Now showing items 1-20 of 13573

    • Geluidmonitor 2020. Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen

      Kok, A; Mabjaia, N; van Loon, RVA; den Hollander, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-24)
      De weg- en spoorbeheerders, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen sinds 2013 elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst met metingen deze berekeningen. Dit is verplicht voor de Wet milieubeheer. De Geluidmonitor 2020 vergelijkt de gemeten en berekende geluidniveaus op rijks- en spoorwegen van het jaar 2019. De gemeten geluidniveaus langs rijkswegen lagen in 2019 gemiddeld bijna 3 decibel hoger dan de berekende waarden. Dit verschil was in 2019 iets groter dan in eerdere jaren. De verwachting dat auto’s op rijkswegen minder geluid zouden maken door het gebruik van stillere banden sinds 2016, komt daarmee nog niet uit. Een andere verklaring van het relatief grote verschil kan zijn dat bij de meetlocaties ouder asfalt ligt dan op de meeste andere plaatsen in Nederland. Ouder asfalt geeft meer geluid. Langs het spoor waren de gemeten en berekende geluidniveaus gemiddeld hetzelfde in 2019. Dit beeld is hetzelfde als tussen 2013 en 2018. Wel kan per traject, zowel bij rijks- als spoorwegen, het verschil tussen de berekende en gemeten geluidniveaus variëren. De Geluidmonitor 2020 geeft ook de resultaten van de metingen van 2020. De maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 hebben invloed gehad op het gemeten geluid. Door bijvoorbeeld thuiswerken, de avondklok en aangepaste dienstregeling op het spoor reden er minder auto’s op de weg en minder treinen. Ook ging in 2020 de maximumsnelheid overdag op alle Rijkswegen naar 100 km per uur. Daardoor was er minder geluid. Hoe dat precies uitpakt in vergelijking met berekeningen over 2020 wordt in de volgende geluidmonitor duidelijk. De weg- en spoorbeheerder maken de berekeningen over 2020 in de tweede helft van 2021 openbaar. Deze worden in de volgende geluidmonitor vergeleken met de gemeten geluidniveaus in 2020. De Geluidmonitor 2021 verschijnt in 2022.
    • De gevolgen van de coronapandemie voor de gezondheid en het welzijn van de jeugd. Een systematische literatuurstudie

      Bosmans, M; Marra, E; Alblas, E; Baliatsas, C; de Vetten, M; van Gameren, R; Schulpen, S; Moleman, Y; Bhattathiri, G; Gerbecks, J; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-24)
      De uitbraak van het coronavirus en de maatregelen die daarvoor zijn genomen, hebben veel impact op de volksgezondheid. De komende vijf jaar wordt deze impact onderzocht in de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19. Het eerste resultaat van dit meerjarige onderzoek is een literatuurstudie van nationaal en internationaal onderzoek van het Nivel en het RIVM. Hierin is gekeken wat er in de wetenschappelijke literatuur al bekend is over de gevolgen van de coronapandemie voor de fysieke en mentale gezondheid van de jeugd (0 tot 25 jaar). De literatuurstudie kijkt naar zes thema’s: fysieke gezondheid, behoefte aan zorg, mentale gezondheid, sociale effecten; overige effecten en risico- en beschermende factoren. Daarnaast is onderzocht welke factoren de jeugd kunnen beschermen tegen negatieve gevolgen, en welke de problemen juist groter maken. De onderzochte internationale studies gaan over de periode tot het najaar van 2020. De Nederlandse studies nemen ook het voorjaar van 2021 mee. Uit de studies blijkt dat de coronacrisis voor veel jongeren een negatieve invloed heeft gehad op de fysieke en mentale gezondheid. Veel jongeren zijn minder gaan bewegen, ongezonder gaan eten en hadden vaker last hadden van klachten als depressie, angsten en eenzaamheid. Jongeren die al mentale of lichamelijke problemen hadden, hebben meer negatieve gevolgen ervaren van de coronacrisis. Door de crisis werden hun bestaande problemen erger. Andere factoren die de negatieve gevolgen van de coronacrisis vergroten zijn armoede en problemen in gezinnen. De invloed van de crisis is groter als jongeren verschillende problemen tegelijk hebben. Het onderzoek laat ook zien dat jongeren minder vaak naar een zorgverlener gingen voor fysieke of mentale klachten terwijl de behoefte aan mentale zorg juist toenam. Tegelijkertijd laat de studie zien dat jongeren veerkrachtig zijn; in ieder geval in het begin van de crisis. Velen hadden in de onderzochte periode (ruwweg het eerste jaar van de crisis) geen of weinig klachten, of de klachten namen weer af nadat maatregelen werden versoepeld. Jongeren gaven daarnaast aan dat ze minder druk of prikkels ervoeren tijdens lockdowns en dat ze dat prettig vonden. Ook konden de onderlinge contacten binnen gezinnen verbeteren. Het is uit dit onderzoek onduidelijk wat de effecten op de lange termijn zijn. In het algemeen is meer aandacht nodig voor preventie om gezondheidsproblemen te voorkomen en de jeugd veerkrachtig te maken en houden. En daarbij speciale aandacht te hebben voor kwetsbare groepen. Dit onderzoek werd uitgevoerd voor de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19. Het netwerk Gezondheidsonderzoek bij Rampen (GOR) – dat bestaat uit de lokale GGD’en, GGD GHOR Nederland, RIVM, het Nivel en ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum – voert deze monitor uit. Dit project wordt gesubsidieerd door ZonMw namens het ministerie van VWS.
    • Onderzoek naar de herkomst van neergedaald stof en stoffen in de lucht in de IJmond regio

      Elberse, JE; Mooibroek, D; Teeuwisse, S; Mennen, MG; Hoogerbrugge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-21)
      Inwoners van de IJmond zijn bezorgd over de stoffen die ze inademen en over stofdeeltjes die ze in hun omgeving zien liggen. Ze willen graag weten waar deze stoffen vandaan komen, vooral op dagen dat zij de luchtkwaliteit als ongezond ervaren. De provincie Noord-Holland heeft het RIVM gevraagd onderzoek te doen naar de bronnen. Voor de stoffen in de lucht is informatie gebruikt uit het luchtmeetnet in de IJmond en over de uitstoot van stoffen in de milieujaarverslagen en de Emissieregistratie. Voor de stoffen op de grond is eerder onderzoek van het RIVM hierover in de leefomgeving rond het terrein van Tata Steel (metalen en PAK) gebruikt. Al deze informatie geeft een indruk welke bronnen bijdragen aan de stoffen in de lucht en op de grond. Het lijkt erop dat bronnen op het terrein van Tata Steel een belangrijke bijdrage leveren aan onder meer fijnstof, metalen en PAK in de IJmondregio. Uit analyse blijkt dat PAK en metalen in het neergedaalde stof voor een aanzienlijk deel afkomstig zijn van verschillende processen voor de staalproductie. Ook komen ze van op- en overslag van materialen op het terrein van Tata Steel, die worden gebruikt bij de staalproductie. Deze analyses geven niet genoeg informatie over de precieze bijdragen van deze en andere bronnen aan de PAK en metalen in de stofdeeltjes. Ook blijkt uit berekeningen met een verspreidingsmodel dat de gemeten en berekende bijdrage door Tata Steel aan de hoeveelheid fijnstof in de leefomgeving goed met elkaar overeenkomen. Maar de gemeten hoeveelheden metalen en PAK zijn (veel) hoger dan was verwacht op basis van berekeningen met data van de milieujaarverslagen, respectievelijk de Emissieregistratie. Deze gegevens over de uitstoot lijken niet volledig te zijn aangeleverd. Om hier goed inzicht in te krijgen beveelt het RIVM aan om de informatie over de uitstoot van bronnen op het terrein van Tata Steel te verbeteren en deze op een transparante manier te ontsluiten. Ten slotte blijkt van de PAK en metalen in het fijnstof, gemeten in de IJmond, dat een aanzienlijk deel afkomstig is van activiteiten op het terrein van Tata Steel. Dit volgt uit een analyse van de samenstelling van het fijnstof. Fijnstof is een mengsel van meerdere stoffen. Bronnen stoten deze stoffen in verschillende verhoudingen uit. Aan de hand van de verschillende verhoudingen kon het RIVM twee categorieën van bronnen relateren aan het terrein van Tata Steel.
    • Datahandboek Monitor Leren van Ongevallen. Technische rapportage ter ondersteuning van analisten bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en het RIVM

      Lammers, M; van Kampen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-20)
      Het RIVM heeft met de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en het ministerie van SZW de Monitor Leren van Ongevallen ontwikkeld (MLvO). De monitor maakt het mogelijk om snel en makkelijk data over ernstige ongevallen te verzamelen die door de Inspectie zijn onderzocht. De resultaten geven inzicht in oorzaken van dit soort ongevallen. Op basis daarvan kunnen beleidsmakers maatregelen nemen om ze te voorkomen. De data voor de MLvO wordt verzameld via de vragenlijstsoftware Survalyzer. In deze vragenlijst beantwoorden inspecteurs vragen over ernstige arbeidsongevallen die zij hebben onderzocht. Het RIVM heeft nu een handboek gemaakt voor mensen die de gegevens uit de MLvO gebruiken, zoals analisten, technici en onderzoekers. Het handboek beschrijft de inhoud van de MLvO, de typen ongevallen, een aantal specifieke variabelen, hoe de namen van variabelen zijn gemaakt en welke antwoorden mogelijk zijn bij bepaalde vragen in de vragenlijst. De MLvO is een opvolger van de Storybuilder database. Deze database wordt sinds 2015 niet meer gevuld met nieuwe ongevallen. Een apart RIVM-rapport licht de inhoud van de MLvO verder toe en laat zien hoe de monitor tot stand is gekomen (rapportnummer 2021-0122).
    • Learning from serious occupational accidents in the Netherlands. Developing a new monitoring system from 17 years of accident data

      van Kampen, J; Lammers, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-20)
      Ongevallen op het werk komen nog regelmatig voor. Deze ongevallen hebben ernstige gevolgen voor de slachtoffers, hun familieleden, collega’s en voor de bedrijven of organisaties waar de ongevallen gebeuren. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) werken samen om van deze ongevallen te leren. Dat helpt om ze te voorkomen. Voor dit doel worden sinds 2003 gegevens over ernstige ongevallen geanalyseerd en opgeslagen met de zogenoemde Storybuilder-methode. In 2018 besloot SZW om deze aanpak te vernieuwen, waarna de ‘Monitor Leren van Ongevallen’ is ontwikkeld. In deze monitor vullen arbeidsinspecteurs gebruiksvriendelijke vragenlijsten in. Hierdoor hoeven RIVM-onderzoekers niet meer handmatig dossiers met informatie over ernstige ongevallen te analyseren. Het RIVM legt in dit rapport uit waarom deze vragenlijst is gemaakt, en hoe dat is gedaan op basis van historische gegevens uit de Storybuilder-methode. Het was belangrijk dat de nieuwe vragenlijst gebruikersvriendelijk en betrouwbaar is. Daarom heeft het RIVM hiervoor samengewerkt met experts, en hebben inspecteurs de vragenlijst getest. De vragenlijst van de nieuwe monitor is sinds 1 januari 2020 een vast deel van het werk van de arbeidsinspecteurs. In 2020 zijn gegevens verzameld over 1.602 ernstige arbeidsongevallen. In de komende jaren worden steeds meer gegevens verzameld. De geleerde lessen kunnen worden gedeeld met het publiek, bijvoorbeeld via de website www.lerenvoorveiligheid.nl. De gegevens worden ook gebruikt door de arbeidsinspectie en om, zo nodig, beleid te ontwikkelen. Er gebeuren veel verschillende soorten arbeidsongevallen en de manier waarop we (veilig) werken verandert ook. Het RIVM adviseert daarom de vragenlijst goed bij te houden.
    • Overzicht kwaliteitsbeoordeling beschermende middelen in de COVID-19-crisis

      Hartendorp, ATP; Venhuis, BJ; Keizers, PHJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-19)
      Het RIVM heeft tussen maart en oktober 2020 de kwaliteit beoordeeld van medische hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen. Voorbeelden van medische hulpmiddelen zijn mondmaskers, isolatiejassen en -schorten, en handschoenen. Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn onder andere ademhalingsbeschermingsmiddelen. Deze producten zijn in Nederland centraal ingekocht om medewerkers in de zorg te beschermen tegen besmetting met het coronavirus SARS-CoV-2. Door de schaarste op de wereldmarkt werden producten ingekocht die voorhanden waren. Vanwege de ernstige tekorten was er geen tijd voor een volledige kwaliteitsbeoordeling volgens de geldende normen. Het RIVM heeft daarom met veldpartijen een kortere beoordelingsprocedure opgezet die de normen zoveel mogelijk benaderde. Deze procedure is gaandeweg verder ontwikkeld. Een aanzienlijk deel van de beoordeelde producten voldeed niet aan de kwaliteitseisen, vooral de ademhalingsbeschermingsmiddelen (FFP2- en KN95-maskers) en de mondmaskers (chirurgische maskers (type IIR)). Van de ademhalingsbeschermingsmiddelen voldeed 22 procent aan de gestelde eisen. Van de beoordeelde mondmaskers was 14 procent van voldoende kwaliteit. Van de beoordeelde handschoenen was 62 procent van voldoende kwaliteit. Van de beoordeelde isolatiejassen en -schorten voldeed 76 procent aan de gestelde eisen. Voorbeelden van hoe de beoordeelde producten niet voldeden aan de kwaliteitseisen waren ademhalingsbeschermingsmiddelen die niet goed aansloten op het gezicht en daardoor niet volledig beschermden tegen virusdeeltjes. Of isolatiejassen en handschoenen die niet waterdicht bleken te zijn. Ook kon de kwaliteit van producten binnen eenzelfde lading sterk verschillen, hoewel ze volgens de verpakkingen hetzelfde waren. Het RIVM heeft de producten getest en beoordeeld in opdracht van het ministerie van VWS. De kwaliteitsbeoordeling gold als advies voor het ministerie van VWS en later het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH), dat de middelen inkocht. Mede op basis van dit advies besloot het LCH over aankoop en uitgifte van de hulpmiddelen. Het LCH bepaalde welke hulpmiddelen door het RIVM werden beoordeeld.
    • Associations between the fast-food environment and diabetes prevalence in the Netherlands: a cross-sectional study.

      Ntarladima, Anna-Maria; Karssenberg, Derek; Poelman, Maartje; Grobbee, Diederick E; Lu, Meng; Schmitz, Oliver; Strak, Maciej; Janssen, Nicole; Hoek, Gerard; Vaartjes, Ilonca (2022-01-18)
    • Early environmental quality and life-course mental health effects: The Equal-Life project

      van Kamp, I; Waye, KP; Kanninen, K; Gulliver, J; Bozzon, A; Psyllidis, A; Boshuizen, H; et al. (2022-01-18)
    • Regulation of Clostridium tetani Neurotoxin Expression by Culture Conditions

      Pennings, JLA; Abachin, E; Esson, R; Hodemaeckers, H; Franchotte, A; Claude, J-B; et al. (2022-01-18)
    • Veilig werken en de nacht. Een verkenning van feiten, oorzaken en kansen

      van Kampen, J; Sol, V; Jansen, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-17)
      In Nederland werken ongeveer 1,3 miljoen mensen soms of regelmatig ’s nachts. Het is bewezen dat werknemers die een groot deel van hun leven in de nacht werken een grotere kans hebben om slaapproblemen, diabetes en hart- en vaatziekten te krijgen dan mensen die alleen overdag werken. Er is nog weinig bekend over de invloed van werken in de nacht op de veiligheid op de werkvloer. In de internationale wetenschappelijke literatuur zijn er aanwijzingen dat de kans op een ernstig ongeval in de nacht iets groter is dan overdag. Dat lijkt vooral door vermoeidheid te komen. Het RIVM heeft verkennend uitgezocht of dat ook voor Nederland geldt. Het aantal ernstige arbeidsongevallen ’s nachts is in Nederland lager dan overdag: ongeveer 5,5 procent van de ernstige arbeidsongevallen is gebeurd tussen 23:00 en 07:00 uur. Er blijkt niet genoeg informatie te zijn over het werk dat mensen ’s nachts doen om conclusies over de kans op een ongeval te trekken. Wel weten we dat een van de drie ernstige ongevallen die ’s nachts plaatsvinden in drie sectoren voorkomen. Het gaat om de sectoren ‘Vervaardigen van voedingsmiddelen’, ‘Vervoer over land’ en ‘Opslag en dienstverlening voor vervoer’. In deze sectoren wordt relatief veel ’s nachts gewerkt. Ook is het type ongeval anders dan overdag. Zo komen in verhouding ’s nachts meer ongevallen met machines voor en overdag meer ongevallen met ladders. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het soort werk dat ’s nachts wordt gedaan. Bedrijven nemen allerlei maatregelen zodat werknemers ’s nachts veilig kunnen werken. Zo zijn er wettelijke afspraken over de maximale werktijden en minimale rusttijden. Sommige organisaties nemen extra maatregelen. Ze proberen bijvoorbeeld werkschema’s gezonder en veiliger te maken of de risico’s van het werk op een andere manier te beperken. Het RIVM gaat onderzoeken welke maatregelen bedrijven hiervoor nemen. Ook om te kijken hoe mensen gezond én veilig in de nacht kunnen werken.
    • Impactanalyse Actualisatie AERIUS Calculator en Monitor 2021

      Marra, WA; Hazelhorst, SB; Jonkers, S; Schram, JM; Stolwijk, GJC; Nguyen, TNP; Aalbers, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-13)
      Het RIVM beheert het rekeninstrument AERIUS dat berekent en monitort hoeveel stikstof er in Nederland op de bodem neerkomt. Overheden en initiatiefnemers van projecten berekenen met AERIUS Calculator de uitstoot van stikstof en de neerslag ervan op Natura 2000-gebieden. AERIUS Monitor geeft overheden inzicht in de actuele en verwachte stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden en de overbelasting door stikstof. Calculator en Monitor ondersteunen de vergunningverlening en beleidsvorming. Deze berekeningen en monitoringsinformatie moeten accuraat zijn, zodat beleidsmakers en vergunningverleners de actuele, juiste inzichten hebben om beslissingen te kunnen nemen. Daarom worden elk jaar de nieuwste inzichten en actuele gegevens over de natuur en stikstofbronnen in AERIUS verwerkt. Deze actuele gegevens kunnen verschillen van de vorige versie van Calculator en Monitor en kunnen daardoor tot andere uitkomsten leiden. Om te kijken wat de aanpassingen betekenen heeft het RIVM deze impactanalyse gemaakt. Hiervoor zijn de belangrijkste verschillen en het effect daarvan in beeld gebracht. In de versie 2021 zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren geactualiseerd. AERIUS Calculator gebruikt deze emissiefactoren om de stikstofuitstoot van een project te bepalen. Daarnaast rekent Calculator 2021 de depositie tot een afstand van maximaal 25 km van de bron, volgend op de laatste regelgeving. Door deze aanpassingen levert een berekening een andere uitkomst. Het RIVM produceert jaarlijks nieuwe depositiekaarten die nu beschikbaar zijn in AERIUS Monitor. Verder zijn de grenzen van de stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden geactualiseerd (de zogeheten habitatkaart). Door deze aanpassing veranderen de locaties waar AERIUS Calculator mee rekent (de relevante hexagonen). Daarnaast zorgen deze wijzingen dat het berekende oppervlakte niet-overbelast stikstofgevoelige natuur wijzigt.
    • HIV testing behaviour and associated factors in men who have sex with men by level of urbanisation: a cross-sectional study in the Netherlands.

      Leenen, Jeanine; Wijers, Juliën N A P; den Daas, Chantal; de Wit, John; Hoebe, Christian J P A; Dukers-Muijrers, Nicole H T M (2022-01-13)
      HIV testing was defined as recent (<1 year), not recent (≥1 year) or never. Using multinominal regression analyses, factors associated with not recent testing and never testing, compared with recent testing, were assessed among MSM living in highly (>2500 residences/km2) or non-highly (≤2500 residences/km2) urbanised areas.
    • EURL-Salmonella Proficiency Test Food 2021. Detection of Salmonella in liquid whole egg

      Diddens, RE; Mooijman, KA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-12)
      In 2021 organiseerde het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella) een ringonderzoek voor de Salmonellabacterie in vloeibaar ei. Alle deelnemende Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL’s-Salmonella) hebben een goede score behaald voor het EURL-Salmonella ringonderzoek Voedsel 2021. Sinds 1992 zijn de NRL’s voor Salmonella van de Europese lidstaten verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Met een van de ringonderzoeken wordt gecontroleerd of de NRL’s de Salmonella-bacterie in voedsel kunnen aantonen; dit keer in vloeibaar ei. De laboratoria hebben een verplichte, internationale erkende analysemethode gebruikt om Salmonella in monsters vloeibaar ei aan te tonen. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met monsters die besmet waren met twee verschillende concentraties Salmonella Enteritidis of zonder Salmonella. De monsters zijn op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met Salmonella. In totaal deden 33 NRL’s-Salmonella mee aan dit ringonderzoek: 28 NRL’s van 27 lidstaten van de Europese Unie en 5 NRL’s van andere Europese landen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
    • Respiratory Syncytial Virus-Associated Hospital Admissions and Bed Days in Children <5 Years of Age in 7 European Countries.

      Wang, Xin; Li, You; Vazquez Fernandez, Liliana; Teirlinck, Anne C; Lehtonen, Toni; van Wijhe, Maarten; Stona, Luca; Bangert, Mathieu; Reeves, Rachel M; Bøås, Håkon; et al. (2022-01-12)
    • Ambulancezorg Rijtijdenmodel - actualisatie 2021

      Kommer, GJ; de Vries, L; Etemad-Ghameshlou, Z; Ferreira, J; Mohnen, SM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-11)
      Het RIVM heeft het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg geactualiseerd. Dit gebeurt elke vier jaar. Dit model schat de rijtijd die een ambulance gemiddeld nodig heeft om met spoed naar een locatie te rijden. Hiervoor gebruiken we feitelijk gemeten snelheden van ambulances van juli 2019 tot en met juni 2020. Voor de meeste wegtypen (denk aan snel- en hoofdwegen en voetgangersgebieden) zijn de gemiddelde gemeten snelheden lager dan in de vorige meetperiode (2015-2016). Gemiddeld gezien is de rijtijd van ambulances in heel Nederland met 0,8 minuten langer geworden, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Daarom geeft het nieuwe rijtijdenmodel voor veel trajecten langere rijtijden dan het oude rijtijdenmodel uit 2016. Onderzoek naar de oorzaak van de lagere snelheden viel buiten de vraagstelling. Wel is van twee bijzondere gebeurtenissen vanaf maart 2020 onderzocht wat de invloed is op de gemiddelde snelheden van ambulances: de gedeeltelijke lockdown in verband met de corona-pandemie en de begrenzing van de maximum snelheid op snelwegen overdag tot 100 km per uur. Er werd voor beide gebeurtenissen geen effect gevonden. Bij elke actualisatie wordt gekeken of de met het model geschatte rijtijden nog beter kunnen aansluiten bij de werkelijke rijtijden. Dit keer is gekeken of een andere regio-indeling voor ambulances en minder tijdsblokken (alleen binnen of buiten de spitsuren) beter zijn. Deze varianten blijken de werkelijke rijtijden net zo goed te voorspellen als het model uit 2016. Het RIVM heeft daarom besloten het model niet te veranderen en alleen de gemiddelde snelheden te actualiseren. Het RIVM gebruikt het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg voor verschillende bereikbaarheidsanalyses in de spoedeisende zorg.
    • Prioritizing health information for national health reporting - a Delphi study of the Joint Action on Health Information (InfAct).

      Fehr, Angela; Seeling, Stefanie; Hornbacher, Anselm; Thißen, Martin; Bogaert, Petronille; Delnord, Marie; Lyons, Ronan A; Tijhuis, Mariken J; Achterberg, Peter; Ziese, Thomas (2022-01-11)
    • Budgetary impact of using BPaL for treating extensively drug-resistant tuberculosis.

      Mulder, Christiaan; Rupert, Stephan; Setiawan, Ery; Mambetova, Elmira; Edo, Patience; Sugiharto, Jhon; Useni, Sani; Malhotra, Shelly; Cook-Scalise, Sarah; Pambudi, Imran; et al. (2022-01-10)
    • Response to Letter to the Editor on Bil et al. 2021 "Risk Assessment of Per- and Polyfluoroalkyl Substance Mixtures: A Relative Potency Factor Approach".

      Bil, Wieneke; Zeilmaker, Marco; Fragki, Styliani; Lijzen, Johannes; Verbruggen, Eric; Bokkers, Bas (2022-01-10)
    • Improved science-based transformation pathways for the development of safe and sustainable plastics.

      Waaijers-van der Loop, Susanne; van Bruggen, Anne; Beijer, Nick R M; Sips, Adrienne; de Roda Husman, Ana Maria; Cassee, Flemming; Peijnenburg, Willie (2022-01-05)