Now showing items 1-20 of 14174

    • Gewasbeschermingsmiddelen met mogelijke neurodegeneratieve effecten: een analyse van werkzame stoffen op basis van de chemische structuur

      E de Jong; S Zhao; G Wolterink (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-10-06)
      Gewasbeschermingsmiddelen beschermen planten tegen organismen waar ze ziek van kunnen worden zoals schimmels en insecten. Om er voor te zorgen dat deze middelen veilig zijn voor mens, dier en milieu worden ze uitgebreid getest. Er zijn aanwijzingen dat mensen die in het verleden lang met sommige gewasbeschermingsmiddelen hebben gewerkt, zoals telers, een grotere kans hebben om ziekten te krijgen die het zenuwstelsel aantasten (neurodegeneratieve ziekten). Voorbeelden daarvan zijn de ziekte van Parkinson en Alzheimer. Uit eerder onderzoek van het RIVM bleek dat er voor vijf stoffen sterke aanwijzingen zijn dat ze neurodegeneratieve ziekten kunnen veroorzaken. Deze stoffen mogen niet meer in de Europese Unie worden gebruikt. Ook bleek dat de vereiste informatie voor de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen moet worden verbeterd om mogelijke gevolgen als de ziekte van Parkinson te kunnen onderzoeken. Er wordt nu onderzocht hoe de risicobeoordeling verder kan worden verbeterd. Vooruitlopend hierop heeft het RIVM gekeken of er op dit moment stoffen worden gebruikt die lijken op deze vijf verboden stoffen. Stoffen met een vergelijkbare chemische structuur kunnen soortgelijke effecten veroorzaken. Als dat zo is, dan zouden maatregelen wenselijk zijn om de eventuele risico’s voor telers te verkleinen. Hier blijkt weinig informatie over te zijn. Maar in de beschikbare informatie heeft het RIVM één stof gevonden (metiram) waarvan op basis van de structuur wordt verwacht dat deze neurodegeneratief kan zijn. Deze stof wordt in Nederland heel weinig gebruikt en naar verwachting niet opnieuw goedgekeurd tijdens de nu lopende Europese herbeoordeling. In afwachting van deze herbeoordeling is er volgens het RIVM nu geen reden om extra maatregelen te nemen.
    • Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2021

      Friesema, IHM; Slegers-Fitz-James, IA; Wit, B; Boxman, ILA; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-10-04)
      Mensen kunnen ziek worden van voedsel. Als twee of meer mensen tegelijk ziek worden na het eten van hetzelfde voedsel, wordt dat een uitbraak door een voedselgerelateerde ziekteverwekker genoemd. In 2021 zijn 838 uitbraken met 3.517 zieken gemeld. Dit zijn er duidelijk meer dan in 2020 (559 uitbraken met 1.907 zieken), en ook meer dan in 2018 en 2019 (735-756 uitbraken met 2.805-3.058 zieken). Het norovirus, Salmonella en Campylobacter veroorzaakten in 2021 nog steeds de meeste gemelde uitbraken en ziekte. Wel was dat voor norovirus voor het tweede jaar achter elkaar veel minder vaak dan in de jaren ervoor. De cijfers komen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit)) en de GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)’en. Zij registreren en onderzoeken voedselgerelateerde infecties en vergiftigingen. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld te achterhalen waar mensen besmet zijn geraakt en door welke ziekteverwekker. De NVWA onderzoekt de plaats waar het voedsel is bereid of verkocht of waar het voedsel vandaan komt. Zij laat bij Wageningen Food Safety Research ( WFSR (Wageningen Foodsafety Research )) onderzoeken of daar ziekteverwekkers in zitten. De GGD richt zich op de personen die mogelijk via voedsel een infectie hebben opgelopen en probeert via hen te achterhalen waardoor ze zijn besmet. Het doel van deze werkwijze is meer zieken te voorkomen door het product uit de handel te halen, of maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen. Het RIVM voegt de meldingen van de twee instanties samen en analyseert ze als één geheel. Deze aanpak geeft inzichten in oorzaken van voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, de mate waarin ze voorkomen en mogelijke veranderingen hierin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en zieken. Dit komt onder andere doordat niet elke zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Ook is niet altijd duidelijk of besmet voedsel de oorzaak van een ziekte is geweest.
    • Haalbaarheid van onderzoek naar blootstelling aan bestrijdingsmiddelen en de gezondheid van omwonenden

      JP Zock; NAH Janssen; M Simões; DM Figueiredo; A Huss; RCH Vermeulen; C Baliatsas; M Dückers (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-10-03)
      Mensen die in de buurt van landbouwpercelen wonen, kunnen worden blootgesteld aan chemische bestrijdingsmiddelen. Het is nog niet duidelijk hoe schadelijk dit is voor de gezondheid. Het RIVM heeft samen met andere instituten in 2018 en 2020 mogelijke gezondheidseffecten verkend. Daaruit kwamen aanwijzingen dat enkele gezondheidseffecten samenhangen met ‘wonen in de buurt van bepaald gewas’. Maar deze resultaten konden met de beschikbare informatie niet worden verklaard. In 2020 heeft de Gezondheidsraad daarom geadviseerd om meer gezondheidsonderzoek te doen naar de relatie tussen bestrijdingsmiddelen en de gezondheid van omwonenden. Er is vooral meer inzicht nodig in effecten op de lange termijn. De Gezondheidsraad stelde als voorwaarde dat de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen beter moest worden bepaald. Het RIVM raadde daarnaast aan om meer informatie over leefstijl van omwonenden in het onderzoek te betrekken. Het RIVM heeft daarna van vijf onderzoeksmogelijkheden uitgezocht welke haalbaar en zinvol zijn. Per ziekte of aandoening is aangegeven welke vorm van onderzoek, of een combinatie, het meest geschikt is om een verband met een blootstelling aan te tonen. Ook is aangegeven hoe lang het onderzoek duurt en hoeveel het kost. Op basis van dit overzicht kiezende ministeries van VWS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport )en LNV (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)welk onderzoek zal worden uitgevoerd. Bij de onderzoeksmogelijkheden ligt de nadruk op ziektes aan het zenuwstelsel, zoals leerachterstanden bij kinderen en de ziekte van Parkinson. Ook gaat het om aandoeningen aan de luchtwegen ( COPD (chronic obstructive pulmonary disease)) en bepaalde vormen van kanker, zoals leukemie bij kinderen. Tot slot worden acute effecten onderzocht, zoals (oog-) irritatie . De onderzoeksmogelijkheden zijn: 1. Cognitieve vaardigheden testen bij kinderen in groep 8, in combinatie met metingen van de blootstelling, 2. Nieuw onderzoek doen naar langetermijneffecten op de ziekte van Parkinson, 3. Onderzoek op basis van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie, 4. Analyse van gegevens uit de Gezondheidsmonitor van de GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)-en en de Gezondheidsenquête van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek), 5. Analyse van gegevens van huisartsen over acute effecten.
    • Het effect van de Nederlandse zorg op het milieu. Methode voor milieuvoetafdruk en voorbeelden voor een goede zorgomgeving

      Steenmeijer, MA; Pieters, LI; Warmerhoven, N; Huiberts, EHW; Stoelinga, M; Zijp, MC; van Zelm, R; Waaijers-van der Loop, SL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-10-03)
      Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Het is dan ook belangrijk om alle bronnen die aan klimaatverandering bijdragen in beeld te hebben. Een daarvan is de zorgsector. Het ministerie van VWS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport )wil daarom weten wat de effecten van de Nederlandse zorgsector op het milieu zijn. Van alle sectoren in Nederland draagt de zorgsector voor zo’n 7 procent bij aan de totale uitstoot van broeikasgassen. Dit is zowel uitstoot in Nederland als in het buitenland. Dit bevestigt eerdere schattingen uit onderzoek van anderen, en is nu beter onderbouwd. Het RIVM ontwikkelde een methode om de effecten op het milieu te berekenen. Hiermee is de wetenschappelijke kennis over meerdere effecten van de Nederlandse zorg op het milieu voor het eerst in kaart gebracht. Daarnaast is naar voorbeelden in de praktijk gezocht die de gezondheid verbeteren. De methode berekent zowel de effecten van medische handelingen, zoals het gebruik van narcosemiddelen bij operaties (die sterke broeikasgassen kunnen zijn), als de effecten van de productie van goederen en diensten die in de zorg worden gebruikt. De voetafdruk is berekend voor meer dan alleen klimaatverandering (de uitstoot van broeikasgassen). De berekening is ook gemaakt voor het gebruik van water en grondstoffen (metalen en mineralen), het landgebruik en de hoeveelheid afval. Zo nodig kunnen aan de methode meer effecten worden toegevoegd. Grofweg veroorzaakt de productie van chemische producten, waaronder geneesmiddelen en producten als zeep en oplosmiddelen, het grootste deel (ongeveer 40 procent) van de uitstoot van broeikasgassen en het grondstoffengebruik door de zorg. Het is nog niet precies duidelijk welke producten en processen die uitstoot en dat gebruik veroorzaken. Daarvoor is meer onderzoek nodig. Met verschillende zorgsectoren, zoals ziekenhuizen, ouderenzorg en de geestelijke gezondheidszorg ( GGZ (geestelijke gezondheidszorg)), is gezocht naar de praktijkvoorbeelden. Het gaat om voorbeelden die mensen in zorginstellingen, zoals ouderen en mensen met een beperking, gezond houden, bijvoorbeeld door hen gezond eten te geven en door planten en bomen aan te leggen. Zo’n gezonde ‘zorgomgeving’ kan helpen ziekte te voorkomen, en draagt bij aan goede en duurzame zorg. RIVM doet aanbevelingen om de methode om de effecten op het milieu te berekenen te verbeteren. Zo kan bijvoorbeeld een plan worden gemaakt om de situatie zoals die nu is te bepalen, en de ontwikkeling ervan in de toekomst te kunnen volgen. Ook wordt aangeraden om meer praktijkvoorbeelden te verzamelen, omdat zorgprofessionals daar veel behoefte aan hebben.
    • Surveillance zoönosen in melkvee 2021

      T Cuperus; M Opsteegh; K van der Ark; N Neppelenbroek; B Wit; B Wullings; J Kool; C Dierikx; E van Duijkeren; A van der Hoek; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-30)
      Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ook ziek van kunnen worden. De ziekten die hierdoor worden veroorzaakt, noemen we zoönosen. In 2021 onderzochten het RIVM, de NVWA en WFSR (Wageningen Food Safety Research) hoe vaak een aantal van deze ziekteverwekkers voorkwamen bij melkvee op 185 Nederlandse melkveebedrijven. Ook hebben 107 melkveehouders, gezinsleden en medewerkers aan dit onderzoek meegedaan om te kijken of zij deze ziekteverwekkers ook bij zich dragen. Bij de onderzochte koeien en kalveren komen een aantal ziekteverwekkers vaak voor. Ze zitten in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Melk kan tijdens het melken in aanraking komen met mest en op die manier besmet raken. Mensen kunnen de kans op een besmetting verkleinen door geen rauwe melk of rauwe melkproducten, zoals kaas, te consumeren. Het vlees kan tijdens de slacht besmet raken. Het is daarom belangrijk om rundvlees goed gaar te eten. Het RIVM heeft gekeken of dezelfde ziekteverwekkers in de ontlasting of in de neus van deze mensen voorkwamen. De meeste van deze ziekteverwekkers veroorzaken bij mensen diarree, maar soms kunnen infecties ernstiger verlopen. Daarnaast is er naar ESBL-producerende bacteriën en MRSA gekeken, omdat belangrijke groepen antibiotica daar niet tegen werken. Van de onderzochte ziekteverwekkers kwam Campylobacter het meest voor bij het melkvee: op 91 procent van de bedrijven. Bij de veehouders en gezinsleden werd Campylobacter bij 1 persoon gevonden. Het hoge percentage bij de dieren is dus niet direct terug te zien bij de veehouders. Daarnaast kwamen de Listeria en STEC-bacteriën regelmatig voor bij melkvee; namelijk op 34 procent (Listeria) en 21 procent (STEC) van de bedrijven. Twee deelnemers van de veehouders en gezinsleden droegen Listeria bij zich en één deelnemer STEC. ESBL-producerende bacteriën zijn op 8 procent van de bedrijven gevonden en bij 3 deelnemers. Het percentage bij de deelnemers is ongeveer hetzelfde als bij de Nederlandse bevolking. MRSA is op de huid van 4 procent van de koeien gevonden en bij één deelnemer. De bacterie Clostridioides is zowel bij koeien als bij kalveren onderzocht en kwam bij de kalveren jonger dan 4 weken vaker (18 procent) voor dan bij oudere dieren (4 procent). Dit was ook het geval bij de parasiet Cryptosporidium, die bij veel van de jonge kalveren voorkwam (72 procent). Zowel Clostridioides als Cryptosporidium zijn niet bij de deelnemers gevonden. Tenslotte werd op 4 bedrijven Salmonella gevonden. Salmonella werd niet bij de deelnemers aangetroffen.
    • Analyse van incidenten met gevaarlijke stoffen bij Brzo-bedrijven 2022

      HJ Manuel; GJ Kamps; PH Keijzer; AG Wolting (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-30)
      Het RIVM analyseert elk jaar de aard, omvang en oorzaak van incidenten bij bedrijven die in Nederland met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken. Dit keer zijn twaalf incidenten geanalyseerd. Bij negen incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij, waarna twee keer een explosie is ontstaan. Bij twee incidenten ontstonden direct explosies bij werkzaamheden. Een nooddrukvoorziening voorkwam bij het laatste incident dat er gevaarlijke stoffen vrijkwamen. Hierdoor ontsnapte er alleen stoom. Één persoon heeft aan een explosie blijvend letsel - verminderd zicht aan een oog - overgehouden. Overige slachtoffers hadden tijdelijk ademhalingsproblemen en irritaties. Bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en dat werknemers de productieprocessen en werkzaamheden veilig kunnen uitvoeren. Net als in voorgaande analyses ging het bij de onderzochte incidenten op verschillende onderdelen mis. Zo werden bij acht incidenten werkzaamheden uitgevoerd, terwijl het nog niet veilig was om te beginnen. De installatie was dan bijvoorbeeld niet genoeg geleegd, of kon weer gevuld raken doordat afsluiters lekten. Deze afwijkingen zijn vaak niet opgemerkt, waarna gevaarlijke stoffen konden ontsnappen of een explosie veroorzaken. Soms kunnen noodmaatregelen helpen om het incident te voorkomen. Bij de helft van de incidenten waren er geen noodmaatregelen getroffen of werkten ze niet. Als noodmaatregel kan bijvoorbeeld de installatie worden uitgeschakeld om te voorkomen dat een gevaarlijke stof uitstroomt. Bij alle incidenten schoten ‘plannen en procedures’ voor de werkzaamheden tekort. Ze waren er soms niet doordat de risico’s van tevoren niet waren verwacht. Soms had het bedrijf er niet op toegezien dat instructies voor werkzaamheden worden nageleefd. Of ze waren niet duidelijk genoeg opgesteld om in de praktijk te worden gebruikt. Deze rapportage maakt deel uit van de opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW (Sociale zaken en werkgelegenheid)) om incidenten te analyseren die de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft onderzocht. Het RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De resultaten kunnen worden gebruikt voor inspectie- en handhavingsstrategie?n. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
    • Stroomuitval bij risicovolle bedrijven: oorzaken, gevolgen en de invloed van de energietransitie

      R Hansler; P Keijzer; N Smets (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-29)
      Bedrijven die grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen maken, gebruiken of opslaan, noemen we risicovolle bedrijven. Als bij deze bedrijven de stroom uitvalt, kunnen ongevallen ontstaan waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen. Hierdoor kunnen onveilige situaties ontstaan voor werknemers of de omgeving. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat er elk jaar in Nederland enkele tientallen grote of kleine ongevallen zijn die met stroomuitval te maken hebben. Het precieze aantal is niet bekend, ook niet of dit aantal toe- of afneemt. Verder blijkt dat risicovolle bedrijven niet altijd goed op stroomuitval zijn voorbereid. Daarvoor is extra aandacht nodig, omdat steeds meer processen op elektriciteit werken door de overgang naar duurzame energie. Doordat bedrijven meer elektriciteit nodig hebben, kan zowel de kans op stroomuitval als de impact ervan groter worden. Het is daarom belangrijk dat deze bedrijven stroomuitval zo veel mogelijk voorkomen en erop voorbereid zijn als de stroom toch uitvalt. Bedrijven moeten daarom de risico’s van stroomuitval kennen en maatregelen nemen. Dat kan bijvoorbeeld door inspectie en onderhoud, en door personeel op te leiden. Of door ervoor te zorgen dat er goed functionerende noodstroom is om op terug te vallen. Een ongeval kan ontstaan doordat de stroom buiten het bedrijf uitvalt. Maar vaker komt het door omstandigheden bij de energievoorziening van het bedrijf zelf, meestal door storingen in de elektrische installaties. In beide gevallen zijn ongevallen na stroomuitval vaak een gevolg van onvoldoende inspectie en onderhoud van de elektrische installatie en het interne elektriciteitsnetwerk. Verder kunnen fouten bij het ontwerp en de aanleg van de elektrische installatie de oorzaak zijn. Het RIVM heeft onderzocht wat de oorzaken en gevolgen zijn van stroomuitval bij risicovolle bedrijven. Ook is onderzocht of dit verandert door de overgang naar duurzame energie. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW (Sociale zaken en werkgelegenheid)).
    • A genetic cluster of OXA-244 carbapenemase-producing Escherichia coli ST38 with putative uropathogenicity factors in the Netherlands.

      Notermans, Daan W; Schoffelen, Annelot F; Landman, Fabian; Wielders, Cornelia C H; Witteveen, Sandra; Ganesh, Varisha A; van Santen-Verheuvel, Marga; de Greeff, Sabine C; Kuijper, Ed J; Hendrickx, Antoni P A (2022-09-29)
    • compareMS2 2.0: An Improved Software for Comparing Tandem Mass Spectrometry Datasets.

      Marissen, Rob; Varunjikar, Madhushri S; Laros, Jeroen F J; Rasinger, Josef D; Neely, Benjamin A; Palmblad, Magnus (2022-09-29)
    • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2022

      R Hoogerbrugge (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-29)
      Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor diverse stoffen, waaronder stikstofdioxide, ammoniak en fijnstof. Ook wordt in kaart gebracht hoeveel stikstof er op de bodem neerslaat (depositie). Het RIVM gebruikt zowel modelberekeningen als metingen om de kaarten te maken. Zo komen de concentraties en deposities het best overeen met de werkelijke situatie in het afgelopen jaar. Naast de jaarlijkse berekeningen maakt het RIVM verwachtingen voor de concentraties en deposities voor de jaren 2025 en 2030. De verwachtingen worden vergeleken met het ‘basisjaar’ 2018. De kaarten worden gebruikt om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de stikstofdepositie in Nederland te volgen. Overheden gebruiken de verwachtingen om beleid te maken voor een betere luchtkwaliteit en minder stikstofdepositie. Luchtverontreiniging is schadelijk voor de volksgezondheid. Te veel stikstofdepositie op natuurgebieden is schadelijk voor het aantal plant- en diersoorten. Over het algemeen dalen de concentraties van luchtvervuilende stoffen al tientallen jaren. Deze daling is in 2020 en 2021 sterker geworden door de gevolgen van maatregelen die zijn genomen tegen de verspreiding van het coronavirus. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties De gemiddelde concentraties stikstofdioxide in de lucht waren in 2021 iets lager dan in 2020, en gemiddeld ongeveer 20 procent lager dan in 2019. Dat komt vooral doordat er in 2020 en 2021 minder wegverkeer was, en doordat elk jaar oudere auto’s worden vervangen door nieuwere die minder stikstofoxiden uitstoten. Naar verwachting zullen de concentraties stikstofdioxiden in 2030 ongeveer 40 procent lager zijn dan in 2018. De gemiddelde concentraties fijnstof waren in 2021 ongeveer even hoog als in 2020, maar veel lager dan in 2019; de concentratie van de deeltjesgrootte PM10 (fijnstof)daalde ten opzichte van 2019 met ongeveer 10 procent en die van PM2,5 (fijnstof)ongeveer 15 procent. Ook de lagere concentraties fijnstof in 2020 en 2021 worden verklaard door minder wegverkeer en schonere auto’s. De verwachting is dat de concentraties in 2030 ongeveer 17 respectievelijk 30 procent lager zullen zijn dan in 2018. Stikstofdepositie De gemiddelde stikstofdepositie op het Nederlandse landoppervlak was in 2021 circa 3 procent hoger dan in 2020. De verwachting is dat de stikstofdepositie in 2030 ongeveer 15 procent lager zal zijn dan in 2018. Lokaal kan de daling anders zijn dan dit landelijke gemiddelde. De lokale verschillen worden in het najaar gepubliceerd via de AERIUS-monitor. Gegevens voor de berekening van de verwachtingen Net als vorig jaar zijn voor de berekening van de verwachte concentraties en depositie zijn gegevens gebruikt over beleidsmaatregelen die op 1 mei 2020 beschikbaar waren. Maatregelen voor klimaat, luchtkwaliteit en stikstof die sindsdien zijn uitgewerkt, zijn dus nog niet meegenomen. Door een actualisatie van de ondersteunende kaarten, zoals die van het landgebruik, zijn de verwachtingen voor 2030 lokaal wel veranderd.
    • Salmonella enterica Newserovar Abeokuta Genome Sequence, Strain OG19FER4 Isolated from Poultry Feed in Nigeria.

      Fagbamila, Idowu O; Hernandez-Segura, Alejandra; van den Beld, Maaike; Mooijman, Kirsten; Orsini, Massimiliano; Ajayi, Olawunmi T; Ngulukun, Sati; Jambalang, Alexander Ray; Sati, Nancy; Emennaa, Paulinus; et al. (2022-09-28)
    • Bronnen van blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden: nieuwe ontwikkelingen

      Stam, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-26)
      Werknemers kunnen tijdens hun werk aan elektromagnetische velden worden blootgesteld. Soms kunnen de velden sterker zijn dan de velden waaraan de Nederlandse bevolking wordt blootgesteld. Dit kan schadelijk zijn voor de gezondheid of indirect onveilige situaties veroorzaken, bijvoorbeeld door te vallen na een schrikreactie. Om werknemers hiertegen te beschermen heeft de overheid ongeveer tien jaar geleden wettelijke regels met grenswaarden opgesteld. Ook is er een overzicht gemaakt van werkplekken waarvoor bedrijven de risico’s van een blootstelling moeten beoordelen. De afgelopen jaren is de technologie sterk ontwikkeld waardoor apparaten of processen op het werk kunnen zijn veranderd. Hierdoor is het mogelijk dat de aard, hoogte, complexiteit of variatie van de blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden is veranderd. Het RIVM vindt het belangrijk om deze nieuwe ontwikkelingen in bronnen van elektromagnetische velden te blijven volgen. Dan blijven werknemers goed beschermd. Het RIVM heeft de ontwikkelingen daarom geïnventariseerd. Het overzicht is gemaakt op basis van wetenschappelijke literatuur en gesprekken met deskundigen. Op basis hiervan kunnen beleidsmakers bepalen of het nodig is om de voorlichting over bronnen van elektromagnetische velden aan te passen. Er zijn nieuwe of veranderde bronnen van elektromagnetisch velden op het werk gevonden bij het gebruik van draadloze communicatie (5G, RFID), energieopwekking en -transport (omvormers, gelijkstroom), lassen, vervoer (elektrisch rijden, radar) en medische of wetenschappelijke technieken (medische beeldvorming zoals MRI (magnetic resonance imaging), cosmetische behandelingen, materiaalonderzoek). Bij sommige van deze bronnen kunnen mogelijk grenswaarden worden overschreden. Dit geldt bijvoorbeeld voor magnetisch pulslassen in de metaalindustrie, draadloos opladen van grote voertuigen en cosmetische behandelingen met elektromagnetische velden. Verder blijft bijzondere aandacht nodig voor werknemers met medische hulpmiddelen, zoals een pacemaker. Zij hebben ook bij een blootstelling onder de grenswaarde al kans op gezondheids- of veiligheidseffecten.
    • Measuring the Effect of Circular Public Procurement on Government’s Environmental Impact

      Zijp, M; Dekker, E; de Valk, E; Hollander, A; Posthuma, L; et al. (2022-09-26)
    • Enterovirus D68 Infection in Human Primary Airway and Brain Organoids: No Additional Role for Heparan Sulfate Binding for Neurotropism.

      Sridhar, Adithya; Depla, Josse A; Mulder, Lance A; Karelehto, Eveliina; Brouwer, Lieke; Kruiswijk, Leonie; Vieira de Sá, Renata; Meijer, Adam; Evers, Melvin M; van Kuppeveld, Frank J M; et al. (2022-09-26)
      Enterovirus D68 (EV-D68) is an RNA virus that can cause outbreaks of acute flaccid paralysis (AFP), a polio-like disease. Before 2010, EV-D68 was a rare pathogen associated with mild respiratory symptoms, but the recent EV-D68 related increase in severe respiratory illness and outbreaks of AFP is not yet understood. An explanation for the rise in severe disease is that it may be due to changes in the viral genome resulting in neurotropism. In this regard, in addition to sialic acid, binding to heparan sulfate proteoglycans (HSPGs) has been identified as a feature for viral entry of some EV-D68 strains in cell lines. Studies in human primary organotypic cultures that recapitulate human physiology will address the relevance of these HSPG-binding mutations for EV-D68 infection in vivo. Therefore, in this work, we studied the replication and neurotropism of previously determined sialic acid-dependent and HSPG-dependent strains using primary human airway epithelial (HAE) cultures and induced human pluripotent stem cell (iPSC)-derived brain organoids. All three strains (B2/2042, B2/947, and A1/1348) used in this study infected HAE cultures and human brain organoids (shown for the first time). Receptor-blocking experiments in both cultures confirm that B2/2042 infection is solely dependent on sialic acid, while B2/947 and A1/1348 (HSPG to a lesser extent) binds to sialic acid and HSPG for cell entry. Our data suggest that HSPG-binding can be used by EV-D68 for entry in human physiological models but offers no advantage for EV-D68 infection of brain cells. IMPORTANCE Recent outbreaks of enterovirus D68, a nonpolio enterovirus, is associated with a serious neurological condition in young children, acute flaccid myelitis (AFM). As there is no antiviral treatment or vaccine available for EV-D68 it is important to better understand how EV-D68 causes AFM and why only recent outbreaks are associated with AFM. We investigated if a change in receptor usage of EV-D68 increases the virulence of EV-D68 in the airway or the central nervous system and thus could explain the increase in AFM cases. We studied this using physiologically relevant human airway epithelium and cerebral organoid cultures that are physiologically relevant human models. Our data suggest that heparan sulfate proteoglycans can be used by EV-D68 as an additional entry receptor in human physiological models but offers no advantage for EV-D68 infection of brain cells, and our data show the potential of these 46 innovative models for virology.
    • Public engagement in decision-making regarding the management of the COVID-19 epidemic: Views and expectations of the 'publics'.

      Kemper, Sophie; Kupper, Frank; Kengne Kamga, Sandra; Brabers, Anne; de Jong, Judith; Bongers, Marloes; Timen, Aura (2022-09-23)
    • Sugars and Sweeteners in Tobacco and Nicotine Products: FDA Regulatory Implications.

      Rezk-Hanna, Mary; Talhout, Reinskje; Jordt, Sven-Eric (2022-09-23)
    • Meerwaarde van mobiele luchtreinigers in verminderen van transmissie van SARS-CoV-2 – een literatuurstudie

      Vermeulen, LC; Bartels, AA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-22)
      Het ministerie van VWS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport )vraagt zich af of verplaatsbare luchtreinigers helpen om de overdracht van het coronavirus SARS (severe acute respiratory syndrome)- CoV (coronavirus)-2 te verkleinen. Het RIVM heeft naar antwoorden gezocht in wetenschappelijke publicaties. Gekeken is of deze apparaten meerwaarde hebben als ze in geventileerde publieke ruimtes zoals scholen en winkels worden gebruikt. Met meerwaarde wordt bedoeld dat de luchtreinigers er voor zorgen dat minder mensen ziek worden dan als er alleen geventileerd wordt. Ook mogen luchtreinigers geen negatieve gevolgen voor de gezondheid hebben. Er blijkt te weinig wetenschappelijk onderzoek te zijn gedaan om te kunnen stellen dat luchtreinigers in publieke ruimtes ervoor zorgen dat minder mensen COVID-19 krijgen. Er zijn geen artikelen gevonden waarin dit vraagstuk voor corona of andere virussen is uitgezocht. Enkele studies tonen dat mobiele luchtreinigers bacteriën en schimmels uit de lucht verwijderen, maar het is niet duidelijk of daardoor minder mensen ziek worden. Zo bleek in 2016 het ziekteverzuim in schoollokalen met en zonder luchtreiniger hetzelfde te zijn, terwijl de luchtreiniger het aantal bacteriën in de lucht had verminderd. Verder blijkt dat mobiele luchtreinigers alleen veilig en goed werken als ze regelmatig worden onderhouden. Als dat niet gebeurt, neemt de werking af en kunnen micro-organismen op filters groeien die in de ruimte kunnen worden verspreid. Ook kan sommige apparatuur schadelijke stoffen in de ruimte brengen, zoals ozon. Meer onderzoek is nodig om te bepalen wat voor effect deze stoffen op de lange termijn op de gezondheid hebben. Vanwege bovenstaande redenen is er onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing om te adviseren mobiele luchtreinigers in alle publieke ruimtes te plaatsen. Meer onderzoek is nodig. Ondertussen kan worden overwogen om ze uit voorzorg tijdelijk als aanvullende maatregel in bepaalde ruimtes te plaatsen in een periode waarin veel mensen corona hebben. Het gaat dan om ruimtes waar kwetsbare mensen langere tijd verblijven, zoals in verpleeghuizen. Of in ruimtes waar de kans dat het virus via de lucht wordt overgedragen groter is, zoals in drukke cafés. De keuze voor een veilig apparaat en goed onderhoud is dan wel belangrijk. Internationaal zijn experts het erover eens dat mensen op korte afstand (binnen 1,5 meter) de meeste kans hebben om met het coronavirus besmet te raken via (kleine) druppels in de lucht. Het virus kan ook over langere afstand en tijd door de lucht worden verspreid, vooral in slecht geventileerde ruimtes waar veel mensen langere tijd verblijven. Ook heeft de soort activiteiten invloed op de verspreiding, bijvoorbeeld of iemand die besmettelijk is veel schreeuwt of zingt.
    • Long term exposure to air pollution and kidney parenchyma cancer - Effects of low-level air pollution: a Study in Europe (ELAPSE).

      Hvidtfeldt, Ulla Arthur; Taj, Tahir; Chen, Jie; Rodopoulou, Sophia; Strak, Maciej; de Hoogh, Kees; Andersen, Zorana J; Bellander, Tom; Brandt, Jørgen; Fecht, Daniela; et al. (2022-09-22)
      We pooled six European cohorts (N = 302,493) to assess the association of residential exposure to fine particles (PM2.5), nitrogen dioxide (NO2), black carbon (BC), warm season ozone (O3) and eight elemental components of PM2.5 (copper, iron, potassium, nickel, sulfur, silicon, vanadium, and zinc) with cancer of the kidney parenchyma. The main exposure model was developed for year 2010. We defined kidney parenchyma cancer according to the International Classification of Diseases 9th and 10th Revision codes 189.0 and C64. We applied Cox proportional hazards models adjusting for potential confounders at the individual and area-level.
    • Approaches to estimating clearance rates for Human Papillomavirus groupings: a systematic review and real data examples.

      Wijstma, Eline S; Jongen, Vita W; Alberts, Catharina J; de Melker, Hester E; Hoes, Joske; Schim van der Loeff, Maarten F (2022-09-21)
    • Nasopharyngeal carriage of pneumococcus in children in England up to ten years after PCV13 introduction: persistence of serotypes 3 and 19A and emergence of 7C.

      Tiley, Karen S; Ratcliffe, Helen; Voysey, Merryn; Jefferies, Kimberley; Sinclair, Gemma; Carr, Melanie; Colin-Jones, Rachel; Smith, David; Bowman, Jaclyn; Hart, Thomas; et al. (2022-09-21)