Now showing items 1-20 of 12507

    • Nederlandse preventie-uitgaven onder de loep.

      van Gils, PF; Suijkerbuijk, AWM; Polder, JJ; de Wit, GA; Koopmanschap, M (2020-11-12)
    • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2020

      Hoogerbrugge, R; Geilenkirchen, GP; den Hollander, HA; Schuch, W; van der Swaluw, E; de Vries, WJ; Wichink Kruit, RJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-19)
      Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor heel veel stoffen, waaronder stikstofdioxide, ammoniak en fijnstof. Ook wordt de hoeveelheid stikstof die op de bodem en planten neerslaat, de stikstofdepositie, in kaart gebracht. Naast de jaarlijkse berekeningen maakt het RIVM verwachtingen voor 2020, 2025 en 2030. Hierbij is geen rekening gehouden met de mogelijke langetermijneffecten van de COVID-19-pandemie. De kaarten worden gebruikt om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de stikstofdepositie in Nederland te volgen. De overheden gebruiken de kaarten om nieuw beleid te maken om de luchtkwaliteit te verbeteren en de stikstofdepositie te verminderen. Luchtverontreiniging is schadelijk voor de volksgezondheid. Te veel stikstofdepositie op natuurgebieden is schadelijk voor het aantal soorten. De kaarten worden gemaakt door metingen te combineren met modelberekeningen. Zo komen de kaarten het beste overeen met de werkelijke situatie. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties De gemeten concentraties stikstofdioxide in de lucht zijn in 2019 gemiddeld iets (circa 5 procent) lager dan in 2018. Naar verwachting zullen de gemiddelde concentraties in Nederland in 2030 ongeveer 30 procent lager zijn dan de concentraties in 2019. Deze concentraties dalen iets minder dan vorig jaar, werd verwacht. Dit komt vooral doordat de verkeersemissies naar verwachting minder zullen dalen. De gemeten concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) waren in 2019 ook iets lager dan in 2018 (ongeveer 7 procent en 13 procent). De verwachting is dat de gemiddelde berekende Nederlandse concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) in de komende tien jaar nog ongeveer 13 respectievelijk 20 procent dalen. Ammoniakconcentraties en stikstofdepositie Ammoniak in de lucht levert een belangrijke bijdrage aan de hoeveelheid stikstof die uiteindelijk op de bodem en planten neerslaat. De concentraties ammoniak in de lucht zijn daarom een graadmeter voor de hoeveelheid ammoniak die neerslaat. De gemeten concentraties ammoniak in de lucht zijn in 2019 ongeveer 12 procent lager dan in 2018. In 2018 waren de concentraties door de weersomstandigheden overigens hoger dan normaal De gemiddelde stikstofdepositie op het totale Nederlandse landoppervlak was in 2019 circa 7 procent lager dan in 2018. De verwachting, vanuit het huidige beleid, is dat deze stikstofdepositie in Nederland tot 2030 met ongeveer 15 procent zal dalen. De stikstofdepositie is vooral van belang in de Natura 2000- gebieden. De gemiddelde daling tussen 2019 en 2030, in de Natura 2000- gebieden op het Nederlandse landoppervlak, is ook ongeveer 15 procent.
    • Inzicht in beleidsacties richting een circulaire economie : Monitoring van acties en verkenning van transitie-indicatoren per prioritaire keten

      Lijzen, JPA; Bastein, T; van Bruggen, AR; Hollander, A; van Kuppevelt, MA; Rietveld, E; Zwartkruis, JV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-16)
      De Nederlandse rijksoverheid streeft naar een circulaire economie in 2050. Om deze overgang te stimuleren heeft zij doelen en acties beschreven voor beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De doelen en acties om deze transitie te versnellen staan beschreven in het Uitvoeringsprogramma circulaire economie 2019 het Rijksbrede programma circulaire economie (2016) en de Transitieagenda's (2018). Vijf sectoren hebben voorrang: biomassa en voedsel, kunststoffen, de maakindustrie, consumptiegoederen en de bouw. Inmiddels zijn de acties in het Uitvoeringsprogramma goed van start gegaan: in september 2019 was ruim tachtig procent in uitvoering. Om de versnelling naar de circulaire economie te realiseren, beveelt het RIVM de overheid aan om concreter te benoemen welke veranderingen Nederland in gang wil zetten. Dit maakt het makkelijker om te bepalen welke acties nodig zijn. Ook is daardoor beter te monitoren welke verandering per sector plaatsvindt. Het RIVM heeft geanalyseerd op welk type actie de nadruk ligt in de drie genoemde beleidsdocumenten. Er blijkt nog vrij weinig aandacht te zijn voor hergebruik en reparatie van producten en materialen, en voor productontwerp. Deze aandacht is nodig voor de gewenste versnelling, wat betrokken partners in reflectiebijeenkomsten bevestigen. Het RIVM beveelt ook aan gedetailleerder in kaart te brengen waar acties per sector zich vooral op richten. Uit de inventarisatie blijkt dat voor een deel van de acties data over de voortgang ontbreken. Voor een goede monitoring is het belangrijk om deze informatie voor alle acties op dezelfde wijze beschikbaar te hebben. Het bleek waardevol om de analyse van de nadruk en de voortgang met alle betrokken partners te bespreken. Het resultaat is te gebruiken voor de jaarlijkse actualisatie van het uitvoeringsprogramma. Om de resultaten van de acties te kunnen gaan meten, stelt het RIVM per sector indicatoren voor. Denk aan de mate waarin overheden circulair inkopen en de bouwsector materialenpaspoorten gebruikt. Veel data voor de indicatoren kunnen uit bestaande lokale bronnen worden gehaald, maar zijn nog niet structureel beschikbaar. Aanbevolen wordt voor een aantal indicatoren gericht data te verzamelen, te beginnen met indicatoren waarvoor data beschikbaar zijn.
    • Effectiviteit van gebruiksadviezen bij diffuus lood in de bodem : Rapportage over een onderzoek in de gemeente Zaanstad

      Devilee, J; Dirven, L; Claassen, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-15)
      In veel oude binnensteden en stedelijke gebieden is de bodem 'diffuus' verontreinigd met lood. Dit betekent dat er geen duidelijke bron van de verontreiniging is. Ook verschillen de loodgehalten in het gebied sterk en is een groot gebied verontreinigd. Dit is vooral het geval in wijken in vooroorlogse stadscentra, oude dorpskernen en veengebieden waarvan de grond is opgehoogd en verstevigd. Omdat het duur en ingrijpend is om alle bodem in deze gebieden schoon te maken, vertrouwen beleidsmakers bij de aanpak van diffuus lood deels op gebruiksadviezen, die de blootstelling zouden moeten verkleinen. Voorbeelden zijn handen wassen na tuinieren en kinderhanden wassen na buiten spelen en groenten kweken in bakken met schone aarde. Door gedrag dat mensen uit zichzelf doen, zoals zelfgekweekte groenten wassen en tuinen betegelen, wordt de blootstelling ook verlaagd, maar dat is niet genoeg. Het was nog niet bekend of bewoners gebruiksadviezen opvolgen en hiermee de blootstelling inderdaad verkleinen. Kennis hierover is belangrijk, omdat lood in de bodem al snel risico's kan hebben voor de gezondheid van mensen, en vooral van kinderen. Ook bij lage blootstellingen. Het RIVM heeft in Zaanstad onderzocht of bewoners gebruiksadviezen ontvangen en als een gevolg hiervan extra maatregelen nemen. Dat laatste blijkt minder vaak te gebeuren dan wordt gedacht, ondanks een groots opgezette communicatiecampagne. Het gevolg van deze resultaten kan zijn dat extra maatregelen nodig zijn, zoals gebruiksbeperkingen of de grond vaker schoonmaken. Om dat zeker te weten adviseert het RIVM om het onderzoek in andere gemeenten te herhalen.
    • Environmental impacts of III-V/silicon photovoltaics: life cycle assessment and guidance for sustainable manufacturing.

      Blanco, CF; Cucurachi, S; Dimroth, F; Guinee, JB; Peijnenburg, WJGM; Vijver, MG (2020-10-12)
    • Grip op chemische stoffen : Jaarverslag Bureau REACH 2019

      Wouters, M; de Kort, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-12)
      Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij, van weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen tot kleurstoffen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is er Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen) en CLP (Classification (indeling), Labeling (etikettering) en Packaging (verpakking) van stoffen en mengsels). In opdracht van de Ministeries van IenW, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM de uitvoering van deze Europese wetgeving. Dit jaarverslag beschrijft in hoofdlijnen de activiteiten in 2019 en belicht enkele specifieke cases. Bijvoorbeeld de officiële identificatie van GenX als Europese zeer zorgwekkende stof voor autorisatie (SVHC). Verder blijkt dat de te lage dosering van chemische stoffen in toxiciteitstesten gevolgen heeft voor de mogelijkheid om risicobeheersmaatregelen op te leggen bij het gebruik van die stoffen. Bureau REACH stelt onder andere dossiers op om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof te vragen, of om de stof te identificeren als zeer ernstige zorgstof. Ook kan de classificatie van een stof Europees worden vastgesteld. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers die door andere landen en de industrie worden ingediend.
    • Multi-functional land use is not self-evident for European farmers: a critical review.

      Schroder, JJ; ten Berge, HFM; Bampa, F; Creamer, RE; Giraldez-Cervera, JW; Hendriksen, CB; Olesen, JE; Rutgers, M; Sanden, T; Spiegel, H (2020-10-12)
    • Medicijnresten en waterkwaliteit: een update

      Moermond, CTA; Montforts, MHMM; Roex, EWM; Venhuis, BJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-12)
      Medicijnresten komen na gebruik door de patiënt via het riool in het oppervlaktewater terecht. Volgens het RIVM zijn de medicijnresten een risico voor dieren en planten die in het oppervlaktewater leven. Regelmatig gaan concentraties van verschillende soorten medicijnresten over risicogrenzen heen: van pijnstillers en antibiotica tot bloeddrukverlagers, antidepressiva en anti-epileptica. Dit blijkt uit nieuw onderzoek van het RIVM en Deltares naar medicijnresten in oppervlaktewater. In 2017 en 2018 hebben concentraties van 19 verschillende stoffen een of meerdere keren de risicogrens overschreden. Waarschijnlijk gebeurt dit vaker. Veel medicijnresten hebben namelijk een heel lage risicogrens. Waterbeheerders zijn niet altijd in staat stoffen op dit lage niveau aan te tonen. Jaarlijks bereikt minstens 190 ton medicijnresten het oppervlaktewater. Dat is meer dan het RIVM in 2016 schatte (minstens 140 ton). Dat komt omdat er nauwkeurigere gegevens zijn gebruikt over de mate waarin medicijnen in de mens worden afgebroken en de rioolwaterzuivering ze uit het afvalwater haalt. De werkelijke hoeveelheid medicijnresten die in het oppervlaktewater belandt is nog groter, omdat de huidige schatting voornamelijk gaat over receptgeneesmiddelen uit de openbare apotheek. Het gebruik van geneesmiddelen uit de vrije verkoop en de specialistische zorg is niet bekend. Er is ook geen rekening gehouden met afbraakproducten die in het water weer de vorm van de oorspronkelijke werkzame stof kunnen krijgen. Deze terugvorming zorgt mogelijk voor nog eens 50 tot 500 ton extra medicijnresten per jaar. De huidige analyse laat zien dat medicijnresten een risico vormen voor het watermilieu. Onderzoek naar nog meer stoffen kan het beeld genuanceerder maken, maar verandert de conclusie voor de stofgroep als geheel niet. Deze informatie kan beleidsmakers helpen om te beslissen of en waar maatregelen nodig zijn. Dit onderzoek is een vervolg op een eerdere studie uit 2016, waarin meetgegevens uit 2014 zijn gebruikt. Het RIVM en Deltares hebben nu nieuwe meetgegevens van waterbeheerders uit 2017 en 2018 gebruikt. Het onderzoek bevestigt de conclusies uit 2016.
    • Impact of nanoparticles on dendritic cells.

      Vandebriel, R; van Loveren, H (2020-10-12)
    • Culture Conditions Affect Chemical-Induced Developmental Toxicity : The Case of Folic Acid, Methionine and Methotrexate in the Neural Embryonic Stem Cell Test.

      de Leeuw, Victoria C; van Nieuwland, Marieke; Bokkers, Bas G H; Piersma, Aldert H (2020-10-09)
      In vitro tests are increasingly applied in chemical hazard assessment. Basic culture conditions may affect the outcome of in vitro tests and should be optimised to reduce false predictions. The neural embryonic stem cell test (ESTn) can predict early neurodevelopmental effects of chemicals, as it mimics the differentiation of stem cells towards the neuroectodermal lineage. Normal early neural differentiation depends crucially on folic acid (FA) and methionine (MET), both elements of the one-carbon (1C) cycle. The aim of this study was to assess the concentration-dependent influence of FA and MET on neural differentiation in the ESTn, and its consequences for assay sensitivity to methotrexate (MTX), a compound that interferes with the 1C cycle. Neural differentiation was inhibited below 0.007 mM and above 0.22 mM FA, while both stem cell viability (< 0.097 mM, > 1.52 mM) and neural differentiation (< 0.181 mM, > 1.35 mM) were affected when changing MET concentrations. A 10-day exposure to 13 nM MTX inhibited neural differentiation, especially in FA- and MET-deficient conditions. However, a 24-hour exposure to 39 nM MTX decreased neural cell and neural crest cell differentiation markers only when the concentration of FA in the medium was three times the standard concentration, which was expected to have a protective effect against MTX. These results show the importance of nutrient concentrations, exposure scenarios and timing of read-outs for cell differentiation and compound sensitivity in the ESTn. Caution should be taken when interpreting results from a single in vitro test, especially when extrapolating to effects on complex morphogenetic processes, like neural tube development.
    • Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale Borssele in 2019

      Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-08)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2019 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 1,5 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na de toepassing van deze ABCfactor is de berekende maximale effectieve dosis 1,5 microsievert per jaar. In 2019 is met acht monitoren op de terreingrens het gammastralingsniveau continu gemeten. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2019 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
    • Plasmid diversity among genetically related Klebsiella pneumoniae bla and bla isolates collected in the Dutch national surveillance.

      Hendrickx, Antoni P A; Landman, Fabian; de Haan, Angela; Borst, Dyogo; Witteveen, Sandra; van Santen-Verheuvel, Marga G; van der Heide, Han G J; Schouls, Leo M (2020-10-08)
      Carbapenemase-producing Klebsiella pneumoniae emerged as a nosocomial pathogen causing morbidity and mortality in patients. For infection prevention it is important to track the spread of K. pneumoniae and its plasmids between patients. Therefore, the major aim was to recapitulate the contents and diversity of the plasmids of genetically related K. pneumoniae strains harboring the beta-lactamase gene blaKPC-2 or blaKPC-3 to determine their dissemination in the Netherlands and the former Dutch Caribbean islands from 2014 to 2019. Next-generation sequencing was combined with long-read third-generation sequencing to reconstruct 22 plasmids. wgMLST revealed five genetic clusters comprised of K. pneumoniae blaKPC-2 isolates and four clusters consisted of blaKPC-3 isolates. KpnCluster-019 blaKPC-2 isolates were found both in the Netherlands and the Caribbean islands, while blaKPC-3 cluster isolates only in the Netherlands. Each K. pneumoniae blaKPC-2 or blaKPC-3 cluster was characterized by a distinct resistome and plasmidome. However, the large and medium plasmids contained a variety of antibiotic resistance genes, conjugation machinery, cation transport systems, transposons, toxin/antitoxins, insertion sequences and prophage-related elements. The small plasmids carried genes implicated in virulence. Thus, implementing long-read plasmid sequencing analysis for K. pneumoniae surveillance provided important insights in the transmission of a KpnCluster-019 blaKPC-2 strain between the Netherlands and the Caribbean.
    • Thermochemical unification of molecular descriptors to predict radical hydrogen abstraction with low computational cost.

      Nolte, Tom M; Nauser, Thomas; Gubler, Lorenz; Hendriks, A Jan; Peijnenburg, Willie J G M (2020-10-08)
    • Smoking regular and low-nicotine cigarettes results in comparable levels of volatile organic compounds in blood and exhaled breath.

      Pauwels, Charlotte Ggm; Hintzen, Kim; Talhout, Reinskje; Cremers, Hans W J M; Pennings, Jeroen L A; Smolinska, Agnieszka; Opperhuizen, Antoon; van Schooten, Frederik Jan; Boots, Agnes (2020-10-07)
    • Verkorte uitvoeringstoets aanvulling bevolkingsonderzoek borstkanker met MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel. : September 2020

      van Sonderen, JF; van Kerkhof, LWM; van Klink-de Kruijff, IE; Jansen, ME; Lock, AJJ; Klein, AW; Kallendorf, BG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-06)
      Volgens het RIVM is het in principe mogelijk het bevolkingsonderzoek borstkanker uit te breiden met een MRI-scan voor vrouwen die zeer dicht borstweefsel hebben. Deze vrouwen hebben een grotere kans op borstkanker en tumoren in zeer dicht borstweefsel zijn op de gewone röntgenfoto moeilijker te zien. Een belangrijke randvoorwaarde voor de uitbreiding van het bevolkingsonderzoek is dat er voldoende medisch personeel beschikbaar is op de arbeidsmarkt. Er moet nog onderzocht worden of er bij de vrouwen in de doelgroep en bij de bestuurders van ziekenhuizen genoeg draagvlak is voor de uitbreiding. Dit onderdeel van de 'verkorte uitvoeringstoets' naar de uitbreiding is vertraagd door de uitbraak van het nieuwe coronavirus. Het RIVM adviseert om het MRI-onderzoek in ziekenhuizen uit te voeren, gecoördineerd door de screeningsorganisaties. De belangrijkste reden is dat ziekenhuizen de noodzakelijke medische zorg in huis hebben als mensen allergisch reageren op de contrastvloeistof die zij voor de MRI krijgen ingespoten. Deze reactie komt heel weinig voor maar vraagt om acute zorg. Landelijke voorwaarden en meetprotocollen zorgen ervoor dat ziekenhuizen het MRI-onderzoek op dezelfde manier doen. Dat is belangrijk om resultaten te kunnen vergelijken en bij te kunnen houden hoe vaak een tumor wordt opgespoord met deze uitbreiding van het bevolkingsonderzoek. Het RIVM onderzocht of de uitbreiding van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker met een MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel uit te voeren is. Als uit het gewone bevolkingsonderzoek blijkt dat een vrouw zeer dicht borstweefsel heeft, wordt zij bij deze uitbreiding uitgenodigd voor een aanvullende MRI. Het gaat om ongeveer 8 procent van de vrouwen van 50 tot 75 jaar die worden uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek borstkanker, zo'n 80.000 vrouwen per jaar. Deze uitvoeringstoets van het RIVM wordt tegelijk uitgebracht met het advies van de Gezondheidsraad over de uitbreiding. Het RIVM heeft drie mogelijkheden geanalyseerd om een MRI-onderzoek uit te voeren: in mobiele MRI-bussen, in MRI-centra speciaal voor de screening, en in ziekenhuizen. Alle betrokken organisaties hebben aan de analyse meegewerkt: de screeningsorganisaties, de kenniscentra voor de bevolkingsonderzoeken naar kanker, koepels van beroepsgroepen in de zorg, ziekenhuizen (met name radiologen), een patiëntenorganisatie, Zorgverzekeraars Nederland, en overheidsorganisaties die zich bezighouden met de kwaliteit en financiering van de zorg.
    • The burden of bacteremic and non-bacteremic Gram-negative infections: a prospective multicenter cohort study in a low-resistance country.

      Deelen, J W Timotëus; Rottier, Wouter C; van Werkhoven, Cornelis H; Woudt, Sjoukje H S; Buiting, Anton G M; Dorigo-Zetsma, J Wendelien; Kluytmans, Jan A J W; van der Linden, Paul D; Thijsen, Steven F T; Vlaminckx, Bart J M; et al. (2020-10-05)
    • Structural Antibiotic Surveillance and Stewardship via Indication-Linked Quality Indicators: Pilot in Dutch Primary Care.

      van der Velden, Alike W; van Triest, Mieke I; Schoffelen, Annelot F; Verheij, Theo J M (2020-10-03)
    • An update on the hazard of and exposure to diethyl hexyl phthalate (DEHP) alternatives used in medical devices.

      den Braver-Sewradj, Shalenie P; Piersma, Aldert; Hessel, Ellen V S (2020-10-02)
    • The clinical effectiveness of an algorithm-guided treatment program for depression in specialized mental healthcare: A comparison with efficacy trials.

      Kan, Kaying; Feenstra, Talitha L; de Vries, Sybolt O; Visser, Ellen; Schoevers, Robert A; Jörg, Frederike (2020-10-01)
    • Blauwalgenprotocol 2020

      Schets, FM; van der Oost, R; van de Waal, DB; Lammertink, M; Slot, D; van Druten, GHthM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2020-10-01)
      Wanneer er veel blauwalgen in zwemwater zitten, kunnen ze voor overlast (zoals stank) en gezondheidsrisico's (zoals milde huid- en maagdarmklachten) voor zwemmers zorgen. De kwaliteit van water van officiële zwemlocaties moet voldoen aan Europese eisen. Om de gezondheid van zwemmers op deze zwemlocaties te beschermen, gebruiken waterbeheerders in Nederland daarom het Blauwalgenprotocol. Dit protocol vertelt hen hoe ze zwemlocaties moeten controleren op blauwalgen en welke maatregelen ze moeten nemen. Het Blauwalgenprotocol 2020 doet dit volgens de nieuwste inzichten Het Blauwalgenprotocol 2020 is een update. De update was nodig omdat er sinds het laatste Blauwalgenprotocol, uit 2012, nieuwe inzichten zijn hoe de aanwezigheid van blauwalgen kan worden gevolgd. Ook wil de overheid de blauwalgenproblematiek in heel Nederland op dezelfde manier aanpakken. Blauwalgen kunnen soms giftig zijn. Omdat het niet altijd mogelijk is de giftige van de niet-giftige te onderscheiden, gaat het Blauwalgenprotocol 2020 er voor de zekerheid vanuit dat ze allemaal giftig kunnen zijn. Waterbeheerders controleren zwemlocaties door lokaal de situatie te bekijken. Daarna onderzoeken ze het water in het laboratorium. Ze volgen hierbij een verplichte, vaste procedure. Zo wordt vastgesteld hoeveel blauwalgen er in het water zitten en hoe groot het risico is. Waterbeheerders mogen ook extra onderzoek doen als zij dat nodig vinden. Als het risico bekend is, worden de maatregelen genomen die daarbij horen en worden de zwemmers geïnformeerd. Dit kan een waarschuwing, een negatief zwemadvies of een zwemverbod zijn. Dit wordt ter plaatse aangegeven en op www.zwemwater.nl. Door het Blauwalgenprotocol 2020 na te leven tijdens het zwemseizoen (1 mei - 1 oktober) voldoet Nederland aan de eisen van de Europese Zwemwaterrichtlijn.