Now showing items 21-40 of 15330

    • Risk of death due to COVID-19 among current and former smokers in the Netherlands: a population-based quasi-cohort study.

      van Westen-Lagerweij, Naomi A; Plasmans, Marjanne H D; Kramer, Iris; Harteloh, Peter P M; Poos, Marinus J J C; Hilderink, Henk B M; Croes, Esther A (2024-02-05)
    • Increased incidence of Mycoplasma pneumoniae infections and hospital admissions in the Netherlands, November to December 2023

      Bolluyt, Dita C; Euser, Sjoerd M; Souverein, Dennis; van Rossum, Annemarie Mc; Kalpoe, Jayant; van Westreenen, Mireille; Goeijenbier, Marco; Snijders, Dominic; Eggink, Dirk; Jongenotter, Femke; et al. (2024-02-05)
      Mycoplasma pneumoniae is an important cause of pneumonia and extra-pulmonary manifestations. We observed a rise in admissions due to M. pneumoniae infections starting October 2023 in a regional hospital in the Netherlands and an increased incidence in national surveillance data. The incidence in the Netherlands has not been that high since 2011. The patients had a lower median age compared with 2019 and 2020 (28 vs 40 years). M. pneumoniae should be considered in patients with respiratory symptoms, especially children.
    • In vitro neurotoxicity of particles from diesel and biodiesel fueled engines following direct and simulated inhalation exposure.

      Gerber, Lora-Sophie; de Leijer, Dirk C A; Rujas Arranz, Andrea; Lehmann, Jonas M M L; Verheul, Meike E; Cassee, Flemming R; Westerink, Remco H S (2024-02-05)
      Combustion-derived particulate matter (PM) is a major source of air pollution. Efforts to reduce diesel engine emission include the application of biodiesel. However, while urban PM exposure has been linked to adverse brain effects, little is known about the direct effects of PM from regular fossil diesel (PMDEP) and biodiesel (PMBIO) on neuronal function. Furthermore, it is unknown to what extent the PM-induced effects in the lung (e.g., inflammation) affect the brain. This in vitro study investigates direct and indirect toxicity of PMDEP and PMBIO on the lung and brain and compared it with effects of clean carbon particles (CP). PM were generated using a common rail diesel engine. CP was sampled from a spark generator. First, effects of 48 h exposure to PM and CP (1.2-3.9 µg/cm2) were assessed in an in vitro lung model (air-liquid interface co-culture of Calu-3 and THP1 cells) by measuring cell viability, cytotoxicity, barrier function, inflammation, and oxidative and cell stress. None of the exposures caused clear adverse effects and only minor changes in gene expression were observed. Next, the basal medium was collected for subsequent simulated inhalation exposure of rat primary cortical cells. Neuronal activity, recorded using microelectrode arrays (MEA), was increased after acute (0.5 h) simulated inhalation exposure. In contrast, direct exposure to PMDEP and PMBIO (1-100 µg/mL; 1.2-119 µg/cm2) reduced neuronal activity after 24 h with lowest observed effect levels of respectively 10 µg/mL and 30 µg/mL, indicating higher neurotoxic potency of PMDEP, whereas neuronal activity remained unaffected following CP exposure. These findings indicate that combustion-derived PM potently inhibit neuronal function following direct exposure, while the lung serves as a protective barrier. Furthermore, PMDEP exhibit a higher direct neurotoxic potency than PMBIO, and the data suggest that the neurotoxic effects is caused by adsorbed chemicals rather than the pure carbon core.
    • Response of Chlorella vulgaris to exposure to CuO NPs: Contributions of particulate and dissolved metal forms as modulated by tannic acid and pH.

      Liu, Yang; Wang, Xia; Pan, Bo; Wei, Zhuo; Zhao, Jing; Qiu, Hao; Steinberg, Christian E W; Peijnenburg, Willie J G M; Vijver, Martina G (2024-02-02)
      A suspension of copper oxide nanoparticles (CuO NPs) is a mixture of dissolved and particulate Cu, the relative proportions of which highly depend on the water chemistry. However, the relationship between different proportions of particulate and dissolved Cu and the overall toxicity of CuO NPs is still unknown. This study investigated the response of Chlorella vulgaris to CuO NPs at varying solution pH and at different tannic acid (TA) additions, with a focus on exploring whether and how dissolved and particulate Cu contribute to the overall toxicity of CuO NPs. The results of the exposure experiments demonstrated the involvement of both dissolved and particulate Cu in inducing toxicity of CuO NPs, and the inhibition of CuO NPs on cell density of Chlorella vulgaris was found to be significantly (p < 0.05) alleviated with increased levels of TA and pH (< 8). Using the independent action model, the contribution to toxicity of particulate Cu was found to be enhanced with increasing pH values and TA concentrations. The toxic unit indicator better (R2 = 0.86, p < 0.001) explained impacts of CuO NPs on micro-algae cells than commonly used mass concentrations (R2 = 0.27-0.77, p < 0.05) across different levels of pH and TA. Overall, our study provides an additivity-based method to improve the accuracy of toxicity prediction through including contributions to toxicity of both dissolved and particulate Cu and through eliminating the uneven distribution of data due to large variations in total Cu, particulate Cu, dissolved Cu, Cu2+ activities, Cu-TA complexes and other Cu-complexes concentrations with varying water chemistry conditions.
    • A prospective ecological risk assessment of high-efficiency III-V/silicon tandem solar cells.

      Blanco, C F; Quik, J T K; Hof, M; Fuortes, A; Behrens, P; Cucurachi, S; Peijnenburg, W J G M; Dimroth, F; Vijver, M G (2024-02-01)
    • Brede toekomstverkenning screening en vroege opsporing

      de Vries, M; Snijders, B; F den Hertog; H Hilderink; LH Dekker (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-02-01)
      De Nederlandse overheid biedt de bevolking onderzoeken aan om ziekten vroegtijdig op te sporen, en zo beter te kunnen behandelen. Het gaat om bevolkingsonderzoeken naar verschillende vormen van kanker en de screenings van ongeboren en pasgeboren kinderen op bepaalde ziekten. Allerlei ontwikkelingen hebben invloed op het aanbod van deze onderzoeken in de toekomst: de vergrijzing, economische en technologische ontwikkelingen en maatschappelijke opvattingen. Het is alleen onzeker hoe deze ontwikkelingen zullen verlopen. De overheid wil inzicht krijgen in de mogelijke ontwikkelingen om beter voorbereid te zijn op de toekomst van screening en vroege opsporing. Het RIVM heeft daarom de belangrijkste ontwikkelingen op een rij gezet. Dit kan VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ) helpen om een visie te vormen over de toekomst van screening en vroege opsporing en keuzes te maken over mogelijke acties. Een voorbeeld is het groeiende tekort aan personeel en de druk die dit zal leggen op de uitvoering van bevolkingsonderzoeken naar kanker. Dit betekent dat misschien op een andere manier zal worden bepaald wie een uitnodiging voor een screening krijgt en op welk moment. Nu zijn leeftijd en geslacht daar de basis voor, maar in de toekomst kunnen ook andere kenmerken mee gaan spelen. Zo zouden mensen met een kleine kans op kanker minder vaak gescreend kunnen worden, en blijft het aanbod voor mensen met een hoog risico behouden. Technologische vernieuwing op het gebied van screening en vroege opsporing gaan snel. Mogelijk kan de techniek helpen om ze in de toekomst in een andere, eenvoudigere vorm aan te bieden. Denk aan een bloedtest voor de bevolkingsonderzoeken naar kanker. Maar nieuwe vormen van screening en vroege opsporing roepen ook vragen op over het beheer van persoonlijke gegevens en de rol van de overheid. Bedrijven zullen vaker dan nu gezondheidsonderzoeken aanbieden. De vraag is hoe de overheid zich daartoe gaat verhouden. Bovendien denkt niet iedereen hetzelfde over een wenselijke toekomst voor screening en vroege opsporing. Het RIVM heeft daarom verschillende ideeën uit de samenleving op een rij gezet. Bijvoorbeeld dat iedereen toegang moet krijgen tot de onderzoeken of dat er juist behoefte is aan een aanbod op maat. Het antwoord hangt af van wat mensen het belangrijkst vinden: effectiviteit, toegang voor iedereen, betaalbaarheid of keuzevrijheid.
    • Similarity of multicomponent nanomaterials in a safer-by-design context: the case of core-shell quantum dots

      di Batista, V; Sanchez-Lievanos, KR; Jeliazkova, N; Murphy, F; Tsiliki, G; Oomen, AG (2024-01-31)
    • Placental transfer of tofacitinib in the ex vivo dual-side human placenta perfusion model

      Eliesen, GAM; Fransen, M; van Hove, H; van den Broek, PHH; Greupink, R (2024-01-31)
    • An overview of the available data on the reproductive toxicity of ethylene glycol

      Eliesen, GAM; Proquin, HAA; Fransen, LFH; van de Weijgert, VPL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-31)
      The substance ethylene glycol is a precursor (source) which is used to make polyester fibres, polymers and polyethylene terephthalate (PET) resins. Ethylene glycol is also used for its antifreeze and cooling properties, for example as a substance in de-icing agents for aircraft windscreens. It is additionally used as a solvent in paint and as a plasticiser in plastics. This literature overview was commissioned by the Health Council of the Netherlands. The Health Council will use RIVM’s overview to assess whether ethylene glycol is toxic to reproduction and harmful to the health of unborn children. The Minister of Social Affairs and Employment has asked the Health Council for this advice. RIVM has summarised the relevant scientific literature selected by the Health Council. RIVM has summarised a total of 29 studies in laboratory animals and cells.
    • Psychosocial factors, health behaviors and risk of cancer incidence: Testing interaction and effect modification in an individual participant data meta-analysis.

      Basten, Maartje; Pan, Kuan-Yu; van Tuijl, Lonneke A; de Graeff, Alexander; Dekker, Joost; Hoogendoorn, Adriaan W; Lamers, Femke; Ranchor, Adelita V; Vermeulen, Roel; Portengen, Lützen; et al. (2024-01-30)
    • Disentangling Population Health Management Initiatives in Diabetes Care: A Scoping Review.

      Geurten, Rose J; Struijs, Jeroen N; Bilo, Henk J G; Ruwaard, Dirk; Elissen, Arianne M J (2024-01-30)
    • Monitor Valpreventie 2020-2022. Terug- en vooruitblik

      Baâdoudi, F; van der Heide, J; de Bekker, A; Reckman, P; Doornbos, G; Lemmens, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-30)
      Een val kan grote impact hebben op het leven van ouderen. Gemeenten en zorgverleners werken sinds 2023 samen om risicofactoren te verminderen. Dit doen ze door activiteiten voor valpreventie aan te bieden, waarbij er onder andere aandacht is voor zicht, balans en spierkracht. In opdracht van het ministerie van VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ) heeft het RIVM een monitor opgezet. Het RIVM volgt daarmee vanaf 2023 elk jaar het proces, de voortgang en resultaten van de ‘ketenaanpak’ van gemeenten en zorgverleners. Het doel is meer zicht te krijgen op het aanbod van valpreventie activiteiten voor thuiswonende 65-plussers, hoeveel mensen eraan meedoen en de toe- of afname van het aantal ziekenhuisopnames door valongelukken. Het RIVM presenteert nu de eerste resultaten. Als voorbereiding op de monitor is de beschikbare informatie verzameld over de jaren 2020 tot en met 2022. Hieruit blijkt dat het aantal 65-plussers dat na een val in het ziekenhuis terechtkomt is gestegen in de periode 2020-2022. In totaal kwamen in deze drie jaren 325.000 65-plussers na een val op de spoedeisende hulp terecht en bijna 124.000 in het ziekenhuis. Ruim 16.000 65-plussers zijn in deze periode overleden na een val. Ook blijkt uit de beschikbare informatie dat er 414 trainers voor valpreventie zijn opgeleid. De komende jaren komen er meer data beschikbaar. Een overzicht van de beschikbare informatie is opgenomen in dit rapport. Dit rapport beschrijft ook uit welke onderdelen de monitor Valpreventie vanaf 2024 bestaat. Zo wordt via vragenlijsten informatie gevraagd bij gemeenten en zorgverzekeraars. Bijvoorbeeld of en hoe zij 65-plussers met een grotere kans om te vallen opsporen en hoeveel 65-plussers eraan meedoen. Daarnaast gaat het RIVM zorg- en welzijnsmedewerkers en ouderen interviewen over hun ervaringen met de ketenaanpak Valpreventie. Gemeenten hebben vanaf 2024 de taak gekregen om de ketenaanpak valpreventie in te richten. Voor de monitor gaan zij onder andere registreren hoeveel interventies voor valpreventie zij aanbieden, hoeveel ouderen daaraan meedoen en of zij ‘doorstromen’ naar beweegprogramma’s binnen de gemeente.
    • A survey-based assessment of rates and covariates of mpox diagnosis and vaccination provides evidence to refine eligibility criteria for mpox vaccination among gay, bisexual and other men who have sex with men in the Netherlands.

      Adam, Philippe C G; Op de Coul, Eline L M; Zantkuijl, Paul; Xiridou, Maria; Bos, Hanna; Blom, Cor; Ketsuwan, Itsada; Te Wierik, Margreet J M; David, Silke; de Wit, John B F (2024-01-30)
    • Circulation, viral diversity and genomic rearrangement in mpox virus in the Netherlands during the 2022 outbreak and beyond.

      Schuele, Leonard; Boter, Marjan; Nieuwenhuijse, David F; Götz, Hannelore; Fanoy, Ewout; de Vries, Henry; Vieyra, Bruno; Bavalia, Roisin; Hoornenborg, Elske; Molenkamp, Richard; et al. (2024-01-29)
    • Rapportage pilot Varkensinfluenza surveillance

      Meijer, A; Eggink, D; Kroneman, A; Fouchier, R; Houben, M; van der Vries, E; Germeraad, E; van der Giessen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-01-29)
      Varkensgriep bij varkens komt veel voor in West-Europese landen. Sommige varkensgriepvirussen kunnen overgaan van varken naar mens. Dat gebeurt niet vaak en meestal alleen bij mensen die veel in contact komen met varkens. De klachten zijn over het algemeen mild, maar griepvirussen van varkens en mensen kunnen ook vermengen en dan tot ernstigere klachten leiden. Het is niet bekend welke griepvirussen voorkomen bij varkens in Nederland. De ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport )) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV(Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)) willen daarom meer inzicht krijgen welke varianten van varkensgriep op Nederlandse varkensbedrijven voorkomen. Deze varianten kunnen dan zo nodig worden vergeleken met de varianten van griepvirussen die bij mensen zijn gevonden. Hiervoor is in 2022 in nauwe samenwerking met varkensdierenartsen een pilot opgezet. In de pilot zijn bij 90 varkenshouderijen monsters getest op griepvirussen die kunnen voorkomen bij zoogdieren, mensen en vogels. Er zijn verschillende varianten van varkensgriepvirussen van het subtype H1 en één van het subtype H3 gevonden. De zeer besmettelijke variant van vogelgriep (H5) is niet aangetoond bij varkens. De medicijnen, die bij mensen werken tegen griepvirussen, bleken ook te werken tegen de gevonden varkensgriepvirussen. In de pilot is onder andere veel kennis verzameld over de erfelijke eigenschappen van varkensgriepvirussen. Met deze informatie kan beter worden achterhaald waar het virus vandaan komt als mensen met een varkensgriepvirus zijn besmet. Ook kan zo worden achterhaald of varkens-, vogel- en menselijke griepvirussen vermengen. Het onderzoek is anoniem gedaan op verschillende soorten varkensbedrijven: bij reguliere varkenshouderijen, enkele varkensbedrijven waar varkens buiten lopen en bij bedrijven waarbij naast varkens ook pluimvee, koeien of paarden aanwezig zijn. De monsters zijn op de bedrijven genomen door in een hok met varkens met griepachtige verschijnselen een touw op te hangen om aan te kauwen. Ook zijn uitstrijken genomen uit de neus bij een ziek dier. Daarnaast zijn monsters onderzocht van dode varkens waarbij het vermoeden was dat ze griep hadden. Dit is ook gedaan bij een groep controlevarkens zonder griepverschijnselen. De pilot is uitgevoerd door een samenwerkingsverband van het RIVM, de Gezondheidsdienst voor dieren (Royal GD(Gezondheidsdienst voor Dieren)), het Erasmus Medisch Centrum (EMC(Erasmus Medisch Centrum)) en de Wageningen Bioveterinairy Research (WBVR(Wageningen Bioveterinary Research)). Dit consortium beveelt aan om dit onderzoek meerdere jaren te blijven doen. Dat geeft meer inzicht hoe de varkensvirussen zich verspreiden op de varkensbedrijven, of er nog meer varianten zijn, en of er besmettingen zijn met vogel- en menselijke griepvirussen.
    • Estimation of introduction and transmission rates of SARS-CoV-2 in a prospective household study.

      van Boven, Michiel; van Dorp, Christiaan H; Westerhof, Ilse; Jaddoe, Vincent; Heuvelman, Valerie; Duijts, Liesbeth; Fourie, Elandri; Sluiter-Post, Judith; van Houten, Marlies A; Badoux, Paul; et al. (2024-01-29)
    • Challenging the gold standard: the limitations of molecular assays for detection of Mycobacterium tuberculosis heteroresistance

      Danchuk, Sarah N; Solomon, Ori E; Kohl, Thomas Andreas; Dreyer, Viola; Barilar, Ivan; Utpatel, Christian; Niemann, Stefan; Soolingen, Dick van; Anthony, Richard; van Ingen, Jakko; et al. (2024-01-29)
      Heteroresistant infections are defined as infections in which a mixture of drug-resistant and drug-susceptible populations are present. In Mycobacterium tuberculosis (M. tb), heteroresistance poses a challenge in diagnosis and has been linked with poor treatment outcomes. We compared the analytical sensitivity of molecular methods, such as GeneXpert and whole genome sequencing (WGS) in detecting heteroresistance when compared with the 'gold standard' phenotypic assay: the agar proportion method (APM).