Now showing items 1-20 of 11673

    • Inductively coupled plasma-mass spectrometry in biodistribution studies of (engineered) nanoparticles

      Krystek, P; Cirtiu, CM; Braakhuis, H; Park, M; de Jong, W (2919-04-18)
    • Interim 2017/18 influenza seasonal vaccine effectiveness: combined results from five European studies

      Rondy, M; Kissling, E; Emborg, HD; Gherasim, A; Meijer, A; van den Brink, S; van der Hoek, W; Goderski, G; Wijsman, L; Bagheri, M; et al. (2019-12-12)
    • Effectiveness of influenza vaccine against influenza A in Europe in seasons of different A(H1N1)pdm09 and the same A(H3N2) vaccine components (2016-17 and 2017-18).

      Kissling, Esther; Pozo, Francisco; Buda, Silke; Vilcu, Ana-Maria; Rizzo, Caterina; Gherasim, Alin; Horváth, Judit Krisztina; Brytting, Mia; Domegan, Lisa; Meijer, Adam; et al. (2019-12-10)
    • Intraspecific genetic variation in and populations circulating in different geographical regions of Poland.

      Bilska-Zając, Ewa; Franssen, Frits; Różycki, Mirosław; Swart, Arno; Karamon, Jacek; Sroka, Jacek; Zdybel, Jolanta; Ziętek-Barszcz, Anna; Cencek, Tomasz (2019-12-01)
      Trichinella spiralis and Trichinella britovi are species of nematodes which are responsible for the majority of Trichinella infections in the world and the most prevalent in Poland. The most abundant species - T. spiralis, is considered to be more genetically homogeneous in Europe than T. britovi. The aim of the present study was to determine the genetic variability in T. spiralis and T. britovi populations based on nuclear 5S rDNA intergenic spacer region (5S rDNA) and cytochrome c oxidase 1 (COX1) gene sequences. For the study, 55 isolates of T. spiralis and 50 isolates of T. britovi isolated from wild boars, pigs, brown rat and a red fox were analyzed. Based on the analysis of both genes, the genetic variability within populations of T. spiralis and T. britovi differed. In T. spiralis, two single nucleotide polymorphisms (SNPs) were observed in the 612 bp 5S rDNA gene fragment, and one SNP was detected in the 700 bp COX1 gene fragment. In T. britovi, 17 single nucleotide variations (SNVs) were detected in the 5S rDNA gene fragment (among them 16 SNPs), while COX1 sequence analysis revealed the occurrence of 20 SNVs between the sequences tested (among them 19 SNPs). For the majority of T. spiralis isolates the investigated larvae presented uniform haplotypes. In contrast, most of the isolates of T. britovi consisted of larvae of different haplotypes. Geographical analysis showed that each region exhibited different haplotype composition and richness. Warmińsko-Mazurskie and Zachodniopomorskie regions were the richest in haplotypes (15 and 16 haplotypes, respectively). We used heatmaps showing a characteristic pattern for each region graphically. This may allow to differentiate regions based on the occurrence of particular haplotypes. Furthermore, a PCA analysis on the SNP level yielded biplots that show that certain haplotypes/genotypes are associated with (clusters of) regions.
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2018 met het MONET-meetnet

      Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-08)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2018 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens aan maximaal 40 microsievert per jaar worden blootgesteld. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgesteld. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt vervolgens de hoeveelheid die van nature voorkomt afgetrokken (natuurlijke achtergrondwaarde). De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na het gebruik van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2018 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
    • Stralingsniveaumetingen aan de terreingrens van de EPZ kerncentrale Borssele in 2018

      Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-08)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2018 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 0,8 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na de toepassing van deze ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis 0,8 microsievert per jaar. In 2018 is met acht monitoren op de terreingrens het gammastralingsniveau continu gemeten. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2018 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
    • Loodinname via kraanwater : Blootstellings- en risicobeoordeling voor diverse risicogroepen

      Boon, PE; van der AA, M; Dusseldorp, A; Janssen, P; Zeilmaker, MJ; Schulpen, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-06)
      Mensen kunnen via kraanwater lood binnenkrijgen. Dit is vooral het geval bij oude huizen die nog loden waterleidingen hebben. Ook kan in huizen met nieuwe leidingen en kranen die nog niet goed zijn doorgespoeld, tijdelijk meer lood in het kraanwater zitten. Het RIVM heeft berekend dat kraanwater in deze situaties een grote bijdrage kan leveren aan de totale dagelijkse blootstelling aan lood via voedsel en water. Voor baby's die flesvoeding krijgen met kraanwater uit deze leidingen kan die bijdrage oplopen tot 80 procent. Bewoners krijgen in deze situaties meer lood binnen dan wat als veilig wordt beschouwd. Bewoners van oude huizen met loden waterleidingen kunnen hun blootstelling aan lood verlagen door oude loden leidingen te laten vervangen. Bewoners van huizen met nieuwe leidingen en/of kranen wordt aangeraden het doorspoeladvies op te volgen. Blootstelling aan lood kan een negatief effect hebben op het IQ van kinderen. Bij volwassenen kan het een grotere kans op nierziekten of een hogere bloeddruk geven. Het RIVM heeft berekend wat vier risicogroepen (het ongeboren kind, flesgevoede baby's, kinderen tot 7 jaar, en volwassenen) aan lood kunnen binnenkrijgen. Omdat mensen ook via voedsel worden blootgesteld aan lood, is deze bron ook meegenomen in de berekeningen. De berekende totale inname is ten slotte vergeleken met de grenswaarde, waarboven schadelijke effecten kunnen optreden. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) als ondersteuning van de GGD'en. GGD'en zullen de onderzoekresultaten en conclusies gebruiken om met relevante partners één duidelijke voorlichtingsboodschap te maken.
    • Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2019

      Kommer, GJ; Mulder, M; Mohnen, SM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-05)
      Op basis van ritgegevens over het jaar 2018 heeft het RIVM berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Op werkdagen overdag zijn er 626 ambulances nodig, twaalf meer dan uit de doorrekening over 2017 bleek. De berekeningen wijzen uit dat er op zaterdagen overdag twaalf en op zondagen overdag elf ambulances meer nodig zijn dan in het referentiekader-2018 was bepaald. De stijging op landelijk niveau van twaalf ambulances is groter dan in het referentiekader-2018. Toen waren er nog vijf ambulances meer nodig ten opzichte van het voorgaande jaar. De toename komt doordat er 2 procent meer spoedeisende inzetten waren dan in 2017. Ook steeg de gemiddelde ritduur in 2018: met 3,2 procent voor inzetten voor levensbedreigende situaties (A1-urgentie), met 2,4 procent voor inzetten voor niet levensbedreigende situaties (A2-urgentie), en met 5,8 procent voor planbare inzetten. Het aantal inzetten in de planbare ambulancezorg daalde met 3,0 procent. De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd. Dit gebeurt op basis van een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen over het land. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2019 geactualiseerd met cijfers over het gebruik van ambulancezorg in Nederland in 2018.
    • Environmental radioactivity in the Netherlands : Results in 2017

      Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-05)
      In 2017 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu en in voeding zit. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om dat te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen op uit 2000 om de metingen op een bepaalde manier te doen. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens Nederland verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu. Radioactiviteit in lucht, voedsel, melk, gras en veevoer De radioactiviteitsniveaus in lucht laten een normaal beeld zien, net als in eerdere jaren. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk liggen net als in vorige jaren onder de Europese limieten voor consumptie en export. Eén van de bijna 2.600 monsters is hierop een uitzondering. Dit was een wild zwijn-monster waarvan het radioactiviteitsniveau ongeveer 10 procent hoger was dan de limiet. Als iemand één keer van dit dier eet, is het risico voor de gezondheid gering. Ook de radioactiviteitsniveaus in gras en veevoer laten een normaal beeld zien, net als de jaren ervoor. Radioactiviteit in oppervlaktewater, zeewater en drinkwater De radioactiviteitsniveaus in oppervlaktewater en zeewater zijn vergelijkbaar met die van eerdere jaren. De niveaus van het merendeel van de monsters (95 procent) van ongezuiverd water voor de drinkwaterproductie liggen onder de zogeheten referentiewaarde: boven deze waarde moet verder onderzoek worden uitgevoerd. De niveaus van een klein aantal monsters ongezuiverd water (20) zaten daar licht boven. Deze verhogingen zijn zo klein dat ze niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Het vervolgonderzoek liet ziet dat de niveaus in het gezuiverde drinkwater ruim onder de referentiewaarden lagen.
    • GGD-richtlijn medische milieukunde: omgevingsgeluid en gezondheid

      Slob, MJA; van Ballegooij, MC; Breugelmans, O; Esser, P; Groenewold, AW; Janssen, IE; Poelman, B; Schmidt, D; van de Weerdt, R; Woudenberg, F; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-04)
      De GGD'en hebben de richtlijn 'Omgevingsgeluid en gezondheid' ontwikkeld. De richtlijn behandelt geluid door wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer, bedrijven en industrie. De richtlijn helpt GGD'en om geluid te beoordelen en burgers en beleidsmakers te adviseren bij vragen over geluid. Het doel is de lokale geluidsituatie en de gezondheid zo veel mogelijk te verbeteren. Ook bevat de richtlijn een overzicht van de nieuwste wetenschappelijke inzichten over geluid en gezondheid. Gezondheidseffecten van geluid Geluid in de leefomgeving heeft invloed op de gezondheid. Mensen kunnen er last van hebben als ze geluid horen (hinder). Ook kan het ervoor zorgen dat ze minder goed slapen of de dagelijkse activiteiten verstoren. Verder kunnen mensen er stress van krijgen. Als mensen lange tijd aan te veel geluid blootstaan, kan dat aanleiding geven tot chronische effecten, zoals verhoogde bloeddruk en verhoogde niveaus van het stresshormoon cortisol. Dit verhoogt het risico op hart- en vaatziekten. Ook kan geluid een negatieve invloed hebben op de leerprestaties van kinderen. Wetenschappers denken dat een rustige omgeving helpt om te herstellen van de negatieve effecten van geluid. Groeiend probleem Naar verwachting zal geluid in de toekomst voor meer gezondheids-problemen zorgen. Er komt steeds meer geluid en woningen liggen bijvoorbeeld dichter bij bronnen van geluid. Gezondheidskundige effecten van geluid verdienen daarom aandacht van beleidsmakers en overheden. De Omgevingswet geeft gemeenten meer ruimte om zelf afwegingen te maken in de ruimtelijke ordening. Het is belangrijk om gezondheid bij die afwegingen te betrekken. De GGD-richtlijnen medische milieukunde (MMK) zijn gemaakt zodat GGD'en op dezelfde manier en zo goed mogelijk te werk gaan. De richtlijnen worden gemaakt door professionals van de GGD'en. De coördinatie ervan ligt bij het RIVM.
    • Template for safety assessment of plant food supplements

      de Wit-Bos, L; Jeurissen, SMF; Mennes, WC; Rorije, E; Wolterink, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-04)
      Consumenten gebruiken voedingssupplementen met kruiden vanwege hun natuurlijke imago en (veronderstelde) gezondheidsvoordelen. Deze kruidenpreparaten moeten veilig zijn volgens de Algemene Levensmiddelen Verordening en het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten. Vaak is het lastig om de veiligheid te beoordelen. Er is namelijk weinig informatie beschikbaar over de samenstelling van het voedingssupplement en de mogelijk schadelijke eigenschappen van de ingrediënten. Het RIVM heeft nu een sjabloon ontwikkeld waarmee de veiligheid van voedingssupplementen, en in het bijzonder kruidenpreparaten, op eenzelfde manier beoordeeld kan worden. Het sjabloon geeft eerst aan welke gegevens beschreven moeten worden. Afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare gegevens geeft het RIVM aan hoe hiermee de veiligheid beoordeeld kan worden. Er zijn veel verschillende voedingssupplementen te koop, onder meer via internet. De veiligheid en samenstelling van voedingssupplementen worden niet beoordeeld, bijvoorbeeld in een toelatingsprocedure, vóórdat ze op de markt worden gebracht. Dit wordt alleen gedaan als er aanwijzingen zijn dat een supplement misschien een risico voor de gezondheid vormt. Een eventuele beoordeling door de overheid gebeurt pas nadat de producten al op de markt beschikbaar zijn.
    • What is the evidence to support a correlate of protection for measles? A systematic review.

      Bolotin, S; Hughes, SL; Gul, N; Khan, S; Pota, PA; Severini, A; Hahne, S; et. al. (2019-11-04)
    • Interaction of zero valent copper nanoparticles with algal cells under simulated natural conditions: Particle dissolution kinetics, uptake and heteroaggregation.

      Arenas-Lago, Daniel; Monikh, Fazel Abdolahpur; Vijver, Martina G; Peijnenburg, Willie J G M (2019-11-01)
      Some metal-based engineered nanoparticles (ENPs) undergo fast dissolution and/or aggregation when they are released in the environment. The underlying processes are controlled by psychochemical/biological parameters of the environment and the properties of the particles. In this study, we investigated the interaction between algal cells and zero valent copper nanoparticles (Cu0-ENPs) to elucidate how the cells influence the dissolution and aggregation kinetics of the particles and how these kinetics influence the cellular uptake of Cu. Our finding showed that the concentration of dissolved Cu ([Cu]dissolved) in the supernatant of the culture media without algal cells was higher than the [Cu]dissolved in the media with algal cells. In the absence of the cells, dissolved organic matter (DOC) increased the dissolution of the particle due to increasing the stability of the particles against aggregation, thus increasing the available surface area. In the presence of algae, Cu0-ENPs heteroaggregated with the cells. Thus, the available surface area decreased over time and this resulted in a low dissolution rate of the particles. The DOC corona on the surface of the particles increased the heteroaggregation of the particles with the cells and decreases the uptake of the particles. Our findings showed that microorganisms influence the fate of ENPs in the environment, and they do so by modifying the dissolution and aggregation kinetics of the Cu0-ENPs.
    • The Norwegian biomonitoring study from the EU project EuroMix: Levels of phenols and phthalates in 24-hour urine samples and exposure sources from food and personal care products.

      Husøy, T; Andreassen, M; Hjertholm, H; Carlsen, M H; Norberg, N; Sprong, C; Papadopoulou, E; Sakhi, A K; Sabaredzovic, A; Dirven, H A A M (2019-11-01)
    • Are our diets getting healthier and more sustainable? Insights from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition - Netherlands (EPIC-NL) cohort.

      Biesbroek, Sander; Verschuren, Wm Monique; Boer, Jolanda Ma; van der Schouw, Yvonne T; Sluijs, Ivonne; Temme, Elisabeth Hm (2019-11-01)
    • Antibiotic resistance of Escherichia coli isolated from uncomplicated UTI in general practice patients over a 10-year period.

      van Driel, A A; Notermans, D W; Meima, A; Mulder, M; Donker, G A; Stobberingh, E E; Verbon, A (2019-11-01)
    • Trace amounts of fenofibrate acid sensitize the photodegradation of bezafibrate in effluents: Mechanisms, degradation pathways, and toxicity evaluation.

      Zhou, Yangjian; Zhao, Jianchen; Zhang, Ya-Nan; Qu, Jiao; Li, Chao; Qin, Weichao; Zhao, Yahui; Chen, Jingwen; Peijnenburg, Willie J G M (2019-11-01)
      Effluent organic matter (EfOM), which is composed of background natural organic matter (NOM), soluble microbial degradation products, and trace amounts of organic pollutants, can play an important role in the photodegradation of emerging pollutants in the effluent. In this study, the impact of organic pollutants, using fenofibrate acid (FNFA) as a representative, on the photodegradation of emerging contaminants, using bezafibrate (BZF) as a representative, in effluents was investigated. It is found that BZF undergo fast degradation in the presence of FNFA although BZF is recalcitrant to degradation under simulated sunlight irradiation. The promotional effect of FNFA is due to the generation of singlet oxygen (1O2) and hydrated electrons (e-aq). Based on the structures of the identified intermediates, 1O2 initiated oxidation and e-aq initiated reduction reactions were the main photodegradation pathways of BZF in the effluents. The toxicity of the main photodegradation intermediates for BZF and FNFA was higher than that of the parent compounds, and the acute toxicity increased during simulated sunlight irradiation. The results demonstrated that trace amounts of organic compounds in EfOM can play an important role in sensitizing the photodegradation of some emerging pollutants in the effluent.