Now showing items 1-20 of 12869

    • Feitenrapportage grondwaterkwaliteitsmeetnetten

      Claessens, J; Wit, M; Wattel, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-15)
      In Nederland worden via meerdere meetnetten gegevens over de kwaliteit van het grondwater verzameld. Hiermee worden concentraties van verschillende stoffen gemeten, waaronder nitraat. Naast een landelijk meetnet heeft elke provincie een eigen meetnet. Zij gebruiken hierbij ook een deel van de landelijke putten; het verschilt per provincie in welke mate. Op hoofdlijnen zijn de resultaten over nitraat van het landelijke meetnet en de provinciale meetnetten hetzelfde, maar er zijn ook verschillen, zeker regionaal. Om het landelijk beleid over de grondwaterkwaliteit te kunnen verantwoorden en te evalueren zijn eenduidige cijfers over de concentraties nodig. Het RIVM beveelt aan om de manier van werken landelijk te verbeteren. De meetnetten hebben verschillende doelen. Het landelijke meetnet, het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG), wordt onder andere gebruikt voor de verplichte Europese rapportage over nitraat. De meetnetten van de provincies leveren gegevens voor regionale doelen en voor de verplichte Europese rapportage voor de Kaderrichtlijn Water (KRW). Over het algemeen is de dataset van het LMG consistent. De dataset van de provinciale meetnetten zijn dat minder, vooral doordat er minder vaak wordt gemeten. Statistisch onderzoek is nodig om aan te kunnen geven hoe bruikbaar de provinciale gegevens zijn voor de verschillende landelijke toepassingen. Het RIVM doet aanbevelingen om de kwaliteit van de data en het beheer ervan te verbeteren; de provincies werken hier al aan. Deze bevindingen blijken uit een feitenrapportage van het RIVM over de monitoring van de grondwaterkwaliteit in Nederland. De rapportage beschrijft de verschillen en overeenkomsten in de manier waarop de meetnetten zijn ingericht (wie doet wat) en hoe ze worden uitgevoerd (waar, welke stoffen en wanneer). Vanwege de Europese verplichtingen is hierbij vooral gekeken naar de meststof nitraat.
    • Tussentijdse resultaten Gezondheidsonderzoek in de IJmond

      Elberse, JE; Mennen, MG; Hoogerbrugge, R; Mooibroek, D; Zoch, JP; Dusseldorp, A; Janssen, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-14)
      Het RIVM onderzoekt de luchtkwaliteit en de gezondheid van bewoners in de IJmond in Noord-Holland. In deze omgeving zijn er activiteiten die het milieu belasten, zoals zware industrie van Tata Steel. Omwonenden maken zich zorgen welke effecten deze activiteiten hebben op hun gezondheid. Zij hebben het gevoel dat de luchtkwaliteit op sommige uren of dagen (pieken) slecht is waardoor zij acute klachten ervaren, zoals hoesten, benauwdheid of prikkende ogen. Acute klachten komen snel op en gaan vaak snel weer weg. Uit onderzoek van het RIVM blijkt inderdaad dat de luchtkwaliteit vaker matig tot onvoldoende is in de IJmond. Ook blijkt dat er in de IJmond meer acute gezondheidsklachten worden gemeld bij de huisarts dan in andere industriegebieden en op het platteland. Deze klachten, die het Nivel bij huisartsen heeft verzameld, zijn bijvoorbeeld benauwdheid, hoofdpijn, misselijkheid en pijn op de borst. Dit onderzoek geeft géén antwoord op de vraag wat de oorzaak is van de gezondheidsklachten. In de omgeving van Tata Steel komen vaker hogere concentraties fijnstof (PM10) voor dan in delen van Nederland zonder zware industrie. Het RIVM heeft dit met de GGD Amsterdam inzichtelijk gemaakt door aan te geven wat de concentraties fijnstof per dag en per uur zijn, waar normaal gesproken de nadruk ligt op het gemiddelde per jaar. Zo is het duidelijker wanneer en hoe vaak de concentraties fijnstof hoger zijn. Voor dit onderzoek is fijnstof gekozen als graadmeter voor de luchtkwaliteit. Fijnstof wordt op verschillende plekken in de IJmond gemeten en er is veel bekend over de effecten ervan op de gezondheid. Een studie onder omwonenden zou meer inzicht kunnen geven of er een verband is tussen de luchtkwaliteit en de acute gezondheidsklachten. Omwonenden zouden hiervoor langere tijd in een dagboek kunnen bijhouden op welke dagen zij bepaalde klachten hebben. Volgens het RIVM is zo’n onderzoek haalbaar. De provincie Noord-Holland moet afwegen of zo’n panelonderzoek ook wenselijk is.
    • Rapportage verkennende Expertconsultatie ‘Veranderingen in de veehouderij en mogelijke effecten op volksgezondheid en milieu’

      Post, PM; Hogerwerf, L; Lebret, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-08)
      Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) schreef in 2018 een visie over hoe de landbouw in de toekomst duurzaam kan worden. Het doel is om een ‘gesloten voedselkringloop’ te maken waardoor veeteelt het milieu minder belast. Bijvoorbeeld door ander voer te gebruiken, en mest op het eigen bedrijf te gebruiken als grondstof voor veevoer. Een overgang naar een kringlooplandbouw brengt mogelijk ook ongewenste effecten mee, bijvoorbeeld voor de volksgezondheid. Het RIVM heeft daarom experts met verschillende achtergronden gevraagd welke effecten zij zowel op het milieu als op de gezondheid verwachten. Deze verkenning geeft een eerste indruk van verwachte effecten en dilemma’s bij een overgang naar duurzame veehouderijen. Ze kan daarmee een aanzet geven tot een brede maatschappelijke dialoog over oplossingen. De experts vergeleken onder andere vier voorbeelden van veehouderijen die kringlooplandbouw nastreven met gangbare bedrijven. Deze bedrijven hielden bijvoorbeeld andere koeienrassen of vleeskuikenrassen, gebruikten ander voer of hadden andere stallen. Het aantal dieren bleef ongeveer hetzelfde. Wat deze bedrijven anders doen heeft volgens experts een beperkt positief effect op het milieu en de volksgezondheid. Daarmee lijken de onderzochte veranderingen onvoldoende te helpen om doelen voor bijvoorbeeld klimaat, stikstof of fijnstof te halen. Ook hebben de veranderingen soms nadelen. Wanneer bijvoorbeeld mest wordt hergebruikt, kunnen stoffen uit mest en ziekteverwekkers zich opstapelen in het milieu, in dieren en in dierlijk voedsel.
    • Het peilen van veiligheidsbeleving en informatiebehoeften van omwonenden rond chemieclusters. Belevingsonderzoek Chemelot

      Neuvel, JMM; Zonneveld, M; Claassen, L; Versluis, S; Dijkstra, WA; Vegt, KR; Boomsma, C; Elberse, JE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-06)
      In Limburg ligt een grote groep chemiebedrijven bij elkaar, Chemelot. Het RIVM heeft onderzocht hoe veilig mensen die in de buurt wonen, zich voelen. Dat gevoel verschilt: mensen die dichter bij Chemelot wonen, voelen zich vaker onveilig dan mensen die verder weg wonen. Ook ervaren zij meer hinder en hebben ze meer behoefte aan informatie. Omwonenden kunnen zich onveilig voelen als de situatie anders is dan ‘normaal’. Bijvoorbeeld bij een vreemd geluid, een bruine rookpluim, of als er gevaarlijke stoffen vrijkomen. Dit gevoel van onveiligheid trekt meestal weg als de situatie weer normaal is. Het gevoel van veiligheid hangt samen met het vertrouwen dat mensen in de overheid en Chemelot hebben: hoe groter het vertrouwen, hoe veiliger mensen zich voelen. Iets meer dan de helft van de omwonenden heeft vertrouwen in de veiligheidsmaatregelen die worden genomen. Minder dan de helft van de omwonenden vertrouwt erop dat Chemelot en overheden tijdig, eerlijk en open communiceren over de veiligheid in de omgeving. Bewoners, vooral de mensen die dicht bij Chemelot wonen, willen graag informatie over wat ze kunnen doen bij een ongeval of hoe ze worden gewaarschuwd. Ze willen dat ook over normale activiteiten die te merken zijn in de omgeving, zoals onderhoud. Toch gaan mensen vaak niet actief op zoek naar deze informatie. De mensen die dat wel doen, begrijpen de informatie niet altijd en vinden vaak niet wat ze zoeken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM heeft een werkwijze ontwikkeld om te peilen hoe mensen die in de buurt van chemiebedrijven wonen, de veiligheid beleven. Hiervoor is een vragenlijst gemaakt en is met (groepen) omwonenden gesproken. De werkwijze geeft een goed beeld van de veiligheidsbeleving en kan daarom als basis voor peilingen rond andere chemiebedrijven worden gebruikt. Aanvullende vragen zijn nodig om aan te sluiten bij de lokale thema’s en behoeften.
    • Inventarisatie aanvullende maatregelen Nationaal Preventieakkoord. Mogelijke vervolgstappen richting de ambities voor 2040

      van Giessen, A; Douma, E; Kuijpers, T; Nawijn, E; van Gestel, I; Pees, S; Koopman, N; de Pon, E; Boer, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-06)
      In 2018 is het Nationaal Preventieakkoord gesloten, met daarin afspraken om roken, problematisch alcoholgebruik en overgewicht terug te dringen. Het RIVM schatte toen in dat de afspraken niet genoeg zijn om in 2040 de ambities voor problematisch alcoholgebruik en overgewicht te halen. Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM onderzocht welke extra maatregelen ingezet kunnen worden om problematisch alcoholgebruik en overgewicht verder te verminderen. Het heeft hiervoor literatuuronderzoek gedaan en geïnventariseerd welke maatregelen volgens experts impact hebben. Op basis daarvan is voor zowel problematisch alcoholgebruik als overgewicht een top 10 van maatregelen gemaakt. Om ervoor te zorgen dat minder mensen overgewicht hebben staan in de top 10 onder andere maatregelen om ongezonde producten duurder te maken en gezonde producten goedkoper. Voorbeelden zijn belasting heffen op dranken waar suiker in zit en de BTW op producten uit de Schijf van Vijf afschaffen. De experts stellen ook voor om met werkgevers strengere afspraken te maken over gezond eten op de werkvloer. Verder adviseren ze om op minder plaatsen fastfood te verkopen. Ook voor problematisch alcoholgebruik staan er een aantal prijsmaatregelen in de top 10. Zo raden de experts aan om de accijns te verhogen, een minimumeenheidsprijs voor alcohol in te voeren en om kortingsacties te verbieden. Daarnaast adviseren ze om geen reclame te maken voor alcohol op plaatsen waar veel jongeren komen, zoals op sportverenigingen. Een ander advies is alcohol alleen nog bij slijters te verkopen. Meer voorlichting over de schadelijke effecten van alcohol wordt ook aangeraden. Er is in dit onderzoek niet gekeken naar de haalbaarheid van de maatregelen. Bijvoorbeeld of er genoeg geld of draagvlak is. Daarnaast is een doorrekening van de maatregelen nodig om te bepalen in hoeverre de ambities uit het NPA hiermee binnen bereik komen.
    • CPE en colistine resistentie

      Dierikx, C; Gijsbers, E; van Duijkeren, E; Hengeveld, P; Meijs, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-06)
      Tegen bepaalde type bacteriën werken antibiotica niet meer. Ze zijn daar resistent tegen geworden. Voorbeelden zijn colistine-resistente bacteriën. Deze bacteriën kunnen in de ontlasting van mensen, vee, en huisdieren zitten en in vlees. Het RIVM heeft voor het eerst onderzocht hoe vaak deze resistente bacteriën voorkomen bij de Nederlandse bevolking. Van 661 mensen is de ontlasting onderzocht. Colistineresistente bacteriën kwamen bij 36 mensen voor. De gegevens zijn als controle gebruikt voor de AREND-studie. Daarin is onder andere onderzocht of colistine-resistente bacteriën even vaak bij dierenartsen en hun assistenten voorkomen dan bij de bevolking. Dat blijkt het geval te zijn. Antibioticaresistente bacteriën kunnen in de darmen zitten van gezonde personen of dieren zonder dat zij daar last van hebben. Maar ze kunnen ook infecties veroorzaken. Infecties door deze bacteriën zijn moeilijker te behandelen met antibiotica. De bacteriën worden onder andere via de ontlasting of via besmet voedsel verspreid. Een goede hygiëne is dan ook belangrijk om besmetting te voorkomen.
    • Stikstofeffecten van criteria ten behoeve van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties

      Bleeker, A; Wilmot, MJ; Bijsterbosch, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-02)
      Een van de regelingen die moeten bijdragen aan een structurele oplossing van de stikstofproblematiek is de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (Lbv). Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil hiermee de uitstoot van stikstof door landbouwbedrijven verminderen, en daarmee de neerslag van stikstof op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Landbouwbedrijven (melkvee-, varkens- en pluimveehouders) kunnen zich vrijwillig aanmelden om met subsidie hun bedrijf te beëindigen. LNV werkt nog uit welke bedrijven voor de regeling in aanmerking komen. Het is hierbij van belang in welke volgorde de aanmeldingen worden geselecteerd. Hiervoor wil het ministerie weten wat het effect van verschillende opties om bedrijven te selecteren is op de uitstoot en neerslag van stikstof in Nederland. Het RIVM heeft het effect van vier opties uitgerekend. Ook is gekeken wat de kosten per gereduceerde hoeveelheid neerslag voor de verschillende opties zijn. LNV wil bovendien een ‘drempelwaarde’ instellen voor de grootte en het type landbouwbedrijf dat zich kan aanmelden. Hiervoor heeft het RIVM enkele drempelwaarden doorgerekend. De eerste optie kijkt naar de totale uitstoot van stikstof van een bedrijf. Het idee is dat de totale uitstoot in Nederland kan afnemen door bedrijven die veel stikstof uitstoten te sluiten. Bij de tweede optie wordt niet naar de uitstoot gekeken, maar naar de hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat. De derde optie kijkt naast de uitstoot en neerslag naar het effect van een lagere neerslag op het aantal overschrijdingen van de zogeheten kritische depositiewaarde (KDW) in een natuurgebied. Deze waarden geven aan hoeveel stikstof er maximaal in een natuurgebied mag neerslaan zonder de natuur te schaden. Ten slotte is gekeken op welke plekken in Nederland er grote behoefte is aan bouwprojecten die stikstof uitstoten, zoals de aanleg van woningen en wegen. Vanuit die gedachte wordt gekeken in hoeverre de beëindiging van bedrijven dat mogelijk kan maken. De resultaten van de opties zijn niet alleen in absolute zin met elkaar vergeleken, maar ook ruimtelijk. Voor de tweede optie wordt in alle opzichten de grootste reductie in de neerslag van stikstof bereikt, en dan met name regionaal. Dit hoeven echter niet de regio’s te zijn waarbij met die reductie de overbelasting van de KDW in belangrijke mate wordt teruggebracht. Daar zit dan ook met name het verschil met de derde optie. Daar wordt namelijk een beperktere extra depositiereductie gerealiseerd, maar dat wel in Natura2000-gebieden waarin de overbelaste situatie sneller oplosbaar is. Voor de vierde optie is er landelijk weliswaar een lagere reductie dan bij de tweede optie, maar wordt de depositiereductie dan wel gerealiseerd op locaties waar behoefte is aan stikstofruimte ten behoeve van economische ontwikkeling.
    • Cijfermatige onderbouwing RIVM Langetermijn Verkenning Stikstofproblematiek

      Bleeker, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-29)
      Te veel stikstof op de bodem is schadelijk voor de kwaliteit en variatie van de planten en dieren in de Natura 2000-gebieden in Nederland. Zogeheten kritische depositiewaarden (KDW) geven aan hoeveel stikstof in een gebied maximaal op de bodem mag terechtkomen. In veel gebieden worden de kritische depositiewaarden nog overschreden. De belangrijkste bronnen die stikstof uitstoten zijn landbouw, industrie en verkeer. De Nederlandse overheid zoekt naar oplossingen om de overschrijdingen zo veel mogelijk te verminderen. Daarom is het RIVM gevraagd om via berekeningen te onderzoeken of daarvoor een ideale ‘mix’ van maatregelen bestaat. Het gaat dan om een mix van lokale, nationale of zelfs internationale maatregelen om de stikstofuitstoot te beperken. Uit dit onderzoek blijkt dat het per regio verschilt hoe deze mix er precies uit moet zien. Hier is dus niet één antwoord op te geven. Eerst moet duidelijk worden welke bronnen een Natura 2000-gebied het meest belasten, hoeveel er uit het buitenland komt, en welke bronnen lokaal bijdragen aan de uitstoot. De resultaten van de berekeningen van het RIVM kunnen helpen om daar meer inzicht in te krijgen. De berekeningen maken in ieder geval duidelijk dat de uitstoot in Nederland flink lager moet worden om de kritische depositiewaarden in natuurgebieden zo min mogelijk te overschrijden. De maatregelen die Nederland hierbij zelf kan nemen, zijn voor sommige gebieden niet genoeg. Dat is vooral zo langs de grens met België en Duitsland. Het RIVM heeft de berekeningen gemaakt voor de ‘Lange Termijn Verkenning Stikstof (LTVS)’. Deze verkenning wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG. Periode 2019

      Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-24)
      Het nucleair bedrijf NRG te Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en ventilatielucht naar de omgeving loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contraexpertise' controleert het RIVM of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. NRG neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2019 zeer goed overeen. De totaal-alfa resultaten stemmen matig overeen; de verdeling van de alfa-activiteit in het afvalwatermonster is hoogstwaarschijnlijk niet altijd homogeen. De overeenstemming in de totaal-bèta resultaten is matig en kan aanzienlijk worden verbeterd. Dit resultaat wordt verklaard door de verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De overeenstemming in de 3H-resultaten in afvalwater is redelijk tot goed. De ventilatieluchtresultaten geven geen reden voor discussie. Het RIVM heeft in een aantal monsters een lage activiteitsconcentratie aan 131I, 133Xe, 191Os en 203Hg aangetroffen. Deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG. Het RIVM heeft tweemaal een zeer lage totaal-alfa activiteit in ventilatielucht aangetroffen, waar NRG niets vond. De meetwaarden voor zowel totaal-alfa als totaal-bèta in ventilatielucht liggen in de range van wat er in buitenlucht zit en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. Periode 2019

      Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-24)
      De fabriek van Urenco Nederland, die uranium verrijkt, meet hoeveel radioactiviteit het naar de omgeving loost via het eigen afvalwater en de ventilatielucht. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die Urenco zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. Urenco neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. Dit jaar komen de totaal-alfa, totaal-bèta resultaten en de gammaanalyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2019 redelijk overeen. De vergelijking van de totaal bèta resultaten in afvalwater is na correctie voor ingroei of verval van 234Th iets verbeterd. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater in de acht monsters laag zijn: 0,1 – 5,5 kBq∙m-3 voor totaal-alfa en 0,3 – 9,7 kBq∙m-3 voor totaal-bèta. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. De resultaten van de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht kwamen matig tot redelijk overeen met de RIVM-analyses. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, net als de verhouding tussen de totaal alfa- en totaal bèta-activiteit. De verhouding zou heel anders zijn wanneer uranium vrijkomt. Daarom is het aannemelijk dat er in 2019 geen uranium in ventilatielucht is vrijgekomen. RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele. Periode 2019

      Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-24)
      De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit de centrale loost via het nucleair afvalwatersysteem en het nucleair ventilatiesysteem. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die de kerncentrale zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De KCB neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. Net als in voorgaande jaren kwamen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2019 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de kerncentrale. Enkele uitzonderingen betreffen het nuclide 60Co. Hoogstwaarschijnlijk is 60Co niet homogeen verdeeld in de verschillende monsters. De overeenkomst in de 3H-data in afvalwater was voor 4 monsters goed en voor 4 monsters matig. De overeenstemming kan duidelijk nog worden verbeterd. De KCB en het RIVM hebben geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater aangetroffen. In ventilatielucht hebben het RIVM en de KCB in het monster van periode 5 een zeer geringe hoeveelheid 131I aangetroffen. Dit levert voor een denkbeeldig persoon die een week aan het hek van het terrein staat een verwaarloosbare bijdrage aan de totale jaardosis. De resultaten van de bepaling van 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met een zeolietpatroon, kwamen voor 3H goed en voor 14C redelijk tot goed overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA NV. Periode 2019

      Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-24)
      De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA) meet hoeveel radioactiviteit er door hun organisatie in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert een deel van deze metingen; in 2019 was dat twee keer voor afvalwater en acht keer voor ventilatielucht. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. Covra neemt de door het RIVM te analyseren monsters verspreid over het jaar. Net als in voorgaande jaren kwamen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2019 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van COVRA. De analyses van het RIVM en COVRA in de gammaspectrometrische resultaten, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, tritiumbepaling en de 14C-bepaling in afvalwater kwamen goed overeen. Ook de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bètameetwaarden van COVRA in 2019 kwamen goed overeen ondanks de verschillende meetprincipes. Verder kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Agricultural practices and water quality in the Netherlands; status (2016-2019) and trend (1992-2019)

      Fraters, B; Hooijboer, AEJ; Vrijhoef, A; Plette, ACC; van Duijnhoven, N; Rozemeijer, JC; Gosseling, M; Daatselaar, CHG; Roskam, JL; Begeman, HAL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-23)
      The Nitrate rapport 2020 containing the results of monitoring effects of the EU Nitrates Directive action programmes. Over the past thirty years, the Netherlands government has taken measures to reduce nitrogen and phosphorus concentrations. This has improved the quality of ground and surface water. However water quality is not yet adequate everywhere. The nitrate concentration is too high in the upper metre of groundwater of more than half of the farms in the Sand and Loess regions. This also applies to the upper metre of groundwater in more than 30 of the approximately 200 groundwater protection areas. Also, a large part of the surface waters is not yet of the desired quality, and the concentrations of nitrogen and phosphorus are too high. After 2015, the excess of nitrogen and phosphorus increased. Since 2018 this has been reinforced by the dry summers. During drought, plants grow less well, so that they take up less nitrogen and phosphorus from the soil. Also less nitrate is broken down in the soil, which means that more leaches to ground and surface water. For example, the nitrate concentration in ditch water on farms doubled in the period 2016 to 2019. Nevertheless, the nitrate concentration in ground and surface water in this period was on average lower than in the four years before. Nitrogen and phosphorus are substances in fertilisers that farmers use to make crops grow better. An excess of nitrogen and phosphorus can leach to ground and surface water and pollute it. Nitrate is one of the forms in which nitrogen occurs in the soil and water. The improved water quality is mainly due to farmers having used increasingly less fertiliser. This reduced the excess of nitrogen and phosphorus in the soil. This also means that less nitrate leaches with rainwater to deeper layers in the soil and ends up in the groundwater. The less nitrogen and phosphorus there is in soil and groundwater, the less flows to surface water. It is important to have clean ground and surface water that can be used for the production of drinking water. Clean surface water also ensures that a larger variety of plants and animals can live in the water.
    • Towards sustainable recycling : A method for comparing the safety and sustainability of the processing of residual flows

      Traas, TP; Zweers, PGPC; Quik, JTK; Waaijers, SL; Lijzen, JPA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-23)
      De Europese Green Deal is bedoeld om Europa klimaatneutraal temaken in 2050. Een belangrijk onderdeel is minder afval storten of verbranden, en het zo veel mogelijk hergebruiken of recyclen. Dat moet wel veilig zijn voor mens en milieu. Het RIVM stelt een methode voor om te kijken hoe veilig en duurzaam verschillende vormen om afval te verwerken zijn. Door de resultaten te vergelijken kunnen beleidsmakers en afvalverwerkers goed doordachte keuzes maken over nieuwe vormen van afvalverwerking. De methode bestaat uit zes stappen. Daarin wordt gekeken naar het risico van eventueel aanwezige schadelijke stoffen en de winst van de afvalverwerking voor het milieu. Het gaat om Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), maar ook om ziekteverwekkers, resten van medicijnen en bestrijdingsmiddelen. Stap 1 verzamelt informatie over aanwezige schadelijke stoffen. Stap 2 bekijkt welke mogelijkheden er zijn om het afval te verwerken. Stap 3 controleert of de stoffen niet boven de gestelde maximale concentraties uitkomen. Als dat wel zo is, wordt in stap 4 met een risicoanalyse bepaald of mensen of het milieu aan de stof kunnen worden blootgesteld tijdens de verdere verwerking en gebruik. Stap 5 geeft aan hoeveel energie (en daarmee CO2) het bespaart en in welke mate landgebruik vermindert als het materiaal wordt gerecycled. De laatste stap vergelijkt de mogelijkheden met elkaar. Het RIVM geeft aanbevelingen voor verbeteringen en aanvulling op deze eerste uitwerking. De methode is nu uitgewerkt voor de risico’s van ZZS, maar in de opzet is al rekening gehouden met andere genoemde risico’s. Ook moeten hiervoor de databases met informatie over de bestanddelen van producten en materialen en voor duurzaamheidsberekeningen worden uitgebreid. Om dit praktisch mogelijk te maken, is het gewenst de methode verder te testen en ontwikkelen met Europese partners uit de afvalketen en beleidsmakers.
    • The association of vitamin D with survival in colorectal cancer patients depends on antioxidant capacity.

      Boakye, Daniel; Jansen, Lina; Schöttker, Ben; Jansen, Eugene H J M; Halama, Niels; Maalmi, Haifa; Gào, Xin; Chang-Claude, Jenny; Hoffmeister, Michael; Brenner, Hermann (2021-03-19)
    • Toxicity assessment of industrial engineered and airborne process-generated nanoparticles in a 3D human airway epithelial model.

      Bessa, Maria João; Brandão, Fátima; Fokkens, Paul; Cassee, Flemming R; Salmatonidis, Apostolos; Viana, Mar; Vulpoi, Adriana; Simon, Simion; Monfort, Eliseo; Teixeira, João Paulo; et al. (2021-03-18)
      The advanced ceramic technology has been pointed out as a potentially relevant case of occupational exposure to nanoparticles (NP). Not only when nanoscale powders are being used for production, but also in the high-temperature processing of ceramic materials there is also a high potential for NP release into the workplace environment. In vitro toxicity of engineered NP (ENP) [antimony tin oxide (Sb2O3•SnO2; ATO); zirconium oxide (ZrO2)], as well as process-generated NP (PGNP), and fine particles (PGFP), was assessed in MucilAir™ cultures at air-liquid interface (ALI). Cultures were exposed during three consecutive days to varying doses of the aerosolized NP. General cytotoxicity [lactate dehydrogenase (LDH) release, WST-1 metabolization], (oxidative) DNA damage, and the levels of pro-inflammatory mediators (IL-8 and MCP-1) were assessed. Data revealed that ENP (5.56 µg ATO/cm2 and 10.98 µg ZrO2/cm2) only caused mild cytotoxicity at early timepoints (24 h), whereas cells seemed to recover quickly since no significant changes in cytotoxicity were observed at late timepoints (72 h). No meaningful effects of the ENP were observed regarding DNA damage and cytokine levels. PGFP affected cell viability at dose levels as low as ∼9 µg/cm2, which was not seen for PGNP. However, exposure to PGNP (∼4.5 µg/cm2) caused an increase in oxidative DNA damage. These results indicated that PGFP and PGNP exhibit higher toxicity potential than ENP in mass per area unit. However, the presence of a mucociliary apparatus, as it occurs in vivo as a defense mechanism, seems to considerably attenuate the observed toxic effects. Our findings highlight the potential hazard associated with exposure to incidental NP in industrial settings.
    • Development of a Measles and Rubella Multiplex Bead Serological Assay for Assessing Population Immunity.

      Coughlin, Melissa M; Matson, Zachary; Sowers, Sun B; Priest, Jeffrey W; Smits, Gaby P; van der Klis, Fiona R M; Mitchell, Alexandria; Hickman, Carole J; Scobie, Heather M; Goodson, James L; et al. (2021-03-17)
      Serosurveys are important tools for estimating population immunity and providing immunization activity guidance. The measles and rubella multiplex bead assay (MBA) offers multiple advantages over standard serological assays and was validated by comparison with the enzyme-linked immunosorbent assay (ELISA) and the measles plaque reduction neutralization (PRN) assay. Results from a laboratory-produced purified measles whole virus antigen MBA (MeV WVAL) correlated better with ELISA and PRN than results from the baculovirus-expressed measles nucleoprotein (N) MBA. Therefore, a commercially produced whole virus antigen (MeV WVAC) was evaluated. Serum IgG antibody concentrations correlated significantly with a strong linear relationship between the MeV WVAC and MeV WVAL MBAs (R=0.962, R2=0.926). IgG concentrations from the MeV WVAC MBA showed strong correlation with PRN titers (R=0.846) with a linear relationship comparable to values obtained with the MeV WVAL MBA and PRN assay (R2=0.716 and R2=0.768, respectively). Receiver-operating characteristic (ROC) curve analysis of the MeV WVAC using PRN titer as the comparator resulted in a seroprotection cutoff of 153 mIU/ml, similar to the established correlate of protection of 120 mIU/ml, with a sensitivity of 98% and a specificity of 84%. IgG concentrations correlated strongly between the rubella WVA MBA and ELISA (R=0.959 and R2=0.919). ROC analysis of the rubella MBA using ELISA as the comparator yielded a cutoff of 9.36 IU/ml, similar to the accepted cutoff of 10 IU/ml for seroprotection, with a sensitivity of 99% and a specificity of 100%. These results support use of the MBA for multi-antigen serosurveys assessing measles and rubella population immunity.
    • Self-rated health in individuals with and without disease is associated with multiple biomarkers representing multiple biological domains.

      Kananen, L; Enroth, L; Raitanen, J; Jylhävä, J; Bürkle, A; Moreno-Villanueva, M; Bernhardt, J; Toussaint, O; Grubeck-Loebenstein, B; Malavolta, M; et al. (2021-03-17)
    • Risk assessment of herbal preparations containing St John's wort

      de Wit, L; Jeurissen, S; Chen, W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-16)
      People use herbal preparations (food supplements and herbal tea) with St John’s wort, amongst others to feel and sleep better. However, these herbal preparations can reduce the effect of medicines, or enhance their effect. These interactions can have serious health effects. Herbal preparations with St John’s wort, for example, reduce the effect of certain medicines prescribed for fungal or viral infections and for cancer (chemotherapy). The effect of certain consciousness-lowering agents, e.g. sedative medicines, and consciousness-stimulating agents, e.g. antidepressants, is actually enhanced. The use of herbal preparations with St John’s wort may also pose health risks when used alone and not in combination with medicines. For example, the skin can be damaged faster (sunburn) if people sit in the sun after using St John’s wort. Other effects such as dizziness, diarrhea and anxiety have also been reported after the use of herbal preparations containing St. John's wort. It is not known what effects occur after people use these herbal preparations for a long time. There is also insufficient information available to determine whether the use of St John’s wort during pregnancy is safe for the unborn child. Moreover, the composition of herbal preparations containing St John’s wort can vary greatly, and it is often not known what exactly is in it. This makes it difficult to estimate the effects of a product. RIVM draws these conclusions based on a risk assessment on behalf of the Ministry of Health, Welfare and Sport (VWS). RIVM advises consumers to be cautious with the use of herbal preparations containing St John’s wort, and to not use these products in combination with medicines. RIVM advises VWS to draft legislation on the use of St John’s wort in herbal preparations.
    • Real-World Treatment Costs and Care Utilization in Patients with Major Depressive Disorder With and Without Psychiatric Comorbidities in Specialist Mental Healthcare.

      Kan, Kaying; Lokkerbol, Joran; Jörg, Frederike; Visser, Ellen; Schoevers, Robert A; Feenstra, Talitha L (2021-03-16)