Now showing items 21-40 of 11437

    • Effect of measles vaccination in infants younger than 9 months on the immune response to subsequent measles vaccine doses: a systematic review and meta-analysis.

      Nic Lochlainn, Laura M; de Gier, Brechje; van der Maas, Nicoline; van Binnendijk, Rob; Strebel, Peter M; Goodman, Tracey; de Melker, Hester E; Moss, William J; Hahné, Susan J M (2019-09-20)
      Our search retrieved 1156 records and 85 were excluded due to duplication. 1071 records were screened for eligibility, of which 351 were eligible for full-text screening and 21 were eligible for inclusion in the review. From 13 studies, the pooled proportion of infants seropositive after two MCV doses, with MCV1 administered before 9 months of age, was 98% (95% CI 96-99; I2=79·8%, p<0·0001), which was not significantly different from seropositivity after a two-dose MCV schedule starting later (p=0·087). Only one of four studies found geometric mean titres after MCV2 administration to be significantly lower when MCV1 was administered before 9 months of age than at 9 months of age or later. There was insufficient evidence to determine an effect of age at MCV1 administration on antibody avidity. The pooled vaccine effectiveness estimate derived from two studies of a two-dose MCV schedule with MCV1 vaccination before 9 months of age was 95% (95% CI 89-100; I2=12·6%, p=0·29). Seven studies reporting on measles virus-specific cellular immune responses found that T-cell responses and T-cell memory were sustained, irrespective of the age of MCV1 administration. Overall, the quality of evidence was moderate to very low.
    • GloPID-R report on chikungunya, o'nyong-nyong and Mayaro virus, part 2: Epidemiological distribution of o'nyong-nyong virus.

      Pezzi, L; LaBeaud, A D; Reusken, C B; Drexler, J F; Vasilakis, N; Diallo, M; Simon, F; Jaenisch, T; Gallian, P; Sall, A; et al. (2019-09-20)
    • Verkenning Economische Evaluaties Implantaten

      Suijkerbuijk, A; van Gils, PF; Alves, TI; Polder, JJ; de Wit, GA; Hoebert, JM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-19)
      Het kost vaak veel geld om nieuwe medische hulpmiddelen, zoals implantaten, te ontwikkelen. Ook zijn ze niet altijd kostenbesparend in het gebruik. Informatie over hoe de kosten zich verhouden tot de mate waarin ze de gezondheid en/of de kwaliteit van leven van patiënten verbeteren is daarom van belang. Deze informatie kan worden verkregen door middel van zogeheten kosteneffectiviteitstudies. Verzekeraars, artsen en instanties die beoordelen of een implantaat wordt vergoed, besteden echter weinig aandacht aan de kosteneffectiviteit van implantaten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM adviseert om bij de zorginkoop van implantaten informatie over kosteneffectiviteit mee te laten wegen. Ook bij andere afwegingen zou kosteneffectiviteit meer betrokken kunnen worden. Bijvoorbeeld bij de afweging of de zorgverzekering een product vergoedt. Verder kan transparanter worden welke factoren nu meewegen bij het besluit om implantaten te vergoeden. Om medicijnen vergoed te krijgen, moeten fabrikanten uitgebreide studies doen naar de kosteneffectiviteit. Bij implantaten is geen informatie over kosteneffectiviteit vereist. Daarnaast is vaak onduidelijk wat een (nieuw) implantaat precies kost. Voor dit onderzoek bekeek het RIVM in de wetenschappelijke literatuur de kosteneffectiviteit van drie implantaten: heupprothesen, de sterilisatiemethode Essure en bekkenbodemmatjes. De economische evaluaties in de wetenschappelijke literatuur zijn niet altijd compleet en kwalitatief niet goed. Bijwerkingen worden erin onderschat of komen niet aan bod. Als daar wel aandacht voor is, is dat vaak alleen voor de bijwerkingen op korte termijn. Hierdoor kan een te rooskleurig beeld ontstaan van de kosteneffectiviteit van het desbetreffende implantaat.
    • Latent tuberculosis screening and treatment among asylum seekers: a mixed methods study.

      Spruijt, Ineke; Tesfay Haile, Dawit; Suurmond, Jeanine; van den Hof, Susan; Koenders, Marga; Kouw, Peter; van Noort, Natascha; Toumanian, Sophie; Cobelens, Frank; Goosen, Simone; et al. (2019-09-19)
    • Timeliness of immunisations in preterm infants in the Netherlands.

      Rouers, Elsbeth D M; Berbers, Guy A M; van Dongen, Josephine A P; Sanders, Elisabeth A M; Bruijning-Verhagen, Patricia (2019-09-16)
    • Determinants of presence and removal of antibiotic resistance genes during WWTP treatment: A cross-sectional study.

      Pallares-Vega, Rebeca; Blaak, Hetty; van der Plaats, Rozemarijn; de Roda Husman, Ana M; Hernandez Leal, Lucia; van Loosdrecht, Mark C M; Weissbrodt, David G; Schmitt, Heike (2019-09-15)
    • Rate constants of hydroxyl radicals reaction with different dissociation species of fluoroquinolones and sulfonamides: Combined experimental and QSAR studies.

      Luo, Xiang; Wei, Xiaoxuan; Chen, Jingwen; Xie, Qing; Yang, Xianhai; Peijnenburg, Willie J G M (2019-09-14)
      Hydroxyl radicals (·OH) initiated degradation is an important process governing fate of aquatic organic micropollutants (OMPs). However, rate constants for aqueous reaction of OMPs with ·OH (kOH) are available only for a limited number of OMPs, which complicates fate assessment of OMPs. Furthermore, molecular structures of many OMPs contain ionizable groups, and the OMPs may dissociate into different anionic/cationic species with different reactivity towards ·OH. Therefore, it is of importance to determine kOH of ionizable OMPs, and to develop quantitative structure-activity relationship (QSAR) models for predicting kOH of OMPs at different ionization forms. Herein kOH values of 9 fluoroquinolones (FQs) and 11 sulfonamides (SAs) at 3 dissociation forms (FQ±/FQ+/FQ-, SA0/SA+/SA-) were determined by competition kinetics experiments. A QSAR model using theoretical molecular structural descriptors was subsequently developed. The QSAR model successfully corroborated previous experimental results, exhibited good statistical performance, and is capable to predict kOH for FQs and SAs with different dissociation forms at environmentally relevant pH conditions. As organic ions have rarely been included in previous QSAR studies, the newly developed model that covers both neutral molecules and ions is of significance for future QSAR development as well as fate assessment of ionizable OMPs.
    • Beoordeling hergebruik van luier- en incontinentiemateriaal : Stappenplan en risicobeoordelingskader voor de mogelijke risico's van stoffen en pathogenen in producten

      Lijzen, JPA; van der Grinten, E; van Drongelen, AW; Moermond, CTA; Venhuis, B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-12)
      Elk jaar komen in Nederland meer dan 160 miljoen kilo gebruikte luiers voor baby's en incontinentiemateriaal voor volwassenen bij het afval terecht. Om de hoeveelheid luierafval te verminderen, kunnen materialen opnieuw worden gebruikt. Ook kunnen er nieuwe producten van worden gemaakt, zoals plastic flessen voor schoonmaakmiddelen. Het is belangrijk dat deze nieuwe producten en materialen veilig zijn voor mens en milieu. Om dat te beoordelen heeft het RIVM een stappenplan ontwikkeld. Hiermee kunnen degenen die deze materialen verwerken, de benodigde gegevens verzamelen om een risicobeoordeling te doen. In luiers en in incontinentiemateriaal komen ziekteverwekkers en medicijnresten terecht die mensen via hun urine en ontlasting uitscheiden. In het luiermateriaal zelf zitten plastics, cellulose en korrels die het vocht opnemen. Ook geeft het stappenplan vergunningverleners voor nieuwe producten en materialen handvatten om een risicobeoordeling uit te voeren. Naast de risicobeoordeling kunnen vergunningverleners en beleidsmakers naar andere voor- en nadelen kijken, zoals duurzaamheid. De producent blijft eindverantwoordelijk voor de veiligheid van zijn product. Twee afvalverwerkers hebben het stappenplan getest om het praktisch uitvoerbaar te maken. De eerste stap in de risicobeoordeling bestaat uit een algemene en relatief strenge inschatting van mogelijke risico's. Hoe veiliger het materiaal of afval is, hoe meer keuze er is om nieuwe materialen van de luiers te maken. Als het mogelijk niet veilig is, wordt in de volgende stap getoetst of de risico's van ziekteverwekkers of medicijnresten klein genoeg worden tijdens het verwerkingsproces. Ziekteverwekkers kunnen bijvoorbeeld door verhitting worden gedood. Als er daarna nog risico's zijn, wordt gekeken of ongewenste stoffen uit de gemaakte materialen vrijkomen. Als dat nog het geval is, is het misschien mogelijk om er specifieke producten van te maken waaruit de schadelijke stoffen niet kunnen vrijkomen.
    • Moderators of Exercise Effects on Cancer-related Fatigue: A Meta-analysis of Individual Patient Data.

      van Vulpen, Jonna K; Sweegers, Maike G; Peeters, Petra H M; Courneya, Kerry S; Newton, Robert U; Aaronson, Neil K; Jacobsen, Paul B; Galvão, Daniel A; Chinapaw, Mai J; Steindorf, Karen; et al. (2019-09-12)
    • Informative Inventory Report 2019 : Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2017

      Wever, D; Coenen, PWHG; Dröge, R; Geilenkirchen, GP; 't Hoen, M; Honig, E; Koch WWR; Leekstra, AJ; Lagerwerf, LA; te Molder, RAB; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      De uitstoot van ammoniak is in 2017 gestegen ten opzichte van 2016 en ligt met 132,4 kiloton boven het maximum van 128 kiloton dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. De toename wordt veroorzaakt doordat nieuwe bronnen die ammoniak uitstoten zijn toegevoegd aan de emissie-inventarisatie: sfeerverwarming (open haarden en allesbranders), vreugdevuren, woningbranden en mestverwerking. Ook komt het door ontwikkelingen in de landbouw, zoals een hogere mestproductie per melkkoe en een hoger gehalte aan stikstof in het gevoerde gras. De emissie van vluchtige organische stoffen is in 2017 gestegen tot 254 kiloton en ligt daarmee boven het maximum van 185 kiloton dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. Ook hier komt dat vooral doordat nieuwe bronnen zijn toegevoegd, met als belangrijkste het gebruik van kuilvoer. Daarnaast blijkt door nieuwe inzichten dat consumenten er meer van uitstoten via het gebruik van schoonmaakmiddelen. De door Europa vastgestelde maxima zijn gebaseerd op de situatie in 2000. Bronnen die daarna zijn toegevoegd, hoeven voor de toetsing aan de vastgestelde maxima niet mee te tellen. Nederland heeft daartoe een verzoek opgenomen in dit rapport. Voor ammoniak zijn dat de bronnen afrijping van gewassen, gewasresten in de bodem en mestverwerking. Voor vluchtige organische stoffen zijn dat de uitstoot uit landbouwbodems en het gebruik van kuilvoer. Dit blijkt uit het Informative Inventory Report (IIR) 2019. Het RIVM analyseert en rapporteert hierin jaarlijks met diverse partnerinstituten de uitstoot van stoffen. Lidstaten van de Europese Unie zijn hiertoe verplicht. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen.
    • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2019

      Hoogerbrugge, R; Geilenkirchen, GP; den Hollander, HA; van der Swaluw, E; Visser, S; de Vries, WJ; Wichink Kruit, RJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      Het RIVM geeft elk jaar de concentraties in de lucht in Nederland op kaarten weer, onder andere van stikstofdioxide en fijnstof. Ook wordt op kaarten aangegeven in welke mate stikstof op de bodem neerslaat. In dit rapport gaat het om de situatie in 2018. Daarnaast zijn berekeningen voor de verwachte concentraties en deposities van deze stoffen gemaakt voor 2020, 2025 en 2030. Deze GCN-kaarten worden onder andere gebruikt voor een programma om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit; NSL). De kaarten worden ook gebruikt bij de berekening van de effecten van ruimtelijke plannen op de concentraties vervuilende stoffen in de lucht. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties in de lucht De gemeten concentraties stikstofdioxide (NO2) in de lucht zijn in 2018 gemiddeld iets lager dan in 2017. Voor 2020 worden de concentraties enkele microgrammen hoger ingeschat dan vorig jaar. Dat komt vooral door tegenvallers in de verkeersemissies. De gemeten concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) waren in 2018 iets hoger dan in 2017. De inschattingen voor 2020 en 2030 zijn iets lager dan de inschattingen van vorig jaar. Hogere ammoniak De gemeten concentraties ammoniak (NH3) in de lucht zijn in 2018 veel hoger dan in 2017. Vooral het extreem warme, zonnige en zeer droge weer is hiervan de oorzaak. Ammoniak is een component van stikstof. Als te veel ammoniak op de bodem neerslaat, is dat schadelijk voor de natuur (biodiversiteit). Door de hogere concentraties in de lucht was er meer ammoniak beschikbaar om op de bodem neer te slaan. Naast ammoniak zijn de stikstofoxiden een ander onderdeel van de stikstofdepositie. De depositie van stikstofoxiden daalde. De uitstoot van ammoniak is licht gestegen ten opzichte van de voorgaande jaren (2012-2016). Het RIVM maakt de GCN-kaarten in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
    • Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services

      Jansen, BI; Meesters, JAJ; Nijkamp, MM; Koch, WWR; Dröge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      Het RIVM beschrijft de geactualiseerde methoden waarmee de Nederlandse Emissieregistratie berekent welke en hoeveel verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat hier bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. Met deze beschrijving wordt de gerapporteerde uitstoot onderbouwd. Nederland rapporteert jaarlijks volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. Dat is verplicht vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage is bedoeld voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
    • Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste : as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register

      Peek, CJ; Montfoort, JA; Dröge, R; Guis, B; Baas, K; van Huet, B; van Hunnik, OR; van den Berghe, ACWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      Het RIVM beschrijft de geactualiseerde methoden waarmee de Nederlandse Emissieregistratie de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht berekent vanuit de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA). Met deze beschrijving wordt de gerapporteerde uitstoot onderbouwd. Nederland rapporteert jaarlijks volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. Dit is verplicht vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Doelgroep voor deze rapportage zijn de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
    • Surveillance of infections in long-term care facilities (LTCFs): The impact of participation during multiple years on health care-associated infection incidence.

      Haenen, A P J; Verhoef, L P; Beckers, A; Gijsbers, E F; Alblas, J; Huis, A; Hulscher, M; de Greeff, S C (2019-09-09)
    • From accelerometer output to physical activity intensities in breast cancer patients.

      Sweegers, Maike G; Buffart, Laurien M; Huijsmans, Rosalie J; Konings, Inge R; van Zweeden, Annette A; Brug, Johannes; Chinapaw, Mai J M; Altenburg, Teatske M (2019-09-07)
      We aimed to investigate accelerometer output corresponding to physical activity intensity cut-points based on percentage of peak oxygen consumption (%VO2peak) and Metabolic Equivalent of Task (MET) value in women treated for breast cancer.
    • Risicogestuurd toezicht en handhaving: Ranking ongewenste gebeurtenissen in de bodemketen

      Swartjes, FA; Kok, L; Vercruijsse, W; Dekker, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-06)
      Bij werkzaamheden met grond, bijvoorbeeld om wegen en dijken aan te leggen, wordt de grond onder andere gekeurd, gesaneerd of verplaatst. Deze werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op de gezondheid, het milieu, de economie en het welbevinden van mensen, zoals stress door geluidoverlast. Het RIVM heeft 258 van deze werkzaamheden met negatieve effecten vastgesteld. Een voorbeeld van deze 'ongewenste gebeurtenissen' is dat niet is gecontroleerd of een sanering goed is uitgevoerd. Of dat een partij vervuilde grond illegaal is vermengd met schone grond, zodat hij toch te gebruiken is. De grond kan ook door weersomstandigheden verwaaien. Experts uit tal van overheidsorganisaties en het bedrijfsleven hebben de ongewenste gebeurtenissen gerangschikt op de impact die ze hebben. Van de twintig meest ongewenste gebeurtenissen is bij ten minste een derde bewust de regels niet opgevolgd (fraude). Het merendeel van de ongewenste gebeurtenissen heeft te maken met de opslag van partijen grond, vermenging van grond en de beoordeling van de kwaliteit van partijen grond, om te bepalen waarvoor het mag worden gebruikt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Met deze kennis kan Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het toezicht en de handhaving gericht op werkzaamheden met grond zo efficiënt mogelijk samen met haar ketenpartners uitvoeren.
    • Cost-effectiveness of selective digestive decontamination (SDD) versus selective oropharyngeal decontamination (SOD) in intensive care units with low levels of antimicrobial resistance: an individual patient data meta-analysis.

      van Hout, Denise; Plantinga, Nienke L; Bruijning-Verhagen, Patricia C; Oostdijk, Evelien A N; de Smet, Anne Marie G A; de Wit, G Ardine; Bonten, Marc J M; van Werkhoven, Cornelis H (2019-09-06)
    • Impact of vertebrate communities on Ixodes ricinus-borne disease risk in forest areas.

      Takumi, Katsuhisa; Sprong, Hein; Hofmeester, Tim R (2019-09-06)