Now showing items 1-20 of 13843

    • Gezondheidseffecten van de 23 smaakstoffen in vloeistoffen voor e-sigaretten

      Staal, YCM; Zijtveld, D; Huiberts, EHW; Bos, PMJ; Talhout, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-19)
      De overheid wil e-sigaretten minder aantrekkelijk maken, vooral voor jongeren. Aan e-sigaretten worden smaakstoffen toegevoegd om het product aantrekkelijker te maken. Gebruikers houden vooral van zoete smaken en fruitsmaken. Daarom heeft de Nederlandse regering besloten om alleen nog smaakstoffen toe te staan die naar tabak smaken. Het RIVM heeft daarom eerder een voorstel gedaan voor smaakstoffen in vloeistoffen voor e-sigaretten die kunnen worden toegestaan. Deze 23 stoffen zijn bepaald op basis van de smaak van de stof. Als vervolg hierop is nu gekeken of deze smaakstoffen schadelijk zijn voor de gezondheid. Want sinds 2016 mogen in e-sigaretten alleen stoffen worden gebruikt die niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Van 2 van de 23 stoffen is bekend dat ze kankerverwekkend kunnen zijn. Een andere stof kan allergie veroorzaken. Het is niet mogelijk om te bepalen welke hoeveelheid veilig is voor deze stoffen. Van de overige 20 stoffen is geen informatie beschikbaar om specifieke effecten in de luchtwegen te beoordelen, het eerste ‘contact’ van damp met het lichaam. Van sommige stoffen is wel bekend of ze schadelijk kunnen zijn na inslikken. Drie stoffen kunnen gezondheidsrisico’s veroorzaken bij de hoogste concentraties die in vloeistoffen in e-sigaretten zijn gevonden. Een andere stof is irriterend en kan daarom schadelijk zijn voor de longen. Voor de overige 16 stoffen is onvoldoende informatie om risico’s voor de gezondheid via e-sigaretten te beoordelen. Het RIVM adviseert om de 2 kankerverwekkende stoffen en de stof die allergie kan veroorzaken, niet toe te staan. Dat geldt ook voor de 3 stoffen die bij hoge concentraties schadelijk zijn en voor de irriterende stof. Voor de overige 16 stoffen is er niet genoeg informatie om de gezondheidseffecten te beoordelen. Het RIVM stelt daarom twee mogelijkheden voor. Een daarvan is om de stoffen te verbieden omdat onduidelijk is of ze schadelijk zijn. De andere mogelijkheid is om deze stoffen toch te gebruiken in e-liquids zodat dit product beschikbaar blijft om rokers te helpen met roken te stoppen.
    • Chroom-6 en medische implantaten

      de Leeuw, VC; den Braver-Sewradj, SP; Geertsma, RE; Ezendam, J; Beijer, NRM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-18)
      Chroom zit in verschillende medische implantaten van metaal, zoals voor heupen en knieën. Het RIVM heeft daarom onderzocht of mensen met zulke implantaten worden blootgesteld aan chroom-6 en of dat schadelijk is voor hun gezondheid. De huidige wetenschappelijke literatuur geeft geen aanwijzingen dat chroom-6 uit een medisch implantaat in het lichaam tot ernstige gezondheidseffecten leidt. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VWS. Chroom kan in de schadelijke vorm chroom-6 vrijkomen als het implantaat in contact komt met lichaamsvloeistoffen rondom het implantaat. Het meeste chroom-6 wordt meteen omgezet in de minder schadelijke vorm chroom-3. Een klein deel chroom-6 kan in het bloed komen en zo in het lichaam worden verspreid. Met de wetenschappelijke kennis van nu is het niet mogelijk om precies te bepalen hoe groot deze blootstelling is. Wel dat de blootstelling geen ernstige effecten heeft. Enkele onderzoeken vermelden een grotere kans op metaalallergie bij mensen met een implantaat waar chroom in zit. Maar dit komt bijna nooit voor en veroorzaakt geen ernstige klachten. Metaalallergie kan ook door andere metalen in implantaten worden veroorzaakt. Het implantaat zelf kan lokale effecten veroorzaken, zoals irritatie of ontsteking. Deze klachten zijn niet gerelateerd aan chroom-6. Dit onderzoek is gedaan omdat uit eerder onderzoek bleek dat blootstelling aan chroom-6 tijdens het werk schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Dat heeft met verschillende factoren te maken. Bijvoorbeeld of mensen met grote hoeveelheden van de stof in contact komen, hoe vaak en op welke manier (bijvoorbeeld via inademen of inslikken).
    • The Dutch decision tree for the evaluation of the leaching of plant protection products. Revised 2022 version

      Tiktak, A; van den Berg, F; Poot, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-18)
      Gewasbeschermingsmiddelen kunnen in het grondwater terechtkomen (‘uitspoelen’) en daar problemen voor de drinkwaterwinning veroorzaken. Daarom wordt de kans dat een middel uitspoelt beoordeeld voordat een gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten op de Nederlandse markt. Nederland gebruikt sinds 2005 voor deze beoordeling de zogeheten beslisboom uitspoeling. Deze beslisboom is aangepast op basis van de nieuwste inzichten en data. De belangrijkste aanleiding voor de aanpassing van de beslisboom is het inzicht dat de hoeveelheid organische stof in de bodem te hoog was ingeschat. Hierdoor was de berekende concentratie van gewasbeschermingsmiddelen 2 tot 5 keer lager dan volgens de nieuwe inzichten het geval is. Dit is ongewenst omdat hierdoor een gewasbeschermingsmiddel onterecht zou kunnen worden toegelaten. Fabrikanten die een gewasbeschermingsmiddel in Nederland toegelaten willen hebben, moeten daarom de aangepaste beslisboom gebruiken. De beslisboom uitspoeling bestaat uit drie stappen. In de eerste stap voert de aanvrager een eenvoudige maar strenge berekening uit. Als het gebruik van het middel volgens deze stap als veilig wordt beschouwd, kan het middel zonder vervolgstappen worden toegelaten op de Nederlandse markt. Als het gebruik volgens deze stap niet veilig is, is de volgende stap van de beslisboom nodig. In deze tweede stap wordt de uitgespoelde hoeveelheid van het middel preciezer bepaald, namelijk voor de gewassen waarvoor de aanvrager het product wil gebruiken. Mocht de tweede stap ook niet veilig zijn, dan kan de aanvrager in een derde stap met meetgegevens aantonen dat het middel veilig kan worden gebruikt. Als het gebruik ook volgens deze stap niet veilig is, kan het middel niet worden toegelaten op de Nederlandse markt.
    • Rapportage 2021 Nationale Adviesgroep Cabinelucht

      Hendriks, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-17)
      Piloten en personeel in vliegtuigen kunnen gezondheidsklachten hebben, zoals duizeligheid, misselijkheid en desoriëntatie. De vraag is of dat komt omdat zij via de cabinelucht blootgesteld worden aan chemische stoffen. De afgelopen jaren zijn hier verschillende onderzoeken naar gedaan. De oorzaak van de klachten is nog niet duidelijk. Een mogelijkheid is dat het om een kleine groep mensen gaat die door een erfelijke aanleg gevoeliger is voor gezondheidseffecten van bepaalde stoffen. Dit blijkt uit de Rapportage 2021 van de Nationale Adviesgroep Cabinelucht (NAC). De adviesgroep is in 2015 door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) opgericht naar aanleiding van de internationale discussies over de oorzaak van de klachten. Het RIVM voert sinds 2020 het secretariaat. De adviesgroep informeert alle betrokken partijen over internationale onderzoeken naar de kwaliteit van cabinelucht in vliegtuigen. In de rapportage staan de voortgang en resultaten van bijeenkomsten en onderzoeken van de NAC in 2021. Zo wordt gewerkt aan een Europese norm voor de luchtkwaliteit in vliegtuigcabines. Ook is in een Europees onderzoek nagebootst hoe chemische stoffen uit motorolie lekken en in de cabinelucht kunnen komen. De resultaten van dit onderzoek zijn in de zomer van 2021 gepubliceerd. Door dit onderzoek is nu meer bekend over bijvoorbeeld de chemische samenstelling van cabinelucht tijdens de nagebootste lekkage. Maar verder onderzoek is nodig om beter te begrijpen wat zo’n lekkage voor de gezondheid van cabinepersoneel kan betekenen. In 2021 heeft de NAC contact gehad met het Analysebureau luchtvaartvoorvallen (ABL) van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Dit bureau registreert en analyseert meldingen van voorvallen in de Nederlandse burgerluchtvaart. De NAC heeft meegedacht hoe meldingen in relatie tot de kwaliteit van cabinelucht beter in kaart gebracht kunnen worden. In 2022 zal hier verder aan gewerkt worden. In de NAC zitten vertegenwoordigers van werkgevers, zoals KLM en Corendon, werknemersvertegenwoordigers VNV, NVLT, VNC en FNV Cabine en onderzoeksinstituten, waaronder het RIVM, TNO en NLR. Vertegenwoordigers vanuit de ministeries van IenW en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn waarnemend lid.
    • Onvoldoende kennis om gezondheid in Nederland te beschermen tegen klimaatverandering

      van der Ree, J; Betgen, C; Boomsma, C; van Dijk, A; Hall, L; Houweling, D; Limaheluw, J; Rijs, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-17)
      Klimaat en klimaatverandering hebben invloed op onze gezondheid, zowel positief als negatief. Mensen kunnen bijvoorbeeld overlijden tijdens een hittegolf of huidkanker krijgen door blootstelling aan UVstraling. Maar over de invloed van klimaatverandering op onze fysieke en mentale gezondheid is ook nog veel onduidelijk. We ervaren nu al de gevolgen van klimaatverandering en daarom is het belangrijk om meer kennis te krijgen over de gezondheidsrisico’s van klimaatverandering. Het ministerie van VWS heeft daarom het RIVM gevraagd de gezondheidseffecten van klimaatverandering en de samenhang daartussen te onderzoeken. Als eerste stap daarin heeft het RIVM een Plan van Aanpak opgesteld, met een overzicht van de onderzoeksvragen die hierover bestaan. Het gaat om vragen over allergie, mentale gezondheid, infectieziekten, UV-straling en huidkanker, temperatuur en luchtkwaliteit. Deze vragen vormen de basis voor het onderzoeksprogramma van de komende jaren. Het overzicht maakt duidelijk op welke gebieden kennis ontbreekt over klimaatverandering en de gezondheidseffecten. Om een goed zicht te krijgen op gezondheidseffecten van klimaatverandering, is het belangrijk de effecten in samenhang te onderzoeken. Samenhang is belangrijk om effectieve maatregelen te kunnen nemen en te weten welke maatregelen op korte termijn nodig zijn. Zo is het belangrijk te weten of mensen sterven aan hitte, aan te veel ozon, of aan de combinatie van beide tijdens perioden van hitte. Samenhang voorkomt ook dat onderzoeken overlappen of elkaar tegenwerken. Verder is nog veel onbekend over de omvang van gezondheidseffecten die door klimaatverandering kunnen ontstaan of erger worden. Zo is niet bekend hoeveel mensen allergisch zijn voor pollen en hoeveel last ze daarvan hebben, laat staan wat het effect van klimaatverandering daarop is. Het onderzoek gaat vooral over de lichamelijke effecten van klimaatverandering, maar heeft voor het eerst ook aandacht voor mentale effecten. Bijvoorbeeld voor stress door overstromingen, zowel direct na de gebeurtenis als op de lange termijn. Bijvoorbeeld door angst voor herhaling of door financiële zorgen.
    • Toetsing van het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg. Vergelijking van modeluitkomsten met meetresultaten

      Fraters, B; Kusters, E; Crijns, JWAM; Ros, GH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-13)
      Nitraat uit mest spoelt vanuit de lössgronden in Zuid-Limburg makkelijk weg naar het grondwater. Dat komt omdat het nitraat, dat na de oogst onder de zogeheten wortelzone achterblijft, in löss bijna niet wordt afgebroken. In de pilot Slim Bemesten probeerde deze regio de kwaliteit van het grondwater te verbeteren. Tegelijkertijd wilde de regio de landbouw de ruimte geven om de gewassen genoeg kunstmest te geven. Om de balans hiertussen te vinden, gebruikten de bedrijven in de pilot een eigen model om de nitraatconcentratie te berekenen in het water dat wegspoelt uit de wortelzone. De wortelzone is het bovenste deel van de bodem waaruit de wortels van de gewassen voedingstoffen en water halen. Het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg moet duidelijk maken met welke maatregelen de landbouwbedrijven op lössgronden de nitraatconcentratie kunnen verlagen. Voorbeelden zijn het soort gewas dat wordt geteeld en de gebruikte hoeveelheid en soort mest. Het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg blijkt lagere concentraties nitraat te berekenen dan het RIVM heeft gemeten bij de deelnemers van de pilot. Het verschil kan uitmaken of een bedrijf wel of niet voldoet aan de norm van 50 milligram nitraat per liter. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM heeft de metingen op dezelfde manier uitgevoerd als voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM), in de pilot is voor bepaling van de nitraatconcentratie een andere methode gebruikt. Daarnaast zijn er andere mogelijke oorzaken van het verschil tussen de metingen en de berekeningen. . De pilot Slim Bemesten is afgelopen (het liep tussen 2015 en 2021). Er deden 24 landbouwbedrijven aan mee. Andere landbouwbedrijven op lössgronden kunnen de resultaten van dit onderzoek gebruiken als zij met het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg de effecten van maatregelen op de nitraatconcentratie in beeld willen krijgen. Het RIVM-onderzoek is in opdracht van het ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) gedaan.
    • SARS-CoV-2 RNA and antibody dynamics in a Dutch household study with dense sampling frame.

      Han, Wanda G H; Swart, Arno; Bonačić Marinović, Axel; Eggink, Dirk; Reimerink, Johan; Wijsman, Lisa A; van der Veer, Bas; van den Brink, Sharon; van den Brandt, Anne-Marie; van Tol, Sophie; et al. (2022-05-13)
    • A physiologically based pharmacokinetic model to predict pegylated liposomal doxorubicin disposition in rats and human.

      Montanha, Maiara Camotti; Howarth, Alice; Mohamed, Doaa Ahmed; Loier, Estelle; Main, Lauren; Rösslein, Matthias; Delmaar, Christiaan; Prina-Mello, Adriele; Siccardi, Marco (2022-05-13)
      The use of nanoparticles (NPs) can support an enhancement of drug distribution, resulting in increased drug penetration into key tissues. Experimental in vitro data can be integrated into computational approaches to simulate NP absorption, distribution, metabolism and elimination (ADME) processes and provide quantitative pharmacokinetic predictions. The aim of this study is to develop a novel mechanistic and physiologically based pharmacokinetic (m-PBPK) model to predict the biodistribution of NPs focusing on Doxil. The main processes underpinning NPs ADME were represented considering molecular and cellular mechanisms such as stability in biological fluids, passive permeability and uptake activity by macrophages. A whole-body m-PBPK rat and human models were designed in Simbiology v. 9.6.0 (MATLAB R2019a). The m-PBPK models were successfully qualified across doxorubicin and Doxil® in both rat and human since all PK parameters AUC0-inf, Cmax, t1/2, Vd and Cl were within twofold, with an AUC0-inf absolute average-fold error (AAFE) value of 1.23 and 1.16 and 1.76 and 1.05 for Doxorubicin and Doxil® in rat and human, respectively. The time to maximum concentration in tissues for doxorubicin in both rat and human models was before 30 min of administration, while for Doxil®, the tmax was after 24 h of administration. The organs that accumulate most NP are the spleen, liver and lungs, in both models. The m-PBPK represents a predictive platform for the integration of in vitro and formulation parameters in a physiological context to quantitatively predict the NP biodistribution. Schematic diagram of the whole-body m-PBPK models developed for Doxil® in rat and human physiology.
    • Actualisatie faalfrequenties windturbines

      Versluis, S; Pompe, CE; Manuel, HJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-12)
      Ongelukken met windturbines kunnen gevaarlijk zijn voor mensen in de omgeving. Bijvoorbeeld wanneer een windturbine omvalt of een blad afbreekt. Ook kan er ijs van het blad vallen. Om slachtoffers te voorkomen, wordt een afstand berekend tussen windturbines en de omgeving. Binnen deze afstanden mogen bijvoorbeeld geen woningen staan. De kans op een ongeluk met een windturbine is voor het laatst onderzocht in 2012. Het RIVM heeft de cijfers nu geactualiseerd. Onderzocht is wat er kan gebeuren en hoe vaak dat gebeurt. De reden voor de update is dat windturbines de laatste jaren technisch verder zijn ontwikkeld. Ze zijn bijvoorbeeld groter geworden. Ook zullen vanwege de overgang naar duurzame energie meer windturbines worden geplaatst. Uit het onderzoek blijkt dat de kans op een ongeluk klein is: op de ongeveer 2000 windturbines in Nederland op land wordt ongeveer ??n ongeluk per jaar verwacht. Over het algemeen zijn de nieuw berekende kansen iets kleiner dan eerder is ingeschat. Voor het onderzoek is informatie van het Caithness Windfarm Information Forum (CWIF) gebruikt, een van de weinige openbare databases die ongelukken bijhoudt. Het RIVM heeft gegevens gebruikt van landen die ongeveer hetzelfde klimaat hebben als Nederland en technisch ongeveer hetzelfde soort windturbines hebben, zoals Zweden en Duitsland. Het CWIF is in 2021 gestopt. Daarom beveelt het RIVM het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan om ongelukken structureel bij te gaan houden. Dan kunnen de kansen in de toekomst worden geactualiseerd. Het RIVM heeft het onderzoek in opdracht van IenW gedaan. Het gaat hierin niet om effecten op de gezondheid van mensen door het geluid of de schaduw van windturbines. Afstanden voor gezondheidseffecten zijn over het algemeen groter dan voor veiligheid.
    • Physiologically based pharmacokinetic modeling of intravenously administered nanoformulated substances.

      Minnema, Jordi; Borgos, Sven Even F; Liptrott, Neill; Vandebriel, Rob; Delmaar, Christiaan (2022-05-12)
    • Vergelijkbaar en verschillend. Een verkennend onderzoek gericht op de oorzaken van arbeidsongevallen en consumentenongevallen

      van Moll, E; Melssen, N; van Kampen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-10)
      Veel mensen klussen in huis en gebruiken daarvoor producten als een ladder of een cirkelzaag. Daar kan soms iets bij misgaan en een ongeluk veroorzaken. Uit ziekenhuisgegevens is informatie bekend over de slachtoffers, zoals leeftijd en geslacht. De slachtoffers zijn bijvoorbeeld vaak mannen op hogere leeftijd. Ook is bekend wat de gevolgen zijn van de ongelukken, zoals het soort letsel. Maar hoe de ongelukken thuis ontstaan is nog niet zo duidelijk. Het RIVM en de NVWA willen dat beter begrijpen. Dan kunnen betere adviezen worden gegeven om ongelukken thuis te voorkomen. Een belangrijke vraag is of het ongeluk aan het product ligt of aan het gedrag van de gebruiker. Het product kan bijvoorbeeld verouderd zijn. Of de gebruiker kan risico’s onderschatten of haast hebben. Er is al meer bekend over oorzaken van ongelukken op het werk. Het RIVM heeft daarom oorzaken van ernstige ongelukken op het werk vergeleken met wat er bekend is over ongelukken thuis. Er blijken zowel verschillen als overeenkomsten te zijn tussen de ongelukken thuis en op het werk. Een overeenkomst is bijvoorbeeld dat klussers thuis en op het werk hetzelfde soort letsel oplopen. Ook lijkt dat wat er vlak voor het ongeluk gebeurt, vaak op elkaar. Zo reiken slachtoffers van ongelukken met een ladder te ver van de ladder, waardoor zij hun balans verliezen. Een verschil is bijvoorbeeld dat er op het werk regels zijn om veilig te kunnen werken waar werknemers zich aan moeten houden en die worden gecontroleerd. Thuis is dat niet zo. Het RIVM gaat met de NVWA verder onderzoeken hoe het precies zit met de oorzaken van ongelukken die thuis gebeuren.
    • Gammastraling- en neutronendosistempometingen bij de terreingrens van COVRA-VOG in 2021

      Kwakman, PJM; Bosch, PP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-05-10)
      Het RIVM heeft extra metingen van het gamma- en neutronendosistempo bij de COVRA uitgevoerd. Dit is in opdracht van de ANVS gedaan. Deze metingen zijn aanvullingen op metingen die COVRA vaker doet. COVRA en het RIVM meten allebei een iets hoger gamma- en neutronendosistempo aan het hek bij het verarmd uranium opslag gebouw (VOG), aan de rand van het terrein. Die verhoging is ten opzichte van het van nature aanwezige stralingsniveau. De meetwaarden van het neutronendosistempo van COVRA en RIVM komen goed overeen. De gammadosismeetwaarden van COVRA en het RIVM verschillen, omdat zij andere grootheden meten: COVRA meet de effectieve dosis en het RIVM de omgevingsdosis. Een andere belangrijk verschil is de correctie voor de bijdrage aan de gammadosis van de achtergrond. COVRA maakt gebruik van metingen uit de tijd dat COVRA werd gebouwd; het RIVM gebruikt actuele metingen aan de terreingrens vlak bij het afvalverwerkingsgebouw. De extra metingen zijn door het RIVM uitgevoerd in augustus 2021 naar aanleiding van een ANVS-inspectie bij de COVRA op 16 april 2021. Reden was een wijziging van de bestemming van het terrein dat aan het COVRA-terrein grenst. Tijdens deze inspectie is specifiek ingegaan op de terreingrensdosis op 2 locaties aan het hek nabij het VOG. Doel is om gamma- en neutronendosistempo te meten dat COVRA heeft toegevoegd aan de natuurlijke waarde in de omgeving (achtergrondwaarde).
    • A Decision Support System for preclinical assessment of nanomaterials in medical products: the REFINE DSS.

      Zabeo, Alex; Rosada, Fabio; Pizzol, Lisa; Caputo, Fanny; Borgos, Sven Even; Parot, Jeremie; Geertsma, Robert E; Pouw, Joost Jacob; Vandebriel, Rob J; Moreno, Oihane Ibarrola; et al. (2022-05-10)
    • Behavioural insights and the evolving COVID-19 pandemic.

      de Bruin, Marijn; Suk, Jonathan E; Baggio, Marianna; Blomquist, Sarah Earnshaw; Falcon, María; Forjaz, Maria João; Godoy-Ramirez, Karina; Leurs, Mariken; Rodriguez-Blazquez, Carmen; Romay-Barja, María; et al. (2022-05-09)
    • Advances in air quality research - current and emerging challenges

      Sokhi, RS; Moussiopoulos, N; Baklanov, A; Bartzis, J; Velders, GJM; et al. (2022-05-09)
    • Photochemical degradation pathways of cell-free antibiotic resistance genes in water under simulated sunlight irradiation: Experimental and quantum chemical studies.

      Zhang, Tingting; Cheng, Fangyuan; Yang, Hao; Zhu, Boyi; Li, Chao; Zhang, Ya-Nan; Qu, Jiao; Peijnenburg, Willie J G M (2022-05-09)
      The presence of antibiotic resistance genes (ARGs) in the environment poses a threat to human health and therefore their environmental behavior needs to be studied urgently. A systematic study was conducted on the photodegradation pathways of the cell-free tetracycline resistance gene (Tc-ARG) under simulated sunlight irradiation. The results showed that Tc-ARG can undergo direct photodegradation, which significantly reduces its horizontal transfer efficiency. Suwannee River fulvic acid (SRFA) promoted the photodegradation of Tc-ARG and further inhibited its horizontal transfer by generating reactive intermediates. The photodegradation of Tc-ARG was attributed to degradation of the four bases (G, C, A, T) and the deoxyribose group. Quantum chemical calculations showed that the four bases could be oxidized by the hydroxyl radical (HO) through addition and H-abstraction reactions. The main oxidative product 8-oxo-dG was detected. This product was generated through the addition reaction of G-C with HO, subsequent to dissolved oxygen initiated H-abstraction and H2O catalyzed H-transfer reactions. The predicted maximum photodegradation rates of Tc-ARG in the Yellow River estuary were 0.524, 0.937, and 0.336 h-1 in fresh water, estuary water, and seawater, respectively. This study furthermore revealed the microscopic photodegradation pathways and obtained essential degradation parameters of Tc-ARG in sunlit surface water.
    • Tracking Mycobacterium tuberculosis sequencing samples using unique spikes of random DNA.

      de Neeling, AlbertJ; Jonckers Nieboer, Lucia F; Mulder, Arnout; Mariman, Rob; Anthony, Richard M; van Soolingen, Dick (2022-05-09)