Now showing items 41-60 of 14319

    • Technical Evaluation of qPCR Multiplex Assays for the Detection of -Borne Pathogens.

      Azagi, Tal; Hoeve-Bakker, B J A; Jonker, Mark; Roelfsema, Jeroen H; Sprong, Hein; Kerkhof, Karen (2022-11-10)
      The extent to which infections with Ixodes ricinus-borne pathogens (TBPs), other than Borrelia burgdorferi s. l. and tick-borne encephalitis virus (TBEV), cause disease in humans remains unclear. One of the reasons is that adequate diagnostic modalities are lacking in routine or research settings.
    • A scenario modelling analysis to anticipate the impact of COVID-19 vaccination in adolescents and children on disease outcomes in the Netherlands, summer 2021.

      Ainslie, Kylie E C; Backer, Jantien A; de Boer, Pieter T; van Hoek, Albert Jan; Klinkenberg, Don; Korthals Altes, Hester; Leung, Ka Yin; de Melker, Hester; Miura, Fuminari; Wallinga, Jacco (2022-11-08)
    • Verkenning van de productveiligheid van geneesmiddelen in de praktijk

      Hegger, I; Leonardo Alves, T; de Bruijn, A; Hoebert, J; van Vliet, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-08)
      Ondanks voorzorgsmaatregelen komt het voor dat mensen per ongeluk een verkeerd medicijn innemen of een medicijn op een verkeerde manier innemen. Het RIVM heeft onderzocht wat de invloed van het ontwerp van medicijnen is op deze fouten. Met het ontwerp bedoelen we de naam, vorm en kleur van het medicijn, de verpakking, en het etiket. Ook de informatie in de bijsluiter hoort daarbij. Het ontwerp van medicijnen kan erg op elkaar lijken wat het moeilijker maakt ze van elkaar te onderscheiden. Ook kan de informatie in de bijsluiter over het gebruik en de toedieningsvorm onduidelijk zijn. Volgens experts op het gebied van medicijnen heeft het ontwerp van medicijnen invloed op het ontstaan van fouten. Problemen zijn te voorkomen als de ontwikkelaars van medicijnen de gebruiker (zowel patiënten als personeel in de zorg) erbij betrekken. Dit gebeurt nu te weinig. Maar een medicatiefout ligt bijna nooit alleen aan een productontwerp; het is vaak een combinatie van factoren. Zo is de context waarin een middel wordt ingenomen van invloed. Voorbeelden zijn spoedsituaties, werkdruk bij zorgpersoneel, wisselingen van personeel, of te weinig personeel. Verder kunnen de gebruikers niet de benodigde vaardigheden hebben, zoals mensen met dementie. Ook is de kans op medicatiefouten groter bij medicijnen die met een hulpmiddel moeten worden ingenomen of toegediend. Denk aan een inhalator, spuit of infuuspomp. Het kan onduidelijk zijn hoe deze hulpmiddelen moeten worden gebruikt. Verder kunnen dezelfde hulpmiddelen van verschillende merken een andere gebruiksaanwijzing hebben. Een standaard manier om bijvoorbeeld de dosering van infuuspompen in te stellen, kan verkeerd gebruik voorkomen. Het is belangrijk om bij meldingen van fouten of bijwerkingen van medicijnen, het ontwerp van medicijnen als oorzaak aan te kunnen geven. Daarnaast is het belangrijk om medicatiefouten regelmatig te volgen. Hiermee wordt kennis opgebouwd over de relatie tussen ontwerp en problemen in de praktijk. Het RIVM heeft voor de verkenning gekeken naar wat bekend is in de wetenschappelijke literatuur en gesproken met experts in de zorg, zoals apothekers en verpleegkundigen. Daarnaast zijn meldingen in databases van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd ( IGJ (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd)) en bijwerkingencentrum Lareb (Landelijke Registratie Evaluatie Bijwerkingen )gebruikt.
    • Establishing a Quantitative Framework for Regulatory Interpretation of Genetic Toxicity Dose-Response Data: MOE (Margin of Exposure) Case Study of 48 Compounds with both in vivo Mutagenicity and Carcinogenicity Dose-Response Data.

      Chepelev, Nikolai; Long, Alexandra S; Beal, Marc; Barton-Maclaren, Tara; Johnson, George; Dearfield, Kerry L; Roberts, Daniel J; van Benthem, Jan; White, Paul (2022-11-08)
    • Beleving van kleine luchtvaart in Nederland. Rapportage over het thema kleine luchtvaart in het Onderzoek Beleving Woonomgeving 2021

      Devilee, J; van Poll, R; Simon, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-07)
      Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( I&W (Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat)) wil weten hoe inwoners van 16 jaar en ouder in Nederland hun woonomgeving beleven. Bij elke editie van het Onderzoek Beleving Woonomgeving wordt een extra thema onderzocht. Dit keer was dat kleine luchtvaart. Het gaat hierbij om sport- en zakenvliegtuigjes, reclamevliegtuigjes, diverse typen helikopters en drones. Onderzocht is of mensen hinder ervaren van het geluid dat de kleine luchtvaart veroorzaakt. Het onderzoek laat zien dat mensen, in vergelijking met wegverkeer, weinig hinder hebben van kleine luchtvaart. Inwoners van Nederland van 16 jaar en ouder horen dit dagelijks veel minder vaak dan wegverkeer. Afhankelijk van het type kleine luchtvaart is dat bij 1,5 tot 8,6 procent van de ondervraagden het geval versus 51,5 procent bij wegverkeer. Helikopters zorgen voor de meeste ernstige hinder en ernstige slaapverstoring, vooral hulpverleningshelikopters (bij 2,9 procent). Twee procent van de Nederlanders van 16 jaar en ouder heeft hierdoor last van ernstige slaapverstoring. De meeste vragen in dit onderzoek zijn gesteld aan mensen die geluid van kleine luchtvaart hebben gehoord (in het onderzoek waarnemers genoemd). Zij zijn nauwelijks bezorgd om hun veiligheid door dit type vliegverkeer, behalve over drones. Daar maken ze zich wel zorgen over. Het valt op dat vooral verstoring van de rust door het geluid van militaire en hulpverleningshelikopters onacceptabel wordt gevonden, ook al worden ze voor een nuttig doel ingezet. Van de activiteiten van kleine luchtvaart veroorzaken vooral laag overvliegen (7 – 22,5 procent afhankelijk van het type kleine luchtvaart) en rondjes vliegen (6,6 – 23,7 procent) geluidhinder. Vergeleken met andere typen kleine luchtvaart, ervaren veel waarnemers het geluid van activiteiten van drones als hinderlijk. Een belangrijke reden hiervoor is dat waarnemers dit als inbreuk op de privacy beleven. Desalniettemin kan bijna twee derde van de waarnemers ook genieten van overvliegende kleine luchtvaart. RIVM adviseert om de impact van helikopters en drones op de ervaren kwaliteit van de leefomgeving te blijven monitoren. Onder andere omdat het aantal drones zal toenemen.
    • Respiratory syncytial virus vaccination during pregnancy for improving infant outcomes

      Phijffer, E; de Bruin, O; Wildenbeest, JG; Bont, LJ; van der Maas, NAT; et al. (2022-11-07)
    • The meaning of life … cycles: lessons from and for safe by design studies`

      Guinee, JB; Heijungs, R; Vijver, MG; Peijnenburg, WJGM; Villalba Mendez, G (2022-11-07)
    • Surveillance van enterale infecties en zoönosen. Jaarrapportage 2021

      Friesema, I; Pijnacker, R; Tulen, L; van den Beld, M; Mughini Gras, L; Bosch, T; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-07)
      Zogeheten enterale infecties kunnen door verschillende bacteriën, parasieten en virussen worden veroorzaakt. Deze infecties veroorzaken meestal maag-darm klachten, zoals overgeven, buikpijn en/of (bloederige) diarree. Soms kunnen het ernstigere klachten zijn zoals hepatitis, bloedvergiftiging of hersenvliesontsteking. Het RIVM brengt sinds 2020 elk jaar in kaart hoe vaak deze infecties en de ziekteverwekkers in Nederland voorkomen. Dat geeft inzicht hoe ze zich verspreiden. Een deel van de ziekteverwekkers wordt via direct contact met dieren of hun ontlasting op mensen overgedragen. Maar dit gebeurt ook vaak via besmet voedsel of via het milieu (bodem, lucht of oppervlaktewater). Ze kunnen ook van mens op mens worden overgedragen. De ziekteverwekkers Salmonella, Campylobacter en norovirus worden vooral via voedsel overgedragen. In 2021 kwamen deze infecties vaker voor dan in 2020, maar nog niet even vaak als voor de coronapandemie. De stijging in de aantallen komt waarschijnlijk doordat er in 2021 minder coronamaatregelen waren dan in 2020. Zo reisden mensen in 2021 weer vaker naar het buitenland. Evenveel mensen werden ziek van de bacterie Listeria monocytogenes (listeriose). Deze bacterie kan vooral in (gerookte) vis, kaas en langer houdbare vleeswaren zitten. Dat geldt ook voor leptospirose, dat vooral via contact met water en modder wordt opgelopen. Opvallend was dat het aantal infecties met het rotavirus in 2021 weer bijna even hoog was als voor de coronapandemie, vooral bij jonge kinderen. De piek die meestal rond februari te zien, is bleef uit, maar het volgende ‘seizoen’ begon opvallend vroeg, in oktober 2021. Kinderen zijn waarschijnlijk vatbaarder voor een rotavirusinfectie omdat ze sinds het begin van de pandemie minder vaak zijn besmet. In 2021 waren er een aantal opvallende uitbraken van infecties via voedsel. in meerdere landen zijn mensen ziek geworden van Salmonella door Galia meloenen uit Honduras te eten. Daarnaast zijn mensen ziek geworden van Salmonella door eieren te eten van een leghennenbedrijf uit Nederland. Ook was er een uitbraak met Listeria, die waarschijnlijk kwam door het eten van zalm.
    • Interpreting biomonitoring data: Introducing the international human biomonitoring (i-HBM) working group's health-based guidance value (HB2GV) dashboard.

      Nakayama, Shoji F; St-Amand, Annie; Pollock, Tyler; Apel, Petra; Bamai, Yu Ait; Barr, Dana Boyd; Bessems, Jos; Calafat, Antonia M; Castaño, Argelia; Covaci, Adrian; et al. (2022-11-07)
    • Organophosphate insecticides disturb neuronal network development and function via non-AChE mediated mechanisms.

      van Melis, Lennart V J; Heusinkveld, Harm J; Langendoen, Celine; Peters, Anouk; Westerink, Remco H S (2022-11-05)
      Exposure to organophosphate (OP) insecticides has been related to several adverse health effects, including neurotoxicity. The primary insecticidal mode of action of OP insecticides relies on (irreversible) binding to acetylcholine esterase (AChE), with -oxon metabolites having a much higher potency for AChE inhibition than the parent compounds. However, OP insecticides can also have non-AChE-mediated effects, including changes in gene expression, neuroendocrine effects, disruption of neurite outgrowth and disturbance of the intracellular calcium (Ca2+) homeostasis. Since Ca2+ is involved in neurotransmission and neuronal development, our research aimed to assess the effects of two widely used OP insecticides, chlorpyrifos (CPF) and diazinon (DZ) and their respective -oxon metabolites, on intracellular Ca2+ homeostasis in human SH-SY5Y cells and rat primary cortical cultures. Furthermore, we assessed the acute and chronic effects of exposure to these compounds on neuronal network maturation and function in rat primary cortical cultures using microelectrode array (MEA) recordings. While inhibition of AChE appears to be the primary mode of action of oxon-metabolites, our data indicate that both parent OP insecticides (CPF and DZ) inhibit depolarization-evoked Ca2+ influx and neuronal activity at concentrations far below their sensitivity for AChE inhibition, indicating that inhibition of voltage-gated calcium channels is a common mode of action of OP insecticides. Notably, parent compounds were more potent than their oxon metabolites, with exposure to diazinon-oxon (DZO) having no effect on both neuronal activity and Ca2+ influx. Human SH-SY5Y cells were more sensitive to OP-induced inhibition of depolarization-evoked Ca2+ influx than rat cortical cells. Acute exposure to OP insecticides had more potent effects on neuronal activity than on Ca2+ influx, suggesting that neuronal activity parameters are especially sensitive to OP exposure. Interestingly, the effects of DZ and chlorpyrifos-oxon (CPO) on neuronal activity lessened after 48 h of exposure, while the potency of CPF did not differ over time. This suggests that neurotoxicity after exposure to different OPs has different effects over time and occurs at levels that are close to human exposure levels. In line with these results, chronic exposure to CPF during 10 days impaired neuronal network development, illustrating the need to investigate possible links between early-life OP exposure and neurodevelopmental disorders in children and highlighting the importance of non-AChE mediated mechanisms of neurotoxicity after OP exposure.
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG. Periode 2020-2021

      Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-04)
      Het nucleair bedrijf NRG (Nuclear Research and consultancy Group)in Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en de ventilatielucht naar de omgeving loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contraexpertise' controleert het RIVM of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. NRG neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. Net als in eerdere jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2020 en 2021 goed overeen. De totaal-alfa resultaten stemmen redelijk tot goed overeen. De overeenstemming in de totaal-bèta resultaten is matig en kan veel worden verbeterd. Dit resultaat wordt verklaard door de verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De overeenstemming in de 3Hresultaten in afvalwater is redelijk tot goed. De resultaten in ventilatielucht komen goed overeen. Het RIVM heeft in een aantal monsters een lage activiteitsconcentratie aan 131I, 133Xe, 191Os en 203Hg gevonden. Deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG. Het RIVM heeft twee keer een zeer lage totaal-alfa activiteit in ventilatielucht aangetroffen, waar NRG niets vond. De meetwaarden voor zowel totaal-alfa als totaal-bèta in ventilatielucht liggen in de range van wat er in buitenlucht zit en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra-expertises elk jaar uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Smoking-Associated Exposure of Human Primary Bronchial Epithelial Cells to Aldehydes: Impact on Molecular Mechanisms Controlling Mitochondrial Content and Function.

      Tulen, Christy B M; Duistermaat, Evert; Cremers, Johannes W J M; Klerx, Walther N M; Fokkens, Paul H B; Weibolt, Naömi; Kloosterboer, Nico; Dentener, Mieke A; Gremmer, Eric R; Jessen, Phyllis J J; et al. (2022-11-03)
      Chronic obstructive pulmonary disease (COPD) is a devastating lung disease primarily caused by exposure to cigarette smoke (CS). During the pyrolysis and combustion of tobacco, reactive aldehydes such as acetaldehyde, acrolein, and formaldehyde are formed, which are known to be involved in respiratory toxicity. Although CS-induced mitochondrial dysfunction has been implicated in the pathophysiology of COPD, the role of aldehydes therein is incompletely understood. To investigate this, we used a physiologically relevant in vitro exposure model of differentiated human primary bronchial epithelial cells (PBEC) exposed to CS (one cigarette) or a mixture of acetaldehyde, acrolein, and formaldehyde (at relevant concentrations of one cigarette) or air, in a continuous flow system using a puff-like exposure protocol. Exposure of PBEC to CS resulted in elevated IL-8 cytokine and mRNA levels, increased abundance of constituents associated with autophagy, decreased protein levels of molecules associated with the mitophagy machinery, and alterations in the abundance of regulators of mitochondrial biogenesis. Furthermore, decreased transcript levels of basal epithelial cell marker KRT5 were reported after CS exposure. Only parts of these changes were replicated in PBEC upon exposure to a combination of acetaldehyde, acrolein, and formaldehyde. More specifically, aldehydes decreased MAP1LC3A mRNA (autophagy) and BNIP3 protein (mitophagy) and increased ESRRA protein (mitochondrial biogenesis). These data suggest that other compounds in addition to aldehydes in CS contribute to CS-induced dysregulation of constituents controlling mitochondrial content and function in airway epithelial cells.
    • Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2022

      Kommer, GJ; Hulshof, TA; Mohnen, SM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-02)
      Het RIVM berekent elk jaar hoeveel ambulances in Nederland in het volgende jaar nodig zijn. In 2023 zijn dat er op werkdagen overdag 692; 40 meer dan in 2022. Ook op zaterdagen en zondagen zijn overdag meer ambulances nodig dan dat er voor 2022 was berekend met het referentiekader-2021, respectievelijk 40 en 35. Dat komt omdat ambulances er langer over deden om hun bestemming te bereiken. Ook vragen mensen de laatste jaren steeds vaker om een ambulance. Het RIVM berekent deze aantallen ambulances in Nederland met het ‘referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg’. Dit model is gebaseerd op een aantal uitgangspunten voor de Nederlandse ambulancezorg. Een voorbeeld is de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn. Het model schat het benodigde aantal ambulances in op basis van het aantal ambulanceritten en de duur daarvan in het jaar ervoor. Om de duur van een rit goed te kunnen berekenen, wordt een rijtijdenmodel gebruikt dat om de vier jaar wordt ge?pdatet. Dit jaar is met een geactualiseerd rijtijdenmodel gewerkt, dat goed blijkt aan te sluiten op de praktijk. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2022 geactualiseerd met cijfers over het gebruik van ambulancezorg in Nederland in 2021.
    • Capaciteitsmodel meldkamer ambulancezorg 2022

      GJ Kommer; TA Hulshof; SM Mohnen; A de Bekker; SM Mohnen (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-11-02)
      Het RIVM heeft een model ontwikkeld dat kan inschatten hoeveel centralisten op een meldkamer voor ambulancezorg nodig zijn. Centralisten beantwoorden verzoeken van mensen die naar het alarmnummer 112 bellen met een acute medische vraag. Op basis van dit gesprek beoordelen de centralisten of een ambulance nodig is en hoe snel die ter plaatse moet zijn. Voor heel Nederland is het benodigde aantal centralisten op een meldkamer ambulancezorg op werkdagen overdag 122. Het model is ontwikkeld om bij de berekening van het nodige aantal centralisten beter rekening te houden met hun werkdruk. Het model houdt namelijk rekening met werkzaamheden met en zonder spoed, de werkdruk bij pieken en met hersteltijd na emotionele gesprekken. Het RIVM heeft dit model in opdracht van het ministerie van VWS ontwikkeld, samen met de Ambulancezorg Nederland (AZN) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN).
    • The dynamics of scarlet fever in The Netherlands, 1906-1920: a historical analysis.

      McDonald, Scott A; van Wijhe, Maarten; de Gier, Brechje; Korthals Altes, Hester; Vlaminckx, Bart J M; Hahné, Susan; Wallinga, Jacco (2022-11-02)
      Background. Scarlet fever, an infectious disease caused by Streptococcus pyogenes, largely disappeared in developed countries during the twentieth century. In recent years, scarlet fever is on the rise again, and there is a need for a better understanding of possible factors driving transmission. Methods. Using historical case notification data from the three largest cities in The Netherlands (Amsterdam, Rotterdam and The Hague) from 1906 to 1920, we inferred the transmission rate for scarlet fever using time-series susceptible-infected-recovered (TSIR) methods. Through additive regression modelling, we investigated the contributions of meteorological variables and school term times to transmission rates. Results. Estimated transmission rates varied by city, and were highest overall for Rotterdam, the most densely populated city at that time. High temperature, seasonal precipitation levels and school term timing were associated with transmission rates, but the roles of these factors were limited and not consistent over all three cities. Conclusions. While weather factors alone can only explain a small portion of the variability in transmission rates, these results help understand the historical dynamics of scarlet fever infection in an era with less advanced sanitation and no antibiotic treatment and may offer insights into the driving factors associated with its recent resurgence.
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. Periode 2020-2021

      Kwakman, PJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-10-31)
      De fabriek van Urenco Nederland, die uranium verrijkt, meet hoeveel radioactiviteit het naar de omgeving loost via het eigen afvalwater en de ventilatielucht. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die Urenco zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. Urenco neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar 2020 en 2021. De totaal-alfa, totaal-bèta resultaten en de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2020 en 2021 komen goed overeen. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater in de 16 monsters laag zijn: 0,1 – 12 kBq∙m-3 voor totaal-alfa en 0,3 – 8 kBq∙m-3 voor totaal-bèta. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. De resultaten van de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht kwamen redelijk overeen met de RIVM-analyses. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, net als de verhouding tussen de totaal alfa- en totaal bèta-activiteit. De verhouding zou heel anders zijn wanneer uranium vrijkomt. Daarom is het aannemelijk dat er in 2020 en 2021 geen uranium in ventilatielucht is vrijgekomen. RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • De gevolgen van de coronapandemie voor de gezondheid en het welzijn: deel 2. Een literatuurstudie

      Bosmans, M; de Vetten-Mc Mahon, M; Alblas, E; van Duinkerken, A; van Leersum-Bekebrede, L; Heshusius, J; de Kort, E; Rahmon, I; Wentink, B; Willems, P; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-10-31)
      De corona-epidemie heeft effecten op de gezondheid, zowel lichamelijk, als geestelijk en sociaal. Dat kan direct komen door een besmetting met het coronavirus, maar ook indirect door de coronamaatregelen of de dreiging van de crisis. Om de impact van de coronacrisis in beeld te krijgen is het daarom belangrijk om verder te kijken dan alleen de gezondheidseffecten van de infectieziekte. Een brede aanpak is nodig om voor- en nadelen van maatregelen grondig af te wegen en zo de negatieve effecten zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit en meer blijkt uit de tweede inventarisatie van nationale en internationale onderzoeksresultaten over de gezondheidseffecten van de coronacrisis in 2020 en 2021. Dit keer is gekeken naar de effecten bij de hele bevolking, na de eerste inventarisatie over de jeugd. Het onderzoek bevestigt de eerdere conclusie dat de negatieve impact groter is bij kwetsbare groepen in de Nederlandse samenleving, zoals mensen met een laag inkomen. Het is mogelijk dat hierdoor de gezondheidskloof tussen bevolkingsgroepen groter is geworden. Ook zijn bepaalde leeftijdsgroepen harder geraakt. Zo hebben jongeren (tot 17 jaar) en jongvolwassenen (18 tot 25 jaar) vaker last van depressieve gevoelens en angst dan voor de epidemie. Jongvolwassenen en ouderen hebben meer last van eenzaamheid. De studieresultaten van leerlingen op de middelbare school en het hoger onderwijs waren slechter. De uitgestelde zorg en late diagnoses bij bepaalde ziekten (vooral kanker) hebben veel effect gehad op de gezondheid. Dit was vooral zo bij mensen die al ziek waren of tijdens de pandemie ziek zijn geworden. De gezonde levensjaren die hierdoor verloren zijn gegaan zijn niet in te halen. Verder blijkt de helft van de mensen drie maanden na een coronabesmetting nog steeds lichamelijke klachten te hebben, zoals vermoeidheid. Ook zijn veel mensen die in de zorg werken lichamelijk en geestelijk overbelast geraakt. Dit onderzoek is onderdeel van de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19, waarmee de lichamelijke, geestelijke en sociale effecten van de coronacrisis tussen 2021 en 2025 in kaart worden gebracht. Het netwerk GOR-COVID-19 voert de monitor uit. Dit netwerk bestaat uit het Nivel, het RIVM, ARQ (Nationaal Psychotrauma Centrum )Nationaal Psychotrauma Centrum, GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)GHOR (Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio)Nederland en de 25 regionale GGD’en. Dit onderzoek werd uitgevoerd voor de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19. Het netwerk Gezondheidsonderzoek bij Rampen (GOR) – dat bestaat uit het Nivel, RIVM, ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum, de lokale GGD’en en GGD GHOR Nederland – voert deze monitor uit. Dit project wordt gesubsidieerd door ZonMw (Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie)namens het ministerie van VWS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ).
    • TB in migrants residing in the Netherlands for at least 5 years at diagnosis, 2003-2018.

      Willemstein, I J M; de Vries, G; Essink, D R; Slump, E; van Gageldonk-Lafeber, A B; van den Hof, S; van den Boogaard, J (2022-10-31)
      BACKGROUND: One of the challenges of TB elimination in low-incidence countries is the relatively high incidence of TB in migrants in these countries, even after multiple years of residence.OBJECTIVE: To describe and compare TB incidence and characteristics of migrant TB patients residing in the Netherlands for at least (≥)5 years at diagnosis with non-foreign-born TB patients in order to identify additional strategies that could reduce TB incidence in the former group.METHODS: A retrospective cohort study was conducted in migrants from Somalia, Morocco, Suriname, Turkey and Indonesia who were diagnosed with TB in the Netherlands in 2003-2018. TB incidences were calculated and multivariate logistic regression was used to identify differences in characteristics of TB patients per country of birth compared to non-foreign-born patients.RESULTS: TB incidence was highest in individuals from Somalia (162.5/100,000 population in 2018), followed by individuals from Morocco (37.1/100,000). In the non-foreign-born population, TB incidence was 1.2/100,000. Differences in characteristics of TB patients compared to non-foreign-born patients varied by country of birth.CONCLUSION: Our findings underline the importance of being aware of the heterogeneity of TB incidence and characteristics of patients in the migrant population residing ≥5 years in the Netherlands.
    • Approaches to implement safe by design in early product design through combining risk assessment and Life Cycle Assessment.

      Subramanian, Vrishali; Peijnenburg, Willie J G M; Vijver, Martina G; Blanco, Carlos F; Cucurachi, Stefano; Guinée, Jeroen B (2022-10-31)