Now showing items 1-20 of 12711

    • Zicht (krijgen) op Zeer Zorgwekkende Stoffen in een circulaire cconomie : Concretisering van een monitoringsstrategie

      van Bruggen, AR; de Boer, LM; Heens, F; Spanbroek, NM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-21)
      De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Daarin worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt zodat er zo min mogelijk afval is. Maar in hergebruikte materialen kunnen schadelijke stoffen zitten. Het is daarom belangrijk te weten of het hergebruikte product of gerecycled materiaal veilig is voor mens en milieu. Een voorbeeld van schadelijke stoffen zijn stoffen met zeer zorgwekkende eigenschappen (ZZS). Ze kunnen bijvoorbeeld kanker veroorzaken of de voortplanting belemmeren. Soms bevatten materialen en producten ZZS die inmiddels verboden zijn. Als deze producten of materialen worden hergebruikt of gerecycled, kunnen ze eruit vrijkomen en in omloop blijven. Het is niet makkelijk om een volledig overzicht te krijgen van ZZS in producten of materialen. Er zijn heel veel soorten ZZS die in heel veel verschillende materialen en producten zitten. Het RIVM heeft een opzet gemaakt voor een methode om de risico's van ZZS in een circulaire economie te achterhalen. Met deze methode kan worden ontleed op welke plek in 'de keten' van productie, gebruik en afvalverwerking ZZS kunnen zitten en waar ze risico's veroorzaken. Met deze inzichten kan bijvoorbeeld in beeld worden gebracht hoe de overheid en het bedrijfsleven zich (kunnen) inzetten om materialen veilig te verwerken. Twee voorbeelden (piepschuim in woningen en minerale olie in voedselverpakkingen) zijn uitgewerkt om de methode te testen. Beleidsmakers kunnen de methode gebruiken om beleid op te stellen voor de circulaire economie. Het RIVM beveelt aan om de uiteindelijke monitor samen met beleidsmakers en het bedrijfsleven te ontwikkelen. Dat vergroot de kans om een veilig hergebruik te garanderen. Dit onderzoek is onderdeel van de integrale circulaire economie rapportage (ICER) en is in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving uitgevoerd.
    • Ecotoxicologische risicogrenzen voor PFOS in bodem en grondwater

      Verbruggen, EMJ; Marinkovic, M; Wassenaar, PNH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-18)
      Het RIVM heeft risicogrenzen bepaald voor PFOS in bodem en grondwater. De risicogrenzen houden rekening met twee routes: directe effecten van PFOS op planten en dieren in de bodem, en effecten op vogels en zoogdieren die PFOS via hun voedsel binnenkrijgen. Het bevoegd gezag gebruikt de risicogrenzen om te beslissen of hergebruik van grond veilig is voor het milieu. PFOS en andere poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn door de mens gemaakte stoffen die heel langzaam afbreken, ophopen in het lichaam en giftig zijn. Het gebruik van PFOS is wereldwijd zeer sterk aan banden gelegd. Maar doordat de stof bijna niet afbreekt, zitten er nog steeds resten in het milieu. PFOS hoopt zich op in planten en dieren. Daarom is het relevant om te kijken naar de risico's voor vogels en zoogdieren die PFOS binnenkrijgen via het eten van bodemdieren, zoals regenwormen. Dit heet doorvergiftiging. Per route zijn twee risiconiveaus bepaald: het Ernstig Risiconiveau (ER) en het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR). Het MTR is de concentratie waarbij geen nadelige effecten zijn te verwachten. Het MTR voor doorvergiftiging is 3 microgram per kilogram droge grond. Het ER (106 microgram per kilogram) is de concentratie waarbij PFOS ernstige effecten kan hebben op vogels en zoogdieren. Het RIVM heeft in 2011 ook ecotoxicologische risicogrenzen afgeleid voor PFOS in bodem en grondwater, toen op basis van beperkt beschikbare informatie. De risicogrenzen zijn nu beter onderbouwd. Het nieuwe MTR voor doorvergiftiging is hetzelfde als in 2011, het ER voor doorvergiftiging is nu voor het eerst bepaald. Dit onderzoek is onderdeel van een serie rapportages over risicogrenzen van PFAS. Hiermee draagt het RIVM bij aan een landelijk kader waarmee bevoegde gezagen kunnen bepalen hoe zij omgaan met PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
    • Applications and Recruitment Performance of Web-Based Respondent-Driven Sampling: Scoping Review.

      Helms, Yannick B; Hamdiui, Nora; Kretzschmar, Mirjam E E; Rocha, Luis E C; van Steenbergen, Jim E; Bengtsson, Linus; Thorson, Anna; Timen, Aura; Stein, Mart L (2021-01-15)
    • Exploring determinants of hand hygiene compliance in LTCFs: a qualitative study using Flottorps' integrated checklist of determinants of practice.

      Lescure, Dominique; Haenen, Anja; de Greeff, Sabine; Voss, Andreas; Huis, Anita; Hulscher, Marlies (2021-01-14)
    • Determinants associated with viable genital or rectal bacterial load (FemCure).

      Janssen, Kevin J H; Wolffs, Petra F G; Hoebe, Christian J P A; Heijman, Titia; Götz, Hannelore M; Bruisten, Sylvia M; Schim van der Loeff, Maarten; de Vries, Henry J; Dukers-Muijrers, Nicole H T M (2021-01-13)
      Chlamydia trachomatis (CT) is routinely diagnosed by nucleic acid amplification tests (NAATs), which are unable to distinguish between nucleic acids from viable and non-viable CT organisms.
    • Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of a novel method for material loops

      Quik, JTK; Dekker, E; Montforts, MHMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-12)
      This is a revised version of letter report 2020-0126 Every year, ProRail replaces 200,000 railway sleepers. In the last century, wooden sleepers were used treated with creosotes to preserve them. Creosotes contain substances of very high concern. More recently, sleepers have been made from concrete, but greater quantities of CO2 are released in the manufacture of these sleepers than from wooden sleepers. To minimize CO2 emissions and the use of substances of concern, ProRail is looking for alternative railway sleepers. To this end, RIVM has compared six different types of sleepers with cement concrete (100 percent Portland cement). The six sleeper types are made from copper-treated wood, untreated wood, recycled steel-reinforced plastic (PE), virgin steel-reinforced plastic (PE), glass-fiber-reinforced plastic (virgin PU) and Sulphur-based concrete (instead of cement-based concrete). The comparison of the various sleepers was based on the aspects that are important for sustainability and safety of substances for the environment. The sleepers made from recycled plastic and Sulphur-concrete are more sustainable than sleepers from concrete (Portland cement). The other types of sleepers are only favorable over concrete in certain aspects of sustainability. Based on the data available, the various types appear to be equally safe for the environment. Part of the sustainability assessment of the sleepers is done by looking at the extent to which they release greenhouse gases and how much land is needed to extract the materials to make them. The land used to produce wooden sleepers is greater than for the other sleeper types. This is important due to the effect on biodiversity, even though less greenhouse gases are released during production compared to concrete. The safety of the sleepers was analyzed by looking at the presence of pollutants and the degree to which these pollutants leach out. After all, any substance released during the use of the sleepers can end up in the soil and groundwater. There is legislation for all types of sleepers, the objective of which is to ensure that they are safe to use. For this study not all relevant data were available. Knowledge of the presence of any hazardous substances in sleepers is important if they are to be safely reused.
    • Biowaiver Monographs for Immediate Release Solid Oral Dosage Forms: Metformin Hydrochloride.

      Metry, Melissa; Shu, Yan; Abrahamsson, Bertil; Cristofoletti, Rodrigo; Dressman, Jennifer B; Groot, D W; Parr, Alan; Langguth, Peter; Shah, Vinod P; Tajiri, Tomokazu; et al. (2021-01-12)
    • Predictors of Frailty and Vitality in Older Adults Aged 75 years and Over: Results from the Longitudinal Aging Study Amsterdam.

      de Breij, Sascha; van Hout, Hein P J; De Bruin, Simone R; Schuster, Noah A; Deeg, Dorly J H; Huisman, Martijn; Hoogendijk, Emiel O (2021-01-11)
    • Cost-effectiveness of two screening strategies for and as part of the PrEP programme in the Netherlands: a modelling study.

      van Wifferen, Francine; Hoornenborg, Elske; Schim van der Loeff, Maarten F; Heijne, Janneke; van Hoek, Albert Jan (2021-01-11)
      Pre-exposure prophylaxis (PrEP) users are routinely tested four times a year (3 monthly) for asymptomatic Chlamydia trachomatis (CT) and Neisseria gonorrhoeae (NG) infections on three anatomical locations. Given the high costs of this testing to the PrEP programme, we assessed the impact of 3 monthly screening(current practice), compared with 6 monthly on the disease burden. We quantified the difference in impact of these two testing frequencies on the prevalence of CT and NG among all men who have sex with men (MSM) who are at risk of an STI, and explored the cost-effectiveness of 3-monthly screening compared with a baseline scenario of 6-monthly screening.
    • Decision-making, barriers, and facilitators regarding cervical cancer screening participation among Turkish and Moroccan women in the Netherlands: a focus group study.

      Hamdiui, Nora; Marchena, Eline; Stein, Mart L; van Steenbergen, Jim E; Crutzen, Rik; van Keulen, Hilde M; Reis, Ria; van den Muijsenbergh, Maria E T C; Timen, Aura (2021-01-07)
      Six focus group discussions were conducted between March and April 2019 with Turkish (n = 24) and Moroccan (n = 20) women in the Netherlands, aged 30-60 years. Questions were based on an extended version of the Health Belief Model. Discussions were transcribed verbatim and thematically analysed.
    • Can Previous Associations of Single Nucleotide Polymorphisms in the , , , and Genes in the Susceptibility to and Severity of Infections Be Confirmed?

      Jukema, Jelmer B; Hoenderboom, Bernice M; van Benthem, Birgit H B; van der Sande, Marianne A B; de Vries, Henry J C; Hoebe, Christian J P A; Dukers-Muijrers, Nicole H T M; Bax, Caroline J; Morré, Servaas A; Ouburg, Sander (2021-01-07)
      Clear inter-individual differences exist in the response to C. trachomatis (CT) infections and reproductive tract complications in women. Host genetic variation like single nucleotide polymorphisms (SNPs) have been associated with differences in response to CT infection, and SNPs might be used as a genetic component in a tubal-pathology predicting algorithm. Our aim was to confirm the role of four genes by investigating proven associated SNPs in the susceptibility and severity of a CT infection. A total of 1201 women from five cohorts were genotyped and analyzed for TLR2 + 2477 G > A, NOD1 + 32656 T -> GG, CXCR5 + 10950 T > C, and IL10 - 1082 A > G. Results confirmed that NOD1 + 32656 T ->GG was associated with an increased risk of a symptomatic CT infection (OR: 1.9, 95%CI: 1.1-3.4, p = 0.02), but we did not observe an association with late complications. IL10 - 1082 A > G appeared to increase the risk of late complications (i.e., ectopic pregnancy/tubal factor infertility) following a CT infection (OR = 2.8, 95%CI: 1.1-7.1, p = 0.02). Other associations were not found. Confirmatory studies are important, and large cohorts are warranted to further investigate SNPs' role in the susceptibility and severity of a CT infection.
    • A widening gap between boys and girls in musculoskeletal complaints, while growing up from age 11 to age 20 - The PIAMA Birth Cohort Study.

      Picavet, H Susan J; Gehring, Ulrike; van Haselen, Amanda; Koppelman, Gerard H; van de Putte, Elise M; Vader, Sarah; van der Wouden, J Hans C; Schmits, Ruben J H; Smit, Henriette A; Wijga, Alet (2021-01-06)
    • Correction to: Adherence to a food group-based dietary guideline and incidence of prediabetes and type 2 diabetes.

      Braver, Nicolette R den; Rutters, Femke; van der Spek, Andrea L J Kortlever; Ibi, Dorina; Looman, Moniek; Geelen, Anouk; Elders, Petra; van der Heijden, Amber A; Brug, Johannes; Lakerveld, Jeroen; et al. (2021-01-05)
    • Reflections on key methodological decisions in national burden of disease assessments.

      Von der Lippe, Elena; Devleesschauwer, Brecht; Gourley, Michelle; Haagsma, Juanita; Hilderink, Henk; Porst, Michael; Wengler, Annelene; Wyper, Grant; Grant, Ian (2020-12-31)
    • Relevance of Transcriptomics for Mode of Action Assessment.

      Luijten, Mirjam; Wackers, Paul F K; Rorije, Emiel; Pennings, Jeroen L A; Heusinkveld, Harm J (2020-12-30)
      Recently, we reported an in vitro toxicogenomics comparison approach to categorize chemical substances according to similarities in their proposed toxicological modes of action. Use of such an approach for regulatory purposes requires, among others, insight into the extent of biological concordance between in vitro and in vivo findings. To that end, we applied the comparison approach to transcriptomics data from the Open TG-GATEs database for 137 substances with diverging modes of action and evaluated the outcomes obtained for rat primary hepatocytes and for rat liver. The results showed that a relatively small number of matches observed in vitro were also observed in vivo, whereas quite a large number of matches between substances were found to be relevant solely in vivo or in vitro. The latter could not be explained by physicochemical properties, leading to insufficient bioavailability or poor water solubility. Nevertheless, pathway analyses indicated that for relevant matches the mechanisms perturbed in vitro are consistent with those perturbed in vivo. These findings support the utility of the comparison approach as tool in mechanism-based risk assessment.
    • Clients' perspectives on the quality of counseling for prenatal anomaly screening. A comparison between 2011 and 2019.

      Martin, Linda; Gitsels-van der Wal, Janneke T; Hitzert, Marit; Henrichs, Jens (2020-12-30)
      We used the validated 57-item QUOTEprenatal questionnaire, to measure clients' counseling preferences and experiences before and after counseling in 20 obstetric organizations throughout the Netherlands. Clients' preferences and experiences were compared between pregnant women and partners, nulliparous versus multiparous clients and between results of a Dutch survey in 2011 and the current one.
    • Prediction of mortality and major cardiovascular complications in type 2 diabetes: external validation of UKPDS outcomes model version 2 in two European observational cohorts.

      Pagano, Eva; Konings, Stefan Ra; Di Cuonzo, Daniela; Rosato, Rosalba; Bruno, Graziella; van der Heijden, Amber A; Beulens, Joline; Slieker, Roderick; Leal, Jose; Feenstra, Talitha L (2020-12-29)
    • Vaccination attitudes, beliefs and behaviours among primary health care workers in northern Croatia.

      Tomljenovic, Morana; Petrovic, Goranka; Antoljak, Nataša; Hansen, Lisa (2020-12-29)