Show simple item record

dc.contributor.authorVermeer-de Bondt PE
dc.contributor.authorMaas NAT van der
dc.contributor.authorWesselo C
dc.contributor.authorDzaferagic A
dc.contributor.authorPhaff TAJ
dc.date.accessioned2007-02-23T15:26:11Z
dc.date.available2007-02-23T15:26:11Z
dc.date.issued2004-06-11en_US
dc.identifier000001009en_US
dc.identifier.urihttp://hdl.handle.net/10029/8802
dc.description.abstractAdverse events following immunisation (AEFI) in the National Vaccination Programme of the Netherlands (RVP) have been monitored through an enhanced passive surveillance system by RIVM since 1962. From 1984 onwards evaluation was done in close collaboration with the Health Council. Reports are received mainly from child health care professionals primarily by telephone through the vaccine information and advisory service. Further data are obtained, if necessary, from such sources as parents, general practitioners and paediatricians. After supplementation and verification of data a (working) diagnosis is made and causality assessed. This annual report for 2002 presents an overview of all reported AEFIs, with classification according to case definitions and causality. Trend analysis, reporting bias, background rates of specific events and possible pathophysiology of symptoms are discussed. From a total of over 2.5 million vaccinations 1332 AEFIs were reported of which 12 (0.9%) were unclassifiable because of missing information. In 80% (1057) of the classifiable events a possible causal relationship with vaccination was established and in 20% (263) the events were judged as coincidental. Compared to 2001 there were no relevant changes in numbers, causality or severity of reported adverse events.
dc.description.abstractSinds 1962 bewaakt het RIVM de veiligheid van het Rijksvaccinatieprogramma. Vanaf 1964 gebeurt dat in nauwe samenwerking met de Gezondheidsraad. Het merendeel van de meldingen van vermoede bijwerkingen komt binnen via de telefoondienst van het RIVM, waarbij de meeste meldingen afkomstig zijn van de Jeugdgezondheidszorg. Nadere informatie wordt zonodig verkregen van ouders en behandelende artsen. Na aanvulling en verificatie wordt aan de hand van de (werk)diagnose de causaliteit beoordeeld. Alle in 2002 binnengekomen meldingen zijn in dit rapport opgenomen en gerubriceerd naar aard van de gebeurtenis en naar causaal verband. Onderrapportage, vertekening en specifieke beelden worden besproken, met aandacht voor effecten van de vervroeging van het vaccinatieschema. Er zijn 1332 meldingen binnengekomen, op een totaal van meer dan 2,5 miljoen vaccinaties. Hiervan waren 12 (0,9%) meldingen niet te beoordelen vanwege ontbrekende informatie. Bij 80% (1057) van de meldingen werd een mogelijk causaal verband vastgesteld en bij 263 meldingen (20%) werd een oorzakelijk verband onwaarschijnlijk of afwezig geacht. Vergeleken met 2001 waren er geen relevante verschillen in aantal, aard, ernst en mate van oorzakelijk verband van de meldingen.
dc.format.extent923000 bytesen_US
dc.format.extent944655 bytes
dc.format.mimetypeapplication/pdf
dc.language.isoenen_US
dc.publisherRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMen_US
dc.relation.ispartofseriesRIVM rapport 000001009en_US
dc.relation.urlhttp://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/000001009.htmlen_US
dc.subject.otherbijwerkingennl
dc.subject.otherrvpnl
dc.subject.otherrijksvaccinatieprogrammanl
dc.subject.othervaccinerennl
dc.subject.othervaccinatienl
dc.titleAdverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of The Netherlands Number IX - Reports in 2002en_US
dc.title.alternativePostavaccinale gebeurtenissen na vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma. Deel IX - Meldingen in 2002en_US
dc.contributor.departmentLTRen_US
refterms.dateFOA2018-12-18T15:35:30Z
html.description.abstractAdverse events following immunisation (AEFI) in the National Vaccination Programme of the Netherlands (RVP) have been monitored through an enhanced passive surveillance system by RIVM since 1962. From 1984 onwards evaluation was done in close collaboration with the Health Council. Reports are received mainly from child health care professionals primarily by telephone through the vaccine information and advisory service. Further data are obtained, if necessary, from such sources as parents, general practitioners and paediatricians. After supplementation and verification of data a (working) diagnosis is made and causality assessed. This annual report for 2002 presents an overview of all reported AEFIs, with classification according to case definitions and causality. Trend analysis, reporting bias, background rates of specific events and possible pathophysiology of symptoms are discussed. From a total of over 2.5 million vaccinations 1332 AEFIs were reported of which 12 (0.9%) were unclassifiable because of missing information. In 80% (1057) of the classifiable events a possible causal relationship with vaccination was established and in 20% (263) the events were judged as coincidental. Compared to 2001 there were no relevant changes in numbers, causality or severity of reported adverse events.
html.description.abstractSinds 1962 bewaakt het RIVM de veiligheid van het Rijksvaccinatieprogramma. Vanaf 1964 gebeurt dat in nauwe samenwerking met de Gezondheidsraad. Het merendeel van de meldingen van vermoede bijwerkingen komt binnen via de telefoondienst van het RIVM, waarbij de meeste meldingen afkomstig zijn van de Jeugdgezondheidszorg. Nadere informatie wordt zonodig verkregen van ouders en behandelende artsen. Na aanvulling en verificatie wordt aan de hand van de (werk)diagnose de causaliteit beoordeeld. Alle in 2002 binnengekomen meldingen zijn in dit rapport opgenomen en gerubriceerd naar aard van de gebeurtenis en naar causaal verband. Onderrapportage, vertekening en specifieke beelden worden besproken, met aandacht voor effecten van de vervroeging van het vaccinatieschema. Er zijn 1332 meldingen binnengekomen, op een totaal van meer dan 2,5 miljoen vaccinaties. Hiervan waren 12 (0,9%) meldingen niet te beoordelen vanwege ontbrekende informatie. Bij 80% (1057) van de meldingen werd een mogelijk causaal verband vastgesteld en bij 263 meldingen (20%) werd een oorzakelijk verband onwaarschijnlijk of afwezig geacht. Vergeleken met 2001 waren er geen relevante verschillen in aantal, aard, ernst en mate van oorzakelijk verband van de meldingen.


Files in this item

Thumbnail
Name:
000001009.pdf
Size:
922.5Kb
Format:
PDF

This item appears in the following Collection(s)

Show simple item record