimmel beperken. We hebben onderzocht of de ontwikkeling van resistentie afgeremd kon worden door de levenscyclus van de schimmel te verstoren. Verstoring van de levenscyclus bleek geen invloed te hebben op de ontwikkeling van resistentie. Deze studie laat zien dat opslag van plantenafval in de bollenteelt gunstig is voor de selectie van resistente A. fumigatus. Een voor de hand liggende preventieve maatregel zou daarom zijn de opslag van plantenafval in de bollenteelt te voorkomen. Of dit ook geldt voor voor opslag van plantenafval in andere bedrijfstakken is nog niet voldoende onderzocht.
    • Inventarisatie van legionellarisico's bij afvalwaterzuiveringsinstallaties

      Bartels, AA; van Leerdam, RC; Lodder, WJ; Vermeulen, LC; van den Berg, HHJL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-14)
      Legionellabacteriën kunnen zich via de lucht verspreiden en een longontsteking veroorzaken als mensen ze inademen. Ze worden meestal verspreid door installaties die water vernevelen, zoals bubbelbaden en 'natte' koeltorens. Sinds 2012 stijgt in Nederland het aantal legionella-infecties, maar meestal is niet bekend door welke bron mensen ziek zijn geworden. De afgelopen jaren zijn meerdere gevallen van longontsteking door Legionella toegeschreven aan afvalwaterzuiveringsinstallaties. Daarom hebben Omgevingsdienst NL en STOWA de afvalwaterzuiveringsinstallaties in Nederland geïnventariseerd. Het RIVM heeft bepaald bij welke installaties Legionella mogelijk kan groeien en zich verspreiden. In totaal zijn er 709 afvalwaterzuiveringsinstallaties bekend: 382 industriële afvalwaterzuiveringsinstallaties en 327 rioolwaterzuiveringsinstallaties die huishoudelijk afvalwater zuiveren. Het merendeel van deze afvalwaterzuiveringsinstallaties vormt geen verhoogd risico. De kans dat Legionella kan vermeerderen en vrijkomen is aannemelijk bij 69 van de 382 industriële afvalwaterzuiveringsinstallaties (18 procent) en 12 van de 327 rioolwaterzuiveringsinstallaties (4 procent). Bij de helft van deze risicovollere afvalwaterzuiveringsinstallaties zijn maatregelen getroffen om te voorkomen dat legionella zich verspreidt. Onduidelijk is nog of deze maatregelen voldoende werken. Eén van de factoren die de groei van Legionella bevordert, is de biologische werkwijze om afvalwater te zuiveren met bacteriën in slib. Daarnaast bevordert industrieel afvalwater met een hoog gehalte aan eiwitten en aminozuren (levensmiddelenindustrie, hout- en papierindustrie, destructiebedrijven en petrochemische industrie) de groei van Legionella. Dat is ook het geval als het afvalwater een temperatuur heeft tussen 25 en 45 graden Celsius. De optimale groeitemperatuur is tussen 30 en 38 graden Celsius. Ten slotte stimuleert de beluchting, een onderdeel van het zuiveringsproces, de groei van legionella omdat er dan meer zuurstof in het water komt. De beluchting zorgt er ook voor dat kleine waterdruppeltjes met legionellabacteriën ontstaan en zich vervolgens via de lucht kunnen verspreiden. De bacteriën kunnen zich ook verspreiden via het water dat de zuivering verlaat. Maatregelen kunnen ervoor zorgen dat minder legionellabacteriën uit de beluchtingstank vrijkomen en de zuivering verlaten. Aanbevolen wordt om de ontbrekende of onbekende informatie uit de inventarisatie aan te vullen en de gegevens beschikbaar te maken voor onder meer brononderzoek door GGD'en.
    • Zonkrachtactieplan : Versie 2019

      van Dijk, A; Hagens, W; Slaper, H; Boekema, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-12)
      Jaarlijks krijgen ruim 50.000 Nederlanders te horen dat ze huidkanker hebben. Blootstelling aan UV-straling van zonlicht is daar de belangrijkste oorzaak van. Ook vergroot UV-straling de kans op staar in het oog. Verstandig zongedrag kan het risico op schade door UV-straling verkleinen. Om verstandig zonnen te stimuleren is het Zonkrachtactieplan opgesteld. Het doel van het plan is dat betrokken partijen afspraken maken over een eenduidige communicatie over UV-blootstelling. Deze afspraken zullen eraan bijdragen dat mensen bewuster en verstandiger omgaan met UV-straling. Daarnaast kan het Zonkrachtplan de kennis over UV-straling en blootstelling vergroten door een gezamenlijke kennisagenda op te stellen. Hierin staan de kennisonderdelen benoemd en geprioriteerd waar extra onderzoek nodig is en waaraan in gezamenlijkheid kan worden gewerkt. Het Zonkrachtactieplan is opgesteld door het RIVM en maatschappelijke partners die zich inspannen om huidkanker te voorkomen. Het ministerie van VWS heeft hiertoe opdracht gegeven, omdat het bezorgd is over de sterke toename van het aantal huidkankergevallen. Dit aantal is harder gestegen dan vanwege de vergrijzing en de aantasting van de ozonlaag was verwacht. Vermoedelijk komt het doordat mensen vaker en langer de huid aan UV-straling blootstellen. Door de klimaatverandering zal het aantal warme dagen toenemen. Daardoor zullen we in de toekomst vermoedelijk nog vaker buiten zijn en onze huid en ogen nog meer blootstellen aan de zon.