Now showing items 21-40 of 13391

    • The protein gap-increasing protein intake in the diet of community-dwelling older adults: a simulation study.

      Verwijs, Marije H; de van der Schueren, Marian Ae; Ocké, Marga C; Ditewig, Jacco; Linschooten, Joost O; Roodenburg, Annet Jc; de Groot, Lisette Cpgm (2021-10-04)
    • Outbreaks of mumps genotype G viruses in the Netherlands between October 2019 and March 2020: clusters associated with multiple introductions.

      Shah, Anita A; Bodewes, Rogier; Reijnen, Linda; Boelsums, Timo; Weller, Claudia M; Fanoy, Ewout B; Veldhuijzen, Irene K (2021-10-04)
    • Verkenning haalbaarheid gezondheidsonderzoek werknemers Schiphol

      Reedijk, M; Zock, JP; Janssen, NAH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-30)
      Het RIVM onderzoekt sinds 2017 mogelijke effecten van langdurige blootstelling aan ultrafijnstof op de gezondheid van omwonenden van Schiphol. Het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (IenW) heeft het RIVM gevraagd om te verkennen of het haalbaar is dit onderzoek uit te breiden naar mogelijke gezondheidseffecten bij mensen die op Schiphol in de buurt van de vliegtuigen werken. De aanleiding hiervoor is een motie in de Tweede Kamer. Het blijkt praktisch niet mogelijk om gezondheidseffecten bij de platformmedewerkers binnen de opzet van het onderzoek naar omwonenden te bestuderen. Hiervoor zijn onder andere administratieve gegevens nodig over de aard en werkomstandigheden van oudmedewerkers. Maar de administratie van de vele organisaties waar platformmedewerkers voor werken, is onvolledig of gaat niet ver genoeg terug in de tijd. De weinige gegevens die er wel zijn mogen maar beperkt worden gebruikt vanwege de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Verder zijn er inhoudelijke verschillen met het onderzoek naar omwonenden. Naar verwachting staan platformmedewerkers tijdens hun werk aan hogere concentraties ultrafijnstof bloot dan omwonenden. Ook worden platformmedewerkers aan meer luchtvervuilende stoffen blootgesteld dan ultrafijnstof. Bijvoorbeeld via de dieselmotoremissies van bagagekarretjes en de uitstoot van vliegtuigmotoren. Dit vraagt om een bredere blik naar gezondheidseffecten bij platformmedewerkers dan alleen van ultrafijnstof. Een ander type gezondheidsonderzoek is wel mogelijk, namelijk onderzoek naar onder andere de long- en hartfunctie en bloed en urine bij medewerkers die er nu werken. De resultaten geven een indicatie maar geen zekerheid over ziekten die door een langdurige blootstelling aan ultrafijnstof kunnen ontstaan. Voorbeelden daarvan zijn beroerte, COPD, longkanker en aandoeningen van het zenuwstelsel. Het duurt jaren om met zekerheid te zeggen wat de effecten van een langdurige blootstelling aan ultrafijnstof op de gezondheid van huidige medewerkers zijn.
    • Occupational exposure to wood dust. A systematic review of the literature

      Rijs, K; van Triel, J; Bos, J; Zock, JP; Bogers, R; Palmen, N; Affourtit-van Driesten, F (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-30)
      Employees can be exposed to wood dust while performing woodworking processes such as sawing and sanding. Such exposure is known to be associated with health problems. RIVM has carried out a review of the scientific literature on wood dust and occupational exposure to wood dust. The data has not been compared or interpreted by RIVM. The data was collected at the request of the Health Council. The Health Council will use this data to provide a recommendation to the Minister of Social Affairs and Employment on whether or not the health-based occupational exposure limit for wood dust needs to be adjusted. The review focused on various aspects including characteristics of wood dust as a result of wood processing and the mechanism and degree of exposure, as well as what is known about what happens in the body after exposure and what diseases and conditions people can develop as a result. Long-term exposure to wood dust can cause nasal cancer. It can also impair lung function, leading to difficulty breathing, and cause irritation of the eyes, nose, lungs, and skin.
    • Promoting physical distancing during COVID-19: a systematic approach to compare behavioral interventions.

      Blanken, Tessa F; Tanis, Charlotte C; Nauta, Floor H; Dablander, Fabian; Zijlstra, Bonne J H; Bouten, Rick R M; Oostvogel, Quinten H; Boersma, Meier J; van der Steenhoven, Maya V; van Harreveld, Frenk; et al. (2021-09-30)
    • Distance as explanatory factor for sexual health centre utilization: an urban population-based study in the Netherlands.

      Twisk, Denise E; Meima, Bram; Nieboer, Daan; Richardus, Jan Hendrik; Götz, Hannelore M (2021-09-30)
    • Evaluatie onverplichte financiële tegemoetkoming Q-koorts - de betekenis van een gebaar

      Gorter, AF; Busch, MCM; van der Lucht, F (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-29)
      Tussen 2007 en 2011 was er in Nederland een grote Q-koortsuitbraak. Vele duizenden mensen raakten besmet en werden ziek, een aantal overleed. Een deel bleef daarna klachten houden of kreeg ernstige complicaties, waaraan sommigen zijn gestorven. In 2018 trof de overheid een tegemoetkomingsregeling voor patiënten en nabestaanden. Deze ‘onverplichte financiële tegemoetkoming’, € 15.000, was geen compensatie of schadevergoeding, maar een gebaar. Een gebaar om het leed te erkennen, zodat patiënten en nabestaanden de uitbraak achter zich kunnen laten en verder kunnen met hun leven. Het RIVM heeft onderzocht of de tegemoetkoming dit effect heeft bereikt. Hiervoor zijn bijna vierhonderd patiënten en nabestaanden ondervraagd. Hoewel de meerderheid (ruim 80 procent) blij was met het geld, voelde slechts de helft zich door dit gebaar erkend. Eén op de drie voelde zich er niet of helemaal niet door erkend. Ze hadden zich meer erkend gevoeld als de overheid ook excuses had aangeboden. Een tegemoetkoming zonder excuses voor in hun ogen gemaakte fouten voelt voor veel getroffenen als een ‘lege huls’. Een excuus geeft de tegemoetkoming volgens hen meer betekenis. De tegemoetkoming helpt slechts een deel van de getroffenen om de uitbraak achter zich te kunnen laten en verder te kunnen met hun leven. Door een eenmalig geldbedrag verdwijnen de Q-koorts en de blijvende impact van de ziekte op het dagelijks leven niet. Dat geldt ook voor de impact van het verlies van een partner en voor gevoelens van boosheid en wantrouwen richting de overheid. Daarnaast vonden velen de tegemoetkoming te laat en te laag. Ze beleven de tegemoetkoming als compensatie of schadeloosstelling, hoewel hij zo niet was bedoeld. Hierdoor zien zij het bedrag van € 15.000 in relatie tot de geleden schade, en dus als niet genoeg. Veel getroffenen hebben behoefte aan een structureel financieel en zorgvangnet, onderzoek en monitoring. Ook is er behoefte aan aandacht en erkenning in de zorg en bij instanties, zoals het UWV. Fysieke en financiële problemen zijn immers niet verdwenen met een eenmalige tegemoetkoming. In dit onderzoek is ook gekeken of een niet verplichte financiële tegemoetkoming voor andere situaties kan worden ingezet. Dat is zeker het geval, maar niet in alle situaties en alleen onder een aantal voorwaarden. Zo is het belangrijk vooraf goed te overwegen of deze maatregel het meest past bij een situatie.
    • Onderzoek Q-koorts COVID-19

      van Gageldonk-Lafeber, AB; Bom, B; den Boogert, EM; Hogerwerf, L; Yzermans, CJ; de Lange, MMA; Rietveld, A; Triemstra, M; Weehuizen, JM; Wever, PC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-29)
      Begin 2020 begon de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 in Nederland. In het oosten van de provincie Noord-Brabant kwam toen veel COVID-19 voor; de ziekte die het virus veroorzaakt. In dit deel van Nederland kwam tussen 2007 en 2010 ook veel Q-koorts voor. Dit was aanleiding voor het RIVM om te onderzoeken of mensen die Q-koorts hebben gehad, vatbaarder zijn voor een infectie met het coronavirus en of de ziekte ernstiger verloopt. Gekeken is hoe vaak COVID-19 in het begin van de uitbraak van het coronavirus voorkwam bij mensen die eerder Q-koorts hadden en in het oosten van Noord-Brabant woonden. Dit aantal is vergeleken met het totaal aantal mensen met COVID-19 in dit gebied. Het blijkt dat COVID-19 tijdens de eerste golf van de epidemie vaker voorkwam bij mensen in het oosten van Noord-Brabant die eerder Q-koorts hadden. In de tweede golf van de epidemie zagen we dit verschil niet. Er zijn geen aanwijzingen dat COVID-19 bij voormalige Q-koorts-patiënten ernstiger verliep. Veel van de mensen die eerder Q-koorts hadden, hebben een of meer blijvende onderliggende aandoening. Soms is dat in combinatie met chronische Q-koorts of het Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS). Hierdoor zullen zij in het begin van de epidemie waarschijnlijk vaker getest zijn op COVID-19. De testcapaciteit was toen nog beperkt, waardoor er vooral mensen met onderliggende aandoeningen werden getest. Dit gebeurde omdat zij een grotere kans hebben om ernstig ziek te worden van COVID-19. Door vaker te testen is waarschijnlijk ook vaker COVID-19 aangetoond. Vanaf juni kon iedereen met (milde) klachten getest worden. Daarna zagen we niet meer dat COVID-19 vaker voorkwam bij mensen die eerder Q-koorts hadden. Het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in samenwerking met Nivel, huisartsen in Noord-Brabant, GGD Hart voor Brabant, en het Jeroen Bosch Ziekenhuis en het Bernhoven ziekenhuis. Het RIVM onderzoekt ook met partners of er een verband is tussen luchtkwaliteit en COVID-19 in heel Nederland. Er is hierbij aandacht voor verschillende oorzaken van luchtverontreiniging. De resultaten hiervan worden in 2023 verwacht.
    • SOCRATES-CoMix: a platform for timely and open-source contact mixing data during and in between COVID-19 surges and interventions in over 20 European countries.

      Verelst, Frederik; Hermans, Lisa; Vercruysse, Sarah; Gimma, Amy; Coletti, Pietro; Backer, Jantien A; Wong, Kerry L M; Wambua, James; van Zandvoort, Kevin; Willem, Lander; et al. (2021-09-29)
    • Europe-Wide Atmospheric Radionuclide Dispersion by Unprecedented Wildfires in the Chernobyl Exclusion Zone, April 2020.

      Masson, Olivier; Romanenko, Oleksandr; Saunier, Olivier; Kirieiev, Serhii; Protsak, Valentin; Laptev, Gennady; Voitsekhovych, Oleg; Durand, Vanessa; Coppin, Frédéric; Steinhauser, Georg; et al. (2021-09-29)
      From early April 2020, wildfires raged in the highly contaminated areas around the Chernobyl nuclear power plant (CNPP), Ukraine. For about 4 weeks, the fires spread around and into the Chernobyl exclusion zone (CEZ) and came within a few kilometers of both the CNPP and radioactive waste storage facilities. Wildfires occurred on several occasions throughout the month of April. They were extinguished, but weather conditions and the spread of fires by airborne embers and smoldering fires led to new fires starting at different locations of the CEZ. The forest fires were only completely under control at the beginning of May, thanks to the tireless and incessant work of the firefighters and a period of sustained precipitation. In total, 0.7-1.2 TBq 137Cs were released into the atmosphere. Smoke plumes partly spread south and west and contributed to the detection of airborne 137Cs over the Ukrainian territory and as far away as Western Europe. The increase in airborne 137Cs ranged from several hundred μBq·m-3 in northern Ukraine to trace levels of a few μBq·m-3 or even within the usual background level in other European countries. Dispersion modeling determined the plume arrival time and was helpful in the assessment of the possible increase in airborne 137Cs concentrations in Europe. Detections of airborne 90Sr (emission estimate 345-612 GBq) and Pu (up to 75 GBq, mostly 241Pu) were reported from the CEZ. Americium-241 represented only 1.4% of the total source term corresponding to the studied anthropogenic radionuclides but would have contributed up to 80% of the inhalation dose.
    • Factors affecting antibody responses to immunizations in infants born to women immunized against pertussis in pregnancy and unimmunized women: Individual-Participant Data Meta-analysis.

      Abu-Raya, Bahaa; Maertens, Kirsten; Munoz, Flor M; Zimmermann, Petra; Curtis, Nigel; Halperin, Scott A; Rots, Nynke; Barug, Daan; Holder, Beth; Rice, Thomas F; et al. (2021-09-29)
    • The Genetic Diversity of Rickettsiella Symbionts in Ixodes ricinus Throughout Europe.

      Garcia-Vozmediano, Aitor; Tomassone, Laura; Fonville, Manoj; Bertolotti, Luigi; Heylen, Dieter; Fabri, Nannet D; Medlock, Jolyon M; Nijhof, Ard M; Hansford, Kayleigh M; Sprong, Hein; et al. (2021-09-28)
    • Performance of prediction models for nephropathy in people with type 2 diabetes: systematic review and external validation study.

      Slieker, Roderick C; van der Heijden, Amber A W A; Siddiqui, Moneeza K; Langendoen-Gort, Marlous; Nijpels, Giel; Herings, Ron; Feenstra, Talitha L; Moons, Karel G M; Bell, Samira; Elders, Petra J; et al. (2021-09-28)
    • Rapid reinfection with SARS-CoV-2 variant-of-concern Alpha detected in a nurse during an outbreak at a non-covid inpatient ward: lessons learned.

      Koopsen, Jelle; Dekker, Mireille; Thung, Philip; Jonges, Marcel; Vennema, Harry; Leenstra, Tjalling; Eggink, Dirk; Welkers, Matthijs R A; Struijs, Peter A A; Reusken, Chantal; et al. (2021-09-26)
    • A human biomonitoring (HBM) Global Registry Framework: Further advancement of HBM research following the FAIR principles.

      Zare Jeddi, Maryam; Virgolino, Ana; Fantke, Peter; Hopf, Nancy B; Galea, Karen S; Remy, Sylvie; Viegas, Susana; Mustieles, Vicente; Fernandez, Mariana F; von Goetz, Natalie; et al. (2021-09-25)
    • Tailored approaches facilitate high completion of tuberculosis infection treatment among migrants.

      Spruijt, Ineke; Joren, Chantal; van den Hof, Susan; Erkens, Connie (2021-09-24)
    • Every Country, Every Woman, Every Child; Group B Streptococcal Disease Worldwide Prematurity modifies the risk of long-term neurodevelopmental impairments after invasive Group B Streptococcus infections during infancy in Denmark and the Netherlands.

      Horváth-Puhó, Erzsébet; Snoek, Linde; van Kassel, Merel N; Gonçalves, Bronner P; Chandna, Jaya; Procter, Simon R; van de Beek, Diederik; de Gier, Brechje; van der Ende, Arie; Sørensen, Henrik Toft; et al. (2021-09-24)
    • Occupational exposure to hexavalent chromium. Part I. Hazard assessment of non-cancer health effects.

      Hessel, Ellen V S; Staal, Yvonne C M; Piersma, Aldert H; den Braver-Sewradj, Shalenie P; Ezendam, Janine (2021-09-24)
    • Verkenning voor aanvullend onderzoek naar de toepassing van TGG te Perkpolder (Zeeland)

      Brand, E; Otte, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-22)
      Bij de aanleg van de Zeedijk in Perkpolder is Thermisch Gereinigde Grond (TGG) gebruikt. TGG is een mengsel van grond en andere materialen dat wordt verhit om organische verontreinigingen te verwijderen. Daarna kan de TGG opnieuw worden gebruikt. Het RIVM concludeerde in 2018 dat er nog verontreinigingen in het materiaal van de dijk zitten maar dat ze geen risico’s vormen voor de gezondheid. Wel constateerde het RIVM dat tijdens de aanleg van de dijk fijnstof kon verwaaien en tijdelijke klachten konden geven, zoals irritatie aan ogen en neus. In 2021 heeft Rijkswaterstaat (RWS) het RIVM gevraagd de situatie opnieuw te onderzoeken. Aanleiding is dat omwonenden in de buurt van de dijk nog steeds bezorgd zijn over hun gezondheid. Ook zijn er nieuwe meetgegevens over de kwaliteit van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewateren. Voordat het onderzoek van start gaat heeft het RIVM literatuuronderzoek gedaan en gesproken met omwonenden en lokale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen). Hierdoor heeft het inzicht gekregen in de vragen, argumenten en percepties van de betrokkenen in de omgeving van Perkpolder. Met deze kennis kan het onderzoek beter bij de vragen aansluiten. Ook wordt duidelijk welke vragen buiten de deskundigheid van het RIVM vallen, en dus buiten het onderzoek. Een voorbeeld daarvan is de toekomstige ontwikkeling van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. De meeste vragen van de betrokkenen gaan over de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving. Daarom gaat het RIVM onder meer uitzoeken of de kwaliteit van het zoete grondwater (de zoetwaterbel) dat vlak bij de dijk ligt risico’s veroorzaakt. Daarnaast wordt gekeken naar mogelijke risico’s doordat TGG door verwaaiing in de moestuinen is gekomen. Ook gaat het onderzoek in op vragen over mogelijke gezondheidseffecten van de verontreinigingen op de langere termijn. Tot slot stelt het RIVM voor om een belevingsonderzoek te doen onder omwonenden met als doel een bredere inventarisatie van de vragen, zorgen en behoeftes die er onder de omwonenden en gebruikers van de Perkpolder leven.