Show simple item record

dc.contributor.authorde Boer, LMnl
dc.contributor.authorvan Leeuwen, LCnl
dc.contributor.authorBeetstra, Rnl
dc.date.accessioned2020-09-02T09:46:09Z
dc.date.available2020-09-02T09:46:09Z
dc.date.issued2020-09-02
dc.identifier.doi10.21945/RIVM-2020-0008nl
dc.identifier.urihttp://hdl.handle.net/10029/624350nl
dc.description.abstractBedrijven die met chemische stoffen werken moeten zich aan regels houden om hun werknemers, omwonenden, en het milieu te beschermen. In Nederland is het toezicht op de arbeidsomstandigheden (arbo) meestal gescheiden van het toezicht op milieu. Het toezicht kan worden verbeterd als uitvoeringsorganisaties, zoals inspecties en omgevingsdiensten, meer samen zouden optrekken en meer kennis over chemische stoffen zouden delen. Het RIVM doet hier aanbevelingen voor. Door bijvoorbeeld kennis over zogeheten CMR-stoffen stoffen te delen, wordt het voor inspecties en omgevingsdiensten duidelijker voor welke bedrijven zij de meeste aandacht moeten hebben. Deze stoffen zijn kankerverwekkend, veranderen het DNA, of zijn schadelijk voor de voortplanting. De toezichthoudende instanties hebben veel kennis over de stoffen nodig om hun werk goed te kunnen doen. Ook moeten ze weten welke bedrijven met CMR-stoffen werken en of ze deze stoffen uitstoten of lozen. Deze informatie is nu niet centraal toegankelijk beschikbaar en daardoor versnipperd. Een gezamenlijke aanpak voorkomt ook dat maatregelen gunstig zijn voor arbo maar schadelijk voor het milieu, en omgekeerd. Zowel voor arbo als milieu gaat beleid ervan uit om zo min mogelijk gevaarlijke stoffen te gebruiken en ze te vervangen door stoffen die veilig zijn. Alleen verschilt de manier waarop beide kaders dit aanpakken. Dit geldt vooral voor hoe en wanneer een bedrijf onderzoek naar vervangende stoffen moet doen of hoe ze blootstelling kunnen voorkomen. Door deze onderzoeken meer op elkaar af te stemmen, wordt de kans op resultaat groter.
dc.description.abstractCompanies producing or using chemicals have to comply with legislation that safeguards their workers, the local residents and the environment. In the Netherlands, government supervision of occupational safety is generally executed separately from the supervision of environmental health. This supervision could be improved if bodies such as inspectorates and environmental agencies collaborate more closely and share more information on chemicals. RIVM provides recommendations for that purpose. By sharing knowledge on so-called CMR substances, for example, it becomes clearer for inspectorates and environmental agencies which companies they should focus on. These CMR substances may cause either cancer or DNA-alterations or may adversely affect reproduction. Supervising authorities need ample knowledge of these chemicals to execute their tasks properly. They also have to know which companies use CMR substances and if these companies discharge these chemicals to the water or the air. This information is currently not centrally available and therefore fragmented. A collective approach also prevents measures from being taken that are favourable to workers but harmful to the environment or vice versa. The common policy goal for both workplace safety and environmental safety is to minimize the use of hazardous substances and to replace them by safer alternatives. However, both frameworks differ in their approach, in particular with regard to how and when a company should investigate safer alternatives or how they can prevent exposure to hazardous substances. Closer collaboration within the framework of such studies will increase the chance of success.
dc.description.sponsorshipInspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)nl
dc.language.isonlnl
dc.publisherRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMnl
dc.relation.ispartofseriesRIVM rapport 2020-0008nl
dc.relation.urlhttps://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0008.pdfnl
dc.subjectRIVM rapport 2020-0008nl
dc.titleEen veilige leef- én werkomgeving: samenwerking tussen uitvoeringsorganisaties versterkenen_US
dc.title.alternativeTowards a healthy environment and workplace: strengthening cooperation between implementing agenciesen_US
dc.typeReporten
refterms.dateFOA2020-09-02T09:46:09Z
html.description.abstractBedrijven die met chemische stoffen werken moeten zich aan regels houden om hun werknemers, omwonenden, en het milieu te beschermen. In Nederland is het toezicht op de arbeidsomstandigheden (arbo) meestal gescheiden van het toezicht op milieu. Het toezicht kan worden verbeterd als uitvoeringsorganisaties, zoals inspecties en omgevingsdiensten, meer samen zouden optrekken en meer kennis over chemische stoffen zouden delen. Het RIVM doet hier aanbevelingen voor. Door bijvoorbeeld kennis over zogeheten CMR-stoffen stoffen te delen, wordt het voor inspecties en omgevingsdiensten duidelijker voor welke bedrijven zij de meeste aandacht moeten hebben. Deze stoffen zijn kankerverwekkend, veranderen het DNA, of zijn schadelijk voor de voortplanting. De toezichthoudende instanties hebben veel kennis over de stoffen nodig om hun werk goed te kunnen doen. Ook moeten ze weten welke bedrijven met CMR-stoffen werken en of ze deze stoffen uitstoten of lozen. Deze informatie is nu niet centraal toegankelijk beschikbaar en daardoor versnipperd. Een gezamenlijke aanpak voorkomt ook dat maatregelen gunstig zijn voor arbo maar schadelijk voor het milieu, en omgekeerd. Zowel voor arbo als milieu gaat beleid ervan uit om zo min mogelijk gevaarlijke stoffen te gebruiken en ze te vervangen door stoffen die veilig zijn. Alleen verschilt de manier waarop beide kaders dit aanpakken. Dit geldt vooral voor hoe en wanneer een bedrijf onderzoek naar vervangende stoffen moet doen of hoe ze blootstelling kunnen voorkomen. Door deze onderzoeken meer op elkaar af te stemmen, wordt de kans op resultaat groter.nl
html.description.abstractCompanies producing or using chemicals have to comply with legislation that safeguards their workers, the local residents and the environment. In the Netherlands, government supervision of occupational safety is generally executed separately from the supervision of environmental health. This supervision could be improved if bodies such as inspectorates and environmental agencies collaborate more closely and share more information on chemicals. RIVM provides recommendations for that purpose. By sharing knowledge on so-called CMR substances, for example, it becomes clearer for inspectorates and environmental agencies which companies they should focus on. These CMR substances may cause either cancer or DNA-alterations or may adversely affect reproduction. Supervising authorities need ample knowledge of these chemicals to execute their tasks properly. They also have to know which companies use CMR substances and if these companies discharge these chemicals to the water or the air. This information is currently not centrally available and therefore fragmented. A collective approach also prevents measures from being taken that are favourable to workers but harmful to the environment or vice versa. The common policy goal for both workplace safety and environmental safety is to minimize the use of hazardous substances and to replace them by safer alternatives. However, both frameworks differ in their approach, in particular with regard to how and when a company should investigate safer alternatives or how they can prevent exposure to hazardous substances. Closer collaboration within the framework of such studies will increase the chance of success.en


Files in this item

Thumbnail
Name:
2020-0008.pdf
Size:
984.3Kb
Format:
PDF

This item appears in the following Collection(s)

Show simple item record