Now showing items 1-20 of 14319

    • Transfer models for dioxins and dioxin-like PCBs in wild cattle (case study: Dutch floodplains) – model documentation

      Minnema, J; Zeilmaker, M; Hoogenboom, R; Notenboom, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-12-01)
      In a number of areas between rivers and dykes (floodplains), grazing by wild cattle is used as a form of nature management. Some of these animals are slaughtered to manage the size and composition of the herds. Their meat is then sold as 'wilderness meat'. In 2020, excessive dioxin levels were discovered in the meat of some of the wild cattle as a result of dioxins and dioxin-like PCBs in the grass and soil of floodplains. In response to this situation, the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)) and Wageningen Food Safety Research developed models to calculate the extent to which these substances end up in the meat of these cattle via grass and soil. This report describes the development of the models and provides the information that researchers will need to be able to use the models. Another report describes how the models were used to predict levels in meat from floodplains. Three types of wild cattle living in herds were investigated – cattle that do not give milk, cattle that give milk and calves. A separate model was developed for each. The models are based on a previously developed model for dioxins in dairy cows. This model was adapted for the specific characteristics of the type of animal, such as weight. The model calculations matched closely with a number of levels measured in the meat of cattle. The models are also able to predict how quickly the levels will decrease if the cattle are moved onto cleaner grasslands and soil. This information can be used to estimate when the levels will be below the maximum permitted levels, although these estimates will still need to be verified by means of measurements. Dioxins and dioxin-like PCBs are chemical substances that are created during the incineration of waste and other substances. Despite the strong decrease in emissions in the last 25 years, dioxins and dioxin-like PCBs are still present in the Netherlands (in grass, the soil and river sediment, for example). Dioxins can be harmful to the immune system, brain development and reproduction.
    • Transfer of dioxins and dioxin-like PCBs from grass and soil to the meat of wild cattle grazing in floodplains in the Netherlands

      Notenboom, S; Minnema, J; Zeilmaker, M; Hoogenboom, R; Jeurissen, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-12-01)
      Wilde runderen grazen in enkele gebieden tussen de rivier en dijk (uiterwaarden) als een vorm van natuurbeheer. Sommige dieren worden geslacht om de grootte en samenstelling van de kuddes goed te houden. Het vlees wordt verkocht als 'wildernisvlees'. In 2020 zijn in het vlees van enkele wilde runderen te hoge hoeveelheden dioxinen gemeten. Dit komt door de dioxinen en dioxine-achtige PCB (polychlorobiphenyls)’s in het gras en in de grond in uiterwaarden. Het RIVM en Wageningen Food Safety Research hebben daarom modellen ontwikkeld om te berekenen hoeveel van deze stoffen via gras en grond in het vlees van deze runderen terechtkomen. Hiermee is ook geschat hoe lang het duurt voordat de hoeveelheden op het toegestane niveau komen als de runderen naar een gebied buiten de uiterwaarden worden verplaatst. Daar zijn de concentraties lager. De modellen zijn ontwikkeld voor drie typen wilde runderen in een kudde: runderen die geen melk geven, runderen die melk geven, en kalveren. Voor de berekeningen zijn metingen in gras en bodem in de uiterwaarden in de buurt van Beuningen gebruikt. Er is gerekend met hoge concentraties in gras die vlak na een overstroming zijn gemeten. Daarnaast is met lagere concentraties gerekend, die vaker voorkomen. De concentraties in gras zijn na een overstroming vaak hoger doordat slib dat achterblijft op het gras, dioxinen en dioxine-achtige PCB’s bevat. De gemeten concentraties in de bodem waren in beide situaties ongeveer hetzelfde. Zowel bij de hogere als de lagere concentraties kwamen de berekende hoeveelheden in het vlees van alle drie typen wilde runderen boven de hoeveelheid uit die wettelijk is toegestaan. Wanneer koeien hun kalveren melk gaven, zaten de hoeveelheden in het vlees van deze koeien onder de wettelijke grens. Dat komt omdat dioxinen en dioxine-achtige PCB’s via de melk worden uitgescheiden. Na de verplaatsing naar een schoner gebied daalden de berekende hoeveelheden. Bij volwassen runderen kwamen ze binnen anderhalve tot vier maanden tot onder de toegestane hoeveelheid. Bij kalveren duurde het langer dan zes maanden. Dioxinen en dioxine-achtige PCB’s zijn chemische stoffen die bij (vuil)verbranding zijn ontstaan. Ondanks de sterk gedaalde uitstoot in de laatste 25 jaar, komen ze nog steeds voor in Nederland. Bijvoorbeeld in gras, de bodem en rivierslib. Dioxinen kunnen schadelijk zijn voor het immuunsysteem, de ontwikkeling van de hersenen, en de voortplanting.
    • Tuberculose in Nederland 2021. Surveillancerapport

      van den Boogaard, J; Kamst-van Agterveld, MP; Schimmel, HJ; Slump, E; van Soolingen, D; de Vries, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-29)
      In 2021 waren er in Nederland 9 procent meer mensen met tuberculose ( tbc (Tuberculose)) dan in het jaar ervoor: 680 tbc-patiënten ten opzichte van 622 in 2020. Het aantal van 2021 is wel 10 procent lager dan in 2019 (754 patiënten). Daarmee past het aantal patiënten, ondanks de lichte stijging in 2021, bij de ontwikkeling van de afgelopen twintig jaar dat in Nederland steeds minder mensen tuberculose hebben. Tijdens de uitbraak van het coronavirus in 2020 daalde het aantal patiënten sterker dan in de jaren ervoor. Waarschijnlijk kon de tbc-bacterie zich minder makkelijk verspreiden door de coronamaatregelen, zoals afstand houden of minder contact hebben met andere mensen. Ook de flinke daling van het aantal immigranten en asielzoekers en uitgestelde zorg hebben hier in 2020 invloed op gehad. In 2021 was het effect van de crisis iets minder groot. Dat jaar kwamen er evenveel nieuwe immigranten en asielzoekers in Nederland als in de jaren vóór 2020. Het aantal tbc-patiënten onder hen was in 2021 hoger (53) dan in 2020 (36). Bij aankomst in Nederland worden nieuwkomers uit landen waar tuberculose veel voorkomt, getest op deze ziekte. Het grootste deel van alle patiënten (82 procent) werd ontdekt nadat ze zelf met klachten naar een dokter gingen. Het is niet bekend of er in 2021, net als in 2020, tijdelijk minder diagnoses zijn gesteld. Bijvoorbeeld doordat mensen vanwege corona minder naar de dokter gingen. De infectieziekte tuberculose wordt veroorzaakt door een bacterie en kan besmettelijk zijn. Van de tbc-patiënten hadden in 2021 384 tuberculose in de longen en 296 tuberculose buiten de longen. Een vijfde van de patiënten had de besmettelijkste vorm (open tuberculose). Door zo vroeg mogelijk te onderzoeken wie in de omgeving van een patiënt besmet is geraakt (bron- en contactonderzoek), kan worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2021 was dat bij ruim driekwart van de zieken. De meesten kwamen uit Eritrea (65), gevolgd door Marokko (51) en India (50). In Afrika en Azië komt tuberculose veel voor. Het RIVM rapporteert elk jaar de cijfers over tuberculose om te zien welke effecten maatregelen hebben om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2021-2025.
    • Liposomal amphotericin B-the future.

      Hoenigl, M; Lewis, R; van de Veerdonk, F L; Verweij, P E; Cornely, O A (2022-11-28)
    • Vaccinatiegraad COVID-19 vaccinatie Nederland, 2021

      Valk, A; van Meijeren, DL; Smorenburg, N; Neppelenbroek, NJM; van Iersel, S; de Bruijn, S; Lanooij, SJ; Hahné, SJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-24)
      Op 6 januari 2021 begon in Nederland de vaccinatiecampagne tegen COVID-19, de ziekte die het coronavirus veroorzaakt. Het belangrijkste doel was om de kans op ernstige ziekte en sterfte door COVID-19 te verkleinen. In Nederland zijn in 2021 vier COVID-19-vaccins gebruikt, gemaakt door vier producenten: Pfizer, Moderna, AstraZeneca en Janssen. Voor Pfizer, Moderna en AstraZeneca zijn 2 doses vaccin aanbevolen, of 1 dosis na een infectie met het virus. Voor Janssen was 1 dosis genoeg. Voor mensen met een ernstige afweerstoornis waren om medische redenen 3 vaccindoses nodig. Deze vaccinaties worden de basisserie genoemd. In 2021 zijn er naar schatting ruim 24 miljoen eerste en tweede vaccinaties gezet. Aan het einde van 2021 heeft naar schatting 87,4 procent van de 12-plussers ten minste één vaccinatie tegen corona gekregen. Voor de 18-plussers was dat 89,1 procent. Voor de basisserie heeft naar schatting 84,4 procent van de 12-plussers zich laten vaccineren en 86,0 procent van de 18-plussers. In verhouding hebben meer mensen uit de oudere leeftijdsgroepen zich laten vaccineren dan jongeren. Verder hebben in het oosten en zuidoosten van Nederland meer mensen zich laten vaccineren dan in het westen. In enkele gemeenten, zoals in de Biblebelt en grote steden, is de vaccinatiegraad lager dan gemiddeld. De boostercampagne begon vanaf 18 november 2021, als eerste voor de oudste leeftijdsgroepen. Hiervoor zijn de vaccins Pfizer en Moderna gebruikt. In totaal zijn er in 2021 ruim 4 miljoen boostervaccinaties gezet. Twee maanden na de start had 56,6 procent van de 18-plussers een booster ontvangen. De vaccins zijn gegeven door de GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)’en (84,8 procent), huisartsen (9,4 procent) en overige uitvoerders, zoals zorginstellingen (5,8 procent). Het RIVM krijgt informatie over het aantal vaccinaties dat in Nederland is verdeeld, het aantal vaccinaties dat door de GGD’en is gezet (CoronIT) en de vaccinaties die door huisartsen en overige uitvoerders zijn geregistreerd in CIMS. In CIMS staan de vaccinaties waarvan mensen toestemming gaven om de gegevens te delen met het RIVM. Door de tijd heen zijn verschillende databronnen en methoden gebruikt om in kaart te brengen hoeveel mensen in Nederland zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad). Dat hing af van de beschikbaarheid van de data over de verdeelde en geregistreerde vaccinaties. Het RIVM rapporteerde elke week over de vaccinatiegraad in Nederland. Ook gaf het gegevens door aan European Centre for Disease Prevention and Control ( ECDC (European Centre for Disease Prevention and Control)) zodat in de Europese Unie de vaccinatiegraad kon worden gevolgd. Daarnaast publiceerde VWS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport )data op het Coronadashboard van de Rijksoverheid.
    • Trends in SARS-CoV-2 infection prevalence during England's roadmap out of lockdown, January to July 2021.

      Eales, Oliver; Wang, Haowei; Haw, David; Ainslie, Kylie E C; Walters, Caroline E; Atchison, Christina; Cooke, Graham; Barclay, Wendy; Ward, Helen; Darzi, Ara; et al. (2022-11-23)
    • Onderzoek naar chroom-6 bij NS/NedTrain in de periode 1970 t/m 2020. Manier van werken, omgang met voorschriften, blootstelling en gezondheidsrisico’s. Samenvatting van de deelonderzoeken

      Bogers, RP; Beerlage, MAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-22)
      In oude verflagen van sommige treinen zit de schadelijke stof chroom-6. Tijdens onderhoud en reparatie van treinen, kunnen (oud-)medewerkers van NS (Nederlandse Spoorwegen)/NedTrain in contact zijn gekomen met chroom-6. Hierdoor kunnen zij een grotere kans hebben om bepaalde aandoeningen te krijgen. Het gaat om onder meer een aantal soorten kanker, allergische aandoeningen, chronische longziekten en perforatie van het neustussenschot. Het is niet te zeggen hoeveel groter deze kans is, omdat niet bekend is hoe hoog de blootstelling aan chroom-6 is geweest. Daarbij komt dat de kans op deze aandoeningen niet alleen afhangt van blootstelling aan chroom-6, maar ook van andere oorzaken. NS/NedTrain heeft lange tijd niet voldaan aan de regelgeving die gold om medewerkers tegen chroom-6 te beschermen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar blootstelling aan chroom-6 tijdens werkzaamheden bij NS/NedTrain. Die is voor de periode van 1970 tot en met 2020 onderzocht. De hoogte van de blootstelling aan chroom-6 is niet bekend, omdat NS/NedTrain over het grootste deel van de onderzochte periode geen meetgegevens heeft. Wel is het duidelijk dat de mate waarin mensen aan chroom-6 blootstonden, sterk verschilde tussen en binnen functies, tussen verschillende locaties van NS/NedTrain en door de jaren heen. Daarom is onderzocht hoe waarschijnlijk het is dat (oud-)medewerkers in deze verschillende situaties aan chroom-6 hebben blootgestaan. Het onderzoek laat zien dat (oud-)medewerkers vooral in contact kwamen met chroom-6 doordat ze stof inademden dat vrijkwam als ze aan oude verflagen werkten, zoals tijdens het schuren en lassen. Deze blootstelling was hoger dan bij het aanbrengen van nieuwe verflagen met chroom-6. Verder blijkt dat NS/NedTrain in theorie het voornemen had om de zorgplicht voor werknemers goed in te vullen, maar dat in de praktijk niet goed uitvoerde. Slechts weinig leidinggevenden en anderen die verantwoordelijk waren voor veilig en gezond werken, waren bekend met de risico’s van chroom-6. Daardoor waren (oud-)medewerkers dat ook niet. Voor zover risico’s bekend waren, zijn ze vooral gekoppeld aan werkzaamheden waarbij nieuwe verflagen met chroom-6 werden aangebracht. Veel minder was bekend over de risico’s van activiteiten met chroom-6-houdende verflagen die al op de treinen zaten. Er zijn weinig maatregelen getroffen om blootstelling te verminderen, zoals via afzuiginstallaties. Ook is er niet consequent op toegezien dat medewerkers persoonlijke ademhalingsbescherming droegen, zoals stofmaskers. Zij zijn niet genoeg voorgelicht over de gevaren van chroom-6 en zijn niet regelmatig medisch onderzocht op de (gevolgen van) blootstelling aan chroom-6. In de loop van de onderzochte periode kwam hiervoor meer aandacht, mede doordat NS/NedTrain kwaliteitssystemen inzette voor veilig en gezond werken. Deze conclusies worden in drie aparte deelrapporten verder uitgelegd en onderbouwd. Dit rapport is een samenvatting van alle deelrapporten en geeft de eindconclusies.
    • Omgaan met voorschriften en manier van werken. Onderzoek Verleden Chroom-6 NS, WP 8

      van Poll, R; Timmermans, T; van der Laan, G; Witters, K; Fernhout, F; Kwantes, JH; Schulpen, S; van Engelen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-22)
      In oude verflagen van sommige treinen zit de schadelijke stof chroom-6. Door werkzaamheden als schuren of lassen kunnen (oud-)medewerkers van NS (Nederlandse Spoorwegen)zijn blootgesteld aan chroom-6. Medewerkers konden vooral chroom-6 binnen krijgen via stof. Het RIVM onderzoekt in verschillende studies of de blootstelling in de periode 1970 tot en met 2020 schadelijk kan zijn geweest voor de gezondheid. Een onderdeel daarvan is hoe NS is omgegaan met voorschriften voor arbeidsveiligheid en de manier waarop werknemers met chroom-6 werkten. Het grootste deel van de onderzoeksperiode waren de meeste werknemers bij NS zich niet ervan bewust dat zij met verf werkten waarin chroom-6 zit. Of dat zij daarmee via werkzaamheden als lassen, zagen of schuren in contact konden komen. Ook het bedrijf de NS was zich niet bewust van mogelijke gezondheidsschade van chroom-6, hoewel het bedrijf dit vanaf begin jaren zeventig had kunnen weten. De kennis hierover was een groot deel van de onderzochte periode niet aanwezig bij NS of werd niet breed gedeeld. Vanaf de jaren tachtig nam het bewustzijn toe dat werken met chemische stoffen schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Dit bewustzijn verminderde, toen NS in 1995 een zelfstandig bedrijf werd. Rond 2000 kwam weer meer aandacht voor werken met gevaarlijke stoffen vanwege nieuwe, strengere wetgeving voor werken met chemische en kankerverwekkende stoffen. Pas vanaf 2015 werd bij meer werknemers bekend dat zij konden zijn blootgesteld aan chroom-6 en wat de kans is op schadelijke gezondheidseffecten. Dat kwam mede door de gezondheidsproblemen van oud-medewerkers van Defensie. Er waren altijd genoeg persoonlijke beschermingsmiddelen aanwezig, maar het gebruik ervan was lange tijd te vrijblijvend. Deze vrijblijvendheid was in strijd met de geldende wetgeving. Het werd lang als een eigen verantwoordelijkheid van de werknemer gezien, en de werkgever zag er niet structureel op toe of ze werden gebruikt. Dat verschilde per locatie en per verantwoordelijke. Dit is in de loop van de jaren verbeterd. Tot eind jaren negentig was het niet gebruikelijk om werkzaamheden met chroom-6 in aparte ruimten te doen of daarvoor technische maatregelen te nemen, zoals de lucht afzuigen. Schilders droegen meestal persoonlijke beschermingsmiddelen. Maar vaak deden collega’s die in de buurt ander werk deden, dat onbeschermd. Het Arbobesluit stelt veel verplichtingen voor werken met gevaarlijke stoffen. En nog meer als dat kankerverwekkende stoffen zijn. De maatregelen die vanwege deze verplichtingen lange tijd zijn genomen, waren niet toegesneden op werken met chroom-6. Werknemers waren niet of nauwelijks voorgelicht hoe ze het werk veilig konden doen. De leiding was niet altijd op de hoogte van de Arbowetgeving voor dit werk.
    • Elektromagnetische velden bij diëlektrische verwarming voor kunststoflassen en droogprocessen

      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2022-11-22)
      Deze brochure is bedoeld voor alle werknemers die werkzaamheden verrichten bij machines voor diëlektrische verwarming van bijvoorbeeld kunststof of hout en vragen hebben over risico’s van elektro-magnetische velden. De brochure is ook bedoeld voor de werkgever van deze werknemers en zijn preventie-medewerker. De brochure gaat alleen over de risico’s van elektromagnetische velden, niet over andere risico’s zoals die van fysieke belasting, geluid of gevaarlijke stoffen.
    • Identifying the sectors involved in the European public health emergency preparedness and response: a systematic review.

      Kengne Kamga, L S; Voordouw, A C G; de Vries, M C; Belfroid, E; Koopmans, M; Timen, A (2022-11-22)
    • Risicobeoordeling van blootstelling aan chroom-6 bij locaties van Nederlandse Spoorwegen/NedTrain

      ter Burg, W; Palmen, NGM; Geraets, L; Bos, PMJ; van de Weijger, VPL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-22)
      In oude verflagen van sommige treinen zit de schadelijke stof chroom-6. Door werkzaamheden als schuren of lassen kunnen (oud-)medewerkers van de NS (Nederlandse Spoorwegen)/NedTrain met deze stof in contact zijn gekomen. Van chroom-6 is bekend dat de stof bepaalde ziekten kan veroorzaken. In algemene zin is aangetoond dat blootstelling aan chroom-6 longkanker, neus-/neusbijholtekanker, strottenhoofdkanker en maagkanker kan veroorzaken. Daarnaast kan het allergische astma, allergische rhinitis (ontsteking van het neusslijmvlies), allergisch contacteczeem, chronische longziekten en neusperforatie veroorzaken. Ook effecten op de ontwikkeling van het ongeboren kind en effecten op de vruchtbaarheid kunnen relevant zijn voor mensen na blootstelling aan chroom-6. Het RIVM heeft onderzocht of de blootstelling in het verleden bij NS/NedTrain de ziekten kan hebben veroorzaakt, of nog in de toekomst kunnen veroorzaken. De kans op ziekte is groter naarmate iemand meer, vaker of langer is blootgesteld. Het RIVM heeft daarom de blootstelling aan chroom-6 voor verschillende functies bepaald per type bedrijf en locatie in tijdvakken van vijf jaar tussen 1970 tot en met 2020. Daarna is gekeken of deze blootstelling ziekte kan hebben veroorzaakt voor functies waarbij mensen zijn blootgesteld via de luchtwegen, de huid of via de mond. Het is aannemelijk dat de blootstelling aan chroom-6 bij NS/NedTrain bepaalde typen kanker en allergische reacties kan hebben veroorzaakt. Elke vorm van blootstelling aan chroom-6 kan eraan bijdragen dat deze ziekten ontstaan. Dit geldt ook voor neusperforaties als mensen via hun handen chroom-6 in hun neus kregen. Voor chronische longziekten, effecten op de ontwikkeling van het ongeboren kind en effecten op de vruchtbaarheid kan geen uitspraak worden gedaan. Bij deze effecten bepaalt de duur, frequentie en hoogte van de blootstelling de kans dat een ziekte of aandoening kan ontstaan, maar hierover is niet genoeg informatie bekend.
    • Focus group study on perceptions and information needs regarding vaccines targeting the older population: a cross-country comparison in four European countries.

      Wennekes, Manuela Dominique; Eilers, Renske; Caputo, Antonella; Gagneux-Brunon, Amandine; Gavioli, Riccardo; Nicoli, Francesco; Vokó, Zoltán; Timen, Aura (2022-11-21)
    • Screen the unforeseen: Microbiome-profiling for detection of zoonotic pathogens in wild rats.

      de Cock, Marieke; Fonville, Manoj; de Vries, Ankje; Bossers, Alex; van den Bogert, Bartholomeus; Hakze-van der Honing, Renate; Koets, Ad; Sprong, Hein; van der Poel, Wim; Maas, Miriam (2022-11-20)
    • Dutch public health professionals' perspectives and needs regarding citizen involvement in COVID-19 contact tracing through digital support tools: an exploratory qualitative study.

      Helms, Y B; Stein, M L; Hamdiui, N; van der Meer, A; Baron, R; Eilers, R; Crutzen, R; Kretzschmar, M E E; Timen, A (2022-11-19)