Now showing items 1-20 of 13225

    • Pure neural leprosy-mind the diagnosis.

      Brandsma, W; Post, E; Wagenaar, I; Alam, K; Shetty, V; Husain, S; Prakoeswa, CRS; Shah, M; Tamang, KB (2021-11-23)
    • Health technology assessment applied to emergency preparedness: a new perspective.

      Miglietta, Alessandro; de Waure, Chiara; Chronaki, Catherine; Wild, Claudia; Favaretti, Carlo; Timen, Aura; Edelstein, Michael; Petelos, Elena (2021-07-16)
    • Smart Distance Lab's art fair, experimental data on social distancing during the COVID-19 pandemic.

      Tanis, Charlotte C; Leach, Nina M; Geiger, Sandra J; Nauta, Floor H; Dablander, Fabian; van Harreveld, Frenk; de Wit, Sanne; Kanters, Gerard; Knoppers, Jop; Markus, Diederik A W; et al. (2021-07-15)
    • Effects of exposure to surrounding green, air pollution and traffic noise with non-accidental and cause-specific mortality in the Dutch national cohort.

      Klompmaker, Jochem O; Janssen, Nicole A H; Bloemsma, Lizan D; Marra, Marten; Lebret, Erik; Gehring, Ulrike; Hoek, Gerard (2021-07-14)
      We followed approximately 10.5 million adults (aged ≥ 30 years) living in the Netherlands from 1 January 2013 until 31 December 2018. We used Cox proportional hazard models to evaluate associations of residential surrounding green (including the average Normalized Difference Vegetation Index (NDVI) in buffers of 300 and 1000 m), annual average ambient air pollutant concentrations [including particulate matter (PM2.5), nitrogen dioxide (NO2)] and traffic noise with non-accidental and cause-specific mortality, adjusting for potential confounders.
    • Development of a mechanism for the rapid risk assessment of cross-border chemical health threats.

      Hague, Charlotte; Orford, Rob; Gaulton, Tom; Thomas, Eirian; Hall, Lisbeth; Duarte-Davidson, Raquel (2021-07-14)
    • Defining the seasonality of respiratory syncytial virus around the world: National and subnational surveillance data from 12 countries.

      Staadegaard, Lisa; Caini, Saverio; Wangchuk, Sonam; Thapa, Binay; de Almeida, Walquiria Aparecida Ferreira; de Carvalho, Felipe Cotrim; Fasce, Rodrigo A; Bustos, Patricia; Kyncl, Jan; Novakova, Ludmila; et al. (2021-07-13)
    • Circadian rhythm and time-of-day-effects of (anti)oxidant biomarkers for epidemiological studies.

      Ruskovska, Tatjana; Beekhof, Piet; Velickova, Nevenka; Kamcev, Nikola; Jansen, Eugène (2021-07-12)
      Various biomarkers of oxidative stress and redox status have been used in a number of clinical and epidemiological studies related to diseases and conditions that involve disturbances of the redox balance. However, a comprehensive study of diurnal variations of a set of biomarkers has not been conducted so far. Therefore, the aim of this study is to investigate circadian rhythm and time-of-day-effects of a set of frequently used biomarkers of oxidative stress, redox and antioxidant status in serum/plasma. These biomarkers include Reactive Oxygen Metabolites (ROM), Biological Antioxidant Potency (BAP), Total Thiols in Proteins (TTP), high-sensitive C-Reactive Protein (CRP) and Uric Acid (UA). During a 24-hr study, blood sampling was conducted 6 times at 4-hr intervals. The presence of circadian rhythm was analyzed with CircWave analysis, whereas the effect of time was analyzed with Repeated Measures ANOVA (RM-ANOVA). Thereby, the main focus was on the time points in working hours (8, 12 and 16 hr), which are used frequently in practice. Of all investigated biomarkers, only TTP in males demonstrated statistically significant circadian rhythm (p = 0.040). A statistically significant effect between all six time points with RM-ANOVA was observed for ROM, TTP and UA in both genders, and for BAP in females only. No statistically significant differences were observed between the time points 8 hr and 12 hr for any of the biomarkers that were assessed in our study. In conclusion, diurnal variations in some of the studied biomarkers that we demonstrate here should be taken into account when designing and conducting clinical and epidemiological studies. It is advised to standardize the time of sampling with a preference in the morning hours.
    • Examining the distribution and impact of single nucleotide polymorphisms in the capsular locus of serotype 19A.

      Arends, D W; Miellet, W R; Langereis, J D; Ederveen, T H A; van der Gaast-de Jongh, C E; van Scherpenzeel, M; Knol, M J; van Sorge, N M; Lefeber, D J; Trzciński, K; et al. (2021-07-12)
      Streptococcus pneumoniae serotype 19A prevalence has increased after implementation of PCV7 and PCV10 vaccines. In this study, we have provided, with high accuracy, the genetic diversity of the 19A serotype in a cohort of Dutch invasive pneumococcal disease patients and asymptomatic carriers obtained in the period 2004-2016. Whole genomes of the 338 pneumococcal isolates in this cohort were sequenced and their capsule (cps) loci compared to examine the diversity and determine the impact on the production of CPS sugar precursors and CPS shedding. We discovered 79 types with a unique CPS locus sequence. Most variation was observed in the rmlB and rmlD genes of the TDP-Rha synthesis pathway, and in the wzg gene, of unknown function. Interestingly, gene variation in the cps locus was conserved in multiple alleles. Using RmlB and RmlD protein models, we predict that enzymatic function is not affected by the single nucleotide polymorphisms as identified. To determine if RmlB and RmlD function was affected, we analyzed nucleotide sugar levels using UHPLC-MS. CPS precursors differed between 19A cps locus subtypes, including TDP-Rha, but no clear correlation was observed. Also, a significant difference in multiple nucleotide sugar levels was observed between phylogenetically branched groups. Because of indications of a role for Wzg in capsule shedding, we analyzed if this was affected. No clear indication of a direct role in shedding was found. We thus describe genotypic variety in rmlB, rmlD and wzg in serotype 19A the Netherlands, for which we have not discovered an associated phenotype.
    • Wild ungulate species differ in their contribution to the transmission of Ixodes ricinus-borne pathogens.

      Fabri, Nannet D; Sprong, Hein; Hofmeester, Tim R; Heesterbeek, Hans; Donnars, Björn F; Widemo, Fredrik; Ecke, Frauke; Cromsigt, Joris P G M (2021-07-10)
    • Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid: Nationale meetstrategie. Kaders en inventarisatie meetsystemen

      Sahai, A; Hogenhuis, R; Heblij, S; Smetsers, R; Assink, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-08)
      Het RIVM, het NLR (Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum) en het KNMI hebben een nationale meetstrategie voor vliegtuiggeluid ontwikkeld. De meetstrategie richt zich op twee doelen: de huidige rekenmodellen valideren en omwonenden betrouwbare informatie geven. De nationale meetstrategie bevat kaders voor het hele land. Op basis van deze kaders kunnen meetsystemen rondom Nederlandse luchthavens consistent worden ingericht. Op dit moment verschilt het van regio tot regio hoe vliegtuiggeluid wordt gemeten. De kaders bevatten eisen en criteria voor de twee meetdoelen. De eisen en criteria gelden voor zowel afzonderlijke meetposten als voor de combinatie van meetposten (het meetsysteem). Voor het meetsysteem zijn handvatten bepaald over hoe de meetposten het beste rondom de luchthaven kunnen worden verspreid (de dekking van het meetsysteem). Om de kwaliteit van meetposten te beoordelen zijn als onderdeel van de nationale meetstrategie ‘kwaliteitsindicatoren’ ontwikkeld. Hiermee kan worden beoordeeld in hoeverre een meetpost of meetsysteem voor beide meetdoelen aan de criteria voldoet. De nationale meetstrategie zal in een volgende fase op regionaal niveau worden uitgewerkt. Ter voorbereiding op de regionale uitwerkingen is de meetinfrastructuur rond de luchthavens van nationale betekenis geïnventariseerd. Vervolgens zijn de kaders van de nationale meetstrategie als pilot op het meetsysteem rond Schiphol getest. Hieruit blijkt dat de kaders de meetkwaliteit en verschillen per meetpost goed zichtbaar maken. Met de kaders kan dus worden beoordeeld of meetsystemen voor de twee doelen geschikt zijn. De nationale meetstrategie is ontwikkeld als onderdeel van de Programmatische Aanpak voor het Meten van Vliegtuiggeluid (PAMV). Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft dit programma ingesteld. De overheid wil hiermee metingen en berekeningen van vliegtuiggeluid beter op elkaar afstemmen. Zo vormen ze een solide basis voor informatie aan omwonenden en voor beleidsbeslissingen.
    • Op weg naar een optimale meetstrategie voor stikstof

      Wichink Kruit, R; Bleeker, A; Braam, M; van Goethem, T; Hoogerbrugge, R; Rutledge-Jonker, S; Stefess, G; Stolk, A; van der Swaluw, E; Voogt, M; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-08)
      Het RIVM meet al over een reeks van jaren verschillende onderdelen van stikstof, zoals ammoniak en stikstofoxiden. Het gaat dan om de concentraties van deze stoffen in de lucht en om de neerslag van stikstof op de bodem door regen (natte depositie), en vanuit de lucht (droge depositie). Om de stikstofdepositie in kaart te brengen worden de metingen gecombineerd met modelberekeningen. De komende jaren wordt het aantal meetpunten uitgebreid om onzekerheden kleiner te maken. Zo kan de stikstofdepositie nog beter in kaart worden gebracht. Dit rapport onderbouwt de locatiekeuzes voor de uitbreiding van het meetnet. Het RIVM beschrijft de doelen van de metingen in het algemeen, en van de uitbreidingen van de meetpunten in het bijzonder. De vier belangrijkste doelen zijn: rekenmodellen valideren, ontwikkelingen in de tijd volgen, stikstofprocessen bestuderen, en de kwaliteit van metingen beoordelen. Daarnaast zijn de criteria beschreven die bepalen waar de nieuwe meetpunten moeten komen. Om rekenmodellen te valideren moeten de meetpunten bijvoorbeeld goed verspreid staan over Nederland en representatief zijn voor de ruimtelijke schaal waarop wordt gerekend. Deze studie is een eerste stap in de uitbreiding van het meetnet en draagt bij aan een verfijnd meetnetwerk. In lijn met ontwikkelingen van wetenschappelijke inzichten en technieken zal het RIVM de meetstrategie regelmatig herzien. De wetenschap ontwikkelt zich bijvoorbeeld doordat er in de loop van de jaren nieuwe meettechnieken bij komen. Zo zal worden onderzocht hoe de depositiebepaling in de toekomst kan worden verfijnd met metingen van satellieten en sensoren (uit citizen science-projecten). Ook kunnen de bestaande wetenschappelijke onzekerheden mogelijk worden verkleind door meerdere rekenmodellen te gebruiken. Telkens wordt nagegaan wat voor elke stikstofcomponent de beste combinatie is van modelberekeningen en metingen.
    • Performance of the Diasorin SARS-CoV-2 antigen detection assay on the LIAISON XL.

      van der Moeren, N; Zwart, V F; Goderski, G; Rijkers, G T; van den Bijllaardt, W; Veenemans, J; Kluytmans, J A J W; Pas, S D; Meijer, A; Verweij, J J; et al. (2021-07-08)
      The DAA had an overall specificity of 100% (95%CI 97.9%-100%) and sensitivity of 73% (95%CI 61.3%-82.7%) for the clinical samples. Sensitivity was 86% (CI95% 74.6%-93.3%) for samples with Ct-value below 30. Both the DAA and RRA detected SARS-CoV-2 up to a dilution containing 5.2 × 102 fifty-percent-tissue-culture-infective-dose (TCID50)/ml.
    • The assessment of the April 2020 chernobyl wildfires and their impact on Cs-137 levels in Belgium and The Netherlands.

      De Meutter, Pieter; Gueibe, Christophe; Tomas, Jasper; Outer, Peter den; Apituley, Arnoud; Bruggeman, Michel; Camps, Johan; Delcloo, Andy; Knetsch, Gert-Jan; Roobol, Lars; et al. (2021-07-08)
    • Verhogen van testdeelname tijdens de pilot grootschalig testen in de gemeente Dronten en gemeente Bunschoten

      Sanders, J; Zomer, C; Hoekstra, R; de Ron, J; Blanken, T; Epskamp S; van Dijken, S; Gerkema, M; Hart, L; Visser, O; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-07)
      Het ministerie van VWS neemt verschillende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (SARS-CoV-2) onder controle te krijgen. Zo is het belangrijk dat mensen zich laten testen bij klachten of na contact met een besmet persoon. Een onderdeel van de aanpak van VWS is dat grote groepen mensen zich meerdere keren laten testen, ook als ze geen klachten hebben (grootschalig testen). Hiervoor kunnen bijvoorbeeld alle inwoners van een dorp of buurt worden uitgenodigd als er daar veel mensen besmet zijn. VWS wil weten welke omstandigheden stimuleren dat zoveel mogelijk mensen zich laten testen. In twee gemeenten – Dronten en Bunschoten - is onderzocht welk effect twee factoren hebben op het aantal mensen dat zich laat testen en hoe vaak ze dat doen: de afstand tot een testlocatie en de informatie in een uitnodigingsbrief. Het blijkt dat meer mensen zich laten testen als de testlocatie dichtbij is, op minder dan 2 kilometer van hun woning. Ook laten ze zich dan vaker testen. Het effect van de informatie in de uitnodigingsbrieven is niet goed te bepalen. Dat komt omdat er naast de brieven ook in de media (radio, sociale media, reclameborden) veel aandacht aan de pilots is besteed. In beide gemeenten zijn twee soorten brieven gestuurd met een verschillende inhoud. Een deel van de inwoners ontving een brief met alleen basisinformatie over grootschalig testen. Het andere deel ontving een brief waarin de basisinformatie werd aangevuld met informatie over het risico op een besmetting met het coronavirus en de verspreiding ervan. De opkomst was bij beide groepen inwoners bijna even hoog. De Corona Gedragsunit van het RIVM heeft dit onderzoek in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam, GGD’en en gemeenten uitgevoerd.
    • Landelijke en lokale uitgaven aan gezondheidsbevordering: een nulmeting

      Oosterhoff, M; van Leerdam, J; Suijkerbuijk, A; Polder, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-07)
      Ziekte voorkomen is belangrijk voor de volksgezondheid. Ook scheelt het de overheid kosten voor de zorg als mensen niet of minder ziek worden. Een onderdeel van deze preventie is gezondheidsbevordering. Voorbeelden hiervan zijn een gezonde leefstijl nastreven, en overgewicht en overmatig alcoholgebruik voorkomen. Het is behulpzaam om gezondheidsbevordering regionaal te organiseren. Dan sluit het goed aan bij de behoeften van inwoners van gemeenten en bepaalde bevolkingsgroepen, zoals ouderen of mensen met lage inkomens. Om dit goed te kunnen doen, is het nodig om te weten wat het kost. Het RIVM en Cebeon (Centrum Beleidsadviserend Onderzoek) hebben voor het eerst in kaart gebracht hoeveel geld gemeenten hebben uitgegeven aan gezondheidsbevordering. Het gaat hierbij om uitgaven aan de gemeentelijke taken voor volksgezondheid en om sporten te stimuleren. Die blijken laag te zijn en de financiering is vaak tijdelijk. In Nederland is in 2019 gemiddeld per inwoner 21 tot 23 euro aan gezondheidsbevordering uitgegeven. Hiervan ging iets meer dan de helft naar activiteiten die mensen stimuleren om te sporten (14 euro). Aan andere activiteiten om een gezonde leefstijl te bevorderen gaven gemeenten gemiddeld ruim 6 euro per inwoner uit. Daarvan is 2 euro bestemd voor het werk dat een gemeente hiervoor doet, 1 voor GGD’en en 3 euro voor andere organisaties die door de gemeenten worden betaald. De rijksoverheid gaf 2,5 euro per inwoner uit aan programma’s met activiteiten om regionaal of lokaal de gezondheid te bevorderen. Als vergelijking: in 2019 is ongeveer 5000 euro per inwoner uitgegeven aan geneeskundige en langdurige zorg samen. Dit onderzoek is op verzoek van het ministerie van VWS uitgevoerd. Indirecte kosten die de gezondheid bevorderen uit andere domeinen, zoals voor betere toegang tot werk en onderwijs of armoedebestrijding, zijn niet meegenomen.
    • Verkenning afstandsgrens depositieberekeningen voor projecten

      Roest, G; van der Maas, W; van Pul, A; Romeijn, P; Bleeker, A; Hazelhorst, S; Wichink Kruit, R; Wilmot, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-07)
      Bij projecten, zoals de aanleg en het gebruik van een nieuwe weg, stal of fabriek, komt stikstof vrij. De stikstof verspreidt zich in de omgeving: een deel valt dichtbij de bron op de bodem maar het grootste deel pas na tientallen kilometers. Naarmate de afstand toeneemt, wordt de depositie steeds lager maar verspreidt hij zich wel over een steeds groter grondoppervlak. Om stikstofgevoelige natuur in de omgeving niet te belasten moet een vergunning voor het project worden aangevraagd. Hierbij wordt gekeken tot welke afstand een project nog bijdraagt aan de neerslag van stikstof in de natuur. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft het RIVM gevraagd of er een maximale afstand kan worden bepaald tot waar de depositie van een project kan worden berekend (een afstandsgrens). Er blijken geen wetenschappelijke argumenten te zijn die tot één maximale afstandsgrens leiden. Beleidsmatige keuzes zijn nodig om te bepalen na welke afstand de overheid wil stoppen met rekenen. Het RIVM reikt beleidsmakers wel een aantal aanknopingspunten aan om deze afstand te kiezen. Een voorbeeld is de locatie tot waar stikstof van een project daadwerkelijk te meten is. Een ander aanknopingspunt is de maximale afstand tot waarop een model is gevalideerd. De stikstofdepositie in Nederland en de Natura 2000-gebieden wordt berekend met modellen van het RIVM. Het is namelijk heel moeilijk om de depositie op grotere afstanden van de bron te meten. De modellen zijn gebaseerd op natuurkundige wetten, zoals weersomstandigheden, of op de manier waarop stoffen zich in de lucht verspreiden. Beleidsmakers uit veel landen in de wereld gebruiken deze modellen. Aanleiding voor de vraag van LNV is een advies van het Adviescollege Hordijk Meten en Berekenen (de ‘commissie-Hordijk’). Dit Adviescollege constateerde in 2020 dat de berekening van de stikstofdepositie voor de vergunningverlening van projecten niet in balans is. Voor wegverkeer wordt een afstandsgrens gebruikt van 5 kilometer om een vergunning te verkrijgen. Voor de overige bronnen, zoals landbouw en industrie, geldt er nu geen afstandsgrens.
    • Vitek 2 MICs as first-line phenotypic screening method for carbapenemase-producing .

      Sieswerda, Elske; Bosch, Thijs; Lankelma, Jacqueline M; Schouls, Leo M; Dijk, Karin van (2021-07-07)
      Aim: To define sensitivity and specificity of Vitek® 2 MICs as phenotypic screening method for carbapenemase-producing Pseudomonas aeruginosa. Materials & methods: We determined Vitek® 2 MICs of antipseudomonal antimicrobials in 130 unrelated carbapenemase-producing P. aeruginosa and 129 carbapenemase-negative P. aeruginosa isolates within a Dutch carbapenemase-surveillance database. We calculated test characteristics of single and combined antimicrobial MICs for carbapenemase production. Results: Vitek® 2 MIC above epidemiological cutoff of both imipenem and tobramycin or ciprofloxacin and tobramycin displayed a sensitivity of 96.2% and specificity of 89.6% for carbapenemase production in P. aeruginosa. Conclusion: Vitek® 2 MIC> epidemiological cut-off values seem sensitive and specific as a phenotypic screening strategy for carbapenemase-producing P. aeruginosa. Combining imipenem and tobramycin or ciprofloxacin and tobramycin performed best as a screening strategy for defining which P. aeruginosa isolates should undergo confirmatory tests for carbapenemase production.
    • Recommendations to plan a national burden of disease study.

      Haneef, Romana; Schmidt, Jürgen; Gallay, Anne; Devleesschauwer, Brecht; Grant, Ian; Rommel, Alexander; Wyper, Grant Ma; van Oyen, Herman; Hilderink, Henk; Ziese, Thomas; et al. (2021-07-07)
    • How to: prophylactic interventions for prevention of Clostridioides difficile infection.

      Reigadas, E; van Prehn, J; Falcone, M; Fitzpatrick, F; Vehreschild, M J G T; Kuijper, E J; Bouza, E (2021-07-07)
    • Reclame voor en gebruik van alcoholvrije dranken

      de Wit, GA; Everaars, B; Bilderbeek, B; Visscher, K; Hendrikx, R; Voogt, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-06)
      Het RIVM heeft met het Trimbos-instituut feiten en cijfers verzameld over het gebruik van alcoholvrije dranken door jongeren en volwassenen. Ook is hen gevraagd wat ze van deze reclames vinden. In het Nationaal Preventie Akkoord is afgesproken dat meer onderzoek nodig is naar het effect van marketing voor deze producten. Hier was nog weinig over bekend. Uit het onderzoek blijkt dat 87,9 procent van volwassenen en 79 procent van de jongeren wel eens alcoholvrije producten heeft gebruikt. Hiervoor is een vragenlijstonderzoek gehouden onder 2075 jongeren en volwassenen. De drie meest genoemde redenen om alcoholvrije dranken te drinken zijn: kunnen deelnemen aan het verkeer (39,4 procent), de goede smaak (31,7 procent) en als vervanger van alcoholhoudende dranken (29,8 procent). Jongeren komen vaker via sociale media, internet en sluikreclame in aanraking met reclame dan volwassenen. Een positief effect van de reclames is dat jongeren vaker dan volwassenen denken dat alcoholvrije producten de alcoholhoudende producten kunnen vervangen. Een negatief effect is dat ze via alcoholvrije producten kunnen wennen aan de smaak van producten waar wel alcohol in zit. De stap naar dranken met alcohol is daardoor minder groot. De meeste ouders vinden het niet goed dat hun kinderen onder de 18 alcoholvrije producten drinken. Een op de acht ouders stelt hier geen regels voor. Van 2017 tot en met 2020 zijn 83 procent meer alcoholvrije producten verkocht in supermarkten en slijterijen. Alcoholvrij bier is verreweg het meest verkochte product (81 procent van alle alcoholvrije dranken). Fabrikanten geven per jaar zo’n 10 miljoen euro uit aan reclames voor alcoholvrije producten. Dat is ongeveer 9 procent van al het geld dat ze aan reclame uitgeven. Reclames via sociale media en sponsorcontracten zitten hier niet bij. De inhoud van reclames voor alcoholvrije producten is anders dan voor alcohol. Alcoholvrije producten benadrukken dat ze nieuw zijn, gezonder zijn dan alcohol, dat je aan het verkeer kunt deelnemen en dat je er fit bij kunt blijven (geen kater). De traditionele onderwerpen van reclames voor alcohol, zoals ‘feesten’, ‘kwaliteit’ en ‘mannelijk’ komen ook voor bij reclames over alcoholvrije dranken, maar minder vaak. Ook richten reclames over alcoholvrije dranken zich vaker op vrouwen dan alcoholreclames.